id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.630 Rolnummer: A. 144889/XII-4000 Zaak: Arrest 175630 - Varia (onderwijs en cultuur) - 11/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-19 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:15 Fiche Arrest nr 175.630 van 11 oktober 2007 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.630 van 11 oktober 2007 in de zaak A. 144.889/XII-
- In zake : Patrick DE WULF, wonende te Knesselare, Kerkakkerstraat 6 tegen : de HOGESCHOOL WEST-VLAANDEREN, die woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Amerikalei 220, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Patrick De Wulf op 4 december 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 29 september 2003 waarbij het college van beroep inzake evaluatie beslist om de hem toegekende evaluatie onvoldoende te behouden en van de beslissing van onbekende datum om hem niet opnieuw aan te stellen in zijn betrekking; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van der Gucht; Gelet op de beschikking van 9 januari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 6 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 september 2007; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-4000-1\9 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Martens, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
- Verzoeker is sedert 1998 tijdelijk aangesteld als onderwijzend personeelslid aan de Hogeschool West-Vlaanderen. Tot 31 augustus 2001 werkt hij er voor het departement HPI Lerarenopleiding, waar hij op 19 juni 2001 van zijn departementshoofd de evaluatie “voldoende” krijgt. 1.
- Voor het academiejaar 2002-2003 heeft verzoeker een lesopdracht van 19,5 u Frans in het departement Simon Stevin. In de loop van de maand mei 2003 kent het departementshoofd verzoeker op het evaluatieformulier de evaluatie “onvoldoende” toe. Op 3 juli 2003 formuleert zij ook aan de departementsraad het evaluatievoorstel VBS030826.17 in die zin. Op 27 augustus 2003 beslist de departementsraad : “1) de algemene beoordeling met de toegekende eindevaluatie goed te keuren voor de tijdelijke personeelsleden zoals in bijlage bij VBS 030826.17 gevoegd 2) deze beslissing binnen de 5 werkdagen aan de Voorzitter van het Bestuurscollege en aan de Commissaris-coördinator over te maken 3) aan deze beslissing wordt uitvoering gegeven door het departementshoofdvoorzitter”. Aldus wordt de evaluatie onvoldoende van verzoeker goedgekeurd. XII-4000-2\9 1.
- Op gemotiveerd beroep van verzoeker beslist het college van beroep inzake evaluatie op 29 september 2003 dat de evaluatie “onvoldoende” behouden blijft, wat het college als volgt motiveert : “De evaluatie is goed onderbouwd en niet alleen gesteund op de mening van het departementshoofd, maar ook op die van de opleidingscoördinator. De inhoud van het dossier werd bevestigd tijdens de debatten. Op basis van de documenten ad hoc en van de gevoerde procedure tijdens de zitting erkent [het] College dat het lesgeven van de heer Patrick De Wulf als voldoening gevend mag worden beschouwd. Het College stelt echter vast dat de heer Patrick De Wulf niet naar behoren heeft gefunctioneerd in het modern onderwijssysteem dat door de Hogeschool West-Vlaanderen wordt gehuldigd en dat heel wat meer omvat dan het lesgeven stricto sensu. Het recht op kritische ingesteldheid dat hij zich heeft toegeëigend en bij herhaling heeft tot uiting laten komen betekent geenszins dat de betrokkene zich mag onttrekken aan de verplichtingen die hij bij het aanvaarden van zijn opdracht heeft aanvaard en die het louter lesgeven overstijgen, zoals klaarblijkelijk is gebeurd. Het College erkent derhalve de gegrondheid van de door het departementshoofd uitgebrachte evaluatie”. Die beslissing wordt bij schrijven van 6 oktober 2003 aan verzoeker meegedeeld. De ontvankelijkheid van het beroep 2.
- Verzoeker bestrijdt als tweede voorwerp van zijn beroep de weigering van onbekende datum, om hem voor het academiejaar 2003-2004 opnieuw aan te stellen. Hij schrijft hierover dat die beslissing “impliciet volgt uit de afwijzing van het beroep van verzoeker tegen de evaluatie onvoldoende door het College van Beroep”. Dit brengt verwerende partij er toe op te werpen dat een impliciete weigering om verzoeker voor het academiejaar 2003-2004 opnieuw aan te stellen niet blijkt uit de door hem in eerste orde bestreden beslissing, waarbij de evaluatie onvoldoende werd behouden. De niet-heraanstelling van verzoeker betreft volgens de verwerende partij een aparte beslissing, die overigens het gevolg is van het teruglopend aantal leerlingen in het departement Simon Stevin, hetgeen ertoe geleid heeft dat een aantal vakken en studieonderdelen en bijgevolg ook lesopdrachten herschikt dienden te worden. Zo ook de specifieke voltijdse lesopdracht van 19,5 u. Frans van verzoeker, die herleid werd tot een opdracht van 45 %, aldus verwerende partij. XII-4000-3\9 Verzoeker antwoordt dat er wel degelijk een verband bestaat tussen de beide beslissingen. Hij legt de interne regelgeving van verwerende partij voor, waaruit blijkt dat, eensdeels, bij gebleven aantal betrekkingen het personeelslid na het einde van zijn aanstelling opnieuw wordt aangesteld in dezelfde betrekking tenzij het een evaluatie onvoldoende heeft gekregen en, anderdeels, bij vermindering van het aantal betrekkingen tussen de personeelsleden een rangorde wordt opgesteld op grond van een vergelijkende evaluatie. Er is volgens verzoeker dan ook voldoende oorzakelijk verband tussen de hem gegeven evaluatie en de weigering om hem opnieuw aan te stellen. 2.
- In het auditoraatsverslag wordt de hiervoor weergegeven argumentatie van verzoeker, die steunt op het protocol HOC/PROTOCOL/96003 van 9 september 1996, “de nodige overtuigingskracht” toegeschreven, terwijl volgens hetzelfde verslag verwerende partij tegenover die voorstelling van zaken “geen echt overtuigend weerwerk biedt” : “Niet alleen blijkt ze er te zijner tijd niet toe gekomen te zijn de niet- heraanstelling van verzoeker aan de betrokkene schriftelijk mede te delen, laat staan dat ze hierbij aan verzoeker het onderliggend motief zou kenbaar maken, ook naderhand geeft ze niet de sluitende verklaring voor haar bewering als zou verzoeker enkel omwille van een dalend leerlingenaantal en op grond van een protocolair vastgelegde rangorde van de tijdelijke personeelsleden de plaats hebben moeten ruimen”. 2.
- In haar laatste memorie poogt verwerende partij evenmin nog om de Raad van State tot haar oorspronkelijke zienswijze te brengen, nu zij de verknochtheid van het beroep inzake het voorwerp er niet meer in te berde brengt. De Raad neemt dan ook aan dat de weigering om verzoeker opnieuw aan te stellen de vereiste verknochtheid vertoont met de hem gegeven evaluatie, zodat beide beslissingen op ontvankelijke wijze met een verzoekschrift bestreden kunnen worden en dat, zoals het reeds in het auditoraatsverslag is opgemerkt, “de wijze van samenhang tussen de ene en de eerdere beslissing van die aard is dat, wordt een middel gericht tegen de eerste beslissing gegrond bevonden, dit logisch- en noodzakelijkerwijs ook de vernietiging van de tweede beslissing zal moeten meebrengen”.
- Verwerende partij ontzegt verzoeker ook het rechtens vereiste belang bij het voorliggende beroep. Ook deze exceptie wordt in het auditoraatsverslag -waarin ze als “merkwaardig” wordt omschreven- na beredeneerd XII-4000-4\9 onderzoek verworpen. Uit het stilzwijgen van verwerende partij in de laatste memorie leidt de Raad van State af dat zij niet langer aandringt. De gegrondheid van het beroep Stelling van de partijen
- Verzoeker voert in het inleidend verzoekschrift twee vernietigingsgronden aan. In het eerste middel noemt hij het evaluatiereglement van de hogeschool geschonden. Het tweede middel is geput uit de schending van de materiële motiveringsplicht. Wat het evaluatiereglement betreft, betoogt verzoeker dat artikel 1 van dit reglement de evaluatie als een “systematische evaluatie” omschrijft, dat artikel 6 de samenstelling van het evaluatiedossier regelt en dat uit artikel 8 volgt dat elk document in dit evaluatiedossier ondertekend moet worden door het betrokken personeelslid. Uit die bepalingen volgt volgens verzoeker dat de feiten die aanleiding kunnen geven tot een onvoldoende hem ter kennis moeten worden gebracht en door hem ondertekend moeten worden. Verzoeker wijst er op dat in zijn evaluatiedossier evenwel niets te vinden is, “er is enkel een evaluatieformulier en voor de rest niets”. Er zijn geen documenten terug te vinden ter ondersteuning van de negatieve evaluatie. Dit brengt verzoeker in de toelichting bij het tweede middel tot de vaststelling dat waar de motivering van de bestreden beslissingen enkel gesteund is op het door het departementshoofd ingevulde evaluatieformulier en zijn evaluatie- dossier geen ander essentieel stuk bevat, hem aldaar allerlei zaken verweten worden waarvoor geen enkel concreet bewijs wordt geleverd, noch door het geven van concrete voorbeelden, noch door het voorleggen van bepaalde documenten. Verzoeker overloopt dan de negatieve opmerkingen van het evaluatieformulier. Hij spreekt bij bepaalde criteria de evaluatie tegen met voorbeelden in zijn voordeel, en noemt het bij andere criteria een raadsel waarop de evaluatie is gesteund. XII-4000-5\9
- Verwerende partij antwoordt dat de hogeschool verkiest om mondeling opmerkingen te geven aan de betrokken lector, eerder dan onmiddellijk een negatieve fiche op te stellen. De sturing van verzoeker had plaats via gesprekken met het departementshoofd, de coördinator en rapportering in teamverslagen. Het evaluatiedossier bevat jaarlijkse opdrachtbepalingen, taakafspraken, ingevulde en ondertekende evaluatieformulieren. Voorts verwijst verwerende partij naar het administratief dossier, waar zij als stuk V1 de weerslag overlegt van de mening van de opleidings- coördinator secretariaatsbeheer. Uit dat document blijkt dat verzoeker duidelijke tekortkomingen vertoont op de criteria waarop hij in zijn evaluatie onvoldoende werd bevonden. Ook verwerende partij overloopt dan de verschillende criteria van het evaluatieformulier, om de kritiek van verzoeker te pareren. Zij steunt hiervoor in hoofdzaak op het voormelde verslag van de opleidingscoördinator secretariaatsbeheer.
- Verzoeker repliceert dat het verslag van de opleidingscoördinator een weergave is van mondelinge opmerkingen, dat het nooit eerder aan hem werd voorgelegd en dus niet door hem werd ondertekend, dat het bijgevolg zonder waarde is en de evaluatie niet kan ondersteunen. Wat de inhoud van dit verslag betreft, blijft hij bij de kritiek die hij reeds in het inleidend verzoekschrift had uiteengezet.
- Verwerende partij dupliceert dat de bestreden beslissing van 29 september 2003 dateert en het verslag van de opleidingscoördinator van 27 augustus 2003, ruim vóór de bestreden beslissing en evenzeer voor het aangetekend schrijven van 2 september 2003 waarbij verzoeker beroep aantekent. Zij stelt vast dat verzoeker niet ontkent de mondelinge opmerkingen te hebben gekregen, waarvan het verslag een weergave is. Beoordeling
- De evaluatie in de hogeschool West-Vlaanderen geschiedt aan de hand van een daartoe bestemd “evaluatieformulier onderwijzend personeel”. Uit het XII-4000-6\9 administratief dossier blijkt dat verzoeker te zijner tijd een blanco exemplaar van dit formulier is overhandigd, zodat de evaluatiecriteria hem wel bekend waren. Het somt immers de tien evaluatiecriteria op, met telkens vier tot acht subcriteria die -wanneer van toepassing- gequoteerd kunnen worden met de letter A (meer dan voldoende), B (voldoende) of C (onvoldoende). Onder elke rubriek kunnen bemerkingen of remediëringsvoorstellen worden genoteerd. Het besluit moet luiden “voldoende” of “onvoldoende”. Op 19 juni 2001 kreeg verzoeker in het departement HPI van de hogeschool West-Vlaanderen nog een dergelijk formulier, met de beoordeling “voldoende”, onderbouwd met een overgrote meerderheid van A’s
(30)en slechts enkele B’s (vier) voor de vooropgestelde beoordelingscriteria. De thans bestreden beoordeling onvoldoende blijkt te bestaan uit een indrukwekkende reeks van C’s
(20), enkele A’s
(3)en heel wat B’s
(15). Voor die vrij drastische ommekeer in de beoordeling van het functioneren van verzoeker als onderwijzend personeelslid vallen in het evaluatie- dossier van het betrokken personeelslid geen tussentijdse indiciën te bespeuren, noch in de vorm van een concrete opmerking ter zake, noch als voorstel tot remediëring naar hem toe. Het evaluatiedossier van verzoeker bevat, behalve de onthaalmap voor nieuwe lectoren, enkel het evaluatieformulier en de stukken die verband houden met de daaropvolgende beslissing van de departementsraad. Het evaluatieformulier zelf motiveert dan weer slechts in zeer algemene bewoordingen de aangekruiste letterquoteringen. Luidens het evaluatiereglement van de hogeschool formuleert het departementshoofd een voorstel van evaluatie, en wint het departementshoofd daarvoor het advies in van de opleidingscoördinator voor de teamgebonden taken. Verwerende partij steunt overigens wezenlijk op het verslag van deze opleidingscoördinator om de rechtens vereiste feitelijke grondslag van haar beslissing aan te tonen. Uit de aan de Raad van State overgelegde stukken blijkt evenwel niet dat het departementshoofd dit advies van de opleidingscoördinator ter beschikking had op het ogenblik waarop zij in de loop van de maand mei 2003 het evaluatieformulier heeft opgesteld, of op 3 juli 2003 het voorstel aan de departementsraad voorlegde. Verwerende partij beweert zulks zelfs niet. Meer nog, het verslag van de opleidingscoördinator draagt dezelfde datum als de beslissing van XII-4000-7\9 de departementsraad, 27 augustus 2003, en het is uit de ter beschikking staande stukken zelfs niet duidelijk of het diezelfde dag nog wel aan de departementsraad is voorgelegd waanneer deze zich uitsprak over het evaluatievoorstel van het departementshoofd. Alleszins blijkt niet, dat het bewuste verslag ooit nuttig aan verzoeker is meegedeeld, laat staan dat het hem ter ondertekening is aangeboden en aan zijn evaluatiedossier is toegevoegd. Verzoeker heeft op dit verslag dan ook nooit kunnen reageren: niet tijdens het persoonlijk gesprek waarin het evaluatiereglement voorziet, niet in een schriftelijke reactie die het evaluatiereglement hem ook waarborgt en waarvan de departementsraad dan kennis had kunnen nemen en niet in zijn beroepschrift bij het college van beroep inzake evaluatie. Gelet op de procedurevoorschriften van het evaluatiereglement van de hogeschool, kan het dan ook niet dienend worden ingeroepen om de bestreden beslissing te ondersteunen. Ook de andere documenten die verwerende partij in de huidige procedure aan de Raad voorlegt als “verantwoordingsdossier”, hebben nooit formeel deel uitgemaakt van het evaluatiedossier van verzoeker. Verzoeker heeft niet alleen voor de Raad van State, maar ook bij het college van beroep inzake evaluatie, terecht doen gelden dat het over hem samengestelde evaluatiedossier, waarin enkel het evaluatieformulier van het departementshoofd is opgenomen, niet volstaat om de verschillende onvoldoendes te schragen. Door te oordelen dat de evaluatie “goed onderbouwd” is, dat de inhoud van het dossier “werd bevestigd tijdens de debatten” en dat verzoeker zich “klaarblijkelijk” heeft onttrokken aan zijn verplichtingen, heeft het college van beroep overigens in weinig zeggende bewoordingen en stijlformules gerepliceerd op het omstandig per criterium gemotiveerd bezwaar van verzoeker, en heeft het zijn concrete vragen en bezwaren genegeerd. Aldus schendt de verwerende partij haar eigen evaluatiereglement, op de wijze zoals door verzoeker met de door hem aangewezen artikelen ervan aangevoerd, en is de bestreden beslissing niet naar genoegen van recht gemotiveerd omdat het bestuur in de gegeven omstandigheden niet rechtmatig tot zijn voorstelling van de feiten is kunnen komen. De beide middelen zijn in de besproken mate gegrond. XII-4000-8\9 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd worden de beslissing van 29 september 2003 waarbij het college van beroep inzake evaluatie van de Hogeschool West-Vlaanderen beslist om de aan Patrick De Wulf toegekende evaluatie onvoldoende te behouden en de beslissing van onbekende datum van de Hogeschool West-Vlaanderen om Patrick De Wulf niet opnieuw aan te stellen in zijn lesopdracht Frans in het departement Simon Stevin. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf oktober 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4000-9\9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.630 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div