id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.876 Rolnummer: A. 181317/IX-5602 Zaak: Arrest 175876 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 17/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-21 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-30 03:35 Fiche Arrest nr 175.876 van 17 oktober 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.876 van 17 oktober 2007 in de zaak A. 181.317/IX-5602. In zake : 1. Frans VERHOEVEN, 2. Godelieve VANDER AUWERA, die woonplaats kiezen bij advocaat P. MALUMGRÉ, kantoor houdende te TESSENDERLO, Lichtveld 55A2 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Pensioenen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Frans VERHOEVEN en Godelieve VANDER AUWERA op 26 februari 2007 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 23 januari 2007 van de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen waarbij hun aanvraag om een ascendentenpensioen wordt afgewezen; Gelet op de beschikking van 12 maart 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 10 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 oktober 2007; IX-5602-1/11 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MALUMGRÉ, die verschijnt voor de verzoekende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.1. Korporaal Bart VERHOEVEN, zoon van verzoekers, overlijdt op 16 mei 2000 tijdens het zwemmen in het zwembad van het militair kamp VOGELSANG (Duitsland). 1.2. Verzoekers vragen op 7 juni 2000 om toekenning van een ascendentenpensioen. De geneesheer-expert van de Gerechtelijk-Geneeskundige Dienst (GGD) komt tot het besluit dat het overlijden van Bart VERHOEVEN niet te wijten is aan een dienstfeit, het zwemmen op zich, maar aan een vreemd feit. Professor VAN DE VOORDE, een door verzoekers aangestelde deskundige, komt in een verslag van 16 januari 2004 tot de conclusie dat het onmogelijk is om op basis van de beschikbare gegevens met enige waarschijnlijkheid te besluiten tot een “natuurlijke dood”, in de zin van een overlijden veroorzaakt door een ziekte (bijv. hartdood). Er zijn daarentegen aanwijzingen voor een mogelijke dood van traumatische oorsprong, met name een impact op het linker voorhoofd. De commissie voor vergoedingspensioenen kent op 26 oktober 2005 met ingang van 1 juni 2000 een ascendentenpensioen toe. De beslissing rust op volgende redengeving : IX-5602-2/11 “De Commissie neemt aan dat het bewijs geleverd is dat de overledene stierf tijdens de dienst. Zij dient derhalve na te gaan of de dood intrad door de dienst (art. 1 van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen volgens hetwelk de verzoekers, door alle middelen, moeten bewijzen dat de door hun aangevoerde schade veroorzaakt werd gedurende de dienst en door de dienst). Met andere woorden: is Bart VERHOEVEN overleden door de uitoefening van de dienst, in concreto door te zwemmen. Het antwoord op deze vraag is positief. Hij was vrijgesteld van lopen en ging zwemmen, zoals hem toegelaten door zijn overste, in vervanging van deelname aan de loopoefening. Deze zeer strenge bewijslast dient redelijkerwijze uitgelegd. Verzoekers hebben alle middelen aangewend die in hun mogelijkheden lagen om de doodsoorzaak te achterhalen. Zij zijn daarin niet geslaagd. De G.G.D. en alle andere diensten overigens ook niet. Prof. VAN de VOORDE evenmin. De Commissie neemt aan dat uit het feit dat de dood ingetreden is tijdens de dienst het weerlegbaar vermoeden ontstaat dat de dood is ingetreden door de dienst. Door te zwemmen voerde Bart VERHOEVEN een dienstprestatie uit. Er is geen enkele aanwijzing dat welke aan de overledene eigen, voorafgaande of tegenwoordige, factor ook, de dood zou mede veroorzaakt hebben, laat staan de enige doodsoorzaak zou zijn geweest. De Commissie besluit dat verzoekers het bewijs geleverd hebben zoals voorzien in hoger vermeld art. 1, nl. door alle middelen, het weerlegbaar vermoeden inbegrepen. Dat vermoeden wordt niet weerlegd.” 1.3. De minister van Pensioenen tekent tegen deze beslissing op 6 januari 2006 hoger beroep aan. De Gerechtelijk-Geneeskundige Dienst van Beroep (GGDB) adviseert dat niet uitgesloten kan worden dat een schedeltrauma of een ander trauma aan de oorsprong ligt van het overlijden, en concludeert daarom dat het overlijden “mogelijk geheel te wijten (
- is)aan de schadelijke feiten”. De commissie van beroep voor vergoedingspensioenen (hierna: de commissie van beroep) verklaart op 23 januari 2007 het beroep ontvankelijk en gegrond en wijst de aanvraag om een ascendentenpensioen af. Deze beslissing wordt als volgt verantwoord : “Overwegende dat het bewijs geleverd is dat betrokkene tijdens de dienst is overleden; Overwegende dat de dood hyperacuut is opgetreden (betrokkene heeft niet geschreeuwd of om zich heen geslagen en men stelde al geen tekens van leven meer vast nadat betrokkene zeer snel uit het water gehaald en gereanimeerd werd); Overwegende dat het lijk gecremeerd werd en dat er voorafgaandelijk geen autopsie heeft plaats gevonden; IX-5602-3/11 Overwegende dat alle medische stukken aanwezig in het dossier (waaronder het verslag van prof. Van de Voorde, het verslag van dr. Gregoire, het verslag van de Notartz, de verslagen van de GGD-GGDB en het gevoerd onderzoek) en de getuigenverklaringen geen voldoende zekerheid bieden dat de dood van Bart Verhoeven te wijten is aan het zwemmen of een dienstfeit; Dat uit de vaststellingen ter plaatse een gewelddadige of opzettelijke dood dient uitgesloten te worden en dat een natuurlijke dood werd vermeld in het overlijdensattest; Dat ook het verslag van professor Vandevoorde, anders dan de aanvrager aanvoert, niet met zekerheid stelt dat de dood aan een dienstfeit of het zwemmen te wijten is; Anders dan de raadman aanvoert, baseert deze zijn gevolgtrekkingen op een ‘mogelijk’ fors hematoom aldus faalt de aanvrager in zijn bewijslast; Overwegende dat te dezen niet bepalend is of er fouten zijn gemaakt die de bewijslast van de aanvrager hebben bemoeilijkt; Overwegende dat aanvrager faalt in de op hem rustende bewijslast dat er dienstomstandigheden vastgesteld zijn die bepalend zouden geweest zijn bij het overlijden zodat aan de vereiste van artikel 2 van de S.W.V.P. niet voldaan wordt. Het beroep van de Minister dient ingewilligd te worden.” De grond van de zaak 2. In het eerste middel voeren verzoekers de schending aan van artikel 1, tweede lid, van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen. Volgens die bepaling moeten de aanvragers bewijzen dat de door hen aangevoerde lichamelijke schade veroorzaakt werd “gedurende de dienst en door de dienst”. Te dezen rijst de vraag of het overlijden van hun zoon veroorzaakt is “door de dienst”. Uit het Algemeen Order J/282G van de Generale Staf van de Krijgsmacht, de omzendbrief “vergoedingspensioenen” van de Generale Staf van de Krijgsmacht van 17 november 2000 en de parlementaire voorbereiding van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen kan worden afgeleid dat elke invaliditeit die tijdens de uitvoering van een door een reglement of een superieur voorgeschreven prestatie ontstaat, in beginsel verondersteld wordt veroorzaakt te zijn door de dienst en dat dit slechts niet het geval zal zijn wanneer de schadelijder een fout begaan heeft waardoor het verband tussen de handeling en de uitvoering van de dienst verbroken wordt. In tegenstelling tot wat de commissie van beroep in de bestreden beslissing uiteenzet, leggen de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen aan een aanvrager geenszins de verplichting op de exacte doodsoorzaak te bewijzen. De commissie van beroep heeft dan ook ten onrechte de vraag om een ascendentenpensioen verworpen op grond dat de oorzaak van de dood van Bart VERHOEVEN niet met zekerheid aangetoond kan worden. Verzoekers hebben conform de bestaande richtlijnen en orders het bewijs geleverd dat hun zoon gedurende de dienst en door de dienst, met name wegens een bevel van een IX-5602-4/11 superieur, overleden is -een stelling die ook reeds door de militaire overheden was aanvaard-, maar de commissie van beroep heeft hen een zwaardere bewijslast opgelegd dan de wet voorschrijft. 3. De verwerende partij antwoordt dat de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling van de feiten treedt zodat hij niet bevoegd is om in de plaats van de commissie van beroep te oordelen over het verband tussen het overlijden en de dienst. Verzoekers kunnen alleen aanvoeren dat de commissie van beroep op grond van de door haar vastgestelde feiten niet wettig tot het besluit is kunnen komen dat er op het ogenblik van het ongeval geen dienstverband bestond. Volgens vaste rechtspraak, volgens de door verzoekers aangehaalde omzendbrief -die overigens voor de commissie van beroep geen bindende waarde heeft- en volgens de parlementaire voorbereiding van de wet op de vergoedingspensioenen moet de oorzaak van het letsel gelegen zijn in een omstandigheid die stellig verband houdt met de dienst. Overeenkomstig artikel 1 van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen moet de commissie van beroep onderzoeken enerzijds of het bewezen is dat er zich een trauma tijdens de dienst voorgedaan heeft en anderzijds of het bewezen is dat er een verband is tussen het trauma en de dienst. De Raad van State moet nagaan of de commissie van beroep dienaangaande wettig tot haar besluit is kunnen komen. In dit geval heeft de commissie van beroep op basis van de feitelijke gegevens die haar voorlagen aangenomen dat het niet afdoende bewezen is dat het rustig heen en weer zwemmen de dood veroorzaakt heeft en dat niet aangetoond is dat Bart VERHOEVEN tijdens het zwemmen een letsel opgelopen zou hebben. Zij sluit niet uit dat er een trauma opgelopen is, maar stelt enkel vast dat niet bewezen is dat het trauma opgelopen is door het zwemmen. Verzoekers zijn ten onrechte van oordeel dat prof. VAN DE VOORDE en de GGDB besloten hebben dat een trauma aan de basis lag van het overlijden: geen van hen heeft het slachtoffer kunnen onderzoeken, zij moesten hun oordeel steunen op foto’s van het lijk en hebben besloten, hetzij dat er een “mogelijk hematoom” op de foto’s vastgesteld kan worden -Prof. VAN DE VOORDE- hetzij dat het niet uitgesloten is dat een trauma de dood heeft kunnen veroorzaken -de GGDB-, waarmee geen van beiden enige oorzaak uitsluit. In het kader van de wet op de vergoedingspensioenen volstaat het evenwel niet dat een trauma als eventuele oorzaak van het letsel weerhouden wordt; er moet aangetoond worden dat het trauma zich heeft voorgedaan. De commissie van beroep heeft aldus geoordeeld dat de verzoekers falen in die bewijsopdracht. Zij is, afgaande op getuigenverklaringen en de vaststellingen van de artsen ter plaatse, wettig tot het besluit kunnen komen IX-5602-5/11 dat het niet bewezen is dat er zich een trauma voorgedaan heeft dat te wijten is aan de dienst. Zij heeft daarmee de enig mogelijke conclusie getrokken, te weten dat de doodsoorzaak niet meer vastgesteld kon worden en dat het dan ook niet meer mogelijk was een verband aan te tonen tussen een eventueel voorval en het overlijden. De commissie stelt niet, zoals verzoekers beweren, dat de doodsoorzaak gekend moet zijn, zij stelt dat de aanvrager een dienstfeit moet kunnen aantonen dat het overlijden veroorzaakt heeft. Zij heeft aldus artikel 1 van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen correct toegepast. 4. In de memorie van wederantwoord beperken de verzoekers zich tot een herhaling van het verzoekschrift. Zij benadrukken wel dat prof. VAN DE VOORDE in zijn verslag de mening heeft geopperd dat Bart VERHOEVEN geen natuurlijke dood gestorven is. 5. Voor de onderhavige zaak moet rekening gehouden worden met de volgende bepalingen: - artikel 60, eerste lid, van de wet van 8 juli 1970 tot instelling van nieuwe voordelen ten behoeve van de slachtoffers van de militaire plicht of van een daarmee gelijkgestelde plicht, bepaalt dat de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen van toepassing zijn op “de lichamelijke schade opgelopen gedurende en door het feit van de militaire dienst vóór 25 augustus 1939 of na 25 augustus 1947". - artikel 29 van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen bepaalt dat, bij ontstentenis van langstlevende echtgenoot of wezen, “de vader en de moeder van het slachtoffer (...) op een pensioen voor ascendent aanspraak (kunnen) maken, zo het overlijden van hun kind in de bij artikel 21 voorziene omstandigheden voorgekomen is”. Artikel 21, eerste lid, bepaalt dat “bevonden (moet worden) dat het overlijden (...) het rechtstreeks gevolg is van het aan- gevoerde schadelijk feit.” - artikel 1, tweede lid, van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen bepaalt: “De aanvragers moeten door alle middelen bewijzen dat de door hen aangevoerde lichamelijke schade veroorzaakt werd gedurende de dienst, (...) en door de dienst (...)”. Artikel 2 van dezelfde wetten stelt dat de rechthebbenden “de vereiste bewijzen (moeten) voorleggen betreffende het door hen aangevoerde schadelijk feit en de invaliditeit waardoor zij aangetast zijn”. IX-5602-6/11 6. De vereiste van het oorzakelijk verband tussen het schadelijk feit en de dienst vindt haar oorsprong in artikel 7 van de wet van 23 november 1919 op de militaire pensioenen. Voortgaande op de uitleg die de minister van Landsverdediging daaromtrent in het parlement gegeven heeft, naar aanleiding van de wijziging van die wet bij de wet van 13 juli 1934, was het de bedoeling de vereiste van het verband met de dienst niet restrictief te interpreteren. Niettemin werd aangenomen dat een ongeval slechts kon worden beschouwd als zijnde veroorzaakt “door de dienst” als de oorzaak van het letsel gelegd kon worden in een omstandigheid die stellig verband (“relation certaine”) hield met de uitvoering van de militaire dienst en het ongeval niet aan het eigen toedoen van de betrokkene te wijten was (Parl. Hand., Kamer, 17 mei 1934, p. 1487, en Parl. Hand., Senaat, 4 juli 1934, p. 1045). Het bestaan van een stellig verband tussen het schadelijk feit en de uitvoering van de dienst is dus noodzakelijk om pensioenrechten te doen ontstaan. 7. Handelingen waarbij een opdracht wordt uitgevoerd betreffen de uitvoering van de dienst. Te dezen stelt de bestreden beslissing vast dat Bart VERHOEVEN “tijdens de dienst” is overleden. De samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen stellen geen wettelijk vermoeden in dat letsels opgelopen tijdens de dienst ook door de dienst veroorzaakt zijn. Het komt derhalve de aanvrager toe het bewijs te leveren dat het letsel “door de dienst” gebeurd is, te dezen dat het zwemmen bepalend is geweest voor het overlijden. 8. De commissie van beroep heeft de aanvraag verworpen omdat “(
- de)aanvrager faalt in de op hem rustende bewijslast dat er dienstomstandigheden vastgesteld zijn die bepalend zouden zijn geweest bij het overlijden”. Zij is dus van oordeel dat niet genoegzaam bewezen is dat de oorzaak van het overlijden gelegen is in een omstandigheid die stellig verband houdt met de uitvoering van de dienst, te dezen het zwemmen. De commissie van beroep steunt die conclusie op de vaststelling dat de dood hyperacuut ingetreden is, dat er geen autopsie uitgevoerd is en dat de medische stukken en de getuigenverklaringen geen voldoende zekerheid bieden dat de dood te wijten is aan het zwemmen, dat een gewelddadige of opzettelijke dood weliswaar uitgesloten kan worden, maar dat in het overlijdens- attest een natuurlijke dood is vermeld, dat ook het verslag van professor VAN DE VOORDE niet met zekerheid stelt dat de dood aan het zwemmen te wijten is, en dat deze deskundige zijn gevolgtrekkingen steunt op een “‘mogelijk’ fors hematoom”. IX-5602-7/11 9. De vaststelling van het bestaan van een verband met de dienst behoort tot de onaantastbare beoordelingsbevoegdheid van de feitenrechter, te dezen de commissie van beroep. Als cassatierechter kan de Raad van State niet in de beoordeling van de feiten treden. Hij kan enkel nagaan of de commissie van beroep uit de door haar vastgestelde feiten wettig tot de conclusie is kunnen komen dat de dood van de zoon van verzoekers niet veroorzaakt is door de dienst. In zoverre het middel de Raad van State uitnodigt tot een onderzoek van feitelijke gegevens, waarvoor hij niet bevoegd is, is het middel onontvankelijk. 10. Op grond van de artikelen 1 en 2 van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen dienden verzoekers te bewijzen dat het overlijden van hun zoon rechtstreeks te wijten was aan het dienstfeit, met name het zwemmen. Zij konden dat bewijs weliswaar leveren met alle middelen van recht, dus zelfs met feitelijke vermoedens. Het volstond echter niet om aannemelijk te maken dat het overlijden mogelijk veroorzaakt was door het dienstfeit, bijvoorbeeld ten gevolge van een trauma opgelopen tijdens het zwemmen, als er daarnaast nog andere mogelijke oorzaken waren. De aanvraag van verzoekers wordt door de commissie van beroep verworpen op grond dat verzoekers niet aantonen dat er dienstomstandigheden geweest zijn die bepalend waren voor het overlijden van hun zoon, ook al is het mogelijk dat dit het geval is geweest. In tegenstelling tot wat verzoekers stellen, wordt hun aanvraag niet verworpen op grond dat zij de exacte doodsoorzaak van hun zoon niet bewijzen. Door de aanvraag aldus af te wijzen op grond dat verzoekers niet het bewijs leveren dat het overlijden van hun zoon het stellige gevolg is van het zwemmen, maakt de bestreden beslissing een juiste toepassing van artikel 1 van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen, en legt het aan verzoekers geen zwaardere bewijslast op dan bij de wet bepaald. In zoverre is het middel ongegrond. 11. In het tweede middel voeren verzoekers de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Zij stellen dat de bestreden beslissing niet vermeldt waarom IX-5602-8/11 het advies van de Gerechtelijk-Geneeskundige Dienst niet wordt gevolgd (eerste onderdeel), dat de commissie betwist dat de dood van hun zoon te wijten is aan een dienstfeit, maar dat hun zoon gestorven is toen hij aan het zwemmen was in het kader van een militaire training op grond van orders van zijn sportonderofficier en dat de commissie het verslag van prof. VAN DE VOORDE verkeerd interpreteert waar zij besluit dat dit verslag “niet met zekerheid stelt dat de dood aan een dienstfeit of het zwemmen te wijten is” (tweede onderdeel), dat de commissie op geen enkele wijze aantoont dat hun zoon niet tijdens het zwemmen om het leven gekomen is (derde onderdeel), en dat zij ook niet uitlegt waarom de in eerste aanleg genomen beslissing onjuist was (vierde onderdeel). 12. De verwerende partij antwoordt vooreerst dat de wet van 29 juli 1991 niet van toepassing is op beslissingen van de commissie van beroep. Zij stelt vervolgens dat in de bestreden beslissing wel degelijk aangegeven wordt op grond van welke stukken en om welke redenen de aanvraag van verzoekers verworpen wordt, dat de beslissing terdege verantwoord wordt door de verwijzing naar het gebrek aan bewijs dat het overlijden het gevolg is van dienstomstandigheden, dat de GGDB enkel tot het besluit gekomen is dat een trauma door het zwemmen als doodsoorzaak niet uitgesloten was, terwijl andere attesten ook melding maken van een cardiaal falen, dat de commissie van beroep wel degelijk aangenomen heeft dat het overlijden gebeurd is tijdens de dienstuitoefening en dat de commissie van beroep enkel moet uitleggen waarom zij de aanvraag verwerpt, zonder daarbij te moeten aangeven waarom zij de beslissing van de commissie voor vergoedingspensioenen niet bijvalt. 13. De commissie van beroep is een administratief rechtscollege. Haar beslissingen zijn niet onderworpen aan de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Voor administratieve rechtscolleges ligt de verplichting om hun beslissingen met redenen te omkleden vervat in artikel 149 van de Grondwet. Wat inzonderheid de beslissingen inzake vergoedingspensioenen betreft, is die motiveringsplicht nog nader uitgewerkt in de artikelen 6 en 13 van het besluit van de Regent van 15 juni 1949 tot bepaling van de rechtspleging voor de commissies voor vergoedingspensioenen. Het middel wordt begrepen in die zin dat het de schending van de genoemde bepalingen aanvoert. IX-5602-9/11 14. De bestreden beslissing geeft wel degelijk aan waarom het advies van de GGDB niet gevolgd wordt, met name omdat de verslagen van de GGD en van de GGDB “geen voldoende zekerheid bieden dat de dood van Bart VERHOEVEN te wijten is aan het zwemmen of een dienstfeit”. Uit het dossier blijkt dat, nadat de GGD besloten had dat bij een plotse dood als die van Bart VERHOEVEN er “meestal, hoewel niet evident altijd, een cardiale oorzaak aan ten grondslag ligt” en dat de bewijslast aangaande het verband met de dienst bij de verzoekers berustte, de GGDB toch besloten heeft dat hij niet kon uitsluiten dat “een schedeltrauma (of ander) aan de oorsprong zou kunnen liggen van het overlijden” en daarom adviseerde dat het overlijden “mogelijk geheel te wijten is aan de schadelijke feiten”. Uit het onderzoek van het eerste middel blijkt dat de commissie van beroep haar wettelijke opdracht correct vervuld heeft door, los van de louter geneeskundige vaststellingen die de GGDB formuleert, te onderzoeken of terdege bewezen is dat Bart VERHOEVEN overleden is als gevolg van het zwemmen. Haar uiteenzetting verklaart derhalve waarom zij het advies van de GGDB niet volgt. Het eerste onderdeel van het middel is niet gegrond. 15. In zoverre in het tweede onderdeel wordt aangevoerd dat de commissie van beroep, na vastgesteld te hebben dat het overlijden van de zoon van verzoekers zich heeft voorgedaan tijdens het zwemmen, niet heeft kunnen aannemen dat niet bewezen is dat de zoon door de dienst overleden is, valt de grief samen met die van het eerste middel. Om de aldaar ontwikkelde redenen kan het tweede onderdeel van het tweede middel in zoverre niet aangenomen worden. In zoverre in het tweede onderdeel aan de bestreden beslissing wordt verweten aan het verslag van prof. VAN DE VOORDE een uitlegging te geven die daarmee onverenigbaar is, moet erop gewezen worden dat de commissie van beroep op onaantastbare wijze de bewijswaarde beoordeelt van de haar voorgelegde bewijsgegevens, op voorwaarde dat zij de bewijskracht ervan niet miskent. Door het bedoelde verslag -waarin gesteld is dat er aanwijzingen zijn voor een mogelijke dood van traumatische oorsprong- aldus te lezen dat er “niet met zekerheid wordt gesteld dat de dood aan een dienstfeit of het zwemmen te wijten is”, miskent de commissie van beroep de bewijskracht van dat verslag niet. In zoverre is het tweede onderdeel van het middel niet gegrond. IX-5602-10/11 16. De commissie van beroep heeft uitdrukkelijk gesteld dat “het bewijs geleverd is dat betrokkene tijdens de dienst is overleden”. Het derde onderdeel van het middel houdt geen rekening met die overweging, en mist derhalve feitelijke grondslag. 17. Ten gevolge van het hoger beroep werd het geschil aanhangig gemaakt bij de commissie van beroep. Deze diende de aanvraag van verzoekers opnieuw te beoordelen. Voor de regelmatigheid van de motivering van haar beslissing is het voldoende dat zij de redenen uiteenzet waarop die beslissing steunt. Geen bepaling verplichtte de commissie van beroep om te motiveren waarom zij tot een andere beslissing komt dan de commissie die in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. Het vierde onderdeel van het middel faalt dan ook naar recht. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het cassatieberoep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoekers, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 17 oktober 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-5602-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.876 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div