← België

Arrest 175773 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 15/10/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.773 Rolnummer: A. 67075/IX-405 Zaak: Arrest 175773 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 15/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-30 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:30 Fiche Arrest nr 175.773 van 15 oktober 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.773 van 15 oktober 2007 in de zaak A. 67.075/IX-

  1. In zake : Donald DE PLANCKE wonende te OOIGEM Vaartstraat 55 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, die woonplaats kiest bij advocaat F. DE BISSCHOP kantoor houdende te BUGGENHOUT Provincialebaan 20 --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Donald DE PLANCKE op 8 januari 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van het College van secretarissen-generaal van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap van 23 november 1995 houdende definitieve uitspraak van de tuchtstraf "blaam"; Gezien de memories van antwoord van het Vlaamse Gewest en van de verwerende partij en de memorie van wederantwoord van de verzoekende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 18 juni 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 16 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 oktober 2007; IX-405-1/11 Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van de verzoeker; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Feiten
  2. Verzoeker is technisch beambte bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Leefmilieu en Infrastructuur, administratie Waterwegen en Zeewezen, afdeling Bovenschelde. Hij is als sluiswachter tewerkgesteld in Ooigem. Bij nota's van 26 april 1995 en 7 juli 1995 meldt verzoekers directe chef, technisch assistent BRUNEEL, aan de adjunct van de direc- teur HOLVOET een aantal feiten die ten laste van de verzoeker werden vastgesteld. De verzoeker wordt ervan beschuldigd de dienst zonder toelating te hebben verlaten, taken te hebben geweigerd, mondelinge dreigementen te hebben geuit en van een schipper een vergoeding te hebben geëist voor het doorlaten van zijn schip. Met een nota van 31 juli 1995 maakt de adjunct van de directeur HOLVOET de briefwisseling en de bijhorende verantwoordingsbladen met betrekking tot de aan de verzoeker ten laste gelegde feiten over aan directeur- ingenieur BALDUCK. De adjunct van de directeur HOLVOET stelt voor om "voor de gebeurde feiten en vaststellingen (...) de heer DEPLANCKE Donald als tuchtstraf een blaam toe te kennen". Op 11 augustus 1995 maakt de adjunct van de directeur ONRAEDT, optredend "voor het afdelingshoofd", het "voorstel van de hiërarchische meerdere van niveau A om de betrokkene als tuchtstraf een blaam op te leggen" en de erbij gevoegde stukken over aan de secretaris-generaal. De nota vermeldt het volgende: IX-405-2/11 "Gezien het betrokken personeelslid door afwezigheid op het kunstwerk, het niet uitvoeren van hem opgelegde taken en zijn manier van doen ten opzichte van zijn oversten tekort komt aan zijn verplichtingen bepaald in deel III van het VPS ga ik akkoord met het voorstel van tuchtstraf van de hiërarchische meerdere van niveau A". Bij aangetekende brief van 22 augustus 1995 wordt de verzoeker opgeroepen om op 20 september 1995 te worden verhoord. Het verhoor vindt plaats voor de directeur-generaal van de administratie Waterwegen en Zeewezen. De verzoeker dient een verweerschrift in. Bij besluit van de secretaris-generaal van het departement Leefmilieu en Infrastructuur van 4 oktober 1995 wordt aan de verzoeker de tuchtstraf "blaam" opgelegd. Op 10 oktober 1995 stelt de verzoeker beroep in bij de Raad van Beroep. Deze geeft op 7 november 1995 advies. Hij stelt vast dat, met uitzondering van het vragen van een vergoeding voor het doorlaten van een schip, de feiten bewezen zijn en dat de tuchtstraf "blaam" voor die feiten dient te worden behouden. Het beroep van de verzoeker wordt bijgevolg ongegrond verklaard. Bij besluit van het College van secretarissen-generaal van 23 november 1995 wordt tegen de verzoeker de tuchtstraf "blaam" definitief uitgesproken. Dit besluit vormt het voorwerp van het voorliggende beroep. Over de rechtspleging
  3. Beslissingen in verband met personeelsleden van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap moeten worden toegerekend aan de Vlaamse Gemeenschap en niet aan het Vlaamse Gewest, zodat in geval van beroep tot nietigverklaring de Vlaamse Gemeenschap als verwerende partij dient te worden aangewezen. Te dezen is op 5 maart 1996 een afschrift van het verzoekschrift tot nietigverklaring aan de Minister-president van de Vlaamse regering toegezonden. Zowel in het verzoekschrift tot nietigverklaring als in de begeleidende brief van de hoofdgriffier van de Raad van State, wordt de Vlaamse Gemeenschap, vertegen- woordigd door de Vlaamse regering, als verwerende partij vermeld. IX-405-3/11 Op 6 mei 1996 is een memorie van antwoord ingediend voor het Vlaamse Gewest. Aangezien het Vlaamse Gewest niet in de zaak betrokken is, wordt deze memorie ambtshalve uit de debatten geweerd. Op 21 mei 1996 is een memorie van antwoord ingediend voor de Vlaamse Gemeenschap. Aangezien deze memorie is ingediend na het verstrijken van de door artikel 6 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie (thans de afdeling bestuursrechtspraak) van de Raad van State voorgeschreven termijn van zestig dagen, wordt zij overeenkomstig artikel 21, vijfde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State ambtshalve uit de debatten geweerd. Ten gronde 3.
  4. De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen IX 7 en IX 8 van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel (hierna: VPS). Volgens de verzoeker is het voorstel van tuchtstraf niet geformuleerd door zijn hiërarchische meerdere, de adjunct van de directeur HOLVOET, zoals voorgeschreven door artikel IX 8 VPS, maar door de adjunct van de directeur ONRAEDT. Daarenboven is het voorstel van tuchtstraf, in strijd met artikel IX 7 VPS dat bepaalt dat de bevoegdheid om tuchtstraffen voor te stellen niet kan worden gedelegeerd, ondertekend met de formule "voor het afdelingshoofd". In zijn laatste memorie stelt de verzoeker dat de nota van de adjunct van de directeur HOLVOET van 31 juli 1995 niet beschouwd kan worden als een formeel voorstel van tuchtstraf. Die nota is daarenboven niet aan hem medegedeeld zoals voorgeschreven door artikel IX 11 VPS. 3.
  5. Artikel IX 8 van het te dezen toepasselijke VPS bepaalt dat "de tuchtstraf wordt voorgesteld door een hiërarchische meerdere van niveau A van de ambtenaar". Deze bevoegdheid kan volgens artikel IX 7 VPS niet gedelegeerd worden. IX-405-4/11 Artikel IX 11, eerste lid, VPS luidt voorts als volgt: "Het voorstel dat ertoe strekt een tuchtstraf op te leggen wordt schriftelijk geformuleerd, met redenen omkleed en meegedeeld aan de betrokken ambtenaar die een afschrift ontvangt." Uit het administratief dossier blijkt dat de feiten die aan de verzoeker ten laste worden gelegd bij nota's van 26 april en 7 juli 1995 door de onmiddellijke meerdere van de verzoeker, technisch assistent BRUNEEL, gemeld zijn aan de adjunct van de directeur HOLVOET. Deze laatste heeft de briefwisseling en verantwoordingsbladen met betrekking tot die feiten bij nota van 31 juli 1995 overgemaakt aan directeur-ingenieur BALDUCK, en hierbij het voorstel gedaan om "voor de gebeurde feiten en vaststellingen (...) de heer DE PLANCKE Donald als tuchtstraf een blaam toe te kennen". Vervolgens heeft de adjunct van de directeur ONRAEDT op 11 augustus 1995 met een "voor het afdelingshoofd" ondertekende nota voormeld voorstel van tuchtstraf en de erbij gevoegde stukken overgemaakt aan de secretaris-generaal, en hierbij medegedeeld dat hij akkoord ging met het voorstel van tuchtstraf. Aldus blijkt dat het voorstel om aan de verzoeker een tuchtstraf op te leggen is uitgegaan van de adjunct van de directeur HOLVOET, zijnde een hiërarchisch meerdere van niveau A van de verzoeker. In strijd met wat de verzoeker aanvoert, is dat voorstel van tuchtstraf wel degelijk aan hem meegedeeld. Uit het administratief dossier blijkt immers dat de adjunct van de directeur ONRAEDT hem op 11 augustus 1995 het voorstel van tuchtstraf, vervat in de nota van 31 juli 1995, heeft toegestuurd. De verzoeker heeft die nota trouwens als bijlage bij zijn verzoekschrift voor de Raad van State gevoegd. Het middel mist derhalve feitelijke grondslag. 4.
  6. De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de niet- naleving van "een substantiële vormvereiste". De verzoeker voert aan dat er een "gebrek aan eensluidendheid" is tussen een origineel verantwoordingsblad dat aan de verzoeker overhandigd werd en het afschrift van dat verantwoordingsblad dat zich in het tuchtdossier bevindt. Met name voert de verzoeker aan dat een van de originele verantwoordingsbladen de datum "07/07/1995" draagt, terwijl op de afschriften van dit blad in het tuchtdossier de datum is aangepast naar "06/07/1995". De verzoeker voegt eraan toe IX-405-5/11 dat hem niet verweten kan worden dat hij op 7 juli 1995 de uitvoering van bepaalde taken geweigerd heeft, aangezien hij op die dag met vakantie in het buitenland was. In zijn memorie van wederantwoord voegt de verzoeker hieraan toe dat het hier niet kan gaan om de rechtzetting van een materiële vergissing, aangezien hem geen nieuw verantwoordingsblad met een correcte datum is aangeboden en de datum enkel op de afschriften is aangepast. De verzoeker merkt voorts op dat het feit dat hij beticht werd van feiten die zich onmogelijk konden voorgedaan hebben op de aangehaalde datum, toen hij met vakantie was, de onmiddellijke aanleiding was van zijn weigering zich te verantwoorden en van zijn emotionele reactie. 4.
  7. De verzoeker voegt bij zijn verzoekschrift een origineel verantwoordingsblad, gedateerd op 7 juli 1995, waarin hem onder meer ten laste werd gelegd dat hij op 7 juli 1995 aan de technisch assistent BRUNEEL te verstaan had gegeven : "vanaf dit ogenblik zijt ge mijne chef niet meer". In de uiteenzetting van het middel verklaart de verzoeker dat dit blad hem overhandigd is. Uit de nota van de technisch assistent BRUNEEL van 7 juli 1995 aan de adjunct van de directeur HOLVOET blijkt echter dat het bedoelde verantwoordingsblad in werkelijkheid niet op 7 juli 1995, maar op 6 juli 1995 aan de verzoeker is overhandigd. Op de afschriften van het verantwoordingsblad, onder meer het afschrift dat samen met het strafvoorstel aan de verzoeker is toegezonden, is de datum "7 juli 1995" telkens gewijzigd in "6 juli 1995". Nu het hier kennelijk gaat om een materiële vergissing, kon de bevoegde overheid die vergissing rechtzetten. Dat de overheid de vergissing niet heeft rechtgezet op het origineel, dat immers in het bezit was van de verzoeker, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Van enige reële tegenstrijdigheid tussen het origineel en de afschriften is er dan ook geen sprake. Rekening houdend met de rechtzetting van de materiële vergissing, kan de verzoeker voorts niet gevolgd worden in zoverre hij stelt dat de feiten die hem ten laste worden gelegd zich niet hebben kunnen voordoen omdat hij op 7 juli 1995 met vakantie was. Het blijkt immers dat de feiten zich vóór 7 juli 1995 hebben voorgedaan. Het middel mist feitelijke grondslag. IX-405-6/11 5.
  8. De verzoeker roept een derde middel in, afgeleid uit de schending van de rechten van de verdediging. De verzoeker voert in de eerste plaats aan dat het proces-verbaal van ondervraging niets vermeldt over zijn afwezigheid op 4 juli 1995, terwijl in de motivering van het bestreden besluit gesteld wordt : "Overwegende dat (...) het onregelmatig verlaten van de dienst (...) bewezen (is)". De verzoeker houdt staande dat zijn afwezigheid op 4 juli 1995 te verantwoorden was door het feit dat hij zijn dienst moest verlaten om een kopie te kunnen nemen van het antwoord dat hij, in verband met het verwijt een vergoeding gevraagd te hebben voor het doorlaten van een bepaald schip, op het desbetreffende verantwoordingsblad had geschreven. Bovendien bleef hij tijdens zijn afwezigheid in radiografisch contact met zijn collega. Voorts voert de verzoeker aan, in verband met de beschuldiging van verbaal geweld, dat hij gevraagd heeft om de getuigen van het voorval te ondervragen, maar dat op dat verzoek niet is ingegaan en dat dit verzoek evenmin vermeld is in het proces-verbaal van verhoor. Ten slotte voert de verzoeker aan, in verband met de beschuldi- ging geld te hebben gevraagd voor het doorlaten van een schip, dat niet is ingegaan op zijn verzoek om de verantwoording van zijn collega DANNEELS bij het dossier te voegen, en dat dit verzoek evenmin vermeld is in het proces-verbaal van verhoor. 5.
  9. In zoverre het middel gericht is tegen de vaststelling dat de verzoeker zich schuldig gemaakt heeft aan het onregelmatig verlaten van de dienst, blijkt uit het administratief dossier dat de verzoeker bij aangetekende brief van 22 augustus 1995 is opgeroepen om op 20 september 1995 in zijn verdediging te worden gehoord, onder meer over zijn afwezigheid op 25 april 1995 en 4 juli
  10. Blijkens het proces-verbaal van verhoor gaf de verzoeker voor zijn afwezigheid op 25 april 1995 als verantwoording dat hij in zijn dienstwoning een stortbad was gaan nemen "aangezien hij bezweet was na het uitvoeren van een zwaar karwei", en voor zijn afwezigheid op 4 juli 1995 dat hij "op het bewuste moment onderweg (was) om een fotokopie te nemen van een verantwoordingsblad". Aldus blijkt dat de verzoeker zich in verband met zijn afwezigheid wel degelijk heeft kunnen verdedigen. Het feit dat de tuchtoverheid, niettegenstaande de argumenten die de verzoeker aanvoerde om zijn afwezigheid te verantwoorden, van oordeel is dat de verzoeker de dienst onregelmatig heeft verlaten, doet hieraan geen afbreuk. IX-405-7/11 IX-405-8/11 In zoverre het middel gericht is tegen de vaststelling dat de verzoeker zich schuldig gemaakt heeft aan het uiten van mondelinge dreigementen, dient opgemerkt te worden dat de verzoeker in het schrijven waarmee hij op 10 oktober 1995 beroep heeft ingesteld bij de Raad van Beroep, niet gevraagd heeft dat ter zake getuigen zouden worden gehoord. In de motieven van het advies van de Raad van Beroep wordt ook geen melding gemaakt van een dergelijk verzoek. Er blijkt dan ook niet dat de tuchtoverheid geweigerd zou hebben op een dergelijk verzoek van de verzoeker in te gaan. In zoverre het middel verband houdt met de tenlastelegging dat de verzoeker een vergoeding zou hebben geëist voor het doorlaten van een schip, tenlastelegging waarover hij verhoord is, volstaat het op te merken dat het College van secretarissen-generaal op advies van de Raad van Beroep beslist dat het bedoelde feit niet bewezen is. Mogelijke onregelmatigheden in de tuchtprocedure, verband houdend met die tenlastelegging, tasten dan ook de wettigheid van de bestreden beslissing niet aan. De verzoeker heeft derhalve geen belang bij het aanvoeren van dergelijke onregelmatigheden. Het middel kan in geen van zijn onderdelen worden aangenomen. 6.
  11. In het vierde middel roept de verzoeker de schending in van het gelijkheidsbeginsel. Volgens de verzoeker zijn zowel hijzelf als zijn collega DANNEELS op 3 juli 1995 schriftelijk ondervraagd in verband met de beschuldiging dat zij geld zouden hebben gevraagd voor het doorlaten van een bepaald schip, maar is enkel tegen hem een tuchtprocedure ingesteld. In zijn memorie van wederantwoord voegt de verzoeker hieraan toe dat "uit alle stukken blijkt dat deze onterechte beschuldiging de aanleiding is voor alle andere feiten", en "dat het feit dat hij assertiever reageert op een onterechte beschuldiging dan zijn collega voor gevolg heeft dat er tegen hem een tuchtprocedure opgestart wordt en tegen zijn collega niet". In zijn laatste memorie wijst de verzoeker er ook nog op dat zijn onmiddellijke chef in zijn brief van 7 juli 1995 verklaard heeft: "Het is een publiek geheim dat er na het einduur nog wordt geschut tegen betaling". Het feit dat deze chef gedurende jaren tegen niemand enige actie ondernomen heeft en dan uiteindelijk tegen één van de twee betrokkenen een tuchtprocedure start, houdt duidelijk een schending in van het gelijkheidsbeginsel. IX-405-9/11 Daarenboven werd deze beschuldiging niet weerhouden in de tuchtprocedure, terwijl de andere elementen, namelijk weigering opdracht te aanvaarden, mondelinge dreigementen tegen de chef en onregelmatig de dienst verlaten, wel werden weerhouden, hoewel ze een rechtstreeks gevolg zijn van deze onterechte beschuldiging. 6.
  12. In het middel voert de verzoeker in essentie aan dat tegen hem voor een reeks feiten een voorstel van tuchtstraf is geformuleerd, en niet tegen zijn collega, ook al waren beiden initieel het voorwerp van de beschuldiging dat zij voor het doorlaten van een schip een vergoeding gevraagd zouden hebben. Volgens de verzoeker is dat verschil in behandeling enkel te verklaren door het feit dat hij op de beschuldiging in verband met het vragen van een vergoeding assertiever gereageerd heeft dan zijn collega. Aan het bestreden besluit wordt dus verweten dat het genomen is in het kader van een tuchtprocedure die met schending van het gelijkheidsbeginsel is opgestart. In het middel gaat de verzoeker ervan uit dat de feiten waarvoor hij tuchtrechtelijk wordt bestraft, te weten het onregelmatig verlaten van de dienst, het weigeren van opdrachten en het uiten van mondelinge dreigementen, alle het gevolg zijn geweest van de onterechte beschuldiging dat hij een vergoeding zou gevraagd hebben voor het doorlaten van een schip. Een dergelijk causaliteitsverband blijkt echter niet uit de gegevens van het dossier. Overigens is de bestreden tuchtsanctie mede gebaseerd op feiten waarover verzoekers onmiddellijke hiërarchische meerdere, technisch assistent BRUNEEL, reeds op 26 april 1995, dit is lang vóór het incident in verband met de vergoeding voor het doorlaten van een schip, voor adjunct van de directeur HOLVOET een nota heeft opgesteld. Het middel, dat uitgaat van beweringen waarvan het bestaan niet bewezen is, mist bijgevolg feitelijke grondslag.
  13. De verzoeker roept nog een vijfde middel in, waarvan hij in zijn laatste memorie evenwel afstand doet. IX-405-10/11 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  14. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 15 oktober 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-405-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.773 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.