id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.600 Rolnummer: A. 68640/X-6510 Zaak: Arrest 175600 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-18 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:13 Fiche Arrest nr 175.600 van 10 oktober 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.600 van 10 oktober 2007 in de zaak A. 68.640/X-
- In zake : Johan WIJNS, wonende te 3000 LEUVEN, Naamsevest 54/1 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. DECLERCQ, kantoor houdende te 3010 LEUVEN, Tiensesteenweg
- ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE RAAD VAN STATE, Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Johan WIJNS op 22 april 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 16 februari 1996 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van zijn beroep tegen de beslissing van 17 november 1994 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven houdende weigering van de regularisatievergunning voor een dakuitbouw aan een woning gelegen aan de Naamsevest 52 te Leuven, kadastraal bekend sectie C, nr. 495/t2; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 1 maart 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories van de partijen; Gelet op de beschikking van 16 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 december 2006; X-6510-1/10 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. VAN HOOF, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat G. HAVET, die loco advocaat P. DECLERCQ verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoeker op 12 september 1994 de vergunning vraagt voor het regulariseren van een dakuitbouw aan een woning, gelegen aan de Naamsevest 52 te Leuven, kadastraal bekend sectie C, nr. 495/t2; dat het betrokken perceel volgens de bepalingen van het gewestplan Leuven is gelegen in woongebied; dat het gebied waarin het perceel is gelegen, niet het voorwerp uitmaakt van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg; dat het perceel evenmin is gelegen binnen het gebied van een behoorlijk vergunde verkaveling; dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven op 17 november 1994 de gevraagde vergunning na een ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar, weigert; dat de verzoeker op 18 januari 1995 tegen deze weigeringsbeslissing beroep instelt bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant; dat de verzoeker bij gebrek aan enige kennisgeving van een beslissing door de bestendige deputatie binnen een termijn van 75 dagen, zoals bepaald in artikel 55, §1, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (hierna : Stedenbouwwet), op 24 april 1995 beroep instelt bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening; dat het beroep van de verzoeker met een ministerieel besluit van 16 februari 1996 wordt verworpen; dat dit de bestreden beslissing is; 2.1.
- Overwegende dat de verzoeker in een eerste middel de schending van het beginsel “non bis in idem” opwerpt en dit als volgt toelicht: “DOORDAT de bouwvergunning bij beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen te Leuven d.d. 17/11/1994 opnieuw werd geweigerd om steeds dezelfde redenen als bij de eerste beslissing d.d. 18/03/1993 en bijgevolg gewoonweg de motieven werden overgenomen die hebben geleid tot het weigeren van de initiële bouwaanvraag, TERWIJL de motieven die hebben geleid tot het weigeren van de initiële bouwaanvraag reeds werden weerlegd door zowel de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Brabant als door de bevoegde Vlaamse Minister (non bis in idem)”; X-6510-2/10 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat het eerste middel niet-ontvankelijk is omdat niet wordt uiteengezet welke rechtsregel op welke wijze zou zijn geschonden, dat de verzoeker ten onrechte stelt dat in de bestreden beslissing dezelfde motieven als in de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 18 februari 1993 zijn overgenomen, dat de bestreden beslissing op een eigen, volledige en afdoende motivering is gesteund, dat het beginsel “non bis in idem” enkel inhoudt dat een overheid geen twee keer over hetzelfde voorwerp kan oordelen, dat in casu de verzoeker eerst een bouwvergunning heeft gevraagd en gekregen en nadien de regularisatie van een niet-vergunde dakconstructie heeft gevraagd en dat het derhalve niet relevant is als de motivering deels zou overeenstemmen met de motivering van de beslissing over de vroegere aanvraag met een ander voorwerp; 2.1.
- Overwegende dat de verzoeker in de memorie van wederantwoord toevoegt dat het voorwerp van de initiële aanvraag verschilt van dat van de regularisatieaanvraag, dat het college van burgemeester en schepenen op 17 november 1994 de regularisatievergunning echter om dezelfde redenen heeft geweigerd als in zijn beslissing van 18 maart 1993 over de oorspronkelijke vergunningsaanvraag, dat de motieven van de beslissing van 18 maart 1993 zijn weerlegd door de bestendige deputatie op 19 augustus 1993 en door de huidige verwerende partij op 23 maart 1994 en dat dezelfde motieven geen tweede keer mogen worden aangewend op straffe van schending van het algemeen rechtsbeginsel “non bis in idem” en van het rechterlijk gewijsde van de beslissing van de verwerende partij van 23 maart 1994; 2.1.
- Overwegende dat de verzoeker in zijn laatste memorie niet op het eerste middel ingaat; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie niet op het eerste middel ingaat; 2.1.
- Overwegende dat de verzoeker in het eerste middel enkel kritiek uitbrengt op de in eerste aanleg genomen beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven van 17 november 1994; dat tegen die beslissing een georganiseerd administratief beroep openstaat, waarvan de verzoeker gebruik heeft gemaakt en dat tot de bestreden beslissing heeft geleid; dat het eerste middel niet ontvankelijk is, alleen al omdat het niet tegen de bestreden beslissing is gericht; X-6510-3/10 2.2.
- Overwegende dat de verzoeker in een tweede middel de schending van artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : Inrichtingsbesluit) opwerpt en dit als volgt toelicht: “DOORDAT het bestreden Ministerieel Besluit specifieke beperkingen inzake hoogte oplegt aan verzoeker, TERWIJL artikel 5 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 noch enig goedgekeurd bijzonder plan van aanleg noch enige behoorlijk vergunde verkaveling op dit vlak specifieke stedebouwkundige voorschriften oplegt aan verzoeker”; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat een gebrek aan wettelijke regeling betreffende de maximumhoogte voor bebouwing niet betekent dat volledig ongelimiteerde bebouwing in de hoogte zou moeten worden toegelaten en dat de motivering dienaangaande in de bestreden beslissing zeker niet onredelijk is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoeker in de memorie van wederantwoord toevoegt dat de verwerende partij geen voorwaarden aan de door wet gestelde vereisten inzake verbouwingen mag toevoegen doch in casu specifieke beperkingen inzake hoogte oplegt ondanks het ontbreken van wettelijke of reglementaire bepalingen in die zin; 2.2.
- Overwegende dat de verzoeker in zijn laatste memorie stelt dat de verwerende partij de verenigbaarheid van de bouwaanvraag met de goede ruimtelijke ordening en de plaatselijke aanleg manifest verkeerd heeft beoordeeld omdat de nokhoogte van huis nr. 46, nr. 56, nr. 50, nr. 64, nr. 66, nr. 68, nr. 70, nr. 104, nr. 106, nr. 108, nr. 110, nr. 116, nr. 120, nr. 146, nr. 148, en nr. 150 telkens duidelijk hoger is dan deze van de naastliggende huizen, dat de kwestieuze aanvraag dus wel verenigbaar is met de plaatselijke aanleg en de goede ruimtelijke ordening en dat de bestreden beslissing door onwil of onkunde tot een arbitraire politieke beslissing is geworden; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie stelt dat de beslissende overheid de aanvraag mag en moet beoordelen, dat een onbegrensde nokhoogte niet aan de orde is en dat de verwerende partij met haar beoordelingsvrijheid de gevraagde nokhoogte heeft beoordeeld; 2.2.
- Overwegende dat, zo het juist is dat artikel 5 van het Inrichtingsbesluit geen concrete voorschriften met betrekking tot de toegelaten hoogte van de gebouwen bevat, het de taak is van de vergunningverlenende overheid geval per geval te onderzoeken of de bouwaanvraag beantwoordt aan de eisen van een goede X-6510-4/10 plaatselijke ordening; dat zij daarbij, bij gebrek aan bijzondere voorschriften, hetzij van een bijzonder plan van aanleg, hetzij van een verkavelingsvergunning, in de eerste plaats dient uit te gaan van de bestaande toestand; dat het de Raad van State niet toekomt zijn beoordeling van de eisen van een goede plaatselijke ordening in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid; dat hij wat dat betreft enkel tot opdracht heeft aan de hand van de concrete gegevens van de zaak na te gaan of de overheid de feiten waarop haar beoordeling steunt correct heeft vastgesteld en of zij op grond van die feiten in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de te vergunnen bouwwerken de eisen van een goede plaatselijke ordening niet in het gedrang brengen; dat de verzoeker in casu niet aannemelijk maakt dat de verwerende partij de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid heeft overschreden door de gevraagde vergunning te weigeren op grond van de vaststelling “dat de nokhoogte van de verhoogde dakconstructie hierdoor 1,40 meter hoger komt te liggen dan deze van het naastliggend eigendom met huisnummer 50 en 2,70 meter hoger dan deze van het naastliggend eigendom met huisnummer 54; dat dergelijke wanverhouding uit stedebouwkundig oogpunt niet kan worden aanvaard en tevens storend inwerkt ten opzichte van de omgevende bebouwing”; dat daaraan geen afbreuk wordt gedaan door het feit dat in de omgeving er wel een verschil in nokhoogte tussen een aantal woningen zou bestaan, feit dat overigens pas voor het eerst in de laatste memorie concreet wordt gespecificeerd; dat het tweede middel ongegrond is; 2.3.
- Overwegende dat de verzoeker in een derde middel de schending van het gelijkheids- en het redelijkheidsbeginsel opwerpt en dit als volgt toelicht: “DOORDAT het bestreden Ministerieel Besluit stelt dat de dakverdieping een hoogte krijgt die buiten het normale ligt in verhouding tot de aangrenzende gebouwen, en DOORDAT het bestreden Ministerieel Besluit stelt dat de betrokken dakuitbouw een té grote inname van het betrokken dakvlak inhoudt, TERWIJL ter plaatse geen voorschriften gelden met betrekking tot beperking van de bouwhoogte; en TERWIJL door verzoeker via een fotoreportage werd bewezen dat er zich op de Naamsevest meerdere gebouwen bevinden die hoger en groter reiken dan het pand van verzoeker; en TERWIJL door de verbouwingswerken geen bijkomende verdieping wordt gecreëerd, aangezien de woning van verzoeker reeds over een zeer ruime zolder beschikt(e), die reeds bewoond werd; en TERWIJL op de hoek van de Naamsevest en de Constantin Meunierstraat blijkbaar wel een vergunning werd toegekend voor de uitbouw van een volledige vierde verdieping”; 2.3.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat de verzoeker enkel verwijst naar andere gebouwen op de Naamsevest doch daarmee geen afbreuk doet aan de juistheid van het motief betreffende de hoogte op de aangrenzende percelen, dat in de bestreden beslissing uitdrukkelijk van de gebouwen met het nummer 50 en 54 melding wordt gemaakt, dat de opmerking betreffende het X-6510-5/10 gebrek aan voorschriften over de bouwhoogte identiek is aan de opmerking in het tweede middel, dat de verzoeker de overweging in de bestreden beslissing betreffende de te grote inname van het betrokken dakvlak niet betwist, dat het niet onredelijk is om uit de karakteristieken van het ontwerp af te leiden dat de dakuitbouw een te grote inname van het betrokken dakvlak inhoudt en dat de verzoeker niet aantoont in welke gelijke omstandigheden hij ongelijk zou zijn behandeld in vergelijking met derden; 2.3.
- Overwegende dat de verzoeker in de memorie van wederantwoord toevoegt dat ter plaatse helemaal geen voorschriften met betrekking tot de bouwhoogte gelden, dat de ongelijke behandeling in gelijke omstandigheden blijkt uit het feit dat de nokhoogte van huis nr. 46, nr. 56, nr. 50, nr. 64, nr. 66, nr. 68, nr. 70, nr. 104, nr. 106, nr. 108, nr. 110, nr. 116, nr. 120, nr. 146, nr. 148, en nr. 150 telkens duidelijk hoger is dan deze van de naastliggende huizen, dat door de verbouwingswerken geen bijkomende verdieping wordt gecreëerd vermits de verzoeker reeds over een zeer ruime bewoonde zolder beschikt en dat in de loop van 1996 een vergunning voor een volledige vierde verdieping is gegeven voor een gebouw op de hoek van de Naamsevest en de C. Meunierstraat en voor een gebouw aan de overzijde van de Naamsevest op de E. Ruelensvest 73, waarvan de nokhoogte 5 meter hoger en de kroonlijsthoogte 10 meter hoger ligt dan het aanpalende gebouw; 2.3.
- Overwegende dat de verzoeker in zijn laatste memorie een theoretische uiteenzetting over de motiveringsplicht geeft en besluit dat de verwerende partij in de bestreden beslissing nalaat naar de concrete plaatselijke aanleg en goede ruimtelijke ordening te verwijzen en het hoe en waarom van haar beslissing niet uitlegt in verhouding tot de door de verzoeker bijgebrachte stukken, met name het fotodossier; 2.3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie stelt dat in de bestreden beslissing over de hoogte van de gebouwen aan de Naamsevest pertinent wordt opgemerkt “dat dit gegeven niet betekent dat geen zorg moet worden gedragen voor het behoud van een zekere uniformiteit waar dit nog mogelijk is”; 2.3.
- Overwegende dat voor wat betreft de aangevoerde schending van het redelijkheidsbeginsel naar de bespreking van het tweede middel kan worden verwezen; 2.3.
- Overwegende dat voor wat betreft de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel de verzoeker niet aannemelijk maakt dat hij in gelijke omstandigheden op een verschillende wijze werd behandeld dan derden, enkel omdat er in de omgeving verschillen zouden zijn tussen de nokhoogte van een aantal gebouwen; dat dit gegeven in de bestreden beslissing op pertinente wijze is beoordeeld X-6510-6/10 met de opmerking “dat dit gegeven niet betekent dat geen zorg moet worden gedragen voor een zekere uniformiteit waar dit nog mogelijk is”; dat het derde middel ongegrond is; 2.4.
- Overwegende dat de verzoeker in een vierde middel de schending van het fair-playbeginsel opwerpt en dit als volgt toelicht: “DOORDAT het bestreden Ministerieel Besluit stelt dat de afwijkingen genoegzaam hadden kunnen worden opgevangen door het voorzien ervan in de initiële bouwaanvraag, en DOORDAT het bestreden Ministerieel Besluit stelt dat dit euvel kon worden vermeden door de betrokken werken aan de initiële bouwaanvraag toe te voegen, TERWIJL de bouwvergunning werd aangevraagd op advies van het College van Burgemeester en Schepenen te Leuven nadat was vastgesteld dat de initiële bouwaanvraag onvolledig was omwille van een vergetelheid van de architect, die naliet een dakkapel uit te tekenen”; 2.4.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat het vierde middel niet ontvankelijk is omdat niet wordt uiteengezet op welke wijze het fair-playbeginsel zou zijn geschonden, dat de beslissende overheid alleszins terecht heeft overwogen dat een zekere uniformiteit moet worden behouden, dat verzoeker enkel aanvoert een nieuwe bouwaanvraag te hebben ingediend omdat de architect bij de oorspronkelijke bouwaanvraag een vergetelheid zou hebben begaan en dat het aanvragen van een nieuwe vergunning uiteraard had kunnen worden vermeden indien geen “vergetelheid” zou zijn begaan; 2.4.
- Overwegende dat de verzoeker in de memorie van wederantwoord toevoegt dat het volstrekt oneerlijk is een vergetelheid in de oorspronkelijke aanvraag, met name het niet-voorkomen van de dakkapel op de plannen, als enige reden te gebruiken om de regularisatievergunning te weigeren; 2.4.
- Overwegende dat de verzoeker in zijn laatste memorie herhaalt dat de tweede bouwvergunning precies is aangevraagd op advies van het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven nadat was vastgesteld dat de oorspronkelijke bouwaanvraag onvolledig was en vervolgens een theoretische uiteenzetting over het fair-playbeginsel geeft; 2.4.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie niets wezenlijks toevoegt; 2.4.
- Overwegende dat de afgifte van een stedenbouwkundige vergunning voor een gebouw niet betekent dat nadien noodzakelijkerwijze ook een vergunning voor de regularisatie van een aanvankelijk niet vermeld deel van dat gebouw, in casu een X-6510-7/10 dakconstructie, zou moeten worden gegeven; dat de verzoeker niet nader uiteenzet waarom aldus het fair-playbeginsel zou zijn geschonden; dat het vierde middel ongegrond is; 2.5.
- Overwegende dat de verzoeker in een vijfde middel de schending van het rechtszekerheidsbeginsel opwerpt en dit als volgt toelicht: “DOORDAT het bestreden Ministerieel Besluit stelt dat zorg moet worden gedragen voor het behoud van een zekere uniformiteit waar dit nog mogelijk is, TERWIJL het begrip “zekere uniformiteit” nergens wordt omschreven; en TERWIJL door verzoeker aan de hand van een fotoreportage wordt aangetoond dat de Naamsevest te Leuven reeds een zeer sterk gevarieerd karakter vertoont”. 2.5.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat de beslissende overheid zeer terecht overweegt dat het gevarieerde karakter van de straat niet betekent dat geen zorg moet worden gedragen voor het behoud van een zekere uniformiteit waar mogelijk en dat in dit kader de dakuitbouw een te grote inname van het dakoppervlak inhoudt, dat dit uit de fotoreportage van de verzoeker zelf blijkt, dat de bestreden beslissing wat dat betreft op juiste feitelijke gegevens is gesteund en niet onredelijk is en dat de verzoeker nergens aantoont dat de beslissende overheid haar beleid op zodanige wijze en zonder motief zou hebben gewijzigd dat hij in zijn vertrouwen zou zijn geschaad; 2.5.
- Overwegende dat de verzoeker in de memorie van wederantwoord toevoegt dat het begrip “zekere uniformiteit” nergens wordt omschreven en dat uit de fotoreportage van de verzoeker blijkt dat de Naamsevest in Leuven reeds een zeer gevarieerd karakter vertoont; 2.5.
- Overwegende dat de verzoeker in zijn laatste memorie stelt dat er van uniformiteit geen sprake kan zijn vermits geen vaste gedragslijn van het bestuur bestaat of bestaan heeft, dat het bestuur op consistente wijze van zijn beleidsvrijheid gebruik moet maken, dat een bruuske, onvoorziene wijziging een aanspraak op een tegemoetkoming in natura of bij equivalent kan genereren en dat het willekeur vormt en in strijd is met de rechtszekerheid om uniformiteit op te leggen op een plaats waar nooit een vaste gedragslijn heeft geheerst; 2.5.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie niets wezenlijks toevoegt; 2.5.
- Overwegende dat in de bestreden beslissing wordt gesteld “dat door de particulier aan de hand van een fotoreportage wordt opgeworpen dat de betrokken straat reeds een sterk gevarieerd karakter vertoont; dat dit gegeven niet betekent dat geen X-6510-8/10 zorg moet worden gedragen voor het behouden van een zekere uniformiteit waar dit nog mogelijk is”; dat de verwerende partij daarmee een duidelijke en objectieve verantwoording geeft waarom de verschillen qua nokhoogte niet meer worden aanvaard en dat die verantwoording niet kennelijk onredelijk is; dat de verzoeker derhalve niet aannemelijk maakt dat het rechtszekerheidsbeginsel zou zijn geschonden; dat het vijfde middel ongegrond is; 2.6.
- Overwegende dat de verzoeker in een zesde middel de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel opwerpt en dit als volgt toelicht: “DOORDAT het bestreden Ministerieel Besluit stelt dat de gevraagde plannen niet werden ingediend, TERWIJL door verzoeker een volledig dossier (plannen inbegrepen) werd neergelegd op 19/09/1994”; 2.6.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat uit het verslag van de hoorzitting van 6 september 1995 blijkt dat de verzoeker van oordeel was dat de achtergevel niet ter sprake komt en hij daarom geen plan van die gevel had meegedeeld en dat dit ook blijkt uit de stukken die wel waren meegedeeld en uit de brief van de verzoeker van 20 september 1995 met foto’s en een plan van 12 september 1994, die echter geen betrekking op de achtergevel hebben; 2.6.
- Overwegende dat de verzoeker in de memorie van wederantwoord toevoegt dat hij op 19 september 1994 een volledig dossier tegen ontvangstbewijs heeft ingediend, dat de kwestieuze regularisatievergunning enkel werd gevraagd voor een verbouwing van de voorzijde van de dakconstructie terwijl voor de achtergevel al een vergunning was toegekend op 23 maart 1994 en dat derhalve geen plan van de achtergevel moest worden meegedeeld; 2.6.
- Overwegende dat de verzoeker in zijn laatste memorie niet meer op het zesde middel ingaat; 2.6.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie niet meer op het zesde middel ingaat; 2.6.
- Overwegende dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat “in bijkomende orde nog kan worden aangestipt dat de gevraagde plannen niet werden ingediend”; dat het, na de overige en blijkens de bespreking van de bovenstaande middelen niet weerlegde weigeringsmotieven, slechts om een overtollig motief blijkt te gaan; dat de eventuele gegrondheid van de kritiek tegen een overtollig motief niet tot de onwettigheid van de bestreden beslissing kan leiden; dat het zesde middel om die X-6510-9/10 reden niet ontvankelijk is; dat, ten overvloede, uit een vergelijking tussen het bij de regularisatieaanvraag gevoegde plan en het bij de in 1994 vergunde regularisatie gevoegde plan blijkt dat ook de achtergevel van de woning werd gewijzigd ingevolge de grondig gewijzigde dakconstructie; dat het zesde middel dus ook feitelijke grondslag mist;
- Overwegende dat de verzoeker geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd, X-6510-10/10 BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien oktober 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit: de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. J. BOVIN. X-6510-11/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.600 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div