← België

Arrest 175660 - Milieuvergunningen - 11/10/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.660 Rolnummer: A. 95209/VII-22831 Zaak: Arrest 175660 - Milieuvergunningen - 11/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-24 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:19 Fiche Arrest nr 175.660 van 11 oktober 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.660 van 11 oktober 2007 in de zaak A. 95.209/VII-22.831. In zake : Lucien DE CLERCK, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : de deputatie van de provincie VLAAMS-BRABANT, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN ALSENOY, kantoor houdende te BRUSSEL, A. Dansaertstraat 92. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Lucien DE CLERCK op 4 september 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 22 juni 2000 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Hoeilaart van 17 februari 2000, houdende het verlenen van de vergunning aan verzoeker voor het uitbaten van een manege, gelegen aan de Sint Jansberglaan 8 te Hoeilaart, worden ingewilligd, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de vergunning wordt geweigerd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 29 mei 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; VII-22.831-1/11 Gelet op de beschikking van 30 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 september 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat Th. EYSKENS die, loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor verzoeker, en van advocaat V. SCHIPPERS die, loco advocaat K. VAN ALSENOY verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De gegevens van de zaak Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. Het perceel waarop de inrichting van verzoeker is gevestigd, is volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, gelegen in een bosgebied, dat geheel als reservatiegebied is aangeduid. Dit perceel is volgens het bij besluit van 19 juli 1984 vastgestelde Algemeen Plan van Aanleg van de gemeente Hoeilaart, onderworpen aan volgende voorschriften: "ARTIKEL 4 .2 . - BOSGEBIEDEN 1. Bestemming Beboste of te bebossen gebieden bestemd voor het bosbedrijf. 2. Bebouwing Gebouwen noodzakelijk voor de exploitatie van en het toezicht op de bossen zijn toegelaten. Gebouwen die gebruikt worden als woonverblijf zijn niet toegestaan, tenzij voor de huisvesting van een boswachter van het Bestuur van Waters en Bossen, a rato van 1 woning per 200 ha bos. (...) ARTIKEL 8.0. - BIJZONDERE BEPALINGEN (...) De exploitatie van gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven waarvan de activiteit niet in overeenstemming is met de voorschriften van het plan, mag worden voortgezet tot afloop van de termijn, bepaald in de vergunning die werd verkregen overeenkomstig de bepalingen van het algemeen reglement op de VII-22.831-2/11 arbeidsbescherming en van de vergunning die werd afgegeven in uitvoering van de wet houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedenbouw. Een verlenging van deze termijn kan echter eventueel worden toegestaan om de exploitatie te kunnen voortzetten gedurende een periode waarvan de duur tien jaar, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van het plan of het ontwerpplan, niet mag overschrijden, dit enkel met het doel de exploitanten in staat te stellen hun installaties naar een andere plaats over te brengen". 1.2. Op 1 december 1999 vraagt verzoeker een vergunning aan voor het stallen van 25 paarden, de opslag van 30 m³ stromest en het lozen van huishoudelijk afvalwater aan de Sint Jansberglaan 8 te Hoeilaart. 1.3. Op 21 januari 2000 geeft de Vlaamse Landmaatschappij hierover een ongunstig advies. 1.4. Op 17 februari 2000 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Hoeilaart de gevraagde vergunning tot en met 17 februari 2010. 1.5. Op 29 februari 2000 stelt de Vlaamse Landmaatschappij bij de verwerende partij administratief beroep in tegen de verleende vergunning. In het beroepschrift wordt gesteld dat het vergunnen niet verenigbaar is met het decreet van 20 december 1995 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 9 mei 1996, zelfs niet in de veronderstelling dat het zou gaan om een gezinsveeteeltbedrijf. 1.6. Op 20 maart 2000 neemt de Vlaamse minister van Leefmilieu volgend besluit: "Dat bij de bestendige deputatie van de provincie Vlaams-Brabant beroep moet worden ingesteld tegen de vergunning klasse 2, verleent op 17 februari 2000 door de gemeente Hoeilaart aan de heer L. De Clerck ter regularisatie van lozingen van huishoudelijk afvalwater, stallingen voor inheemse grote zoogdieren en opslagplaatsen van dierlijk mest, gelegen te Sint Jansberglaan 8 te Hoeilaart". 1.7. Op 23 maart 2000 stelt de Houtvesterij Groenendaal "in naam van het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering voor wie optreedt VII-22.831-3/11 mevrouw Vera Dua, minister van Landbouw en Leefmilieu" bij de verwerende partij administratief beroep in tegen de door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Hoeilaart verleende vergunning. Het thans bestreden besluit vat de argumenten uit dit beroepschrift als volgt samen: "(...) De exploitant bezet het terrein onrechtmatig. (...) De uitbating van de manege is een belasting voor het Zoniënwoud: toename van het ruiterverkeer en opslag van mest, het mestwater en afval veroorzaken milieuhinder, onder meer door het lozen van ongezuiverd afvalwater in open grachten van het bos. (...) De uitbating van een manege is in tegenstrijd met de bestemming bosgebied volgens het gewestplan en het A.P.A.. (...) De uitbating van een manège is in tegenstrijd met de klassering als landschap van 2.12.1959, die bepaalt dat er geen wijzigingen kunnen aangebracht worden aan de bestaande gebouwen: de vroegere gebouwen waren bestemd om renpaarden tijdelijk in onder te brengen, terwijl er nu een manège wordt ingericht. (...) Het besluit is onvoldoende gemotiveerd: het ongunstig advies van VLM wordt niet weerlegd; de motivering om af te wijken van het A.P.A. ontbreekt; (...) Er werd geen advies gevraagd aan AMINAL - Afdeling Bos, door het Vlaamse gewest aangesteld als de beheerder van het terrein". 1.8. In het kader van de beroepsprocedure worden een aantal adviezen uitgebracht: (

  1. a)Op 13 april 2000 adviseert de Vlaamse Milieumaatschappij gunstig voor de lozing van huishoudelijk afvalwater in oppervlaktewater. (
  2. b)Op 26 april 2000 adviseert de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL de beroepen in te willigen en de vergunning te weigeren. (
  3. c)Op 28 april 2000 adviseert de Vlaamse Landmaatschappij de beroepen in te willigen en de vergunning te weigeren. (
  4. d)Op 25 mei 2000 adviseert de Provinciale Milieuvergunningscommissie de beroepen in te willigen en de vergunning te weigeren. 1.9. Op 22 juni 2000 wordt het bestreden besluit genomen. In dit besluit wordt onder meer het volgende overwogen: "De inrichting is volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse vastgesteld bij besluit van 7.3.1977 gelegen in een bosgebied, dat geheel als reservatiegebied is aangeduid. De inrichting is gelegen aan de ring R0 rond Brussel en is bereikbaar via een parking langs deze verkeersweg met 2 X 2 rijwegen. Langs de oostzijde paalt VII-22.831-4/11 de inrichting aan de R0, aan de noordzijde is er een andere inrichting met paardenstallen, aan de westzijde is er parkeerplaats langs de renbaan en langs de zuidzijde zijn er een ongebruikt gebouw en een rijkoer voor paarden. De exploitatie is volgens het Algemeen Plan van Aanleg van Hoeilaart vastgesteld bij besluit van 19.7.1984, eveneens gelegen in bosgebied, dat geheel als reservatiegebied is aangeduid. De voorschriften horende bij het bestemmingsgebied bosgebied ( volgens het APA) luiden als volgt : 'ARTIKEL 4.2. - BOSGEBIEDEN 1. Bestemming Beboste of te bebossen gebieden bestemd voor het bosbedrijf. 2. Bebouwing Gebouwen noodzakelijk voor de exploitatie van en het toezicht op de bossen zijn toegelaten. Gebouwen die gebruikt worden als woonverblijf zijn niet toegestaan, tenzij voor de huisvesting van een boswachter van het Bestuur van waters en Bossen, a rato van 1 woning per 200 ha bos'. De voorschriften van bovengenoemd A.P.A. bevatten bovendien een artikel 8.0. Bijzondere bepalingen, punt 3: 'De exploitatie van gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven waarvan de activiteit niet in overeenstemming is met de voorschriften van het plan, mag worden voortgezet tot afloop van de termijn, bepaald in de vergunning die werd verkregen overeenkomstig de bepalingen van het algemeen reglement op de arbeidsbescherming en van de vergunning die werd afgegeven in uitvoering van de wet houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedenbouw. Een verlenging van deze termijn kan echter eventueel worden toegestaan om de exploitatie te kunnen voortzetten gedurende een periode waarvan de duur tien jaar, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van het plan of het ontwerpplan, niet mag overschrijden, dit enkel met het doel de exploitanten in staat te stellen hun installaties naar een andere plaats over te brengen'. Artikel 12.4.2 van het KB van 28/12/72 betreffende de toepassing van gewestplannen geeft ongeveer dezelfde bepalingen voor bosgebieden. De inrichting voldoet dus niet aan de stedenbouwkundige regels en is niet in overeenstemming met de bestemming bosgebied. De planologische onverenigbaarheid van de uitbating met de omgeving is een voldoende doorslaggevend argument om de vergunning te weigeren. In ondergeschikte orde kan aangegeven worden dat het ongunstig advies van 09/02/2000 en het beroep van 24/02/2000 van de VLM eigenlijk achterhaald zijn door de wijziging van het mestdecreet van 03/03/2000. Dit wijzigingsdecreet bepaalt dat de regels met betrekking tot het verlenen van milieuvergunningen voor veeteeltinrichtingen, in voege treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. Dit betekent dat vanaf 30/3/2000 alle milieuvergunningsbeslissingen met betrekking tot dergelijke inrichtingen niet langer getoetst mogen/moeten worden aan MAP I (mestdecreet zoals gewijzigd op 20/12/1995 en uitvoeringsbesluiten), doch in overeenstemming moeten zijn met de bepalingen van MAP II (mestdecreet zoals gewijzigd op 3/3/2000). Deze bepaling geldt met terugwerkende kracht vanaf 01/01/2000 en dus ook voor alle dossiers die voor 30/3/2000 ingediend zijn en die nog niet beslist zijn op 30/3/2000. Ingevolge het in voege treden van MAP II geldt als algemene regel dat er geen enkele uitbreiding van de mestproductie meer vergund mag worden. Voor maneges en paardenfokkerijen kan van deze algemene regel afgeweken worden, voor zover het om een regularisatie gaat, voor zover de inrichting kan bewijzen VII-22.831-5/11 reeds in exploitatie te zijn in 1996, 1997, 1998 en 1999, en voor zover tenslotte de aanvraag wordt ingediend voor 01/12/2000. Volgens de Mestbankaangiften was de onderhavige manege niet in exploitatie in 1996 maar wel in exploitatie in 1997, 1998 en 1999 (deze gegevens zijn nodig om volgens MAP II de zgn. nutriëntenhalte per bedrijf te berekenen). De uitbating in 1996 is dus niet bewezen. Volgens de aanduidingen op het uitvoeringsplan wordt het huishoudelijk afvalwater naar een toezichtsput op de binnenkoer van de aanpalende paardenstallen geleid. Aangezien het afvalwater blijkbaar niet rechtstreeks in een openbare riolering noch in een openbare regenwaterafvoergracht komt, kan het aspect lozing van huishoudelijk afvalwater zonder voorwerp verklaard worden. De ingedeelde lozing, waartegen de Afdeling Bos en Groen in zijn beroep protesteert, wordt geëxploiteerd door de huurder van de aanpalende paardenstallen of de huurder van de totale renbaan (volgens de aanvraag de asbl. Het percolaatwater van de mesthoop wordt niet opgevangen in een reservoir maar men laat het de bodem indringen. Deze toestand is in strijd met art. 5.9.2.2. van VLAREM II. In het beroepen besluit staat ten andere een bijzondere voorwaarde om de exploitant aan te sporen zich binnen de zes maanden in orde te stellen. Er bestaat bijgevolg aanleiding toe de beroepen in te willigen en de vergunning op te heffen"; 2. De gegrondheid 2.1. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van artikel 24 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet) en van artikel 49, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I) doordat het bestreden besluit het beroep van het "Vlaamse Gewest, afdeling bos en groen, houtvesterij Groenendaal", ontvankelijk verklaart, terwijl "het Vlaamse Gewest, afdeling bos en groen", bezwaarlijk kan worden beschouwd als een "natuurlijk persoon of rechtspersoon die tengevolge van de vestiging en de exploitatie van de inrichting rechtstreeks hinder kan ondervinden"; dat hij voorts stelt dat de personen die krachtens artikel 23 van het milieuvergunningsdecreet een beroep mogen indienen, limitatief opgesomd staan in artikel 24 van voormeld decreet, dat het Vlaamse Gewest één rechtspersoon is, dat "de afdeling bos en groen" niet van deze rechtspersoon kan worden afgescheiden, dat het niet valt in te zien hoe het Vlaamse Gewest van de exploitatie "rechtstreeks hinder" kan ondervinden, dat zij eventueel een functioneel belang zou kunnen inroepen, maar dat dit niet volstaat, dat enkel de rechtspersonen die zelf een rechtstreeks nadeel lijden, een beroep kunnen indienen, VII-22.831-6/11 met uitzondering van de rechtspersonen die zich de bescherming van het leefmilieu tot doel hebben gesteld; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij hierop antwoordt dat een ministerieel besluit van 20 maart 2000 als rechtsgeldig delegatiebesluit dient te worden beschouwd, dat daarom alleen al het beroep is verantwoord, dat er daarnaast ook het functioneel belang van het Vlaamse Gewest, afdeling Bos en Groen, en van de Houtvesterij Groenendaal in het bijzonder, is, dat daarom alleen al het beroep is verantwoord, dat het Vlaamse Gewest rechtstreekse hinder als rechtstreekse buur van de betrokken manege ondervindt, gezien het Vlaamse Gewest de gronden van de manege zowel als de omliggende gronden beheert, dat er geen reden is om een publieke rechtspersoon te discrimineren ten opzichte van een private rechtspersoon die eventueel een hinderondervindende buur zou zijn, dat deze eigendomssituatie, en dus ook de rechtstreekse verhoudingen, zelfs wordt onderstreept in het advies van AMINAL van 26 april 2000, dat hierdoor spoedige realisatie van de bosgebied-bestemming mogelijk is; 2.3. Overwegende dat verzoeker repliceert dat de Houtvesterij Groenendaal geen natuurlijke persoon is, noch een rechtspersoon; dat de enige rechtspersoon in deze het Vlaamse Gewest is; dat vooralsnog niet is bewezen dat de Houtvesterij Groenendaal daadwerkelijk namens het Vlaamse Gewest handelingen kan stellen teneinde de patrimoniale rechten van de Houtvesterij Groenendaal, die geen titularis van een eigendomsrecht kan zijn, te vrijwaren; dat de Houtvesterij Groenendaal zich bovendien tevergeefs beroept op haar functioneel belang; dat hij voorts argumenteert dat artikel 49, § 1, van Vlarem I vaststelt welke overheden een administratief beroep kunnen instellen tegen een door het college van burgemeester en schepenen in eerste aanleg verleende milieuvergunning; dat dit enkel de instanties zijn die advies dienen te verlenen over de aanvraag; dat de afdeling Bos en Groen in geen geval een adviesbevoegdheid heeft, en dus ook geen beroepsmogelijkheid; dat, indien men een dergelijke overheid via een functioneel belang alsnog de mogelijkheid zou geven om een administratief beroep in te dienen, artikel 49, § 1, 3/, van Vlarem I wordt uitgebreid tot andere overheden, zonder dat hiervoor een basis is in de regelgeving; dat de "rechtstreekse hinder" bedoeld in artikel 49 § 1, 4/, van Vlarem I dan ook geen grondslag kan bieden voor het indienen van een beroep op grond van een louter functioneel belang; 2.4. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie met betrekking tot dit middel in essentie het volgende betoogt: VII-22.831-7/11 "(...) In de uiteenzetting van het middel door verzoeker, wordt met geen woord gerept over het in elk geval wél rechtsgeldig beroep van de VLM. In het auditoraatsverslag wordt wél, - zij het slechts in een voetnoot

(14)en in een korte verwijzing blz 8
(23)- naar dit rechtsgeldig beroep verwezen, echter aangevende dat het argument van de planologische onverenigbaarheid niet in het beroepschrift van de Vlaamse Landmaatschappij aan bod kwam. Deze stelling gaat echter voorbij aan de devolutieve werking van het administratief beroep. Uw Raad heeft reeds eerder beslist (zie o.m. arrest 64.579 dd. 18.2.1997 inzake Biscuiterie Star - in voetnoot 72, in 'Sourbron P. - Overzicht milieurechtspraak Raad van State in Milieuvergunningen anno 1998 kluwer - p.195 per vergissing als nr 64.549 opgenomen): 'dat de over het administratief beroep uitspraak doende overheid de aanvraag die tot het beroepen besluit heeft geleid in al haar aspecten heronderzoekt, zich derhalve niet moet beperken tot de door beroeper aangevoerde argumenten en de vergunning mag weigeren om andere wettige redenen'. Het is dus niet relevant dat alleen Houtvesterij Groenendaal in haar beroepschrift de planologische onverenigbaarheid had ingeroepen en de VLM niet. De Bestendige Deputatie mocht inderdaad ook zelf deze planologische onverenigbaarheid inroepen. Bovendien wordt inderdaad in de motivering van de bestreden beslissing gesteld, - en door het auditoraat terecht geciteerd -, dat de planologische onverenigbaarheid 'een voldoende doorslaggevend argument is om de vergunning te weigeren', doch tevens dat in elk geval ('in ondergeschikte orde') de vergunning geweigerd diende te worden, gelet op de inmiddels tussengekomen wijziging van het mestdecreet van 3/3/2000, en waaruit tevens bleek dat nu de uitbating in 1996 niet bewezen is, ook daarom de vergunning diende geweigerd te worden (naast de argumentatie inzake de lozing, die in strijd is met art. 5.9.2.
  1. Vlarem II). Het is derhalve niet zomaar een 'ondergeschikt' maar wel degelijk eveneens een doorslaggevend argument, zodat de vergunning in geen geval kon en kan toegekend worden. Uit dit alles volgt dat eventuele niet-ontvankelijkheid van het beroep ingesteld door de Houtvesterij Groenendaal zonder incidentie is voor de oplossing van de huidige zaak, zodat verzoeker geen belang heeft bij het inroepen van het middel. Het is bovendien, in strijd met de stelling van het auditoraat, geen reden tot vernietiging van het bestreden besluit"; 2.
  2. Overwegende dat artikel 24, § 1, van het milieuvergunnings- decreet, ten tijde van het bestreden besluit, als volgt luidde: "Het beroep bedoeld in artikel 23 kan worden ingediend door: 1/ de aanvrager van de vergunning of de exploitant; 2/ de gouverneur; 3/ de adviesverlenende overheidsorganen; 4/ het college van burgemeester en schepenen tegen beslissingen van de bestendige deputatie van de provincieraad; VII-22.831-8/11 5/ elke natuurlijke of rechtspersoon die tengevolge van de vestiging en de exploitatie van de inrichting rechtstreeks hinder kan ondervinden, alsook elke rechtspersoon die zich de bescherming tot doel heeft gesteld van het leefmilieu dat door deze hinder kan worden getroffen"; dat zich de vraag aandient of de Houtvesterij Groenendaal die optreedt "in naam van het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering voor wie optreedt mevrouw Vera Dua, minister van Landbouw en Leefmilieu" kan worden beschouwd als een "rechtspersoon die tengevolge van de vestiging en de exploitatie van de inrichting rechtstreeks hinder kan ondervinden", in de zin van voornoemd artikel; dat de memorie van toelichting bij het ontwerp van het milieuvergunningsdecreet in dit verband luidt als volgt: "Het artikel duidt de personen of overheidsorganen aan die beroep kunnen indienen tegen een beslissing over een aanvraag tot vergunning. De Vlaamse Executieve zal de procedure in beroep regelen. Het beroep is niet schorsend wanneer het uitgaat van de aanvrager/exploitant of van een belanghebbende; het is schorsend wanneer het door de gouverneur of de adviesverlenende overheidsorganen wordt ingeroepen omdat zij eerder dan de particuliere beroepers, worden geacht op te treden ter behartiging van het algemeen welzijn en de naleving van de voorgeschreven wettelijke regels na te streven" (Parl. St. Vl. R. 1984-1985, nr. 291/1, p. 13); dat het commissieverslag luidt als volgt: "De Gemeenschapsminister wijst erop dat er vijf instanties zijn, die beroep kunnen aantekenen, maar dat alleen de instanties die het openbaar belang vertegenwoordigen een schorsend beroep kunnen aantekenen, en niet als een persoon uit particulier belang beroep indient" (Parl. St. Vl. R. 1984-1985, nr. 291/14, p. 43); dat hieruit blijkt dat de decreetgever duidelijk de bedoeling had, naast de beslissende en de adviesverlenende overheidsorganen, alleen particuliere natuurlijke personen of particuliere rechtspersonen toe te laten tot het instellen van het administratief beroep; dat hetzelfde commissieverslag ook nog het volgende vermeldt: "De Gemeenschapsminister stelt wel dat het over bestaande lokale verenigingen moet gaan, en niet over koepelorganisaties. De hinder moet daarbij rechtstreekse hinder zijn, wat betekent dat er een rechtstreeks verband moet bestaan tussen de persoonlijke leefsituatie en de mogelijke hinder"(Parl. St. Vl. R. 1984-1985, nr. 291/14, p. 42); dat uit wat voorafgaat blijkt dat het begrip "persoonlijke leefsituatie" niet op een overheidsinstelling kan worden betrokken, maar wel op lokale particuliere VII-22.831-9/11 verenigingen die opkomen voor de bescherming van het leefmilieu van de ter plaatse wonenden; dat artikel 24, § 1, 5/, van het milieuvergunningsdecreet alleen particuliere natuurlijke personen of particuliere rechtspersonen en, behoudens de in artikel 24, § 1, 2/, 3/, 4/, van het milieuvergunningsdecreet aangewezen overheden, geen andere overheidsinstellingen toelaat tot het instellen van het administratief beroep; Overwegende dat in het bestreden besluit de overwegingen in verband met de planologische onverenigbaarheid als volgt worden afgesloten: "De planologische onverenigbaarheid van de uitbating met de omgeving is een voldoende doorslaggevend argument om de vergunning te weigeren"; dat de daarna volgende overwegingen in verband met de onverenigbaarheid met de wetgeving op het vlak van de meststoffenproductie worden ingeleid met de woorden: "In ondergeschikte orde"; dat "de planologische onverenigbaarheid van de uitbating" het determinerend motief is van het bestreden besluit; dat dit argument enkel aan bod komt in het beroep van de Houtvesterij Groenendaal "in naam van het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering voor wie optreedt mevrouw Vera Dua, minister van Landbouw en Leefmilieu" en niet in het beroep dat op 29 februari 2000 is ingesteld door de Vlaamse Landmaatschappij; dat het ten onrechte ontvankelijk verklaren van het beroep dat is ingesteld door de Houtvesterij Groenendaal en waarin de planologische onverenigbaarheid wordt aangevoerd, het bestreden besluit bijgevolg vitieert; dat de devolutieve werking van het administratief beroep hieraan niets afdoet omdat de beslissing op dit vlak niet wordt aangevochten; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  3. Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 22 juni 2000 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Hoeilaart van 17 februari 2000, houdende het verlenen van de vergunning aan Lucien DE CLERCK voor het uitbaten van een manege, gelegen aan de Sint VII-22.831-10/11 Jansberglaan 8 te Hoeilaart, worden ingewilligd, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de vergunning wordt geweigerd. Artikel
  4. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  5. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf oktober tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-22.831-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.660 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.