← België

Arrest 175648 - Milieuvergunningen - 11/10/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.648 Rolnummer: A. 169292/VII-35241 Zaak: Arrest 175648 - Milieuvergunningen - 11/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-18 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:16 Fiche Arrest nr 175.648 van 11 oktober 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.648 van 11 oktober 2007 in de zaak A. 169.292/VII-35.

  1. In zake :
  2. Roger LUYCKX,
  3. Henriette TILCKENS, die woonplaats kiezen bij advocaat G. JACOBS, kantoor houdende te BRUSSEL, de Henninstraat 67-69, bus 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat D. DE GREEF, kantoor houdende te ZELLIK, Noorderlaan
  4. tussenkomende partij : de v.z.w. TERLAMEN, die woonplaats kiest bij advocaten H. SEBREGHTS en R. TIJS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  5. -------------------------------------------------------------------------------------------------- - D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Roger LUYCKX en Henriette TILCKENS op 9 januari 2006 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 9 november 2005 waarbij het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 19 juli 2004 houdende ambtshalve wijziging van de bijzondere vergunningsvoorwaarden met betrekking tot de permanente omloop voor motorvoertuigen die de v.z.w. TERLAMEN exploiteert te Zolder-Terlamen, wordt opgeheven; Gelet op het arrest nr. 160.831 van 29 juni 2006 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt bevolen; VII-35.241-1/13 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verwerende partij; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 23 oktober 2006; Gelet op de beschikking van 30 oktober 2006 die de tussenkomst van de v.z.w. TERLAMEN toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 1 maart 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 26 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 september 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. JACOBS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat D. DE GREEF, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat H. SEBREGHTS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-35.241-2/13
  6. De feiten 1.
  7. De tussenkomende partij exploiteert een permanente omloop voor motorvoertuigen, algemeen gekend als het circuit van Zolder-Terlamen. 1.
  8. De omloop wordt thans uitgebaat op grond van een bij besluit van 7 januari 2000 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw verleende milieuvergunning waarvan de geldigheidstermijn loopt tot 31 december
  9. Aan die basisvergunning zijn een reeks bijzondere voorwaarden verbonden die hoofdzakelijk betrekking hebben op de bestrijding van de geluidshinder die met de vergunde activiteiten gepaard gaat. In het kader van voorliggend geding zijn inzonderheid de volgende voorwaarden van belang : "2) In afwijking van artikel 5.32.10.
  10. van titel II van het Vlarem : 2.1) Tijdens de activiteiten van categorie B en C mag de omloop uitsluitend worden gebruikt door motorvoertuigen en/of - rijwielen waarvan het geluidsniveau LA, max, gemeten door de in punt 2.3) hierna bedoelde emissieposten, niet hoger is dan 95 dB(A). 2.2) Tijdens de activiteiten van categorie A mag voor de wedstrijden met regionaal karakter de omloop uitsluitend worden gebruikt door motorvoertuigen en/of -rijwielen waarvan het geluidsniveau La, max, gemeten door de in punt 2.3) hierna bedoelde emissieposten, niet hoger is dan 105 dB(A). Onder wedstrijden met regionaal karakter verstaat men die wedstrijden onder de auspiciën van de Vlaamse Autosportfederatie. 2.3) - 2.7) (...) 3) In afwijking van artikel 5.32.10.
  11. van titel II van het Vlarem : Voor de toepassing van deze bepalingen worden volgende categorieën van activiteiten onderscheiden : * activiteiten van de A-categorie : wedstrijden, test- en oefenritten met motorvoertuigen, alsook recreatief gebruik van motorvoertuigen of motorrijwielen, die voldoen aan de bijzondere voorwaarde 2, 2); (...); Vanaf de datum van het in werking treden van deze vergunning geldt daarenboven het volgende : * A-activiteiten zijn enkel toegelaten : - elke donderdag, voor zover deze niet voorafgaat aan een A-weekend van drie dagen, van 9-12 u en van 13-17 u - tien weekends per jaar, als volgt samengesteld : * drie weekends van twee en een halve dag, als volgt samengesteld : - vrijdag van 14-18 u - zaterdag van 9-12 u en van 13-18 u - zondag van 10-18u30 * maximaal vier weekends van drie dagen, als volgt samengesteld : - vrijdag van 9-12 u en van 13-18u - zaterdag van 9-12 u en van 13-18u - zondag van 10-18u30 - de donderdag voorafgaand aan deze weekends is geen ingedeelde activiteit toegestaan (noch A, B, C of D) VII-35.241-3/13 * minimaal twee weekends per jaar als volgt samengesteld : - zaterdag van 9-12 u en van 13-18 u - zondag van 10-18u30 * één weekend van 24 uren begrepen tussen zaterdag 9 u en zondag 18u30 - 5 dagen per jaar van 9-19 u ingeval van toewijzing van een WK gemotoriseerde sporten. Indien deze vijf dagen aaneengesloten worden genomen, mogen er geen ingedeelde activiteiten ingericht worden (noch A, B, C of D) de dag voor en de dag na deze vijf dagen. - één avondtraining tijdens een weekdag van 16-24 u Het totaal aantal A-dagen mag de 73,5 niet overschrijden (of 78,5 ingeval van toewijzing van een WK). (...); 4) - 5) (...). 6) - De vzw Terlamen zal uiterlijk drie volle maanden voorafgaand aan elk verder volgend kwartaal de activiteitenkalender van desbetreffend kwartaal per aangetekend schrijven ter goedkeuring voorleggen aan de leidinggevend ambtenaar van de buitendienst van de afdeling Milieuvergunningen te Hasselt. Bij niet-afwijzing binnen de maand na deze voorlegging wordt de aldus voorgelegde activiteitenkalender geacht te zijn goedgekeurd. De activiteiten van categorie A met regionaal karakter dienen specifiek vermeld in de activiteitenkalender. - (...). 7) - 13) (...)". 1.
  12. Op 19 juli 2004 neemt de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking een besluit waarbij enkele bijzondere voorwaarden, opgelegd in de lopende milieuvergunning, ambtshalve worden gewijzigd. Aldus worden wijzigingen aangebracht aan de voorwaarden gesteld in de nrs. 2.2) en 6) van de basisvergunning. Bovenvermelde voorwaarde 2.2) wordt vervangen door de volgende bepaling : "Tijdens de activiteiten van categorie A mag voor de wedstrijden en/of activiteiten met regionaal karakter de omloop uitsluitend worden gebruikt door motorvoertuigen en/of motorrijwielen waarvan het geluidsniveau LA, max gemeten door de in punt 2.3) hierna bedoelde emissiemeetposten, niet hoger is dan 105 dB(A). Onder wedstrijden met regionaal karakter verstaat men die wedstrijden onder de auspiciën van de Vlaamse Autosportfederatie. De vrije trainingen op donderdag worden steeds gecatalogeerd als activiteiten met regionaal karakter en moeten dus voldoen aan hoger vermelde norm van 105 dB(A), met uitzondering van de trainingen op donderdagen vóór weekends met internationale wedstrijden". De wijziging komt in concreto neer op de toevoeging van de in cursief weergegeven zin. De bijzondere voorwaarde nr. 6) eerste gedachtenstreepje, luidt na wijziging door het besluit van 19 juli 2004 voortaan als volgt : VII-35.241-4/13 "De vzw Terlamen zal uiterlijk drie volle maanden voorafgaand aan elk verder volgend kwartaal de activiteitenkalender van desbetreffend kwartaal per aangetekend schrijven ter goedkeuring voorleggen aan de leidinggevend ambtenaar van de buitendienst van de afdeling Milieuvergunningen te Hasselt. Bij niet-afwijzing binnen de maand na deze voorlegging wordt de aldus voorgelegde activiteitenkalender geacht te zijn goedgekeurd. De activiteiten van categorie A met internationaal karakter dienen specifiek te worden vermeld in de activiteitenkalender. Voor elke activiteit met internationaal karakter wordt een verduidelijking en motivering gegeven van het internationaal karakter". Het gewijzigde gedeelte is gecursiveerd. De wijziging van de betrokken voorwaarden wordt in het besluit van 19 juli 2004 als volgt gemotiveerd : "Toepassing van de emissienorm van 105 dB(A) : op pagina 13 van het ministerieel besluit van 7 januari 2000 is volgende overweging opgenomen : 'dat de exploitant stelt dat slechts voor A-activiteiten met regionaal karakter een emissienorm LA, max van 105 dB(A) kan gerespecteerd worden, vermits deze norm voor internationale wedstrijden niet haalbaar is; dat het dus aangewezen is een onderscheid te maken tussen A-activiteiten van regionaal en van internationaal karakter; dat onder wedstrijden met regionaal karakter wedstrijden verstaan worden die onder de auspiciën staan van de Vlaamse autosportfederatie'; in bijzondere voorwaarde nr. 2.2 is deze emissienorm dan ook opgenomen voor wedstrijden met regionaal karakter; in bijzondere voorwaarde nr. 6 is bovendien opgenomen dat de activiteiten van categorie A met regionaal karakter specifiek moeten vermeld worden in de activiteitenkalender; dit impliceert dat exploitant zelf moet aangeven wanneer de emissienorm van 105 dB(A) van toepassing is (in principe zou dit telkens moeten gebeuren bij wedstrijden van regionaal belang), zoniet dan is er geen enkele geluidsbeperking gedurende de A-activiteit; de praktijk (bvb. zie activiteitenkalender 2003) toont echter aan dat exploitant de A-activiteiten nooit expliciet catalogeert als activiteit of wedstrijd van regionaal belang, ook niet de A-activiteiten op donderdag die op enkele uitzonderingen na (nl. trainingsritten de donderdag voor een internationale wedstrijd) nooit als activiteit van internationaal belang te beschouwen zijn, maar als 'vrije trainingen' zijn gecatalogeerd; dit gaat in tegen de logica en de overwegingen van het ministerieel besluit van 7 januari 2000; om die reden is het dan ook aangewezen dat de logica wordt omgekeerd, namelijk dat de emissienorm van 105 dB(A) steeds van toepassing is, tenzij het gaat om activiteiten met een internationaal karakter, en die als dusdanig zijn vermeld in de activiteitenkalender; bij het aanduiden daarvan in de activiteitenkalender moet tevens een korte toelichting gegeven worden waarom de activiteit een internationaal karakter heeft; de trainingen op donderdag dienen steeds te beantwoorden aan de norm van 105 dB(A) tenzij het gaat om trainingsritten de donderdag voor een internationale wedstrijd; met deze wijziging wordt in se niks fundamenteels gewijzigd aan de logica van de bijzondere voorwaarden van het ministerieel besluit van 7 januari 2000; de wijziging moet echter zorgen voor het operationaliseren van het bewust gemaakte onderscheid dat in de praktijk niet wordt toegepast". VII-35.241-5/13 1.
  13. Op 25 augustus 2004 neemt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur een besluit waarbij de vergunningsvoorwaarden voor de exploitatie van het betrokken circuit opnieuw ambtshalve worden gewijzigd. Met betrekking tot het gebruik van de omloop op donderdagen en de daarbij toepasselijke geluidsnorm wordt de zin die aan voorwaarde 2.2) werd toegevoegd bij besluit van 19 juli 2004 geschrapt. Daarmee wordt in feite volledig teruggekeerd naar de voorwaarde zoals die oorspronkelijk was opgenomen in de basisvergunning van 7 januari
  14. Een tweede wijziging houdt verband met de vermelding in de activiteitenkalender van het soort A-activiteiten. Voortaan geldt als regel dat "voor de activiteiten van categorie A wordt verduidelijkt of ze een regionaal dan wel een internationaal karakter hebben". 1.
  15. Tegen voormeld besluit van 25 augustus 2004 stelt de huidige eerste verzoeker, omwonende van het circuit, een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing in bij de Raad van State (zaak gekend onder A.157.935/VII- 33.206). Bij arrest nr. 150.456 van 20 oktober 2005 wordt het besluit van 25 augustus 2004 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur door de Raad van State vernietigd. Eén van de aangevoerde middelen wordt kennelijk gegrond bevonden. 1.
  16. Op 8 november 2005 dient de tussenkomende partij bij de Raad van State een verzoek tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing in tegen voormeld besluit van 19 juli 2004 van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking (zaak gekend onder A. 167.598/VII- 34.912). Bij arrest nr. 159.568 van 2 juni 2006 worden het annulatieberoep en de vordering tot schorsing verworpen wegens kennelijke laattijdigheid. 1.
  17. Daags nadat de tussenkomende partij de zaak A. 167.598/VII- 34.912 bij de Raad van State had ingeleid, neemt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur het thans bestreden besluit. Het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 19 juli 2004 tot wijziging van de bijzondere exploitatievoorwaarden wordt opgeheven. VII-35.241-6/13
  18. De ontvankelijkheid 2.
  19. De verwerende partij en de tussenkomende partij werpen op dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij hun vordering omdat het door het bestreden besluit "opgeheven" besluit van 19 juli 2004, alsmede het opheffingsbesluit zelf, geen rechtsverlenende beslissingen zijn ten opzichte van de verzoekende partijen. 2.
  20. De verzoekende partijen zijn omwonenden van het betrokken autocircuit. Het bestreden besluit beoogt en heeft tot gevolg dat op het circuit op alle donderdagen als internationaal gekwalificeerde activiteiten plaats mogen vinden waarvoor geen beperking van het geluidsvolume geldt, daar waar op grond van het besluit van 19 juli 2004 de vrije trainingen op donderdag steeds worden gecatalogeerd als regionale activiteiten met een maximum toegelaten geluidsniveau van 105 dB(A). Het bestreden besluit heeft dus tot gevolg dat de door de omwonenden te verdragen geluidslast aanzienlijk toeneemt. Het bestreden besluit is dus in hoofde van de verzoekende partijen griefhoudend. De bewering van de tussenkomende partij dat het opgeheven ministerieel besluit van 19 juli 2004 in de praktijk nooit enige uitwerking heeft gehad, doet daaraan geen afbreuk. De nietigverklaring van het thans bestreden opheffingsbesluit zou immers tot gevolg hebben dat het besluit van 19 juli 2004 opnieuw voor de toekomst zal gelden. Indien zulks niet het geval zou zijn valt trouwens niet in te zien waarom de Vlaamse minister de gelding van die bestuurshandeling wou beëindigen door ze uitdrukkelijk op te heffen. Overigens volstaat het voor het hebben van een voldoende belang dat het aangevochten besluit de belangen van de verzoekende partijen als omwonenden van het betrokken circuit nadelig beïnvloedt - in het schorsingsarrest nr. 160.831 van 29 juni 2006 wordt zulks terecht aangenomen - zonder dat moet worden nagegaan of die nadelen zich in de praktijk reeds hebben voltrokken. De exceptie is ongegrond. VII-35.241-7/13
  21. Ten gronde 3.1.
  22. De verzoekende partijen zetten hun eerste middel als volgt uiteen : "Het eerste middel wordt genomen uit de schending van de voorwaarden waaronder een rechtsverlenende administratieve rechtshandeling kan worden ingetrokken, de schending van de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven bevoegdheidsregels, evenals de schending van het vertrouwensbeginsel Doordat, de bestreden beslissing besluit tot de intrekking - zij het de opheffing - van het ministerieel besluit van 19 juli 2004 dat aan de omwonenden van de omloop van Terlaemen bescherming biedt tegen overdreven geluidsoverlast en dat hun recht op een gezond leefmilieu gedeeltelijk veilig stelt, en doordat deze intrekking en/of opheffing slechts plaats vond meer dan een jaar na de bekendmaking van het ministerieel besluit van 19 juli 2004 Terwijl, de administratieve overheid die een administratieve (en volgens haar onregelmatige) rechtshandeling uit het rechtsverkeer wenst te verwijderen, dit slechts kan gedurende de termijn van 60 dagen bepaald voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State; dat in het Auditoraatsverslag nr. A/A. 167.598/VII-34.912 reeds in het kader van artikel 93 van het gewoon procedurereglement werd vastgesteld dat een annulatieberoep tegen het ministerieel besluit van 19 juli 2004, ingediend op 8 november 2005, kennelijk laattijdig werd ingesteld Zodat de bestreden beslissing, door een aan verzoekende partijen rechtsverlenend ministerieel besluit van 19 juli 2004 op te heffen (lees 'in te trekken’) nadat de termijn is verstreken om tegen dat besluit een annulatieberoep in te dienen, de in het middel aangehaalde beginselen schendt. (...)". 3.1.
  23. De verwerende partij antwoordt daarop onder meer het volgende : "
  24. De intrekking is de impliciete of expliciete rechtshandeling waarbij een administratieve overheid een beslissing die zij heeft genomen ab initio teniet doet, ten gevolge waarvan de ingetrokken beslissing geacht wordt niet te hebben bestaan (MAST, A. en DUJARDIN J., Overzicht van het Belgisch administratief recht, 1999, nr 730). De opheffing van een administratieve rechtshandeling is de impliciete of uitdrukkelijke rechtshandeling waarbij een administratieve overheid aan de handeling die zij heeft verricht, voor de toekomst haar gelding ontneemt, zodat de rechtsgevolgen van die handeling voor het verleden blijven bestaan. De opheffing geschiedt, in tegenstelling tot de vernietiging en de uittrekking (sic), ex tunc, zij enkel geldt voor de toekomst (MAST, A. en DUJARDIN J., o.c., 730). De opheffing wordt eerder toelaatbaar geacht dan de intrekking (MAST, A. en DUJARDIN J., o.c., 731). Het al dan niet regelmatig karakter van de op te heffen handeling is voor MAST en DUJARDIN in tegenstelling tot wat in het kader van de theorie inzake de toelaatbaarheid van de intrekking het geval is, niet determinerend (MAST, A. en DUJARDIN J., o.c., 731). VII-35.241-8/13 Aangezien de door het bestreden besluit opgeheven beslissing geen individuele rechten verleent aan verzoekende partijen, hebben zij geen belang bij de aanvechting van de opheffing ervan".
  25. In een arrest van de Raad van State wordt uitspraak gedaan over de vraag of een milieuvergunning en de milieuvergunningsvoorwaarden rechten t.a.v. de vergunninghouder en /of t.a.v. derden doen ontstaan. De Raad oordeelt dat de milieuvergunning essentieel rechtsscheppend is in hoofde van de vergunninghouder, in die zin dat eenmaal de vergunning bekomen is, de vergunninghouder het recht verworven heeft, mits inachtneming van de opgelegde voorwaarden, tot het uitbaten van een welbepaalde inrichting gedurende de in de vergunning gestelde termijn. Derden kunnen evenwel als zodanig geen rechtstreekse rechten putten uit die exploitatievergunning of milieuvergunning. De toekenning van de milieu- vergunning doet in hoofde van derden slechts 'afgeleide' rechten ontstaan in die zin dat zij het gevolg zijn van de aan de exploitant opgelegde exploitatievoorwaarden, hetgeen die derde wel toelaat de naleving van die voorwaarden te eisen en eventueel af te dwingen, maar hem voor het overige niet toelaat enig recht op de vergunning zelf te doen gelden. Besluitend oordeelde de Raad dat deze afgeleide rechten geen beletsel vormen wanneer men op rechtsgeldige wijze een onregelmatige vergunnings- beslissing wenst in te trekken, zelfs wanneer de daartoe gestelde termijn verstreken is (R.v.St., nr. 118.029 van 04/04/03 inzake Vansuyt; nr. 25.113, van 07/03/1985, inzake consorten de Marnix de Saint Aldegonde). Uit het voorgaande blijkt dat het middel niet ontvankelijk is bij gebreke aan belang". 3.1.
  26. In de memorie van wederantwoord trachten de verzoekende partijen de argumenten van de verwerende partij te weerleggen en lichten zij hun standpunt verder toe. 3.1.
  27. De tussenkomende partij stelt, samengevat, dat het middel niet ontvankelijk is wegens gebrek aan belang, omdat de opgeheven beslissing geen rechten verleent aan de verzoekende partijen, zodat zij te allen tijde kon worden opgeheven en dat de termijn om beroep aan te tekenen bij de Raad van State tegen de opgeheven beslissing niet verstreken was. Zij besluit haar omstandig betoog als volgt : "(...) Besluitend kan worden gesteld dat de beslissing van minister Tavernier van 19 juli 2004 tijdig werd aangevochten. De ontvankelijkheid ratione temporis moet bekeken worden in het licht van het leerstuk van het herleven van de basisbeslissing en de heropening van de beroepstermijn of in het licht van de rechtspraak zoals verwoord in het arrest Van Avermaet. Tussenkomende partij heeft in dit licht alleszins tijdig beroep ingesteld tegen de (herlevende) basisbeslissing van 19 juli 2004, nl. binnen de (heropende) termijn van 60 dagen na de betekening van het arrest waarbij de wijzigende beslissing werd vernietigd. Er anders over oordelen zou allicht aanleiding geven tot het instellen van procedures die achteraf gezien totaal onnodig zouden kunnen blijken te zijn. Een vanuit proceseconomisch oogpunt bekeken aanvaardbare gang van zaken kan overeenkomstig de voorgaande oplossing VII-35.241-9/13 hand in hand gaan met een adequate toegang tot een rechterlijke instantie die bovendien in overeenstemming is met de rechtspraak van Uw Raad. (...) Op grond van voorgaande overwegingen blijkt duidelijk dat de vordering niet laattijdig werd ingesteld. De vordering tegen de beslissing van minister Tavernier van 19 juli 2004 werd dan ook op ontvankelijke wijze ingesteld. Tot aan de sluiting van de debatten kon deze onwettige beslissing van 19 juli 2004, zoals gebeurde bij besluit van 9 november 2005 (het thans bestreden besluit), opgeheven worden. (...) ALGEMEEN BESLUIT (...) In elke hypothese is de opheffing op wettige wijze geschied : a. hoofdstelling : de beslissing van 19 juli 2004 was niet rechtsverlenend in hoofde van derden, zodat deze te allen tijde, in alle gevallen kon worden opgeheven; b. ondergeschikt : zelfs indien de beslissing van 19 juli 2004 toch als rechtsverlenend in hoofde van derden aanzien zou worden, quod non, dan nog kon die beslissing van 19 juli wettig worden opgeheven aangezien de opgeheven beslissing aangetast was door onregelmatigheden en aangezien zulks gebeurde op een moment dat de beslissing nog niet definitief was aangezien hiertegen, na het herleven van de beslissing van 19 juli 2004, op ontvankelijke wijze tijdig een verzoek tot vernietiging werd ingesteld bij de Raad van State". 3.
  28. Het bestreden besluit steunt op de volgende overwegingen : "Overwegende dat de heer Roger Luyckx op 29 november 2004 een vordering tot schorsing en tot nietigverklaring heeft ingesteld bij de Raad van State tegen het ministerieel besluit nr. AMV/00003097/1020 van 25 augustus 2004; dat de Raad van State van oordeel is dat (bepaalde onderdelen van) het bestreden besluit niet afdoende gemotiveerd zijn, of onduidelijk zijn; dat het ministerieel besluit van 25 augustus 2004 derhalve door de Raad van State vernietigd werd bij arrest nr. 150.456 van 20 oktober 2005, betekend op 4 november 2005; Overwegende dat derhalve het ministerieel besluit van 19 juli 2004 opnieuw geldingskracht heeft; overwegende echter dat de VZW TERLAMEN op haar beurt op 8 november 2005 een vordering tot schorsing en tot nietigverklaring heeft ingesteld bij de Raad van State tegen dit ministerieel besluit; Overwegende dat het derhalve, teneinde duidelijkheid en rechtszekerheid te creëren, gepast voorkomt de wettigheid en wenselijkheid van het ministerieel besluit van 19 juli 2004 opnieuw te onderzoeken, mede in het licht van de wettigheidsbezwaren opgeworpen in de hangende procedure bij de Raad van State". Vervolgens gaat het over tot een analyse van het besluit van 19 juli 2004, en wordt beslist dat die akte moet worden "opgeheven" daar ze volgens de verwerende partij aangetast is door diverse onwettigheden. 3.
  29. Hierboven werd er reeds op gewezen dat de opheffing van het besluit van 19 juli 2004 wel degelijk griefhoudend is in hoofde van degenen die woonachtig zijn in de onmiddellijke omgeving van de inrichting waarop de exploitatievoorwaarden betrekking hebben. Het beginsel van de onaantastbaarheid van de definitief door een constitutieve administratieve beschikking gevestigde VII-35.241-10/13 concrete individuele situaties en van de daaruit voortgekomen rechtsverhoudingen verbiedt niet alleen dat de overheid dergelijk administratieve beschikking met retroactieve werking zou intrekken, maar verbiedt ook dat die overheid de weliswaar zachtere maatregel van opheffing - die enkel voor de toekomst uitwerking heeft - van die administratieve beschikking zou nemen op grond van een rechtmatigheidsbezwaar, dit is een bezwaar gesteund op de vraag of de gevestigde concrete individuele situatie overeenkomstig het recht is tot stand gekomen. Dergelijke maatregel behelst immers eveneens een aantasting van een onaantastbaar geworden individuele situatie. De nadruk die de verwerende partij en de tussenkomende partij leggen op het onderscheid tussen de opheffing en de intrekking van een bestuurshandeling brengt dan ook niets fundamenteels bij tot de beoordeling van de gegrondheid van het middel. Te dezen zijn de gevolgen van de maatregel overigens dezelfde. De intrekking of de opheffing van een onregelmatige administratieve rechtshandeling die rechten toekent aan derden is slechts mogelijk wanneer die bestuurshandeling nog geen definitief karakter heeft verkregen en de nietigverklaring ervan nog mogelijk is, hetzij doordat de termijn van 60 dagen om bij de Raad van State beroep in te stellen nog niet verstreken is, hetzij doordat dergelijk beroep effectief werd ingesteld. Wanneer de vernietiging door de Raad van State niet meer mogelijk is, is de intrekking of opheffing uitsluitend omwille van rechtmatigheidsbezwaren door de administratieve overheid evenmin nog mogelijk. Uit het arrest nr. 159.568 van 2 juni 2006 volgt dat het annulatieberoep dat de tussenkomende partij op 8 november 2005 bij de Raad van State heeft ingediend tegen het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 19 juli 2004 (kennelijk) laattijdig was. Dientengevolge moet het besluit van 19 juli 2004 geacht worden definitief te zijn. Door de opheffing van voormeld besluit uitsluitend omwille van rechtmatigheidsbezwaren heeft de verwerende partij haar bevoegdheid overschreden. Het gezag van gewijsde van voormeld arrest nr. 159.568 van 2 juni 2006 impliceert dat de tussenkomende partij thans de discussie niet meer kan heropenen over de tijdigheid van het annulatieberoep dat zij op 8 november 2005 indiende tegen het besluit van 19 juli 2004 van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking (zaak A. 167.598/VII-34.912). Ook de bewering dat het opgeheven besluit van 19 juli 2004 op diverse punten onwettig zou VII-35.241-11/13 zijn, doet niet meer terzake aangezien een administratieve rechtshandeling met individuele strekking die definitief en onaantastbaar is geworden, in casu ten gevolge van de laattijdigheid van het ertegen ingestelde annulatieberoep, niet met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing kan worden gelaten. Het middel is gegrond, BESLUIT: Artikel
  30. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 9 november 2005 waarbij het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 19 juli 2004 houdende ambtshalve wijziging van de bijzondere vergunningsvoorwaarden met betrekking tot de permanente omloop voor motorvoertuigen die de v.z.w. TERLAMEN exploiteert te Zolder-Terlamen, wordt opgeheven. Artikel
  31. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  32. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-35.241-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf oktober tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-35.241-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.648 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.831 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.