id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.649 Rolnummer: A. 97856/VII-33203 Zaak: Arrest 175649 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 11/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-22 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:16 Fiche Arrest nr 175.649 van 11 oktober 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.649 van 11 oktober 2007 in de zaak A. 97.856/VII-33.
- In zake : de c.v.b.a. P.T.C., die woonplaats kiest bij advocaat W. MERTENS, kantoor houdende te LICHTERVELDE, Pastoor Denyslaan 70 tegen :
- het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaten G. MARTYN, P. DEJONCKHEERE, J. COLPAERT en I. DE TANDT, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg 82,
- de VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de c.v.b.a. P.T.C. op 27 november 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 22 september 2000 dat gezamenlijk werd genomen door het afdelingshoofd van de afdeling Milieu-inspectie van AMINAL en het afdelingshoofd van de afdeling Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij en waarbij aan de verzoekende partij een administratieve geldboete wordt opgelegd van 100.000 BEF (2.478,93 euro) voor de mestlozing in de Lijsterbeek ter hoogte van de stallen, gelegen aan de Legeweg 20 te Beernem; Gezien de memorie van antwoord van de eerste verwerende partij en gelet op het feit dat de tweede verwerende partij verzuimd heeft een memorie van antwoord in te dienen; Gezien de memorie van de verzoekende partij, die geldt als een memorie van wederantwoord ten aanzien van de eerste verwerende partij en als een toelichtende memorie ten aanzien van de tweede verwerende partij; VII-33.203-1/8 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 7 december 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien het verzoekschrift tot voortzetting van de verzoekende partij en de laatste memorie van de eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 26 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 september 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. VINCKE die, loco advocaat G. MARTYN verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten 1.
- De c.v.b.a. P.T.C. (Pigs Trading Company) exploiteert een varkensbedrijf, vergund voor 1.750 mestvarkens en voor 3.093 m³ mestopslag, gelegen aan de Legeweg 20 te Beernem. 1.
- Op 1 september 1997 heeft de c.v.b.a. P.T.C. het volledige bedrijf van de n.v. TAVEIRNE overgenomen. Deze laatste vennootschap werd bij vonnis van 12 maart 1998 failliet verklaard. 1.
- Op 22 september 2000 nemen het afdelingshoofd van de afdeling Milieu-inspectie van AMINAL en het afdelingshoofd van de afdeling Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij de beslissing waarbij aan de verzoekende partij een VII-33.203-2/8 geldboete wordt opgelegd van 2.478,93 euro voor de mestlozing in de Lijsterbeek te Beernem. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat uit het proces-verbaal met nummer 00/PV/303/015/A opgemaakt door Mestbank Brugge, blijkt dat mest geloosd wordt in de Lijsterbeek ter hoogte van de stallen gelegen in de Legeweg 20; Overwegende dat er mest vanuit stal drie van dit bedrijf via een buis naar de beek gepompt wordt; Overwegende dat uit de verklaring van de heer Taveirne Martin, afgenomen naar aanleiding van de afstapping ter plaatse op 12 januari 2000, blijkt dat hij zelf de pomp heeft geplaatst en in werking heeft gezet; Overwegende dat het bijgevolg een opzettelijke lozing betreft; Overwegende dat Taveirne Martin verklaart dat hij persoonlijk alles zelf regelt wat betreft de verzorging van de dieren en de mestafzet op deze inrichting niettegenstaande zijn zoon Filip zaakvoerder is van P.T.C. cvba; Overwegende dat zoon Filip een bijzondere volmacht gaf aan vader Martin voor de hoorzitting; Overwegende dat de heer Taveirne Martin ook tijdens de hoorzitting deze opzettelijke lozing niet tegenspreekt; Overwegende dat de aanwezige varkens eigendom zijn van P.T.C. cvba; Overwegende dat de mest door deze varkens geproduceerd op het moment van de exploitatie onderdeel uitmaakt van de exploitatie; Overwegende dat derhalve P.T.C. cvba ook verantwoordelijk is voor de mest". Dit is de thans bestreden beslissing.
- De ontvankelijkheid De eerste verwerende partij doet afstand van de opgeworpen excepties.
- De beoordeling 3.1.
- In een eerste middel wordt de schending ingeroepen van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat de verwerende partijen onvoldoende rekening zouden hebben gehouden met de argumenten die de verzoekende partij ter hoorzitting heeft aangebracht en niet afdoende zouden hebben geantwoord op het argument van de verzoekende partij dat er onvoldoende bewijs zou zijn aangebracht dat er wel degelijk mest zou zijn geloosd in de Lijsterbeek. 3.1.
- In haar memorie van antwoord stelt de eerste verwerende partij dat de bestreden beslissing wel degelijk afdoende is gemotiveerd en dat er op VII-33.203-3/8 genoegzame wijze op de ter hoorzitting van 22 september 2000 opgeworpen argumenten van de verzoekende partij werd geantwoord. 3.1.
- De verzoekende partij doet in haar memorie van wederantwoord gelden dat zij niet de kans heeft gekregen haar verweer te voeren "tegenover de door de verbalisanten gedane vaststellingen" bij het plaatsbezoek van 13 oktober 2000 (wellicht wordt het plaatsbezoek van 12 januari 2000 bedoeld) en zij beweert dat de verwerende partijen bepaalde "vormvereisten" over het hoofd hebben gezien. Voorts wordt in de memorie van wederantwoord op het volgende gewezen : "(...) Dat reeds op 29.09.2000 in het P.V. nr. 00/pv/303/289/A melding wordt gemaakt van de vaststelling als zou een grote hoeveelheid mest gedumpt (zijn) op de achter gelegen akker en maïs-veld (sic). Dat geenszins blijkt dat de op 13.10.2000 gedane vaststellingen geen dubbel gebruik uitmaken met de vaststelling van 29.09.2000, die geleid heeft (tot) de beslissing van DE VLAAMSE GEMEENSCHAP, Vlaams Minister van Leefmilieu en Tewerkstelling, Vlaamse Landmaatschappij, dd. 15 december 2000, betekend aan verzoekster bij schrijven van 21.12.2000, gekend onder nummer RVD/2000121594). Dat er geen elementen aanwezig zijn die uitsluiten dat mijn verzoekster veroordeeld wordt voor dezelfde feiten die geleid hebben tot de beslissing van DE VLAAMSE GEMEENSCHAP, Vlaams Minister van Leefmilieu en Tewerkstelling, Vlaamse Landmaatschappij, dd. 15 december 2000, betekend aan verzoekster bij schrijven dd. 21.12.2000, gekend onder nummer RVD/
- Dat dergelijke beoordeling een schending uitmaakt van het 'non bis in idem' -beginsel waarbij niet kan vervolgd, gestraft of gesanctioneerd worden voor feiten waarvoor (...) (men) reeds een veroordeling heeft opgelopen". Ten slotte stelt de verzoekende partij dat de tweede verwerende partij er ten onrechte van uitgaat dat het hier om een "illegale lozing van mest" zou gaan, "terwijl niet eens vaststaat dat voldaan is (aan) de definitie van mest". 3.1.4.
- Om aan te tonen dat er sprake is van een schending van het "non bis in idem"-beginsel, verwijst de verzoekende partij naar vaststellingen en beslissingen die zich situeren ná de bestreden beslissing. Er valt niet in te zien hoe deze elementen de bestreden beslissing zouden hebben kunnen beïnvloeden, zeker niet nu de stukken, waarnaar de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord verwijst, niet in het administratief dossier terug te vinden zijn. Dit onderdeel van het middel mist dan ook feitelijke grondslag. 3.1.4.
- Het feit dat de bestreden beslissing niet ingaat op het argument dat ter hoorzitting werd aangebracht en waarbij wordt opgemerkt dat de staalnames niet bij het dossier zijn gevoegd, kan slechts een schending van de formele VII-33.203-4/8 motiveringsplicht uitmaken voor zover er geen andere draagkrachtige motieven in de motivering van de bestreden beslissing zijn opgenomen. Het is immers niet vereist dat de motivering van de bestreden beslissing elk argument van de verzoekende partij zou moeten weerleggen, om afdoende te zijn. Het volstaat immers dat de in de motivering vermelde motieven de beslissing kunnen dragen. Te dezen blijkt uit de bestreden beslissing dat alle elementen, op basis waarvan besloten is dat er wel degelijk mest werd geloosd, in aanmerking zijn genomen en dat de verzoekende partij onvoldoende elementen aanbrengt om het tegendeel te bewijzen. Het eerste middel is niet gegrond. 3.2.
- In een tweede middel wordt de schending ingeroepen van de artikelen 2 en 16 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : meststoffendecreet). De verzoekende partij voert in essentie aan dat de lozing van de mest niet is bewezen en stelt ook dat er onvoldoende bewijzen zijn, dat het hier om "mest" gaat, aangezien bepaalde analyseresultaten zouden ontbreken. 3.2.
- In haar memorie van antwoord stelt de eerste verwerende partij dat het hier wel degelijk om mest gaat en er bovendien "opzettelijk geloosd" werd. Zij voegt hieraan toe dat op de hoorzitting van 22 september 2000 het dossier werd vervolledigd met de analyseresultaten en dat de verzoekende partij van haar kant nooit gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om zelf een "ontlastende" analyse te maken. 3.2.
- In de memorie van wederantwoord antwoordt de verzoekende partij dat zij de kans niet heeft gekregen om zich te verweren tegen de vaststellingen "in het P.V. van vaststelling dd. 13.
- 2000" en dat dit proces-verbaal onvolkomen is, zodat haar recht van verdediging zou zijn geschonden. 3.2.4.
- In de mate dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord stelt dat haar recht van verdediging is geschonden, vult zij de middelen zoals uiteengezet in haar verzoekschrift aan en geeft zij hen een andere wending. Bovendien had de verzoekende partij dit middel, dat niet de openbare orde betreft, reeds in haar verzoekschrift kunnen inroepen. Bijgevolg is dit onderdeel van het middel niet ontvankelijk. VII-33.203-5/8 3.2.4.
- In de mate waarin de verzoekende partij de materiële motiveringsplicht geschonden acht, slaagt zij er niet in aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen die tijdens de plaatsbezoeken van de Mestbank werden verricht niet correct zouden zijn, noch dat de gevolgtrekkingen die de afdelingshoofden van de afdeling Mestbank en van de afdeling Milieu-inspectie daaruit hebben afgeleid, kennelijk onredelijk zouden zijn. Wanneer de Raad van State een administratieve beslissing aan de wet toetst, treedt hij niet op als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen. Hij onderzoekt enkel of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn die daarmee onverenigbaar zijn. In het kader van een marginale toetsing wordt de aangeklaagde onwettigheid slechts dan gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, met andere woorden wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is. De verzoekende partij toont niet aan dat de feiten niet op behoorlijke wijze werden vastgesteld, noch dat de motieven kennelijk onredelijk zijn. Het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de beoordeling van het afdelingshoofd van de afdeling Milieu-inspectie van AMINAL en het afdelingshoofd van de afdeling Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij maakt op zich geen middel uit tot vernietiging van de bestreden beslissing. Ten slotte moet erop worden gewezen dat het meststoffendecreet in haar definitie van "dierlijke mest" geen minimumpercentage bevat, om een bepaalde materie of vloeistof als mest te kwalificeren. Uit het administratief dossier blijkt dat bij proces-verbaal van 12 januari 2000 "water met mest vermengd" werd opgepompt. De verzoekende partij heeft geen tegenanalyse van deze waterstalen laten uitvoeren. Bovendien brengt zij onvoldoende concrete elementen aan die zouden aantonen dat zij te dezen geen mest zou hebben geloosd. Het tweede middel is bijgevolg niet gegrond.
- Het verzoekschrift tot nietigverklaring werd gezegeld ten belope van 7.500 BEF. Het te veel gekweten recht ten belope van 12,39 euro moet aan de verzoekende partij worden terugbetaald, BESLUIT: Artikel
- VII-33.203-6/8 Het beroep wordt verworpen. VII-33.203-7/8 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Artikel
- De teveel betaalde fiscale zegels ten bedrage van 12,39 euro moeten worden terugbetaald aan de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf oktober tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-33.203-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.649 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div