id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.620 Rolnummer: A. 182116/IX-5616 Zaak: Arrest 175620 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 11/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-24 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 03:14 Fiche Arrest nr 175.620 van 11 oktober 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.620 van 11 oktober 2007 in de zaak A. 182.116/IX-
- In zake : Christine VANDERVEEREN, die woonplaats kiest bij advocaten D. VAN HEUVEN en I. DERDE, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 8b tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid, die woonplaats kiest bij advocaten P. LUYPAERS en H.-K. CARÊME, kantoor houdende te HEVERLEE-LEUVEN, Industrieweg 4, b
- tussenkomende partij : de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas, die woonplaats kiest bij advocaat W. VAN EECKHOUTTE, kantoor houdende te GENT, Driekoningenstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Christine VANDERVEEREN op 29 maart 2007 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerleg- ging van het koninklijk besluit van 15 januari 2007 houdende benoeming van François POSSEMIERS tot voorzitter van het directiecomité van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur B. THYS; IX-5616-1/13 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 30 augustus 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 september 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. VAN HEUVEN, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat H.-K. CARÊME die, loco advocaat P. LUYPAERS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. SALOMEZ, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. THYS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Met een verzoekschrift van 8 mei 2007 vraagt de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen. De feiten 1.
- De Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (hierna : de CREG) is een autonoom organisme met rechtspersoonlijkheid, opgericht bij de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt (hierna : de wet van 29 april 1999). Haar bevoegdheid met betrekking tot de gasmarkt is bepaald in de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen (hierna : de wet van 12 april 1965). De CREG is belast met een raadgevende taak ten behoeve van de overheid inzake de organisatie en werking van de elektriciteits- en gasmarkt en met een algemene taak van toezicht en controle op de toepassing van de desbetreffende wetten en reglementen. IX-5616-2/13 De twee organen van de CREG zijn het directiecomité en de algemene raad. Het directiecomité staat in voor het operationeel bestuur van de commissie en stelt alle handelingen die nodig of dienstig zijn voor de uitvoering van de voormelde raadgevende taak en algemene taak van toezicht en controle. 1.
- Aanvankelijk bestond het directiecomité uit zes leden, die elk een directie leiden. Een van de directeurs oefende ook het mandaat van voorzitter van het directiecomité uit. Bij koninklijk besluit van 9 januari 2000 wordt verzoekster benoemd tot voorzitter van het directiecomité en directeur van de directie voor het marktcontentieux voor een termijn van zes jaar met ingang van 10 januari
- 1.
- Met een aangetekende brief van 14 oktober 2005 deelt verzoekster aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid mede dat zij haar functie bij de CREG wenst voort te zetten voor een nieuwe periode van zes jaar, met ingang van 10 januari
- 1.
- In een brief van 9 januari 2006 aan diezelfde minister verklaart verzoekster zich akkoord om mee te werken aan een nieuw initiatief van de federale regering met betrekking tot de structurering en de werking van de CREG en aan een aantal nieuwe opdrachten. Zij zegt haar medewerking toe en meent aldus te voldoen aan alle voorwaarden voor het bekomen van een verlenging van haar functie van voorzitter van het directiecomité en van directeur van de directie voor het marktcontentieux met ingang van 10 januari
- Verzoekster blijft vervolgens haar mandaten van voorzitter van het directiecomité en directeur van de directie voor het marktcontentieux verder uitoefenen. 1.
- Bij wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen worden de structuur van de CREG en de samenstelling van het directiecomité gewijzigd. Het directiecomité zal naast de voorzitter, die geen directie meer leidt maar belast is met het management van de CREG, nog bestaan uit de directeurs van de drie directies die binnen de instelling worden behouden. IX-5616-3/13 Bij koninklijk besluit van 21 december 2006 wordt de inwerking- treding van de voormelde wetswijzigingen bepaald op 30 januari
- 1.
- Met het oog op de benoeming van de voorzitter en de leden van het directiecomité nodigt de minister, met een bericht van 31 juli 2006 in het Belgisch Staatsblad en advertenties van 12 augustus 2006 en 2 september 2006 in de gespecialiseerde pers, personen die zich voor deze functies kandidaat wensen te stellen uit om hun kandidatuur in te dienen. 1.
- Met een aangetekende brief van 12 september 2006 zendt verzoekster haar kandidaatstelling voor de functies van voorzitter en van directeur van de administratieve directie naar het met de selectie belaste bureau. Met een aangetekende brief van dezelfde datum deelt zij aan de minister mede dat zij “ten bewarende titel en onder voorbehoud van [haar] rechten” de nodige sollicitatieformulieren heeft ingediend. 1.
- De selectieprocedure gebeurt in vier stappen : een screening van de ingediende curricula vitae aan de hand van de vooropgestelde criteria (ervaring, diploma, enz.), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad; een verkennend gesprek van twee consultants van het selectiebureau met de na stap 1 in aanmerking genomen kandidaten betreffende hun motivatie, inpasbaarheid in de overheidscon- text, communicatievaardigheden en relevante ervaring; een assessment center voor de na stap 2 in aanmerking genomen kandidaten, waarbij de managementcompeten- ties van de kandidaten door de twee voormelde consultants van het selectiebureau in kaart worden gebracht volgens de vastgestelde competentieprofielen; een mondelinge proef voor de na stap 2 in aanmerking genomen kandidaten, afgenomen door een selectiecommissie, samengesteld uit zes specialisten inzake energie, bijgestaan door de twee voormelde consultants van het selectiebureau en voorgeze- ten door een afgevaardigde van het selectiebureau, waarbij wordt gepeild naar de “specifieke competenties en kennis” van de kandidaten. 1.
- Voor de functie van voorzitter van het directiecomité worden 58 kandidaturen ingediend, waarvan er 15 de toets aan de vooropgestelde criteria doorstaan. Voor de functie van administratief directeur worden 19 kandidaturen ingediend, waarvan er zes in aanmerking worden genomen. De kandidaatstelling van verzoekster wordt voor de beide functies aanvaard. IX-5616-4/13 Na de verkennende gesprekken met de in aanmerking genomen kandidaten, blijven daarvan nog zeven over voor de functie van voorzitter van het directiecomité en vier voor de functie van administratief directeur. Het rapport over het gesprek met verzoekster besluit tot haar geschiktheid voor de beide functies. Het rapport over het gesprek met kandidaat François POSSEMIERS besluit tot diens geschiktheid voor de functie van voorzitter van het directiecomité, alsook voor de functies van directeur van de directie voor de technische werking van de gas- en elektriciteitsmarkt en directeur van de directie voor de controle op de prijzen en de rekeningen op de gas- en elektriciteitsmarkt. De kandidaten worden vervolgens onderworpen aan een assessment center. De conclusie daarvan met betrekking tot de kandidaatstelling van verzoekster luidt dat zij niet geschikt is voor de functie van voorzitter van het directiecomité, omdat zij over “te weinig sociale vaardigheden en interpersoonlijke vaardigheden [beschikt] om een directiecomité op sleeptouw te nemen en dit op een performante wijze te leiden”. Verzoekster wordt wel geschikt geacht voor de functie van administratief directeur. François POSSEMIERS wordt geschikt bevonden voor elk van de functies, waarvoor hij zich kandidaat stelt, dus ook voor de functie van voorzitter van het directiecomité. Op de daaropvolgende mondelinge proef bekomt verzoekster van vier leden van de selectiecommissie de score B (“geschikt”) en van twee leden de score C (“niet geschikt”) voor de functie van voorzitter van het directiecomité. François POSSEMIERS bekomt van vier leden de score A (“zeer geschikt”) en van twee leden de score B voor diezelfde functie. 1.
- De eindevaluatie van de selectiecommissie met betrekking tot de kandidaatstelling van verzoekster en François POSSEMIERS voor de functie van voorzitter van het directiecomité, “op basis van de resultaten van het interview en het assessment center”, luidt als volgt : “
- POSSEMIERS FRANCOIS Uit het intervieuw zien we dat de heer POSSEMIERS over een ruime vaktechnische kennis van de energiesector en de functie van de regulator in deze markt beschikt, en dit ook wat de internationale dimensie betreft. De kandidaat is reeds voordien belast geweest met de leiding van een instelling in al zijn aspecten. Hij beschikt over het vermogen om te fungeren als het eerste aanspreekpunt voor de andere directieleden en hij is in staat om visies vanuit juridische, technische of economische hoek te convergeren naar een sterke IX-5616-5/13 geïntegreerde visie via een multidisciplinaire aanpak. Hij weet leiding te geven aan een directieteam en is een ‘people manager’ die kan delegeren, plannen, begeleiden, motiveren ... maar ook ruimte laat voor eigen initiatief. Vanuit zijn sociale vaardigheden weet hij te fungeren als het gezicht en extern vertegen- woordiger van de organisatie en kan hij het aanspreekpunt vormen voor alle externe participanten op de energiemarkt en de overheden. Daarnaast heeft hij een goed inzicht in de context en de economisch-sociale dimensie van wat een goed gereguleerde energiemarkt inhoudt. Hij heeft een goede invalshoek in verband met de managementproblematiek en plaatst deze binnen het specifiek kader van de overheid. De juryleden zien hem als een geschikte voorzitter van het directiecomité die vanuit zijn rijke ervaring zowel binnen de elektriciteitswereld als de gassector moet in staat zijn als een volwaardig aanspreekpunt voor de andere directieleden te fungeren en als iemand die in staat moet zijn om de verschillende visies vanuit juridische, technische of economische hoek te convergeren naar een sterke geïntegreerde visie via een multidisciplinaire aanpak. Vanuit zijn rijk netwerk kan hij volgens de jury ook fungeren als gezicht en extern vertegenwoordiger van de organisa- tie en het aanspreekpunt voor alle externe participanten op de energiemarkt en de overheden vormen. De heer POSSEMIERS krijgt naar aanleiding van zijn antwoorden op de vragen die betrekking hebben op zijn deskundigheid voor wat betreft het management van de Commissie van vier juryleden van de selectiecommissie een A (Zeer geschikt) en van twee juryleden een B (geschikt). Uit het assessment leren we dat het vermoeden van gedegen management- vaardigheden bevestigd word(t). De heer POSSEMIERS scoort op alle generieke competenties minstens voldoende tot goed. Naast een sterk strategisch management (visie en het opbouwen van netwerken, gepaard met analytisch vermogen en verantwoordelijkheidszin) scoort hij ook goed op het vlak people management. De heer POSSEMIERS vertoont een goed evenwicht tussen mens- en taakgerichte acties. Op grond van deze bevindingen klasseren wij de heer POSSEMIERS als ‘zeer geschikt’ (A) voor de functie van Voorzitter van het Directiecomité.
- VANDERVEEREN CHRISTINE Uit het interview zien we dat mevrouw VANDERVEEREN over voldoende vaktechnische kennis van de elektriciteits- en gasmarkt beschikt en de rol van de regulator hierin. Zij is de huidige voorzitter van het directiecomité en is belast met de leiding van de instelling in al zijn aspecten. Zij beschikt over goede managementinzichten en kan deze vertalen naar het operationele niveau vanuit een sterke realistische inslag. Zij heeft echter minder aandacht voor de participatieve benadering van leidinggeven (het eigen groot gelijk primeert). Mevrouw VANDERVEEREN krijgt naar aanleiding van haar antwoorden op de vragen die betrekking hebben op haar deskundigheid voor wat betreft het management van de Commissie van vier juryleden van de selectiecommissie een B (Geschikt) en van twee juryleden een C (Niet geschikt). De juryleden verwijzen daarbij in hun deliberatie naar haar vroegere ervaring als voorzitter van de Commissie en de manier waarop ze deze functie heeft waargenomen. Uit het assessment zien we dat mevrouw VANDERVEEREN zich profileert als een expert-manager. Uit haar antwoorden op de vragen van de juryleden zien we dat ze het moeilijk heeft gehad om de verschillende visies van haar directieleden te convergeren in een éénduidige visie. Zij legt de nadruk op taakgericht management en in mindere mate op mensgericht management. Haar credibiliteit ten opzichte van haar medewerkers en haar managementstijl worden grotendeels gefundeerd op kennis, op expertise. Vanuit haar expertise stelt zij een strategisch actieplan op dat zij op een doelgericht en assertieve manier probeert te realiseren. Haar mindere aandacht voor participatief management wordt enigszins bevestigd in het assessment. IX-5616-6/13 Op grond van deze bevindingen klasseren wij mevrouw VANDERVEEREN als ‘geschikt’ (B) voor de functie Voorzitter van het directiecomité.” 1.
- Bij koninklijk besluit van 15 januari 2007 wordt François POSSEMIERS tot voorzitter van het directiecomité van de CREG benoemd. Dit besluit steunt, benevens op de aanhaling van de toepasselijke wet- en regelgeving, inzonderheid op de volgende motieven : “[...] Gelet op de door Hudson/De Witte & Morel uitgevoerde selectieprocedure, inzonderheid de interviews en assessments en op de eindverslagen; Overwegende dat zes kandidaten, drie Nederlandstaligen en drie Franstaligen, werden onderworpen aan de mondelinge proef, die de functiespecifieke competenties, vermeld in het functieprofiel en het competentieprofiel, evalueert; Overwegende dat de heer François POSSEMIERS als enige kandidaat op een totaal van zes beoordelingen viermaal de beoordeling ‘zeer geschikt’ heeft bekomen en tweemaal de beoordeling ‘geschikt’; dat twee kandidaten slechts éénmaal de beoordeling ‘zeer geschikt’ bekwamen en dat de overige kandidaten geen enkele maal de beoordeling ‘zeer geschikt’ bekwamen; Overwegende dat de heer François POSSEMIERS op het vlak van de functiespecifieke competenties verbonden aan de functie van voorzitter van het directiecomité van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas, kennelijk de meest geschikte kandidaat is; Overwegende dat de eindbeoordeling na assessment van deze zes kandidaten, resulteert in de rangschikking van de heer François POSSEMIERS als ‘zeer geschikt’, terwijl twee kandidaten de eindboordeling ‘geschikt’ en drie kandidaten de eindbeoordeling ‘niet geschikt’ bekwamen; Overwegende dat de heer François POSSEMIERS als enige de eindbeslissing ‘zeer geschikt’ heeft bekomen; Overwegende in het bijzonder dat de heer François POSSEMIERS over een ruime vaktechnische kennis van de energiesector en de functie van regulator in deze markt beschikt, met inbegrip van de internationale dimensie ervan; dat hij in staat is om visies vanuit juridische, technische en economische invalshoek te convergeren naar een sterk geïntegreerde visie via een multidisciplinaire aanpak; dat hij leiding weet te geven aan het directieteam en een ‘people manager’ is die kan delegeren, plannen, begeleiden, motiveren, maar ook ruimte laat voor eigen initiatief; dat het assessment zijn gedegen managementsvaardigheden heeft bevestigd; dat hij een goed evenwicht vertoont tussen mens- en taakgerichte acties; Overwegende dat Wij deze evaluaties zowel wat de onderdelen als wat de eindbeoordeling betreft, goedkeuren en Ons eigen maken; Overwegende dat de heer François POSSEMIERS kennelijk de meest geschikte kandidaat is voor het voorzitterschap van het directiecomité van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas; Overwegende dat de heer François POSSEMIERS voldoet aan alle voorwaarden inzake onverenigbaarheden en belangenconflicten bepaald in het voornoemd koninklijk besluit van 3 mei 1999; [...]” IX-5616-7/13 Dit besluit, dat is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 januari 2007 en in werking treedt op 1 februari 2007 maakt het voorwerp uit van de voorliggende vordering tot schorsing. 1.
- Met een brief van 29 januari 2007 deelt de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid aan verzoekster mede dat aan haar contractuele relatie met de CREG op 30 januari 2007 een einde zal komen. Hij wijst op de bij koninklijk besluit van 3 mei 1999 voorziene beperking van de mogelijkheid om na de afloop van een mandaat bij de CREG in dienst te treden van een onderneming in de energiesector. Hij voegt eraan toe dat de CREG ter compensatie van deze beperking aan verzoekster een vergoeding zal betalen gelijk aan zes keer de maandelijkse bruto-bezoldiging. De ontvankelijkheid
- De verwerende partij betwist het belang van verzoekster aangezien François POSSEMIERS, nu hij in de proeven betere uitslagen behaalde en verzoekster die proeven niet bestrijdt, manifest grotere aanspraken kan doen gelden op de benoeming zodat een vernietiging van de bestreden beslissing toch niet tot haar benoeming kan leiden.
- De Raad van State wijdt in de huidige stand van de zaak geen onderzoek aan de ontvankelijkheidsexceptie. De vordering wordt immers verworpen omdat niet voldaan is aan een van de grondvoorwaarden voor het bevelen van de schorsing. De voorwaarden voor de schorsing
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. IX-5616-8/13
- Wat de tweede voorwaarde betreft, stelt verzoekster eerst in het algemeen dat de behandeling van het annulatieberoep volgens de gewone procedure niet tot een doeltreffende oplossing van het geschil kan leiden. Zij wijst erop dat zij op straffe van gevangenisstraf of geldboete krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 mei 1999, voor de duur van één jaar na afloop van haar mandaat bij de CREG gebonden is door een niet- concurrentiebeding en derhalve geen werk kan zoeken in de sector die zij, na zeven jaar bij de CREG, het beste kent, hetgeen een verbod inhoudt om een betrekking te zoeken in de sector waarin zij naam en faam verworven heeft en haar minstens één jaar ervaring in de elektriciteits- en gassector doet mislopen. Zij betoogt vervolgens dat het bestreden besluit haar de mogelijkheid ontneemt om verder het mandaat van voorzitter van het directiecomité van de CREG te bekleden op het ogenblik dat de instelling grondig geherstructureerd wordt en het ambt van voorzitter van het directiecomité een geheel andere inhoud krijgt. In die zin wordt haar specifieke ervaring onthouden. Zij wijst voorts op het moreel belang wegens het enorm prestigeverlies dat zij ondergaat niet alleen wegens het bestreden besluit zelf, maar ook wegens de bijzondere omstandigheden waarin het werd getroffen, te weten de diverse keren dat haar naam in de loop van de benoemingsprocedure in een slecht daglicht gesteld is, zoals blijkt uit persberichten en uit uitlatingen van de bevoegde minister, met wie een gespannen verhouding bestond. Vanuit die optiek kan de bestreden beslissing zelfs als een verkapte tuchtstraf gezien worden. Het moreel nadeel wordt nog vergroot wanneer acht geslagen wordt op het vijfde middel, waarin zij aanvoert dat, wegens de stilzwijgende verlenging van haar mandaat, de verwerende partij haar met de bestreden beslissing een recht ontnomen heeft of minstens haar gewekt vertrouwen geschonden heeft.
- De verwerende partij antwoordt dat de onmogelijkheid om in dezelfde sector een andere baan te zoeken niet volgt uit het bestreden besluit, maar uit het koninklijk besluit van 3 mei
- De onmogelijkheid om specifieke ervaring op te doen is niet het gevolg van het bestreden besluit houdende de benoeming van François POSSEMIERS, maar van de daarin besloten weigering om haar te benoemen, terwijl zij geen kennelijke aanspraken op een benoeming doet gelden. Het opdoen van specifieke ervaring als voorzitter-“nieuwe stijl” kan niet in IX-5616-9/13 aanmerking genomen worden, aangezien met die ervaring geen rekening gehouden zal mogen worden bij het overdoen van de bestreden beslissing en verzoekster niet aantoont dat de verwerende partij onmogelijk die opgedane ervaring zal kunnen terzijde schuiven. Een moreel nadeel wordt in de regel hersteld door een vernietigingsarrest en de onderhavige zaak dient zich niet als uitzonderlijk aan, nu het bestreden besluit geen blijk geeft van enige verdachtmaking, afkeuring of minachting ten aanzien van de persoon van verzoekster en verzoekster toch ook de vermelding “geschikt” heeft gekregen van de selectiecommissie. Manifest ten onrechte matigt verzoekster zich in haar vijfde middel het recht aan om haar functie verder uit te oefenen. Ook daar kan geen nadeel worden in onderkend.
- De tussenkomende partij wijst erop dat geen nadeel onderkend kan worden in het tijdsverloop waarbinnen een zaak door de Raad van State behandeld wordt. Zij stelt vervolgens dat de duur van het mandaat waarin verzoekster aangesteld was, bepaald was op zes jaar en dat verzoekster het koninklijk besluit van 3 mei 1999 kende vooraleer zij in het mandaat werd aangesteld; in ieder geval ontving zij een compensatievergoeding en kan zij nu niet voorhouden een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te ondergaan. Verzoekster is nu overigens in een andere sector tewerkgesteld en het concurrentiebeding berokkent haar dan ook geen enkel nadeel meer. Wat het moreel nadeel betreft, dient opgemerkt dat het inherent is aan een benoemingsbeslissing dat kandidaten teleurgesteld worden, dat het vernietigingsarrest het nodige herstel van het morele nadeel zal inhouden en dat het moreel nadeel, zoals verzoekster het schetst, veeleer te maken heeft met akten en handelingen -persberichten, ministeriële uitlatingen- die niets met het bestreden besluit te maken hebben. Ten slotte kan ook geen moreel nadeel gekoppeld worden aan de miskenning van de door verzoekster verwachte stilzwijgende herbenoeming, aangezien zij deelgenomen heeft aan de wervingsprocedure en zij de tussenkomende partij voor de arbeidsrechtbank gedagvaard heeft op grond van het bestaan van een arbeidsovereenkomst.
- Een nadeel dat gesitueerd wordt in de duur van een annulatieprocedure voldoet niet aan de wettelijk vastgestelde schorsingsvoorwaarde dat het nadeel moet voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zelf. Terecht stelt de tussenkomende partij dat verzoekster op het ogenblik van haar eerste aanstelling in het mandaat kennis had van het koninklijk IX-5616-10/13 besluit van 3 mei 1999 en de daarin opgenomen bepalingen die haar verbieden binnen het jaar na haar ontslag bij de CREG in dienst te treden bij ondernemingen uit de sector gas of elektriciteit. Zij mag dan ook geacht worden op dat ogenblik het nadeel dat zij nu aanvoert te hebben aanvaard en kan er zich dan ook niet op beroepen. De ervaring die zij te dien aanzien gedurende een jaar zal moeten derven lijkt, bij gebrek aan duidelijke gegevens van harentwege, niet van die aard dat zij voor onoverkomelijke problemen zal komen te staan bij het solliciteren naar een nieuwe tewerkstelling in de elektriciteits- of gassector. Verzoekster stelt dat met de bestreden beslissing een voorzitter- “nieuwe stijl” wordt aangewezen en dat de benoemde in die nieuwe functie nu ervaring kan opdoen waarvan zij verstoken blijft. Zij verliest evenwel uit het oog dat zij, na zeven jaar voorzitter geweest te zijn van het directiecomité van de CREG, kan bogen op een ruime ervaring in de leidinggevende functie van voorzitter van het directiecomité. Zij toont niet aan dat de inhoud van die functie, zoals die nu volgens de gewijzigde wetgeving ingevuld moet worden, wezenlijk verschilt van de door haar gekende situatie. Immers, de nieuwe regeling lijkt in essentie de bedoeling gehad te hebben de functie van voorzitter van het directiecomité gescheiden te houden van de functie van directeur van een directie. De versterking van de leidinggevende activiteiten die aldus van de voorzitter van het directiecomité verwacht wordt -en verzoekster heeft dat blijkens haar sollicitatieformulier ook zo begrepen- is niet van die aard dat verzoekster moet vrezen bij het heroverwegen van de bestreden beslissing specifieke ervaring te ontberen. In ieder geval zal bij de heroverweging dergelijke onregelmatig opgedane specifieke ervaring niet ten nadele van verzoekster mogen uitgespeeld worden en brengt verzoekster geen argumenten aan die aannemelijk maken dat het bestuur bij de heroverweging niet anders zal kunnen dan rekening houden met de onwettig opgedane ervaring. Moreel nadeel wordt in de regel hersteld door een vernietigingsarrest. Het is aan verzoekster om aan te tonen dat haar situatie buiten het gewone ligt. De persberichten die verband houden met de benoemingsprocedure bevatten geen verwijt van onbekwaamheid of van enige tekortkoming in het functioneren van verzoekster. De stukken uit de selectieprocedure waarin gewag gemaakt wordt van vastgelopen betrekkingen met het kabinet van de bevoegde minister bevatten geen sporen van verdachtmaking, afkeuring of minachting ten aanzien van de persoon van verzoekster; zij gaan bovendien terug op verklaringen van verzoekster zelf. Er is geen reden om in het bestreden besluit een verkapte IX-5616-11/13 tuchtstraf te zien. Verzoekster verwijst, om het specifieke van haar moreel nadeel te ondersteunen, naar de ernst van haar vijfde middel, waarin zij erop wijst dat zij rechtmatig kon verwachten dat haar mandaat verlengd zou worden. Zij verliest evenwel uit het oog dat de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel en de voorwaarde van het aanvoeren van ernstige middelen twee duidelijk onderscheiden schorsingsvoorwaarden betreffen. Het moeilijk te herstellen en ernstig karakter van het nadeel wordt niet afgemeten aan de ernst van de middelen.
- De voorwaarde van het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is niet vervuld. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. IX-5616-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 11 oktober 2007, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5616-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.620 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.252 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.