id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.912 Rolnummer: A. 185467/XII-5243 Zaak: Arrest 175912 - Diploma's - 18/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-29 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:36 Fiche Arrest nr 175.912 van 18 oktober 2007 Onderwijs en cultuur - Diploma's Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.912 van 18 oktober 2007 in de zaak A. 185.467/XII-
- In zake : Chloé CALLEBAUT, die woonplaats kiest bij advocaat B. Van Den Bergh, kantoor houdende te Dilsen-Stokkem, A. Sauwenlaan 3 tegen : de V.Z.W. ONDERWIJSINRICHTINGEN ZUSTERS DER CHRISTELIJKE SCHOLEN WEST-BRABANT die woonplaats kiest bij advocaat J. Hendrickx, kantoor houdende te Antwerpen, Plantin en Moretuslei 12 ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Chloé Callebaut op 12 oktober 2007 heeft ingediend waarin de nietigverklaring wordt gevorderd en, bij uiterst dringende noodzakelijkheid, de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 31 augustus 2007 waarbij de over haar delibererende klassenraad van het Immaculata Maria-Instituut te Roosdaal haar een C-attest toekent evenals van de impliciete weigering om haar een diploma ASO uit te reiken; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 15 oktober 2007 waarbij de terechtzitting over de schorsing bepaald wordt op 18 oktober 2007, om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. Van den Bergh, die verschijnt voor verzoekster en van advocaat Ch. Vangeel, die verschijnt voor de verwerende partij; XII-5243-1\5 Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Verzoekster volgt tijdens het schooljaar 2006-2007 het tweede jaar van de derde graad, richting wetenschappen-wiskunde, aan het Immaculata Maria-Instituut te Roosdaal. De delibererende klassenraad kent haar op het einde van het jaar een oriënteringsattest C toe. Op 3 juli 2007 heeft het overleg plaats, voorgeschreven bij artikel 68 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs. Dit overleg leidt niet tot een nieuwe samenroeping van de delibererende klassenraad en verzoekster tekent op 10 juli 2007 beroep aan bij de beroepscommissie, dit overeenkomstig artikel 72 van voormeld organisatiebesluit. Op 29 augustus 2007 adviseert de beroepscommissie de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. Blijkbaar volgt het schoolbe- stuur dit advies, want met de thans bestreden beslissing, gedateerd op 31 augustus 2007 en volgens verzoekster “pas verzonden op 3 september 2007 (zie poststempel omslag)” met een aangetekend schrijven, besluit de delibererende klassenraad opnieuw tot een C-attest. De kennisgeving van die beslissing bevat ook de notulen van de delibererende klassenraad.
- Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoor- den en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. XII-5243-2\5
- Wat de eerste schorsingsvoorwaarde betreft, beroept verzoekster zich in het enig verzoekschrift op het dreigend verlies van een schooljaar en de moeilijkheden om zich nog te kunnen inschrijven in een instelling van hoger onderwijs.
- De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid verstoort het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State op ernstige wijze, beperkt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en brengt de uitoefening van de rechten van de verdediging van de verwerende en eventueel tussenkomende partij aanzienlijk in het gedrang. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, ofwel door verzoeker op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Dit laatste impliceert dat verzoeker aan de hand van precieze en concrete gegevens aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien zij pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen. Het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing wordt daarenboven mede afgemeten naar de haast die de verzoekende partij zelf betoont bij het instellen van haar vordering. De noodzaak om na de kennisname van de griefhoudende beslissing met passende voortvarendheid de vordering bij de Raad van State in te leiden is immers inherent aan het zeer uitzonderlijk en zeer ongewoon karakter van de uiterst dringende procedure. Diligent optreden is een gegeven dat bijgevolg vervat is in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid en is een dwingende vereiste die moet zijn vervuld opdat de Raad van State een verzoekende partij mag toelaten tot de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Van de eisende partij wordt gevergd dat zij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State.
- De bestreden beslissing is, zoals verzoekster het zelf verklaart, haar ter kennis gebracht met een aangetekend schrijven op maandag 3 september
- Die beslissing is overigens niet zomaar een beslissing die plots of onver- wachts over haar is genomen, maar is het resultaat van een beroepsprocedure die zij zelf heeft ingesteld tegen een beslissing van de delibererende klassenraad en XII-5243-3\5 waarvan zij in de ene of andere zin het antwoord mocht verwachten. De voorliggen- de vordering is niettemin pas op 12 oktober 2007 -dus bijna veertig dagen of ruim méér dan vijf weken later- ingesteld. Dit is voor een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, schromelijk laat. In haar verzoekschrift geeft verzoekster voor de opgelopen vertraging geen enkele verantwoording. Het tijdsverloop tussen de kennisgeving van het bestreden besluit en het instellen van de vordering houdt te dezen de negatie van de uiterst dringende noodzakelijkheid in.
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzake- lijkheid worden toegewezen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien oktober 2007, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, XII-5243-4\5 F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5243-5\5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.912 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.603 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.