← België

Arrest 175501 - Examens (onderwijs) - 09/10/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.501 Rolnummer: A. 185273/XII-5216 Zaak: Arrest 175501 - Examens (onderwijs) - 09/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-12 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 03:12 Fiche Arrest nr 175.501 van 9 oktober 2007 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.501 van 9 oktober 2007 in de zaak A. 185.273/XII-

  1. In zake : Christian VILLANI, die woonplaats kiest bij advocaat S. Verbist, kantoor houdende te Antwerpen, Graaf van Hoornestraat 34 tegen : de PROVINCIE ANTWERPEN, die woonplaats kiest bij advocaat Chr. Coen, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 210 A. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Christian Villani op 27 september 2007 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van : “
  2. De beoordeling zonder gekende datum van de bijkomende geïntegreerde proef zoals opgelegd door de klassenraad in juni 2007 en zoals uitgevoerd door Christian Villani, in de mate deze beslissing een voorbeslissing zou uitmaken t.a.v. de tweede, derde en/of vierde bestreden beslissing en als administratieve rechtshandeling autonoom aanvechtbaar is;
  3. De beslissing dd. 4 september 2007 van de delibererende klassenraad van de Provinciale Technische Scholen Boom voor het 2/ leerjaar van de 3/ graad Elektromechanica TSO waarmee de beslissing van de delibererende klassenraad dd. 29 augustus 2007 om aan Christian Villani een C-attest toe te kennen, wordt gehandhaafd;
  4. Het advies dd. 18 september 2007 van de interne beroepscommissie van de Provinciale Technische Scholen Boom waarmee wordt beslist dat de delibererende klassenraad niet opnieuw dient te worden samengeroepen en de deputatie aldus te adviseren, in de mate deze beslissing een voorbeslissing zou uitmaken t.a.v. de vierde bestreden beslissing en als administratieve rechtshandeling autonoom aanvechtbaar is;
  5. De beslissing dd. 20 september 2007 van de bestendige deputatie van de provincie Antwerpen waarmee wordt besloten dat de delibererende klassenraad van het tweede leerjaar van de derde graad TSO Elektromechanica van de Provinciale Technische Scholen te Boom niet opnieuw dient te worden samengeroepen om te oordelen over het C-attest dat werd toegekend aan Christian Villani”; XII-5216-1\16 Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 1 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 oktober 2007, om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. Tijs, die loco advocaat S. Verbist verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaten J. Deridder en S. Heylen, die loco advocaat Chr. Coen verschijnen voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feitelijke gegevens van de zaak 1.
  6. Verzoeker is leerling, tweede leerjaar van de derde graad electromechanica, aan de Provinciale Technische Scholen te Boom. In juni beslist de delibererende klassenraad om zijn beslissing over het al dan niet slagen van verzoeker uit te stellen en hem bijkomende proeven op te leggen voor aardrijkskunde en technologie elektriciteit en voor de geïntegreerde proef (hierna ook GIP). Voor de uitgestelde proeven aardrijkskunde en technologie elektriciteit haalt verzoeker de tekorten op en behaalt hij resp. 72% en 55%. Voor de GIP kreeg verzoeker initieel 36/100, voor de aanvullende taak wordt hij met de score 35/100 bedacht. 1.
  7. Op 29 augustus 2007 beslist de delibererende klassenraad om verzoeker een oriënteringsattest C toe te kennen. De klassenraad motiveert als volgt : XII-5216-2\16 “HE voor GIP : 35% techn. elektr. 55 % aardrijkskunde 72 % Had 4 opdrachten voor GIP gekregen slechts 1 werd uitgevoerd, 1 aangestipt en 2 niet gedaan. Had zelf de indruk dat hij had afgewerkt zoals gevraagd. Had een gevraagd programma niet gemaakt. Schema van firma was in het Duits en dat begreep hij niet. Het was wel de bedoeling dat hij het zelf maakte. Meer dan de helft afgegeven voor GIP kwam van een firma en was geen eigen werk. Totaal gebrek aan wil en motivatie”. Het overleg tussen verzoeker en de directeur over dit resultaat brengt de directeur er toe de klassenraad andermaal samen te brengen. 1.
  8. Op 4 september 2007 beraadslaagt de klassenraad andermaal en hij beslist het toegekende C-attest te handhaven, nu met de volgende motivering : “Door de ouders werd beroep aangetekend tegen de beslissing van de delibererende KR van 29-08-
  9. Op 3 sept. werd door de moeder [ee]n aanvullend deel van zijn GIP-proef binnengebracht met het verzoek dit nog in te kijken voor de nieuw bijeengeroepen KR van 4/
  10. Zij haalde ook aan dat er spraakverwarring was geweest inzake de opdracht van de GIP. De voorzitter van de GIP-jury haalde aan dat de opdracht van het herexamen voorheen wel degelijk besproken was met Christian en hij op alle vragen antwoord had gekregen, net zoals zijn medeleerlingen. Bv. De opgave van welke veiligheden hij nodig had bij een echte draaideur had hij wel goed maar hij had hierbij zelf een schema moeten opstellen en heeft dat niet gedaan. Hij zei dat hij had begrepen dat hij het elektrisch schema bij een fabrikant moest gaan halen. Hij had zelfs de juiste formulering ‘het opstellen en bespreken van een PLC-programma en een elektrisch schema’ opgenomen in zijn omschrijving van de opdracht. Op het mondelinge gedeelte kon hij het schema ook niet bespreken. Tijdens het mondelinge gedeelte van de herkansing werd gedurende 45’ geprobeerd om zinnige antwoorden te krijgen. Hoewel een powerpoint presentatie deel uitmaakte van zijn herkansingsopdracht heeft hij die niet voorgelegd omdat ze identiek was aan de voorgelegde bladzijden van zijn werk. Op die manier kon hij zijn presentatie niet versterken. Andere leerlingen van zijn klas hadden ze wel gemaakt. Hoeveel kansen moet een leerling krijgen tegenover een andere leerling ? Wanneer de klassenraad de andere punten bekijkt van het rapport is het te begrijpen dat het voor de ouders moeilijk te begrijpen is waarom een C-attest wordt toegekend (= zware beslissing) Maar niet alleen het eindresultaat moet bekeken worden, ook de evolutie en in dit geval betreft het hier een negatieve. Tijdens een delibererende klassenraad wordt veel belang gehecht aan de resultaten van de GIP. Dit in overeenstemming met de omzendbrief van het secundair onderwijs nr. 64 van 25 juni 1999 waarin als leidraad ‘de resultaten van de geïntegreerde proef’ als afzonderlijk en kernitem wordt opgenomen. XII-5216-3\16 Als men deze proef als sollicitatiegesprek zou aanzien zou Christian op dit moment geen baan krijgen. Voor een GIP niet slagen is in dit geval een teken van onvoldoende maturiteit tot het verkrijgen van een diploma S.O. Nergens heeft hij bewezen over de juiste capaciteiten te beschikken en dat hij capabel is om in het bedrijfsleven te stappen. Het op 3 september afgegeven aanvullend stuk kan niet in overweging genomen worden = na datum. Het is tevens een bewijs dat hij beseft dat zijn GIP-proef onzorgvuldig was gemaakt”. 1.
  11. Na de kennisgeving van deze beslissing op 7 september 2007 tekent verzoeker op 13 september 2007 bezwaar aan bij de beroepscommissie. In dit uitvoerig bezwaarschrift zet verzoeker onder meer uiteen dat hij matige tot zeer goede cijfers behaalt voor dagelijks werk, dat er geen neerwaartse trend is, dat hij 66,33% behaalde tijdens de eerste examenreeks met slechts twee beperkte onvoldoendes (elektriciteit en labo) en 62,83% tijdens de tweede examenreeks met een beperkte onvoldoende voor wiskunde en een grote voor aardrijkskunde terwijl de eerdere onvoldoendes waren weggewerkt, dat hij zijn herexamens met succes heeft afgelegd, dat hij een ronduit positief stageverslag heeft gekregen en dat hij voor de GIP de vooraf gestelde eisen heeft vervuld. Het bezwaarschrift citeert ook bepalingen van het schoolreglement waaruit volgens verzoeker volgt dat vier onderdelen een belangrijk aandeel kennen in de eindevaluatie, met name de permanente evaluatie, de proefwerken, de stage en de GIP. Onder aanvoeren van rechtspraak van de Raad van State zet verzoeker voorts uiteen dat hij drie van die vier onderdelen goed tot zeer goed scoorde en dat de klassenraad zich niet op het ene onvoldoende onderdeel - de GIP - mag baseren waarvan overigens geen gedateerd en ondertekend juryverslag voorligt. Verzoeker resumeert dat de bestreden beslissing de resultaten van dagelijks werk, de examens en de evaluatie van het stageverslag miskent, dat de bemerking dat hij niet heeft bewezen over de juiste capaciteiten te beschikken om het bedrijfsleven in te stappen volstrekt onverenigbaar is met het stageverslag en dat de opmerking over de negatieve evolutie volstrekt onverenigbaar is met de resultaten van de examens en de herexamens. Verzoeker wordt uitgenodigd om op 18 september 2007 te worden gehoord door de beroepscommissie. 1.
  12. Ook op 18 september 2007 adviseert de beroepscommissie dat de delibererende klassenraad niet opnieuw dient te worden samengeroepen. XII-5216-4\16 1.
  13. Op 20 september 2007 beslist de deputatie om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen. Die beslissing luidt : “Kennis wordt genomen van het aangetekend schrijven van 13 september 2007 waarbij meester Stijn Verbist namens zijn cliënt Christian Villani, beroep instelt tegen de beslissing dd. 4 september 2007 van de delibererende klassenraad van de Provinciale Technische Scholen te Boom voor het tweede leerjaar van de derde graad TSO Elektromechanica waarbij de beslissing van de delibererende klassenraad dd. 29 augustus 2007 wordt gehandhaafd om aan Christian Villani een C-attest toe te kennen. Tevens wordt kennis genomen van het dossier en van het proces-verbaal opgemaakt door de bestuurscommissie van de Provinciale Technische Scholen te Boom, handelend als interne beroepscommissie in vergadering van 18 september 2007, waarin het verweer van de betrokken leerling, zijn ouders en de raadsman werd genotuleerd. Gelet op de ingebrachte verweermiddelen, Gelet op " enerzijds het dossier bestaande uit het aangetekend schrijven dd. 13 september van Stijn Verbist, raadsman van Christian Villani, met bijhorende stukken genummerd : 1, 2, 3/a, 3/b, 3/c, 4, 5/a, 5/b, 5,c, 5,d 6 en 7; " het dossier van de Provinciale Technische Scholen te Boom betreffende Christian Villani, omvattende volgende stukken : A. Kennisgeving resultaat delibererende klassenraad 4/9/07 B. Notulen delibererende klassenraad 4/9/07 C. Ontvangstbewijs afgifte aanvulling GIP 3/9/07 D. Kennisgeving resultaat overleg directeur dd 31/8/07 E. Rapport 31/8/07 F. Bemerkingen 2006-2007 G. Argumentatie dd. 30/8/07 van Christian Villani t.a.v. klassenraad H. Notulen deliberatie 29/8/07 (extra notities) I. Rapport Geïntegreerde Proef J. Uitgestelde beslissing GIP - verantwoording resultaat K. Notulen deliberatie 25/6/07 (extra notities) L. Notulen GIP 18/6/07; " anderzijds dat de door verwerende partij aangebrachte argumenten tijdens de hoorzitting op 18 september 2007 niet van aard zijn om te veronderstellen dat de genomen beslissing van de delibererende klassenraad niet verantwoord is en strijdig zou zijn met de beginselen van behoorlijk bestuur; " tenslotte dat tijdens het verweer van de heer Christian Villani, zijn ouders en zijn raadsman, blijkens het proces-verbaal opgemaakt tijdens de zitting van de bestuurscommissie van 18 september 2007, geen nieuwe elementen aan het licht kwamen die van aard zouden kunnen zijn om een nieuwe beraadslaging van de delibererende klassenraad te verantwoorden; Gelet op het advies van de interne beroepscommissie van de Provinciale Technische Scholen te Boom in vergadering van 18 september 2007 waarin gesteld wordt dat : " na grondige overweging van het dossier, waaruit een licht tekort blijkt op ‘dagelijks werk technologie elektriciteit’ en een zeer zwaar tekort zowel op de geïntegreerde proef (GIP) als op de aanvullende proef GIP, en de ingebrachte verweermiddelen de beroepscommissie oordeelt dat de delibererende klassenraad een grondig overwogen en gefundeerde beslissing heeft getroffen en dat bij het verweer geen elementen zijn aangebracht die van aard zijn dat zij de genomen beslissing zouden kunnen veranderen; XII-5216-5\16 " overwegende dat de omzendbrief SO 64 van 25/06/1999 onder punt 8.1.1 ondermeer het volgende bepaalt : ‘Het resultaat van de geïntegreerde proef zal echter onverminderd een belangrijk element betekenen in de beslissing van de delibererende klassenraad over de leerling in kwestie’, en ‘De geïntegreerde proef is totaal inherent aan het toetsingsmechanisme rond het al dan niet voldaan hebben voor het ‘geheel van de vorming’, daar niet leidend tot een apart studiebewijs; vermits deze proef daarenboven een vakoverschrijdend karakter draagt, wordt ze getypeerd als zijnde ‘geïntegreerd’.’ " Overwegende dat het de bedoeling van de geïntegreerde proef is om op een synthetische en realiteitsgebonden wijze te toetsen in welke mate een leerling de beoogde vormingscomponenten van een studierichting heeft verworven; " Overwegende dat zowel uit de notulen van de beoordeling van de GIP op 18/6/2007 als uit de notulen van de deliberatie van 29 augustus 2007 en de verantwoording van het resultaat van de aanvullende proef GIP blijkt dat de uitwerking van de opdrachten totaal onvoldoende was; " overwegende dat uit het verweer duidelijk gebleken is dat de leerling zelf geen enkel initiatief heeft genomen om begeleiding vanuit de school te bekomen bij het uitwerken van de aanvullende proef GIP terwijl net het ontbreken van die begeleiding wordt aangeklaagd; " Overwegende dat uit de notulen van de extra delibererende klassenraad van 4 september 2007 blijkt dat de genomen beslissing zorgvuldig werd afgewogen en gemotiveerd; " dat om die redenen de beroepscommissie unaniem beslist dat de delibererende klassenraad niet opnieuw dient te worden samengeroepen en de deputatie aldus te adviseren; wordt besloten dat de delibererende klassenraad van het tweede leerjaar van de derde graad TSO Elektromechanica van de Provinciale Technische Scholen te Boom niet opnieuw dient te worden samengeroepen om te oordelen over het C-attest dat werd toegekend aan Christian Villani”. Die beslissing wordt nog dezelfde dag aan verzoeker aangezegd. De ontvankelijkheid
  14. De Raad van State bevestigt ook voor deze zaak de redengeving die hij heeft ontwikkeld, onder meer in de arresten nr. 103.155, Labaere, van 5 februari 2002, en nr. 126.481, Verlende, van 16 december 2003, dat de artikelen 68 en volgende van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (hierna: organisatiebesluit) een beroep binnen de school organiseren tegen beslissingen van de delibererende klassenraad, dat de beslissing waarmee de desbetreffende procedure wordt afgesloten, de eindbeslissing is, vatbaar voor beroep voor de Raad van State en dat die eindbeslissing kan zijn, ofwel de “definitieve beslissing ten aanzien van de betrokken leerling” van de delibererende klassenraad is (artikel 74 van het organisatiebesluit), ofwel de beslissing van de inrichtende macht dat de XII-5216-6\16 delibererende klassenraad niet opnieuw dient samen te komen met het oog op het nemen van een definitieve beslissing (artikel 73, tweede lid, van het organisatiebesluit). Zulks betekent dat de vordering niet ontvankelijk is voor zover ze is gericht tegen de eerste drie bestreden beslissingen. Zoals de Raad in voornoemd arrest nr. 103.155 overigens ook heeft opgemerkt, kunnen de onwettigheden die verzoeker de beslissing van de delibererende klassenraad aanwrijft echter wel in aanmerking worden genomen voor de beoordeling van de wettigheid van de bestreden eindbeslissing : wanneer immers de delibererende klassenraad onwettig heeft gehandeld -in de huidige stand van de rechtspleging: lijkt te hebben gehandeld- moest zulks voor het schoolbestuur een reden zijn om die klassenraad opnieuw te doen samenkomen. Hetzelfde geldt voor de beslissing van de jury betreffende de GIP : mocht de klassenraad voor de GIP een score in aanmerking hebben genomen die niet regelmatig is -c.q.: lijkt te zijn- vastgesteld, dan kleurt die onwettigheid ook af op de eindbeslissing gelet op het doorslaggevend gewicht dat te dezen aan de GIP-score is gegeven. De schorsingsvoorwaarden
  15. Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Beoordeling van de eerste en de derde schorsingsvoorwaarde
  16. Wat de eerste en de derde voorwaarde betreft, beroept verzoeker zich met goed gevolg op het dreigend verlies van een schooljaar en de rechtspraak van de Raad van State desbetreffend. Verwerende partij bestrijdt dit overigens niet. Deze voorwaarden zijn vervuld. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde Standpunt van de partijen XII-5216-7\16 5.1.
  17. Verzoeker voert als eerste middel de schending aan van de formele én van de materiële motiveringsplicht evenals van de zorgvuldigheidsplicht, omdat hem voor de aanvullende opdracht voor de GIP een evaluatie werd toegekend door de jury zonder dat een gedateerd juryverslag voorligt. Bovendien heeft het externe jurylid niet mee ondertekend. Verwerende partij toont volgens verzoeker niet aan dat dit document werd opgesteld en ondertekend voor 4 september
  18. Het werd slechts aan verzoeker overgemaakt naar aanleiding van de hoorzitting op 18 september
  19. 5.1.
  20. Verzoeker voert vervolgens wat de Raad beschouwt als een tweede middel de schending aan van artikel 5, § 5, van het “organisatiebesluit secundair onderwijs”, van het schoolreglement en, andermaal, van de formele en van de materiële motiveringsplicht en van het redelijkheidsbeginsel. Dit volgens verzoeker “enig middel” expliciteert hij vervolgens afzonderlijk in drie onderdelen, te weten “inzake de tweede bestreden beslissing”, “inzake de derde bestreden beslissing” en “inzake de vierde bestreden beslissing”. Aan de delibererende klassenraad verwijt verzoeker zich in de beslissing van 4 september 2007 uitsluitend te hebben gebaseerd op de resultaten van de GIP, terwijl het dossier ook de resultaten van de examens, het stageverslag, het dagelijks werk en de opmerkingen van de klasdirecteur op de rapporten bevat en daar totaal geen rekening mee is gehouden. De opmerking dat hij niet heeft bewezen over de juiste capaciteiten te beschikken en dat hij capabel is om het bedrijfsleven in te stappen is volstrekt onverenigbaar met het positieve stageverslag. Het schoolreglement somt vier evaluatiecriteria op -permanente evaluatie, proefwerken, stageverslag en GIP- en het is kennelijk onredelijk om abstractie te maken van de drie andere, voor hem positieve criteria. Dat de evolutie “een negatieve” zou zijn is volstrekt onverenigbaar met de resultaten van de examens en de herexamens: er is zelfs een licht positieve evolutie. Verzoeker zoekt voor zijn betoog steun in het arrest nr. 151.060 van 8 november
  21. Tenslotte wijst hij op tegenspraak tussen het juryverslag over de GIP en de beslissing van de klassenraad over zijn mondelinge verdediging. Aan de beroepscommissie verwijt verzoeker dat hij al de voorgaande argumenten expliciet heeft geformuleerd en dat de beroepscommissie deze volkomen heeft genegeerd in haar advies. De referentie aan de omzendbrief van 25 juni 1999, aan de bedoeling van de GIP en aan zijn beweerd gebrek aan XII-5216-8\16 initiatief voor begeleiding zijn overwegingen die geen antwoord geven op zijn argumenten. De omzendbrief heeft overigens geen kracht van wet. Ook de beroepscommissie miskent drie van de vier evaluatiecriteria. Aan de deputatie verwijt verzoeker dat ze het onwettige advies van de beroepscommissie bevestigt. Ook de deputatie heeft zijn argumentatie geheel genegeerd. 5.
  22. Verwerende partij legt een juryverslag neer dat ook is ondertekend door het externe jurylid. Volgens haar blijkt uit de opeenvolgende stukken van het administratief dossier genoegzaam dat het juryverslag werd opgemaakt na de voorstelling van de GIP en voor de beslissing van de delibererende klassenraad. Verwerende partij citeert de omzendbrief SO 64 structuur en organisatie van het secundair onderwijs (25 juni 1999), die nopens de evaluatie verduidelijkt als volgt : “Evaluatie en bekrachtiging van de studies. 8.
  23. Algemene beginselen. 8.1.
  24. De concipiëring van de evaluatiecriteria, zoals de eventuele organisatie van examens of proeven tijdens en/of op het einde van het schooljaar, vormt een aangelegenheid waarvoor niet de overheid doch wel de inrichtende machten van het onderwijs bevoegd zijn. Eén uitzondering in het voltijds secundair onderwijs : in een aantal leerjaren en onderwijsvormen moet een geïntegreerde proef worden georganiseerd waaraan deelname, uit hoofde van de definitie van de regelmatige leerling, verplichtend wordt gesteld. Deze leerjaren zijn : [...] - het tweede leerjaar van de derde graad van het technisch, het kunst- en het beroepssecundair onderwijs; [...] Bedoelde proef, slaande op vakken en specialiteiten van het specifiek gedeelte (= de studierichting), kan diverse vormen aannemen, b.v. een eindwerk. Het resultaat van de geïntegreerde proef zal echter onverminderd een belangrijk element betekenen in de beslissing van de delibererende klassenraad over de leerling in kwestie. De geïntegreerde proef wordt beoordeeld door de leraars die de betrokken vakken onderwijzen, evenals door deskundigen op het terrein van de te beoordelen kwalificatie. Deze buitenstaanders die dus niet tot de desbetreffende onderwijsinstelling behoren, mogen numeriek het aantal leraars niet overschrijden en worden in de loop van het schooljaar aangeduid door de inrichtende macht of haar afgevaardigde. Vermits de geïntegreerde proef meestal niet slechts een momentopname is, doch een proces dat zich over een langere periode tijdens het schooljaar XII-5216-9\16 uitstrekt, zal de inrichtende macht of haar afgevaardigde autonoom bepalen op welke wijze de betrokkenheid van de deskundigen bij dit proces wordt geconcretiseerd. [...] De geïntegreerde proef is totaal inherent aan het toetsingsmechanisme rond het al dan niet voldaan hebben voor ‘het geheel van de vorming’, daar niet leidend tot een apart studiebewijs; vermits deze proef daarenboven een vakoverschrijdend karakter draagt, wordt ze getypeerd als zijnde ‘geïntegreerd’”. Zij herneemt ook de door verzoeker aangevoerde passage van het schoolreglement : “Naast de permanente evaluatie en de proefwerken gaat, in bepaalde leerjaren, aparte aandacht uit naar de evaluatie van de stages en de geïntegreerde proef. Deze hebben een belangrijk aandeel in de eindevaluatie”. Volgens verwerende partij toont verzoeker niet aan dat geen rekening zou zijn gehouden met alle gegevens van het dossier. Bovendien zijn de omzendbrief en het schoolreglement zeer duidelijk: de GIP vormt een verplicht en belangrijk onderdeel van het leerprogramma en bij de evaluatie dient de klassenraad er dan ook een bijzondere aandacht aan te schenken. De GIP is een werkstuk waarin de kennis van de verschillende vakken aan bod komt en met deze proef bewijst de leerling dat hij de leerstof van de verschillende vakken op een zelfstandige wijze kan aanwenden voor het uitvoeren van een opdracht. In die zin is zij dan ook totaal inherent aan het al dan niet voldaan hebben voor “het geheel van de vorming”. Een zware onvoldoende voor de GIP is dan ook een zeer belangrijke aanwijzing voor de klassenraad dat de leerling niet klaar is om het bedrijfsleven in te stappen. Dat de klassenraad wel degelijk zeer zorgvuldig is te werk gegaan, blijkt ook uit het feit dat verzoeker de mogelijkheid heeft gekregen een uitgestelde proef af te leggen waarmee hij een extra kans kreeg om zich te bewijzen. Tegen de beroepscommissie wordt het middel volgens verzoekster onontvankelijk aangevoerd, nu deze alleen advies geeft aan de deputatie. Verzoeker vergeet volgens verwerende partij ook dat een overheid geenszins verplicht is om te antwoorden op alle grieven of middelen die hij opwerpt. Het volstaat dat de deputatie in de beslissing om de klassenraad niet opnieuw samen te roepen de motieven opneemt die de beslissing kunnen dragen. Te dezen is de XII-5216-10\16 motivering duidelijk. Verwerende partij merkt op, ten overvloede volgens haar, dat de resultaten van verzoeker voor dagelijks werk een daling aangeven bij 14 van de 19 vakken van periode twee naar drie en bij 7 vakken van periode drie naar vier, dat de resultaten bij de examens op de helft van de vakken daalde en dat ook het resultaat voor de GIP is gedaald. Beoordeling
  25. Het bedoelde document “verantwoording van het resultaat” is oorspronkelijk ondertekend door zes juryleden en kan dus prima facie alleszins aan hen worden toegeschreven. Het is niet gedateerd. Ondertussen heeft verwerende partij er zorg voor gedragen dat ook het externe jurylid het juryverslag mee heeft ondertekend. De voorzitter van de GIP-jury heeft blijkens de notulering van de beslissing van 4 september 2007 ook een toelichting gegeven van verzoekers prestatie, waartegen verzoeker in voorliggend verzoekschrift geen grief ontwikkelt. In die omstandigheden volstaat het loutere ontbreken van een datum op het juryverslag in de huidige stand van de procedure niet om de Raad van State er aan te doen twijfelen of het bedoelde document niet rechtsgeldig de mening van de jury zou weergeven. Verzoeker had voorts kennis van het document op de hoorzitting en op het eerste gezicht heeft hem dit niet geschaad om zijn zaak voor de beroepscommissie of thans voor de Raad uiteen te zetten. Het eerste middel is niet ernstig.
  26. Voor het overige voert verzoeker tegen de hem gegeven score van de geïntegreerde proef geen middelen aan, zodat voor het debat wordt aangenomen dat hem terecht 35/100 is toegekend.
  27. Van de zijde van verwerende partij wordt dan weer ter terechtzitting erkend dat haar geen regel bekend is die het loutere niet slagen op de GIP gelijk stelt met het behalen van een C-attest. Alleszins steunt het betoog van verwerende partij er niet op dat dit het uitgangspunt was van de deliberatie.
  28. Door te alluderen op de rechtspraak van de Raad van State, verwoord in het arrest nr. 151.060, Vanlook, van 8 november 2005, concentreert verzoeker zich op het gegeven dat hij uiteindelijk enkel voor de GIP niet voldoet en dat hij voor drie andere evaluatiecriteria wél voldoet. Verzoeker kan dit arrest -en XII-5216-11\16 dus de daarin ontwikkelde redenering van de Raad- echter niet zonder meer transponeren naar zijn situatie, zo lijkt. De Raad gaf immers een lezing van artikel 57 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (het organisatiebesluit) “onverminderd het voor deze zaak niet relevante artikel 56”. Nu lijkt voor de thans voorliggende zaak artikel 56 van het organisatiebesluit wél relevant te zijn, waar het stelt : “ §
  29. Een geïntegreerde proef wordt ingericht in : [...] b) het tweede leerjaar van de derde graad van het technisch, het kunst- en het beroepssecundair onderwijs; [...] §
  30. De onder § 1 bedoelde proef slaat op vakken van het fundamenteel gedeelte van de optie, dat de gekozen studierichting bepaalt, zoals bedoeld in artikel 48, 7/, van voornoemd decreet van 31 juli
  31. Deze proef, die ook de vorm van een eindwerk mag aannemen, wordt beoordeeld door de leraars die de betrokken vakken onderwijzen evenals door deskundigen op het vlak van de te beoordelen kwalificatie, die in aantal het aantal leraars niet mogen overschrijden en die niet tot de betrokken onderwijsinstelling behoren. [...] Het resultaat van de proef zal een belangrijk element betekenen in de beslissing van de delibererende klassenraad”. Ook uit het schoolreglement blijkt het belang van de geïntegreerde proef. Verzoeker stelt echter prima facie terecht dat het schoolreglement zo niet evenveel dan ten minste evenzeer belang hecht aan de proefwerken, het dagelijks werk en het stageverloop. Zoals de Raad van State reeds eerder heeft uiteengezet, bij voorbeeld in het arrest nr. 153.126, Vanlook, van 22 december 2005, kan zelfs één tekort reden zijn om een leerling niet geslaagd te verklaren, als ten minste daarvoor specifieke redenen voorhanden zijn, waarbij de Raad overwoog en overweegt “dat die reden kan te vinden zijn in de aard van het vak zelf, bij voorbeeld wegens zijn aandeel in de totale studie, omwille van zijn belang voor de gekozen richting of omwille van de specifieke kunde die het bedoelde opleidingsonderdeel wil en moet uittesten; dat men bij wijze van voorbeeld kan denken aan opleidingsonderdelen zoals een stage, een thesis of voor de opleiding noodzakelijke praktische vaardigheden”. Welnu, artikel 56 van het organisatiebesluit en de geciteerde passus van het schoolreglement spreken alleszins niet tegen dat aan de resultaten voor de GIP een zodanig belang wordt toegemeten dat het in grote mate het eindresultaat van de leerling bepaalt. Zulks kan met des te meer reden worden gesteld nu verzoekers tekort op de GIP allesbehalve marginaal te noemen is. XII-5216-12\16 Eveneens blijft de Raad ook voor deze zaak bij wat hij ook vroeger al heeft overwogen, in zijn arrest nr. 162.923, Parmentier, van 28 september 2006, “dat een klassenraad inderdaad niet [...] bij de deliberatie over elke leerling een boek moet schrijven om zijn beslissing te verantwoorden; dat dit bezwaar precies wordt ondervangen door de in het organisatiebesluit opgenomen beroepsprocedure die, eerst via mondeling overleg en in voorkomend geval vervolgens met een advies van de beroepscommissie, een beslissing van het schoolbestuur of een nieuwe beraadslaging van de klassenraad, bij betwisting en enkel in dat geval de school moet brengen tot nadere explicitering van een oorspronkelijk misschien te beknopte en daardoor voor de leerling onaanvaardbare motivering; dat, met andere woorden, wil zij enig nut hebben, de bij het organisatiebesluit geregelde beroepsprocedure er in ieder geval op gericht moet zijn om de klachten en de argumenten van een leerling te onderzoeken; dat verzoekster dienvolgens ergens in de loop van de beroepsprocedure een antwoord op haar klachten diende te vinden; dat, zo het bestuur niet ‘stuk voor stuk’ élke grief moet beantwoorden, vooralsnog wordt aangenomen dat alleszins de motivering er blijk van moet geven dat die grieven in overweging zijn genomen en in de beoordeling betrokken en dat ten minste een uitdrukkelijke repliek volgt op de vragen die voor de leerling blijkens zijn beroepsschrift van wezenlijk belang zijn, wat te dezen in elk geval zo is voor de twee genoemde grieven die, mochten zij gegrond zijn, mogelijk tot een voor de leerling beter resultaat leiden”. Nu alleszins niet wordt beweerd door verwerende partij dat het slagen op de geïntegreerde proef hoe dan ook is vereist om een diploma te kunnen behalen, ziet de Raad evenmin enige reden om af te wijken van zijn in menig arrest geargumenteerde visie op artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit, welke er op neer komt dat de delibererende klassenraad bij zijn beraadslaging rekening moet houden met álle elementen van het dossier van de leerling: te dezen niet alleen de geïntegreerde proef, maar ook de resultaten voor dagelijks werk, examens en stage.
  32. Verder toegepast op de voorliggende zaak brengen de sub 9 uitgezette bakens de Raad tot volgende voorlopige conclusies. Uit de formele motivering van de beslissing van 4 september 2007 kan worden afgeleid dat de resultaten voor de geïntegreerde proef volgens de delibererende klassenraad voldoende rechtsgrondslag kon vormen voor het afleveren van een C-attest. XII-5216-13\16 Aan de delibererende klassenraad, beslissende vooraleer een beroepsprocedure is opgestart, kan niet aangewreven worden dat hij onredelijk handelt of tekort schiet aan de hem opgelegde formele motiveringsplicht wanneer hij aan verzoeker een C-attest uitreikt met de hiervoor geciteerde summiere motivering. Louter gesteund op de vermeende onredelijkheid of gemis aan formele motivering van de beslissing van 4 september 2007 is het middel niet ernstig. Verzoeker stelt evenwel op het eerste gezicht terecht dat uit de notulering van die beslissing niet duidelijk kan worden afgeleid of de klassenraad daarbij ook wel op zorgvuldige wijze de resultaten heeft in rekening gebracht van de proefwerken, het dagelijks werk en de stage. De evolutie van verzoeker voor de GIP was dalende, maar die formulering is zo algemeen gesteld dat ze ook betrokken zou kunnen worden op de andere resultaten. Dit is echter onwaarschijnlijk, nu de grief van verzoeker precies luidt dat de klassenraad niét heeft gekeken naar de overige resultaten. De klassenraad kan er ook een andere mening op nahouden dan de stagemeester in zijn stageverslag, maar hij heeft zich er niet om bekommerd de reden voor dit verschil in visie expliciet te verwoorden. Anders wordt het daarom wanneer verzoeker zijn grieven nauwgezet formuleert in de beroepsprocedure, uitdrukkelijk opwerpt dat drie van de vier deliberatiecriteria niet in aanmerking zouden zijn genomen, de beweerd negatieve trend van zijn resultaten strijdig noemt met zijn effectieve prestaties en zijn beweerd falen voor het bedrijfsleven onterecht noemt gelet op zijn positieve stageverslag. Deze grieven lijken alle van aard te zijn dat ze, mochten ze gegrond worden bevonden, aan verzoeker een nieuwe kans opleveren voor een gunstiger uitvallende deliberatie. De deputatie lijkt het antwoord van de beroepscommissie daarop te hebben hernomen en zich eigen te hebben gemaakt. Gericht tegen het advies van de beroepscommissie heeft verzoeker dan ook geen belang bij zijn middel. De Raad van State neemt echter vooralsnog aan dat de deputatie, geconfronteerd met verzoekers bezwaren, niet anders had kunnen vaststellen dan dat de klassenraad deze niet uitdrukkelijk in zijn beslissing heeft ontmoet. De deputatie kan niet in de plaats van de klassenraad oordelen over het al dan niet geslaagd zijn van verzoeker. De klassenraad moest bijgevolg gevraagd worden, zo lijkt, nader te motiveren of op 4 september 2007 wel degelijk overeenkomstig het gestelde in XII-5216-14\16 artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit en het schoolreglement alle resultaten van verzoeker bij de beslissing in rekening waren gebracht en in dat geval uiteen te zetten waarom niettemin een C-attest wordt afgegeven of, alternatief, te erkennen dat enkel naar de resultaten van de GIP zijn gekeken in welk geval de klassenraad een nieuwe beraadslaging over verzoeker moet houden die ook diens overige resultaten in de beoordeling meeneemt. De klassenraad moest ook gevraagd worden, zo lijkt, nader te expliciteren waar hij de beweerd negatieve trend van verzoekers resultaten situeert en hoe de tegenspraak verklaard wordt tussen zijn visie en de visie van de stagemeester op verzoekers presteren in het bedrijfsleven.
  33. Betrokken op de beslissing van de deputatie is het middel in de besproken mate ernstig.
  34. Er is ten aanzien van het vierde voorwerp van de vordering voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  35. Bevolen wordt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 20 september 2007 waarbij de deputatie van de provincieraad van de provincie Antwerpen beslist dat de over Christian Villani delibererende klassenraad van de Provinciale Technische Scholen te Boom niet moet worden samengeroepen. Artikel
  36. De vordering tot schorsing wordt voor het overige verworpen. XII-5216-15\16 Artikel
  37. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen oktober 2007, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5216-16\16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.501 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.478 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.