← België

Arrest 175464 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/10/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.464 Rolnummer: A. 52102/X-9147 Zaak: Arrest 175464 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-22 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:09 Fiche Arrest nr 175.464 van 9 oktober 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 175.464 van 9 oktober 2007 in de zaak A. 52.102/X-

  1. In zake : de n.v. MORE O' FERRALL, die woonplaats kiest bij advocaten F. KENIS en E. VANDEN BRANDE, kantoor houdende te 1040 BRUSSEL, Sint-Michielslaan 55, bus 10 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaten P. VANDECASTEELE en R. BACKAERT, kantoor houdende te 8530 HARELBEKE, Noordstraat
  2. tussenkomende partij : de stad BRUGGE, die woonplaats kiest bij advocaat R. KERSTENS, kantoor houdende te 8310 BRUGGE, Dhoorestraat
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. MORE O' FERRALL op 3 juni 1993 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 1 maart 1993 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden houdende verwerping van haar beroep tegen het besluit van 17 september 1992 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij haar de vergunning is geweigerd voor het regulariseren van een reclamebord op een perceel gelegen te Brugge, Koningin Astridlaan, kadastraal bekend sectie A, nr. 168/k9, en “te zeggen voor recht dat in casu geen dwingende verplichting tot bouwvergunning bestaat in het kader van artikel 44 § 1 wet dd. 29.3.1962 noch in het kader van artikel 44 § 2 wet dd. 29.3.1962”; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 19 augustus 1993 ingediend door de stad Brugge; X-9147-1/7 Gelet op de beschikking van 23 augustus 1993 die de tussenkomst van de stad Brugge toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de beschikking van 22 september 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 1 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 maart 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. VANDEN BRANDE die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat R. BACKAERT die verschijnt voor de verwerende partij, en die eveneens, loco advocaat R. KERSTENS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekster op 1 juni 1992 de regularisatievergunning heeft aangevraagd voor het plaatsen van een reclamebord op de gevel van een gebouw gelegen te Brugge, Koningin Astridlaan, op een perceel kadastraal bekend sectie A, nr. 168/k9; dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge bij besluit van 12 juni 1992 de regularisatievergunning heeft geweigerd; dat de verzoekster op 22 juni 1992 beroep X-9147-2/7 heeft ingesteld tegen deze weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen op 17 september 1992 heeft beslist dit beroep niet in te willigen; dat de verzoekster op 23 oktober 1992 beroep heeft ingesteld tegen deze weigeringsbeslissing bij de Vlaamse regering; dat de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden bij het thans bestreden besluit van 1 maart 1993 het beroep van de verzoekster heeft verworpen; Overwegende dat de Raad van State niet bevoegd is om “te zeggen voor recht dat in casu geen dwingende verplichting tot bouwvergunning bestaat in het kader van artikel 44 § 1 wet dd. 29.3.1962 noch in het kader van artikel 44 § 2 wet dd. 29.3.1962”; Overwegende dat de tussenkomende partij opwerpt dat het bestreden besluit op zich gedragen wordt door het motief dat “kwestieus gebouw zich situeert binnen de omschrijving van het door de Koning vastgesteld landschap nummer 5 waarin overeenkomstig artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 december 1959 en zijn lateren wijzigingen betreffende de regelen toepasselijk in de landschappen en langs toeristische verkeerswegen, het verboden is aanplakbrieven aan te brengen of te behouden en enig ander visueel reclame- of publiciteitsmiddel te gebruiken in landschappen door de Koning aangewezen en aan weerszijden van verkeerswegen die de landschappen begrenzen”, dat tegen dit motief geen middel wordt aangevoerd, zodat het bestreden besluit “niet aan nietigverklaring onderhevig is”; Overwegende dat de verzoekster in een eerste middel aanvoert dat het plaatsen van een reclamebord op een gevel niet vergunningsplichtig is overeenkomstig artikel 44, § 1, van de stedenbouwwet; dat ze in haar memorie van wederantwoord dit middel uitbreidt door te stellen dat het bestreden besluit de onvolledigheid van het bouwdossier vaststelt terwijl dit volledig is; dat ze in een eerste onderdeel van het tweede middel aanvoert dat het plaatsen van een reclamebord op een gevel niet vergunningsplichtig is overeenkomstig artikel 44, § 2, van de stedenbouwwet en in een tweede onderdeel van het tweede middel dat de “gemeentelijke verordening op reclames, uithangborden en andere publiciteitsmiddelen bij ministerieel besluit van 24 juni 1980 (...) goedgekeurd” niet als weigeringsmotief van de vergunning kan dienen; dat derhalve het al dan niet X-9147-3/7 vergunningsplichtig zijn van het plaatsen van een reclamebord op een gevel voorafgaand dient te worden onderzocht; Overwegende dat de verzoekster dienaangaande in haar eerste middel aanvoert dat het bestreden besluit een reclamebord op de zijgevel van een bestaande woning beschouwt als vergunningsplichtig terwijl artikel 44, § 1, van de stedenbouwwet enkel de werken in de grond ingeplant, aan de grond bevestigd, of op de grond steun vindend ten behoeve van hun stabiliteit aan de verplichting tot het bekomen van een bouwvergunning onderwerpt, terwijl, hoewel alle voorwerpen tegen een gevel aangebracht, inbegrepen de reclameborden, uiteindelijk, het weze onrechtstreeks, op de grond rusten, dit niet betekent dat voor al deze voorwerpen een bouwvergunning nodig zou zijn; dat de verzoekster in haar toelichting bij het middel uiteenzet dat uit artikel 4 van de wet van 22 december 1970 tot wijziging van de stedenbouwwet volgt dat enkel aan een bouwvergunning onderworpen zijn, “de werken op, aan of in de grond die bestemd zijn om ter plaatse te blijven staan”, dat elke andere interpretatie erop zou neerkomen dat de bij wet van 22 december 1970 aangebrachte “precisering geen enkele zin of nut zou hebben”, dat een reclamebord aangebracht tegen een bestaand gebouw rust tegen een bestaande muur en niet in de grond is ingebouwd, geen steun vindt op de grond en evenmin aan de grond is bevestigd; dat zij voorts doet gelden dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 1970 blijkt dat “men, na de mogelijkheid te hebben vermeld om bij de gemeentelijke bouwverordening de bouwvergunning op te leggen voor andere werken dan die welke in art. 44 zijn opgesomd, aanstipt dat ‘dit inzonderheid zou kunnen gelden voor het plaatsen van sommige reclame- of aanplakborden’”; dat de verzoekster in haar toelichting bij het middel verder verduidelijkt dat een reclamebord, evenmin als een bloembak, valt onder de vergunningsplicht ingesteld door artikel 44, § 1, van de stedenbouwwet; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat het plaatsen van het kwestieus reclamebord vergunningplichtig is omdat het uitzicht van de gevel door het aanbrengen van een reclamepaneel van dergelijke omvang grondig wordt gewijzigd zodat moet worden aangenomen dat deze werken op dezelfde voet komen te staan als een verbouwing en dat het bord is geplaatst tegen een gevel die zich bevindt op de rooilijn zodat het bord zelf over het openbaar domein hangt, dat uit het aanvraagdossier niet kan worden opgemaakt op welke wijze het reclamebord is geplaatst en de vraag open blijft of het bord op een of andere wijze steun vindt in de grond en dat het X-9147-4/7 aanvraagdossier niet is samengesteld overeenkomstig artikel 2 e.v. van het koninklijk besluit van 6 februari 1971 betreffende de behandeling en de openbaarmaking van de bouwaanvragen en overeenkomstig artikel 6 van de gemeentelijke verordening van 24 juni 1980; Overwegende dat de tussenkomende partij in dezelfde zin argumenteert; Overwegende dat de verzoekster in haar memorie van wederantwoord aan hetgeen zij reeds in haar verzoekschrift heeft uiteengezet in essentie enerzijds toevoegt dat het aanbrengen van een reclamebord niet kan worden aangemerkt als het verbouwen van een bestaand gebouw, dat een verbouwing een wijziging van de structuur van het gebouw impliceert, terwijl in casu niet wordt ingegrepen in de structuur van het gebouw, doch enkel “iets (wordt) (...) toegevoegd dat (...) daarna weer kan afgenomen worden, zonder de structuur van het gebouw te wijzigen” en dat het wijzigen van het uitzicht van een bestaand gebouw, zonder dat dit een wijziging van de structuur van het gebouw met zich brengt, op zich niet vergunningsplichtig is en, anderzijds, dat het bouwdossier dient geacht volledig te zijn vermits de tussenkomende partij een ontvangstbewijs heeft afgeleverd; dat zij ten slotte stelt dat “het indienen van een bouwaanvraag en het instellen van een bouwberoep konform de stede(n)bouwwet niet ipso facto (betekenen) dat er wettelijk ook een verplichting tot het bekomen van de bouwvergunning bestaat”; Overwegende dat in zoverre het middel in de memorie van wederantwoord wordt uitgebreid met de stelling die erin bestaat dat het bestreden besluit de onvolledigheid van het bouwdossier vaststelt terwijl dit volledig zou zijn, het een nieuw middel betreft; dat dit niet van openbare orde is en niet wordt aangetoond dat het niet reeds in het verzoekschrift tot nietigverklaring kon worden ingeroepen; dat het niet ontvankelijk is; Overwegende dat artikel 44, § 1, van de stedenbouwwet, dat een voorafgaande schriftelijke en uitdrukkelijke vergunning van het college van burgemeester en schepenen vereist voor elke constructie of inrichting, die in de grond is ingebouwd, aan de grond is bevestigd of op de grond steun vindt ten behoeve van de stabiliteit, zoals ook het Hof van Cassatie reeds heeft gewezen in zijn arresten van 12 januari 1994 en 7 mei 1996, ook van toepassing is op de X-9147-5/7 reclameborden die, zoals te dezen, met de grond verbonden zijn door de muur van het gebouw waarop zij zijn aangebracht; dat het eerste middel niet gegrond is; Overwegende dat het derhalve zonder belang is of het aanbrengen van een reclamebord op een gevel al dan niet vergunningsplichtig is overeenkomstig artikel 44, § 2, van de stedenbouwwet; Overwegende dat de verzoekster geen kritiek uitoefent op het weergegeven motief in de door de tussenkomende partij opgeworpen exceptie; dat dit motief afdoende is om de bestreden weigeringsbeslissing te dragen; dat derhalve de kritiek van de verzoekster in het tweede onderdeel van het tweede middel zich richt tot een overtollig motief; dat deze kritiek derhalve, mocht zij gegrond worden bevonden, niet tot nietigverklaring kan leiden, BESLUIT: Artikel
  4. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  5. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-9147-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen oktober 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-9147-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.464 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.