← België

Arrest 175650 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 11/10/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.650 Rolnummer: A. 97857/VII-33204 Zaak: Arrest 175650 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 11/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-22 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 03:16 Fiche Arrest nr 175.650 van 11 oktober 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.650 van 11 oktober 2007 in de zaak A. 97.857/VII-33.

  1. In zake : de c.v.b.a. P.T.C., die woonplaats kiest bij advocaat W. MERTENS, kantoor houdende te LICHTERVELDE, Pastoor Denyslaan 70 tegen :
  2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaten G. MARTYN, P. DEJONCKHEERE, J. COLPAERT en I. DE TANDT, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg 82,
  3. de VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de c.v.b.a. P.T.C. op 27 november 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 22 september 2000 dat gezamenlijk werd genomen door het afdelingshoofd van de afdeling Milieu-inspectie van AMINAL en het afdelingshoofd van de afdeling Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij en waarbij aan de verzoekende partij een administratieve geldboete wordt opgelegd van 100.000 BEF (2.478,93 euro) voor het overlopen van de mestputten in de vestiging gelegen aan de Kauwakkerstraat 6 te Dranouter (Heuvelland); Gezien de memorie van antwoord van de eerste verwerende partij en gelet op het feit dat de tweede verwerende partij verzuimd heeft een memorie van antwoord in te dienen; Gezien de memorie van de verzoekende partij, die geldt als een memorie van wederantwoord ten aanzien van de eerste verwerende partij en als een toelichtende memorie ten aanzien van de tweede verwerende partij; VII-33.204-1/7 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 7 december 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien het verzoekschrift tot voortzetting van de verzoekende partij en de laatste memorie van de eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 26 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 september 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. VINCKE die, loco advocaat G. MARTYN verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. De feiten 1.
  5. De c.v.b.a. P.T.C. (Pigs Trading Company) exploiteert een varkensbedrijf, vergund voor 1.904 mestvarkens en voor 2.834 m³ mestopslag, gelegen aan de Kauwakkerstraat 6 te Dranouter (Heuvelland). 1.
  6. Op 2 maart 1996 wordt de vennootschap opgericht als b.v.b.a. en op 24 juni 1997 wordt ze omgevormd tot c.v.b.a.. 1.
  7. Op 22 september 2000 vindt een hoorzitting plaats bij de afdeling Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij. De raadsman van de verzoekende partij legt hierbij een nota neer die dezelfde argumenten bevat als het onderhavig verzoekschrift tot nietigverklaring. VII-33.204-2/7 1.
  8. Op 22 september 2000 nemen het afdelingshoofd van de afdeling Milieu-inspectie van AMINAL en het afdelingshoofd van de afdeling Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij de beslissing waarbij aan de verzoekende partij, overeenkomstig artikel 25, §2, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : meststoffendecreet), een geldboete wordt opgelegd van 2.478,93 euro voor het overlopen van de mestputten in haar vestiging aan de Kauwakkerstraat 6 te Dranouter. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat de aanwezige varkens eigendom zijn van P.T.C. cvba; dat derhalve P.T.C. cvba ook verantwoordelijk is voor de mest; dat de mest door deze varkens geproduceerd op het moment van de exploitatie onderdeel uitmaakt van de exploitatie; Overwegende dat de bezetting ter bede geen afbreuk doet aan het feit dat P.T.C. cvba verantwoordelijk blijft voor de geproduceerde mest; Overwegende dat de heer Masschelein, arbeider in loondienst van P.T.C. cvba, verklaarde op 21/01/00, dat hij reeds een week voor de vaststelling zijn werkgever had verwittigd van het feit dat de mestkelders overvol waren; dat dit niet werd ontkend tijdens de hoorzitting; dat desondanks geen enkel initiatief werd genomen om de mestkelders tijdig te ledigen; dat hier dus sprake is van grove nalatigheid; Overwegende dat uit de hoorzitting blijkt dat betrokkene op de hoogte was van het feit dat de waterleiding in heel slechte staat was; dat de slechte staat van de waterleiding ook uit het proces-verbaal opgesteld door de Politie Heuvelland blijkt; dat een euvel aan de waterleiding te voorzien was; dat geen enkel initiatief werd genomen zoals een goede huisvader het betaamt om te verhinderen dat water in de reeds overvolle mestkelders terechtkwam". Dit is de thans bestreden beslissing.
  9. De ontvankelijkheid De eerste verwerende partij doet afstand van de opgeworpen excepties.
  10. De beoordeling 3.1.
  11. In een eerste middel wordt de schending ingeroepen van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat de verwerende partijen onvoldoende rekening zouden hebben gehouden met de argumenten die de verzoekende partij ter hoorzitting heeft aangebracht. De verzoekende partij wijst erop dat de betrokken inrichting, ten tijde van het overlopen van de mestputten, toebehoorde aan de n.v. TAVEIRNE, die sinds 13 maart 1998 in faling zou zijn. Zij beweert dat zij de stallen VII-33.204-3/7 aldaar van de curatele mocht gebruiken als een bezetting ter bede en dat de curatele -en dus niet de verzoekende partij- bijgevolg juridisch aansprakelijk is voor de betrokken inrichting. 3.1.
  12. In haar memorie van antwoord stelt de eerste verwerende partij dat de bestreden beslissing wel degelijk afdoende is gemotiveerd en dat er op genoegzame wijze op de ter hoorzitting van 22 september 2000 opgeworpen argumenten van de verzoekende partij werd geantwoord. 3.1.
  13. De verzoekende partij doet in haar memorie van wederantwoord het volgende gelden : "Het feit dat de exploitant verantwoordelijk zou zijn voor de mestopslag is geen juridische of feitelijke verantwoording van de beslissing. Dat immers, wanneer de exploitant geen eigenaar is van het onroerend goed waarin de exploitatie gebeurt, hij zich in een geval van overmacht kan bevinden, waardoor hij de herstelling en conform maken van de uitbatingsplaats niet eigenmachtig kan doen, gezien dit zijn juridische bevoegdheid als exploitant overschrijdt, ten opzichte (sic) van de eigenaar". 3.1.
  14. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partijen het argument "overmacht" van de verzoekende partij niet hebben aanvaard en dat de verzoekende partij "nalatig" is geweest, omdat zij als verantwoordelijke en eigenaar van de mest geen enkel initiatief heeft genomen om het overstromen van de reeds overvolle mestputten te voorkomen. Aldus geeft deze motivering minstens impliciet te kennen waarom de argumenten van de verzoekende partij niet werden aanvaard. Het feit dat de bestreden beslissing niet ingaat op de argumenten die de verzoekende partij ter hoorzitting heeft aangebracht, kan slechts een schending van de formele motiveringsplicht uitmaken voor zover er geen andere draagkrachtige motieven in de motivering van de bestreden beslissing zijn opgenomen. Het is immers niet vereist dat de motivering van de bestreden beslissing elk argument van de verzoekende partij zou moeten weerleggen, om afdoende te zijn. Het volstaat immers dat de in de motivering vermelde motieven de beslissing kunnen dragen. In de mate waarin de verzoekende partij de materiële motiveringsplicht geschonden acht, slaagt zij er niet in aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen die tijdens de plaatsbezoeken van de Mestbank werden verricht niet correct zouden zijn, noch dat de gevolgtrekkingen die de afdelingshoofden van de afdeling Mestbank en van de afdeling Milieu-inspectie daaruit hebben afgeleid, VII-33.204-4/7 kennelijk onredelijk zouden zijn. Wanneer de Raad van State een administratieve beslissing aan de wet toetst, treedt hij niet op als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen. Hij onderzoekt enkel of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn die daarmee onverenigbaar zijn. In het kader van een marginale toetsing wordt de aangeklaagde onwettigheid slechts dan gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, met andere woorden wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is. De verzoekende partij toont niet aan dat de feiten niet op behoorlijke wijze werden vastgesteld, noch dat de motieven kennelijk onredelijk zijn. Het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de beoordeling van het afdelingshoofd van de afdeling Milieu-inspectie van AMINAL en het afdelingshoofd van de afdeling Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij maakt op zich geen middel uit tot vernietiging van de bestreden beslissing. Te dezen blijkt uit de bestreden beslissing dat alle elementen, op basis waarvan besloten is dat er wel degelijk mest werd geloosd, in aanmerking zijn genomen en dat de verzoekende partij onvoldoende elementen aanbrengt om het tegendeel te bewijzen. Het eerste middel is niet gegrond. 3.2.
  15. In een tweede middel wordt de schending ingeroepen van de artikelen 2, 16 en 25 van het meststoffendecreet en van artikel 1756 van het Burgerlijk Wetboek. De verzoekende partij voert aan dat artikel 25 is "gelinkt" aan artikel 16 van het meststoffendecreet dat een algemeen verbod oplegt, hetwelk zich niet specifiek tot de gebruiker richt, zodat ook derden aansprakelijk gesteld kunnen worden, zoals de eigenaar (i.c. de curator optredende namens de faling). Zij stelt ook dat voor zover er sprake is van een huurovereenkomst tussen de verzoekende partij en de curator, deze laatste als verhuurder moet instaan voor het ledigen van de putten op grond van artikel 1756 van het Burgerlijk Wetboek. 3.2.
  16. In haar memorie van antwoord stelt de eerste verwerende partij dat de artikelen 2, 16 en 25 van het meststoffendecreet "er geen redelijke twijfel over (laten) bestaan" dat de "exploitant" van de vestiging verantwoordelijk is voor het lozen van de mest. Voorts stelt de eerste verwerende partij dat artikel 1756 van het Burgerlijk Wetboek niet geschonden is, "nu het in het geval van 'huur' om 'landpacht' zou gaan (landbouwdoeleinden) en in dit geval het ruimen van de putten wel degelijk ten laste van de pachter valt". VII-33.204-5/7 3.2.
  17. De verzoekende partij gaat ervan uit dat de eigenaar van de onroerende goederen verantwoordelijk zou zijn voor het resultaat van de exploitatie, nu deze door de verzoekende partij was stopgezet op het ogenblik van de vaststelling van de inbreuken. Uit het administratief dossier blijkt echter dat de beweerde beëindiging van de bezetting ter bede op 31 december 1999 geen steun vindt in de feiten, vermits er na die datum en zelfs op het ogenblik van de vaststelling van de inbreuk nog dieren aanwezig waren in de stallen. Het middel mist aldus feitelijke grondslag in de mate dat wordt aangevoerd dat de verantwoordelijkheid bij de eigenaar van de gebouwen ligt, omdat de verzoekende partij niet meer bij machte was vermits de bezetting ter bede tot een einde was gekomen. Door een administratieve geldboete op te leggen, staat de bestreden beslissing los van de strafbepalingen van het meststoffendecreet. Bijgevolg kan de beweerde schending van de strafbepalingen van het meststoffendecreet niet worden aangenomen. In de mate dat ook een schending wordt aangevoerd van artikel 1756 van het Burgerlijk Wetboek moet ten slotte nog worden opgemerkt, dat de verzoekende partij zelf heeft voorgehouden dat het gebruik van de stallen in de betrokken vestiging gebeurde middels een mondelinge overeenkomst van bezetting ter bede. Bijgevolg kan er te dezen geen sprake zijn van enige schending van de huurwetgeving, daar in voorkomend geval de pachtwetgeving van toepassing zou zijn. Het tweede middel is niet gegrond.
  18. Het verzoekschrift tot nietigverklaring werd gezegeld ten belope van 7.500 BEF. Het te veel gekweten recht ten belope van 12,39 euro moet aan de verzoekende partij worden terugbetaald, BESLUIT: Artikel
  19. Het beroep wordt verworpen. VII-33.204-6/7 Artikel
  20. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Artikel
  21. De teveel betaalde fiscale zegels ten bedrage van 12,39 euro moeten worden terugbetaald aan de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf oktober tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-33.204-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.650 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.