← België

Arrest 175661 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 11/10/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.661 Rolnummer: A. 91598/VII-21339 Zaak: Arrest 175661 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 11/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-25 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:19 Fiche Arrest nr 175.661 van 11 oktober 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.661 van 11 oktober 2007 in de zaak A. 91.598/VII-21.339. In zake : de gemeente BEERSEL, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat D. DE GREEF, kantoor houdende te ZELLIK, Noorderlaan 30. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente BEERSEL op 8 mei 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 6 maart 2000 waarbij de aanvraag van de verzoekende partij, exploitant van het gemeentelijk zwembad de v.z.w. VOGELENZANG, gelegen aan de Dworpsestraat 147 te Lot, tot het bekomen van een toelating tot afwijking van artikel 5.32.9.2.1., § 3, 2/, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: Vlarem II), wordt geweigerd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 18 mei 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien het verzoekschrift tot voortzetting van de verzoekende partij; VII-21.339-1/13 Gelet op de beschikking van 30 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 september 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat Th. EYSKENS die, loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat D. DE GREEF, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De gegevens van de zaak Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. De gemeente BEERSEL, de verzoekende partij, is exploitant van het gemeentelijk zwembad de v.z.w. VOGELENZANG, gelegen aan de Dworpsestraat 147 te Lot. 1.2. Op 25 mei 1998 dient de verzoekende partij bij de Vlaamse minister van Leefmilieu een verzoek in tot het verkrijgen van een toelating tot afwijking overeenkomstig de bepalingen van afdeling 1.2.2. van Vlarem II, op het voorschrift van artikel 5.32.9.2.1., §3, 2/, van Vlarem II met betrekking tot de mini- mumbreedte van kaden rond overdekte zwembaden. Het verzoek is als volgt gemotiveerd: "De beide langskaden hebben een breedte van 85 cm en 1 dwarskade heeft een breedte van 103 cm. De 2de dwarskade voldoet ruimschoots aan de voorwaarde van minimumbreedte van 150 cm (220 cm). De aanpassing van de kadebreedtes houdt ingrijpende en hoogoplopende verbouwingswerken in. De gemeente vraagt deze kadebreedtes te mogen behouden omdat : - het zwembad nog enkel zal gebruikt worden voor initiatie van de gemeentelijke scholen - het maximaal aantal baders zal beperkt worden tot 25 i.p.v. 33 - het een klein zwembad betreft ongeveer 96 m² VII-21.339-2/13 - 1 kade ruimschoots voldoet aan de vereiste breedte (220

  1. cm)- de 3 andere kades breder zijn dan 80 cm, wat voldoet aan de voorgeschreven minimumbreedte van de evacuatiewegen bij brand (1 cm breedte per aanwezige persoon met een minimumbreedte van 80 cm), langs deze zijden kan gemakkelijk 1 persoon lopen". 1.3. Over de vraag tot afwijking worden een aantal adviezen uitgebracht: (
  2. a)Op 16 juni 1998 deelt de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen mee dat het ingediende verzoek geen impact heeft op de ruimtelijke ordening; (
  3. b)De afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg verleent op 22 juni 1998 een voorwaardelijk gunstig advies. Er wordt voorgesteld om de toelating tot individuele afwijking afhankelijk te stellen van de volgende voorwaarden: "- er grijpranden of grijptouwen geplaatst worden langs de zijden van het zwembad zodat een zwemmer in nood zich kan vastgrijpen, in afwachting van hulp. - er een staanrand in het bad geplaatst wordt in het diepste gedeelte van het bad op een hoogte van 1 m diepte. - het maximum aantal baders zal beperkt worden tot 25"; (
  4. c)De afdeling Milieuvergunningen adviseert op 25 juni 1998 om de gevraagde toelating tot afwijking niet te verlenen. Het ongunstig advies steunt op de volgende overwegingen: "Overwegende dat de opgelegde breedte van de kades noodzakelijk is voor een eventuele vlotte evacuatie van drenkelingen of voor het toedienen van de eerste zorgen; dat er door de exploitant nergens in het dossier maatregelen worden voorgesteld die gelijkwaardige waarborgen geven voor de bescherming van de mens en van het leefmilieu als de milieuvoorwaarden waarvan gevraagd wordt te mogen afwijken"; (
  5. d)Door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wordt op 26 juni 1998 voorgesteld om de gevraagde individuele afwijking te weigeren om de redenen die aangehaald worden in het advies van de afdeling Milieuvergunningen. 1.4. Met een besluit van 6 maart 2000 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw wordt aan de verzoekende partij geweigerd om bij de exploitatie van het gemeentelijk zwembad af te wijken van artikel 5.32.9.2.1., §3, 2/, van Vlarem II. VII-21.339-3/13 Dit is het bestreden besluit. De motivering luidt als volgt: "Overwegende dat de aanvrager-exploitant voormelde afwijkingsaanvraag motiveert door de volgende redenen : • de beide langskaden hebben een breedte van 85 cm en 1 dwarskade heeft een breedte van 103 cm; de tweede dwarskade voldoet ruimschoots aan de voorwaarde van minimumbreedte; • het zwembad zal enkel nog gebruikt worden voor initiatie van de gemeentelijke scholen; • het maximaal aantal baders zal beperkt worden tot 25 i.p.v. 33; • het gaat om een klein zwembad van ongeveer 96 m²; • 1 kade voldoet ruimschoots aan de vereiste breedte; • de 3 andere kaden zijn breder dan 80 cm, wat voldoet aan de voorgeschreven minimumbreedte van de evacuatiewegen bij brand (1 cm breedte per aanwezige persoon met een minimumbreedte van 80 cm); hierlangs kan gemakkelijk 1 persoon lopen; Overwegende dat de aanvrager-exploitant in zijn voormelde afwijkingsaanvraag volgende maatregelen voorstelt die van aard zouden moeten zijn gelijkwaardige waarborgen te bieden voor de bescherming van de mens en van het leefmilieu als de milieuvoorwaarden waarvan gevraagd wordt te mogen afwijken: • het zwembad zal enkel nog gebruikt worden voor initiatie van de gemeentelijke scholen; • het maximaal aantal baders zal beperkt worden tot 25 i.p.v. 33; Overwegende dat onderhavige aanvraag een afwijking beoogt van de volgens titel II van het Vlarem vereiste minimumbreedte van de kaden van een zwembad; Overwegende dat het zwembad een oppervlakte heeft van minder dan 100 m²; dat er van de 4 kaden slechts één kade voldoet aan de minimumvereiste van 1,5 m breedte; dat het de dwarskade aan de zijde van de omkleedcabines betreft; dat de overige kaden een breedte hebben van 85 cm (beide langskaden) en 1,03 m (andere dwarskade); Overwegende dat de opgelegde breedte van de kaden noodzakelijk is voor een eventuele vlotte evacuatie van drenkelingen of voor het toedienen van de eerste zorgen; dat er door de exploitant nergens in het dossier maatregelen worden voorgesteld die gelijkwaardige waarborgen geven voor de bescherming van de mens en van het leefmilieu als de milieuvoorwaarden waarvan gevraagd wordt te mogen afwijken; Overwegende dat de aanvrager niet aantoont dat de voorgestelde maatregelen beantwoorden aan de beste beschikbare technieken; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de gevraagde toelating tot afwijking te weigeren"; 2. De gegrondheid 2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat het bestreden besluit blijk geeft van tegenstrijdigheid in de weergegeven motieven en niet of niet afdoende uitspraak doet over de door de verzoekende partij voorgestelde maatregelen, die gelijkwaardige waarborgen bieden voor de bescherming van de VII-21.339-4/13 mens en van het leefmilieu als de milieuvoorwaarden waarvan gevraagd wordt te mogen afwijken, terwijl de verwerende partij verplicht is haar besluit op afdoende wijze te motiveren; dat zij hierbij stelt dat het bestreden besluit als eerste reden voor de weigering van de afwijkingsaanvraag het volgende vermeldt: "dat er door de exploitant nergens in het dossier maatregelen worden voorgesteld die gelijkwaardige waarborgen geven voor de bescherming van de mens en van het leefmilieu als de milieuvoorwaarden waarvan gevraagd wordt te mogen afwijken"; dat volgens de verzoekende partij deze weigeringsgrond feitelijk onjuist is en wordt tegengesproken door eerdere overwegingen; dat zij in haar afwijkingsaanvraag maatregelen die van aard moeten zijn gelijkwaardige waarborgen te bieden voor de bescherming van de mens en van het leefmilieu als de milieuvoorwaarden waarvan gevraagd wordt te mogen afwijken, uitdrukkelijk heeft aangehaald, dat het bestreden besluit dit ook uitdrukkelijk bevestigt; dat zij in ondergeschikte orde aanvoert dat, voor zover de verwerende partij van oordeel zou zijn dat de voorgestelde maatregelen geen gelijkwaardige waarborgen geven, daarvoor geen enkele motivering is weergegeven in het bestreden besluit; dat in het bestreden besluit wordt aangestipt dat de door Vlarem II opgelegde minimumbreedte van de kaden van het zwembad noodzakelijk is voor een eventuele vlotte evacuatie van drenkelingen of voor het toedienen van eerste zorgen; dat het voorstel om het aantal baders te beperken alleszins een maatregel lijkt die gelijkwaardige veiligheidswaarborgen biedt; dat in dat verband moet worden aangestipt dat de afdeling Preventieve en Ambulante Gezondheidszorg een voorwaardelijk gunstig advies heeft uitgebracht; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de motivering niet tegenstrijdig en wel degelijk afdoende is; dat artikel 1.2.2.2., §1, van Vlarem II bepaalt dat de in artikel 1.2.2.1. bedoelde individuele afwijking op de milieuvoorwaarden schriftelijk moet worden aangevraagd door de exploitant van de inrichting en dat de aanvraag "een voorstel van maatregelen die van aard zijn gelijkwaardige waarborgen te bieden voor de bescherming van de mens en van het leefmilieu als de voorwaarden waarvan gevraagd wordt te mogen afwijken" moet omvatten; dat zij van oordeel is dat de "VLAREM-voorwaarde" waarvan gevraagd wordt om af te wijken, noodzakelijk is voor de eventuele vlotte evacuatie van drenkelingen of voor het toedienen van de eerste zorgen; dat het voorgesteld alternatief niet dezelfde waarborgen biedt voor de bescherming van de mens; dat de kinderen uit de gemeentelijke scholen net zo vlot moeten kunnen worden geëvacueerd als andere personen; dat het beperken van het aantal baders evenmin VII-21.339-5/13 dezelfde waarborgen biedt als een kade van 1,5 meter minimumbreedte; dat de redenering zo vanzelfsprekend is dat zij geen vele bladzijden motivering behoeft; dat zij niet bedoelde dat "formeel" geen maatregelen worden voorgesteld , doch wel dat deze "maatregelen" geen gelijkwaardige waarborgen geven voor de bescherming van de mens als de milieuvoorwaarde waarvan gevraagd wordt te mogen afwijken; 2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert dat zij de "vanzelfsprekendheid" van de redenering van de verwerende partij niet opmerkt en versteld staat over de tegenstrijdigheid in deze motivering; dat zij zich de vraag stelt waarom de verwerende partij pas 20 maanden na de aanvraag beslist, hoewel artikel 1.2.2.2., §2, van Vlarem II bepaalt dat de verwerende partij binnen een termijn van drie maanden na de indiening ervan uitspraak doet over de afwijkingsaanvraag; dat zij voorts aanvoert dat het bestreden besluit niet opgeeft dat "kinderen uit de gemeentelijke scholen net zo vlot moeten kunnen geëvacueerd worden als andere personen"; dat artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen nochtans veronderstelt dat de beslissing die ter kennis wordt gebracht aan de betrokkene niet enkel het dictum omvat maar tevens de redenen weergeeft op grond waarvan het besluit werd genomen; dat de verwerende partij wel overtuigd blijkt te zijn van de deugdelijke invloed van de staanranden en/of grijptouwen maar niet van de voorgestelde maatregel om het aantal baders te beperken; dat zij verder betoogt dat men in de memorie van antwoord leest dat de verzoekende partij geen enkele technische maatregel voorstelt, wat impliceert dat de beperking van het aantal baders door de verwerende partij niet als een technische maatregel wordt beschouwd; dat indien men teruggrijpt naar de in het arrest nr. 72.423 van 12 maart 1997 van de Raad van State gegeven definitie van de term "techniek", blijkt dat hieronder onder meer "de activiteiten en de werkwijze van een inrichting" wordt begrepen; dat de beperking van het aantal baders wel kan worden ondergebracht bij "de activiteiten en werkwijze van een inrichting" en bijgevolg een technische maatregel is, die zonder enige motivering door de verwerende partij naast zich wordt neergelegd; 2.1.4. Overwegende dat het verzoek dat tot het bestreden besluit heeft geleid, is ingediend op grond van artikel 1.2.2.1. van Vlarem II; dat voormelde bepaling de Vlaamse minister van Leefmilieu de bevoegdheid verleent om bij gemotiveerd besluit individuele afwijkingen toe te staan op de milieuvoorwaarden die Vlarem II oplegt; dat bedoelde afwijkingen slechts kunnen worden verleend onder de vormen en voorwaarden die bepaald worden in artikel 1.2.2.2. van Vlarem II; dat voormeld artikel luidt als volgt: VII-21.339-6/13 "§ 1. De in artikel 1.2.2.1. bedoelde individuele afwijking moet schriftelijk worden aangevraagd door de exploitant van de inrichting. De aanvraag moet volgende elementen omvatten : 1/ de vermelding van de voorwaarden en de artikelen waarvoor de afwijking wordt aangevraagd; 2/ de technische redenen die de afwijking motiveren; 3/ een voorstel van maatregelen die van aard zijn gelijkwaardige waarborgen te bieden voor de bescherming van de mens en van het leefmilieu als de voorwaarden waarvan gevraagd wordt te mogen afwijken; 4/ een nota waarin wordt aangetoond dat de voorgestelde maatregelen beantwoorden aan de beste beschikbare technieken. § 2. De Vlaamse minister doet binnen een termijn van drie maanden na de indiening ervan, uitspraak over de afwijkingsaanvraag. Voorafgaand aan deze uitspraak wint de minister het advies in van de Afdeling Milieuvergunningen en van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. Wordt de afwijking toegestaan, dan maakt het besluit melding van de na te leven voorwaarden die van aard zijn gelijkwaardige waarborgen te bieden voor de bescherming van de mens en van het leefmilieu als de voorwaarden waarvan de afwijking wordt toegestaan"; dat uit deze bepaling volgt dat een individuele afwijking enkel kan worden toegestaan indien door de exploitant maatregelen worden voorgesteld die de vereiste waarborgen bieden en bovendien beantwoorden aan de beste beschikbare technieken; dat in deze de Raad van State geen tegenstrijdigheid waarneemt tussen de weergave in het bestreden besluit van de maatregelen die de verzoekende partij in haar afwijkingsaanvraag heeft voorgesteld en het motief waarin gesteld wordt dat "er door de exploitant nergens in het dossier maatregelen worden voorgesteld die gelijkwaardige waarborgen geven voor de bescherming van de mens en van het leefmilieu"; dat de nadruk ligt op de gelijkwaardigheid van de voorgestelde maatregelen aan de voorwaarden van Vlarem II waarvan gevraagd wordt te mogen afwijken; dat zulks afdoende blijkt bij de samenlezing van het motief met de overweging die er onmiddellijk aan voorafgaat; Overwegende dat om te voldoen aan de motiveringsverplichting een bondige, maar duidelijke, motivering kan volstaan; dat zulks het geval is wanneer de genomen beslissing er toe strekt de algemene regel te volgen en geen uitzondering op die regel toe te staan; dat te dezen de afwijkingsaanvraag betrekking heeft op architectonische normen die krachtens Vlarem II gelden voor alle overdekte zwembaden die voor het publiek worden opengesteld; dat volgens het bestreden besluit de voorgeschreven minimumbreedte van de kaden is ingegeven door veiligheidsoverwegingen, wat door de verzoekende partij geenszins wordt betwist; dat het voorstel, waarbij het betrokken zwembad enkel nog zou worden gebruikt door gemeentelijke scholen en waarbij het aantal baders zou worden beperkt, VII-21.339-7/13 hoogstens van invloed zou kunnen zijn op het risico dat er zich ongevallen voordoen, maar alleszins niet op de omstandigheden waarin de hulpverlening kan plaatsvinden indien er zich een ongeval voordoet; dat de verwerende partij bijgevolg terecht heeft geoordeeld dat dergelijk voorstel geen "gelijkwaardige waarborgen" biedt zoals artikel 1.2.2.2. van Vlarem II vereist; Overwegende dat de voor de verzoekende partij gunstige strekking van het advies van de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg afhankelijk is van drie voorwaarden, met name het aanbrengen van grijpranden of grijptouwen, de plaatsing van een staanrand in het zwembad en de beperking van het aantal baders tot maximaal 25; dat deze voorwaarden verder gaan dan de maatregelen die de verzoekende partij in haar verzoek tot afwijking heeft voorgesteld; dat twee van de door de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg voorgestelde maatregelen zelfs het uitvoeren van aanpassingswerken aan het zwembad impliceren; dat, aangezien de verzoekende partij in haar verzoek tot afwijking uitdrukkelijk heeft gesteld dat de aanpassing van de kades aan de Vlarem II-voorschriften "ingrijpende en hoogoplopende verbouwingswerken" vereist, het niet zeker is dat de verzoekende partij akkoord zou zijn gegaan met de voorgestelde maatregelen; dat het aan de exploitant toekomt gelijkwaardige maatregelen voor te stellen; dat de verwerende partij zich dan ook enkel dient uit te spreken over de gelijkwaardigheid van de oorspronkelijk voorgestelde maatregelen en niet over de maatregelen die in de plaats worden gesteld in een advies dat over het verzoek tot afwijking wordt uitgebracht; dat het bestreden besluit voldoende steun vindt in de adviezen van de afdeling Milieuvergunningen en van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel de schending aanvoert van artikel 1, 29/, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams regelement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I) en van de artikelen 1.2.2.1, 1.2.2.2. en 4.1.2.1. van Vlarem II, doordat het bestreden besluit vaststelt dat de voorgestelde maatregelen niet beantwoorden aan de beste beschikbare technieken, "terwijl het begrip 'beste beschikbare technieken' louter betrekking lijkt te hebben op de maatregelen inzake de behandeling van emissies en het nemen van bronbeperkende maatregelen en dus niet relevant is voor de aanvraag van verzoekende partij die enkel beoogt om -voor een bestaande inrichting- een afwijking te verkrijgen van een constructie-eis die door Vlarem II wordt opgelegd voor nieuwe inrichtingen en VII-21.339-8/13 waaraan bestaande inrichtingen moeten voldoen tegen 1 januari 2001"; dat zij hierbij uiteenzet dat luidens artikel 1.2.2.2. van Vlarem II de aanvraag tot individuele afwijking een nota moet bevatten waarin wordt aangetoond dat de voorgestelde maatregelen beantwoorden aan "de beste beschikbare technieken"; dat dit voorschrift enkel relevant is voor zover kan en/of moet worden aangetoond dat de voorgestelde maatregelen beantwoorden aan de beste beschikbare technieken; dat haar aanvraag betrekking heeft op de afwijking van een constructie-eis die door artikel 5.32.9.2.1., §3, 2/, van Vlarem II wordt opgelegd voor nieuwe inrichtingen en dat bestaande inrichtingen, zoals deze van de verzoekende partij, aan deze eis moeten voldoen tegen 1 januari 2001; dat zij voorts argumenteert dat het begrip "beste beschikbare technieken" louter betrekking lijkt te hebben op de maatregelen inzake de behandeling van emissies en het nemen van bronbeperkende maatregelen; dat artikel 4.1.2.1. van Vlarem II bepaalt dat de exploitant als normaal zorgvuldig persoon steeds de beste beschikbare technieken moet toepassen ter bescherming van mens en milieu en dit zowel bij de keuze van de emissies, als bij de keuze van bronbeperkende maatregelen; dat deze verplichting ook geldt voor wijzigingen aan ingedeelde inrichtingen, alsook voor activiteiten die op zichzelf niet vergunnings- of meldingsplichtig zijn; dat ook de definitie van "beste beschikbare technieken" in artikel 1, 29/, van Vlarem I erop wijst dat dit begrip enkel betekenis heeft in het kader van het beperken en terugdringen van emissies; dat zij, in ondergeschikte orde, stelt dat, voor zover men aanvaardt dat het begrip "beste beschikbare technieken" ook betrekking heeft op de constructie-eisen buiten het kader van het terugdringen van emissies, men moeilijk anders kan verdedigen dat de toepassing van de beste beschikbare technieken overeenstemt met de naleving van de voorwaarden opgenomen "in VLAREM II en/of de milieuvergunning, in casu artikel 5.32.9.2.1.,§3, 2/ VLAREM II"; dat, ervan uitgaand dat de geldende Vlarem II- voorschriften met betrekking tot de minimumbreedte van de kaden op het vlak van constructie de beste beschikbare technieken uitmaken, de afwijkingsaanvraag dan ook niet kan worden geweigerd door de loutere vaststelling dat de aanvraag hieraan niet voldoet; dat het bestreden besluit een foutieve toepassing maakt van het begrip "beste beschikbare technieken"; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord het volgende stelt: "Verzoekende partij is van oordeel dat het begrip 'best beschikbare technieken' louter betrekking heeft op de maatregelen inzake de behandeling van de emissies en het nemen van bronbeperkende maatregelen en dus niet VII-21.339-9/13 relevant is voor afwijkingsaanvragen die betrekking hebben op een constructie-eis. Dat zulks niet het geval is blijkt uit volgende overweging uit het arrest nr. 72.423 van 12/03/1998 inzake JACOBS, waarin Uw Raad overwoog: '3.1.5.4. Overwegende dat in het Verslag aan de Vlaamse regering, dat voorafgaat aan VLAREM II - besluit dat in artikel 1, 29/, van VLAREM I een definitie invoert van het begrip 'beste beschikbare techniek’ - volgende toelichting wordt gegeven hij het begrip 'techniek': 'zowel de toegepaste techniek als de wijze waarop de installaties zijn of worden ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd, en ontmanteld. De technieken moeten in de betrokken sector zowel uit een bedrijfstechnisch als uit een bedrijfseconomisch oogpunt haalbaar zijn'; dat die toelichting overeenstemt met de gangbare taalkundige betekenis die aan het begrip techniek wordt gegeven; dat onder 'technische redenen' dan ook moet worden verstaan redenen die betrekking hebben op het productieproces, de activiteiten en werkwijze van een inrichting: dat dit des te meer geldt nu VLAREM II een geheel van milieuvoorwaarden, van technische voorschriften bevat die gelden met betrekking tot de installaties, de productiewijze, de emissies enz., van hinderlijke inrichtingen en de artikelen 1.2.2.1 en 1.2.2.2. van VLAREM II er juist op gericht zijn een afwijking mogelijk te maken van die technische voorschriften indien zou blijken dat een inrichting om redenen die inherent zijn aan de installaties, de productiewijze en dergelijke meer, dus om technische redenen, niet kan voldoen aan een of meerdere van die technische voorschriften; dat in dergelijk geval de exploitant een alternatief mag voorstellen dat dezelfde waarborgen biedt voor de bescherming van de mens en het leefmilieu'. Wanneer de minister overweegt 'dat de aanvrager niet aantoont dat de voorgestelde maatregelen beantwoorden aan de best beschikbare technieken' gewoonweg de afwezigheid van verwijzing naar enige beste beschikbare technieken aan de kaak wordt gesteld. Indien de kades van het zwembad niet breder konden gemaakt worden, had verzoekende partij misschien kunnen voorstellen de bodem aan de randen te verhogen en/of langs de randen grijptouwen te plaatsen en/of bijkomende toegangen waardoor men vlotter tot evacuatie zou kunnen overgaan of eerste hulp bieden. Doch geen enkele technische maatregel werd voorgesteld"; 2.2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord in essentie als volgt repliceert: "(...) De verwerende partij meent dat de term 'beste beschikbare techniek' moet worden opgevat als betrekking hebbend niet enkel op emissiegrenswaarden en bronbeperkende maatregelen, maar evenzo op constructie-eisen. Haar ruime definitie steunt de verwerende partij op de definitie van de term 'techniek' zoals overwogen door Uw Raad in het reeds geciteerde arrest Jacobs. In dit arrest wijst Uw Raad er inderdaad op dat de begrippen 'techniek' en 'technische redenen' begrepen dienen te worden in hun respectieve gangbare taalkundige betekenis, maar de verzoekende partij benadrukt dat Uw Raad niet de definitie van 'beste beschikbare techniek' maar wel die van 'techniek' en 'technische redenen' verschaft heeft. Uit de titels I en II van VLAREM volgt duidelijk dat de beste beschikbare technieken enkel betrekking hebben op emissiegrenswaarden en bronbeperkende maatregelen zodat de term 'beste beschikbare technieken' niet relevant is voor de door haar voorgestelde gelijkwaardige maatregelen. VII-21.339-10/13 Immers, VLAREM I definieert in zijn eerste artikel een aantal begrippen, waaronder in nr. 29 de 'beste beschikbare technieken'. Deze definitie werd grondig aangepast bij besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 1999 en luidt als volgt: ' 'beste beschikbare technieken' (BBT) : het meest doeltreffende en geavanceerde ontwikkelingsstadium van de activiteiten en exploitatiemethoden, waarbij de praktische bruikbaarheid van speciale technieken om in beginsel het uitgangspunt voor de emissiegrenswaarden te vormen is aangetoond, met het doel emissies en effecten op het milieu in zijn geheel te voorkomen, of wanneer dat niet mogelijk blijkt algemeen te beperken'; Uit de samenlezing van de artikelen 1.2.2.1., §1 en 4.1.2.1. van VLAREM II blijkt evenzo dat de individuele door de minister toegestane afwijkingen verantwoord dienen te worden door de keuze van de beste beschikbare technieken voor zover deze laatste betrekking hebben op emissies en bronbeperkende maatregelen. Daarentegen omvat artikel 5.32.9.2.1. van titel II van VLAREM handelend over de architectonische normen in overdekte circulatiebaden, acht paragrafen die elkeen specifieke constructievoorwaarden opleggen zoals bijvoorbeeld §3, 3/ dat bepaalt dat de minimum breedte van de kaden van een zwembad 1,5 m bedraagt. Van laatstgenoemde paragraaf vraagt de verzoekende partij een afwijking waarbij zij gelijkwaardige maatregelen voorstelt. Echter, de door de verzoekende partij voorgestelde gelijkwaardige maatregelen blijken volgens het bestreden besluit 'niet te beantwoorden aan de beste beschikbare technieken'. Naar mening van de verzoekende partij behoren de door haar voorgestelde gelijkwaardige maatregelen niet aan de beste beschikbare technieken te voldoen om de eenvoudige reden dat de door haar ingediende afwijkingsaanvraag niet onder het toepassingsgebied van art. 4.1.2.1. van VLAREM II, handelend over de beste beschikbare technieken, valt. De afwijkingsaanvraag zou door de minister behandeld moeten worden volgens de rechtsregels vastgelegd in de artikelen 1.2.2.1 en 1.2.2.2. van titel II van VLAREM, waarvan het verloop is: - de minister kan bij gemotiveerd besluit individuele afwijkingen toestaan op de milieuvoorwaarden uit VLAREM II; - in de hypothese dat de aanvrager een keuze dient te maken op het niveau van emissies of van bronbeperkende maatregelen, dient hij te opteren voor de beste beschikbare technieken; - vermits de verzoekende partij een afwijking aanvraagt van de architectonische normen in overdekte circulatiebaden, m.a.w. van een constructie-eis, bevindt zij zich niet in deze hypothese; bijgevolg dient zij de voorwaarden van artikel 1.2.2.2. van VLAREM II te volbrengen, uitgezonderd het 4/ betreffende de beste beschikbare technieken. Het reeds hoger geciteerde arrest Jacobs verduidelijkt de 'technische redenen' in artikel 1.2.2.2., §1, 2/ van VLAREM II die de afwijking motiveren: 'de artikelen 1.2.2.1. en 1.2.2.2. van VLAREM II zijn er juist op gericht een afwijking mogelijk te maken van de technische voorschriften indien zou blijken dat een inrichting (...) om technische redenen niet kan voldoen aan één of meerdere van deze technische voorschriften; dat in dergelijk geval de exploitant een alternatief mag voorstellen dat dezelfde waarborgen biedt voor de bescherming van de mens en het leefmilieu'. In deze laatste zinsnede legt Uw Raad duidelijk het verband tussen de 'technische redenen' van §1, 2/ en het voorstel van 'gelijkwaardige waarborgen' van §1, 3/. VII-21.339-11/13 Enig verband tussen enerzijds de 'technische redenen' en de 'gelijkwaardige waarborgen' en anderzijds §1, 4/, met name de nota waarin wordt aangetoond dat de voorgestelde maatregelen beantwoorden aan de 'beste beschikbare technieken', blijkt niet te bestaan. Dit verbaast de verzoekende partij echter niet aangezien de term 'technische redenen' niet dezelfde inhoud omvat als de term 'beste beschikbare technieken'. De afwijkingsaanvraag van de verzoekende partij behandelen in functie van voorgestelde maatregelen die beantwoorden aan de beste beschikbare technieken gaat bijgevolg in tegen de rechtsregels verwoord in Vlarem II"; 2.2.4. Overwegende dat het bestreden besluit vaststelt dat de "aanvrager niet aantoont dat de voorgestelde maatregelen beantwoorden aan de beste beschikbare technieken"; dat luidens het voormelde artikel 1.2.2.2., § 1, van Vlarem II een individuele afwijking enkel kan worden toegestaan indien door de exploitant maatregelen worden voorgesteld die de vereiste waarborgen bieden en ook nog beantwoorden aan de beste beschikbare technieken; dat, indien de verwerende partij op goede gronden van oordeel is dat de voorgestelde maatregelen geen gelijkwaardige waarborgen bieden, zij niet bijkomend moet motiveren waarom die maatregelen evenmin beantwoorden aan de beste beschikbare technieken; dat de afwezigheid van de vereiste waarborgen op zich voldoende is om de toelating tot afwijking op de Vlarem II-voorwaarden te weigeren; dat aldus, in onderhavig middel, kritiek wordt geleverd op een overtollig motief; dat het standpunt van de verzoekende partij dat het begrip "beste beschikbare technieken" te dezen niet "relevant" is ter beoordeling van haar afwijkingsaanvraag, alleen maar de overtolligheid van het betrokken motief accentueert; dat het tweede middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-21.339-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf oktober tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-21.339-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.661 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.