id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.917 Rolnummer: A. 180280/XIV-28197 Zaak: Arrest 175917 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 19/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-29 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:37 Fiche Arrest nr 175.917 van 19 oktober 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.917 van 19 oktober 2007 in de zaak A. 180.280/XIV-28.197. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat K. HINNEKENS, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Louis Pasteurlaan 24 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Georgische nationaliteit, op 16 januari 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 5 december 2006 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; Gelet op de beschikking nr. 171 van 30 januari 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 19 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 12 april 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 juni 2007; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. NAVASARTIAN, die loco advocaat K. HINNEKENS verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat A. DE MEU verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; XIV-28.197-1/6 Gehoord het eensluidend advies van auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending van artikel 149 van de Grondwet, van artikel 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijde- ring van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van het motiveringsbeginsel, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de rechten van verdediging opwerpt; dat zij een theoretische uiteenzetting over de motiveringsplicht in jurisdictionele zaken geeft en aanvoert dat uit de bestreden beslissing niet duidelijk blijkt waarom de middelen van de verzoekende partij worden verworpen, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich niet als een jurisdictioneel orgaan maar als “een soort super-bestuur” opstelt zonder de aangevoerde middelen te ontmoeten, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen herhaaldelijk stelt dat de antwoorden van de verzoekende partij op de ter zitting gestelde vragen “niet overtuigen”, zonder aan te geven waarom, dat het met betrekking tot de reisweg en het gebruik van een vals paspoort kennelijk onredelijk is het niet kunnen voorleggen van stukken als een negatieve indicatie voor het asielrelaas te beschouwen, dat eventuele onwaarheden over een paspoort de essentie van het asielrelaas niet raken, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet motiveert waarom de in het beroepschrift van de verzoekende partij voor de tegenstrijdigheden gegeven verklaring niet zou opgaan, dat niet op het argument van het lange tijdsverloop na de feiten, zelfs tot de eerste verhoren, wordt geantwoord, dat de verzoekende partij ingevolge de gewoonte in haar cultuur niet van alles op de hoogte werd gebracht door haar echtgenoot, dat de verklaringen van de verzoekende partij voldoende duidelijk zijn, dat één voorgehouden tegenstelling niet kan volstaan voor de verwerping van een asielaanvraag, dat de waarachtigheid van het geheel opweegt tegen tegenstrijdigheden, dat het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenverdrag) een soepele bewijslast vergt, dat het niet-vermelden van iets op de dienst Vreemdelingenzaken geen tegenstrijdigheid vormt vermits verklaringen elkaar kunnen aanvullen, dat de ouders van de verzoekende partij op 10 april 2006 in Frankrijk als vluchteling zijn erkend omdat haar vader omwille van zijn afkomst en geloof in Georgië werd vervolgd, dat uit het “mensenrechtenrapport nr. 412/2 van april 2005 van de internationale liga van mensenrechten” blijkt dat rechtsbescherming van Yezidi zeer problematisch is, dat de bewijskracht en het gewijsde van de beslissing betreffende de ouders worden miskend en dat aldus de artikelen 1319 en volgende van het Burgerlijk Wetboek worden geschonden, dat de verwijzing naar een gebrek aan vervolging in de zin van het XIV-28.197-2/6 Vluchtelingenverdrag niet volstaat als motivering voor de afwijzing van de subsidiaire beschermingsstatus en dat de bestreden beslissing ook wat dat betreft onvoldoende is gemotiveerd; 1.2. Overwegende dat de verzoekende partij sub a), sub
- b)en sub
- c)eerst aanvoert dat in de bestreden beslissing niet op alle door haar opgeworpen middelen wordt geantwoord en dat de motivering te vaag is, doch dat zij daarbij niet aangeeft op welke middelen niet zou zijn geantwoord of op welke concrete punten de motivering zou falen; dat het eerste middel in die mate kennelijk niet-ontvankelijk is; Overwegende dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet, zoals het gold op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, betrekking had op de ontvank- elijkheidsfase terwijl de bestreden beslissing betrekking heeft op de al dan niet gegrondheid van de asielaanvraag; dat artikel 57/11 van de Vreemdelingenwet enkel de beroepsmogelijk- heid bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen tegen beslissingen tot weigering van de erkenning als vluchteling door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen aangaf en dat de verzoekende partij niet uiteenzet hoe die bepaling zou zijn geschonden; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een administratief rechtscollege is zodat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur er niet op van toepassing zijn; dat het eerste middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij een eigen feitelijke beoordeling voorstelt van haar verklaringen betreffende haar identiteit, reisweg en documenten; dat in de bestreden beslissing wel degelijk de lange duur van de asielprocedure wordt vermeld, waarbij dit niet als een verklaring voor de tegenstrijdigheden op essentiële punten tussen een verklaring van 20 november 1995 en het beroepschrift van 22 november 1995 wordt beschouwd, tegenstrijdigheden waarvoor ook de bijkomende interviews van 1999 en 2004 volgens de bestreden beslissing geen verklaring bieden; dat de verzoekende partij ook wat dat betreft een eigen feitelijke beoordeling voorstelt, die bestaat uit het op algemene wijze minimaliseren van tegenstrijdigheden; dat de verzoekende partij met enkel het herhalen van haar beroepsschrift geen motiveringsgebrek aantoont; dat in de bestreden beslissing wel degelijk wordt ingegaan op door de verzoekende partij aangehaalde erkenning van haar ouders in Frankrijk, met name dat zulks “geen bewijs is van de door de verzoekende partij aangehaalde feiten, die haar land vijf jaar voor haar ouders verlaten heeft” en “dat er ook niet uit blijkt dat de discriminatie waarvan personen van Koerdische origine en Yezidi-godsdienst slachtoffer kunnen zijn dermate is dat de hoedanigheid van Koerdische Yezidi het bewijs is van een gegronde vrees voor vervolging”; dat in de bestreden beslissing naar het door de XIV-28.197-3/6 verzoekende partij aangehaalde verslag betreffende de mensenrechten in Georgië wordt verwezen en dat dienaangaande wordt gesteld dat er geen discriminatie uit blijkt waardoor de hoedanigheid van Koerdische Yezidi het bewijs zou vormen van een gegronde vrees voor vervolging; dat daarmee aan de motiveringsplicht als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen is voldaan en dat het eerste middel in die mate ongegrond is; dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in een beoordeling van de feiten te treden en dat het eerste middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de artikelen 1319 en volgende van het Burgerlijk Wetboek betrekking hebben op het bewijs van privaatrechtelijke verbintenissen, zodat niet valt in te zien hoe zij met de bestreden beslissing kunnen zijn geschonden; dat het eerste middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de erkenning van de ouders van de verzoekende partij met een Franse beslissing van 10 april 2006 geen betrekking heeft op de verzoekende partij, die, zoals hoger aangehaald, het land vijf jaar vóór haar ouders is ontvlucht, en evenmin op dezelfde feiten; dat aldus niet over hetzelfde voorwerp noch over dezelfde persoon uitspraak is gedaan, zodat er alleen al om die reden geen sprake kan zijn van de schending van het eventuele gewijsde van de Franse beslissing door de afwijzing van de asielaanvraag met de bestreden beslissing; dat het eerste middel ook in die mate ongegrond is; Overwegende dat in de bestreden beslissing op omstandig gemotiveerde wijze wordt besloten dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat zij de bescher- ming van het land, waarvan zij de nationaliteit bezit, niet kan of wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag; dat ook wordt besloten dat de verzoekende partij geen elementen heeft aangevoerd om te stellen dat zij valt onder de bepalingen van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet met betrekking tot het toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus; dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat zij andere elementen heeft aangevoerd; dat de verwerende partij derhalve met die motivering kon volstaan om ook tot de afwijzing van de in artikel 48/4 van de Vreemdeling- enwet voorziene subsidiaire beschermingsstatus te besluiten; dat het eerste middel ook in die mate ongegrond is; 2.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending van Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende XIV-28.197-4/6 bescherming (hierna “Richtlijn 2004/83") en van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet opwerpt; dat zij aanvoert dat het niet volstaat enkel te motiveren alsof vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag niet zou zijn bewezen, dat vervolging in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet niet noodzakelijk hetzelfde is als in de zin van het Vluchtelingen- verdrag en dat de bestreden beslissing blijkbaar enkel motiveert waarom volkomen ten onrechte geen vluchtelingenstatus wordt toegekend; 2.2. Overwegende dat de verzoekende partij niet aangeeft welke bepaling van Richtlijn 2004/83 zij geschonden acht, daargelaten de vraag naar de rechtstreekse werking van die Richtlijn; dat het tweede middel alleen al om die reden niet-ontvankelijk is; Overwegende dat met betrekking tot de voorgehouden schending van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet naar de bespreking in fine van het eerste middel kan worden verwezen; dat het tweede middel in die mate ongegrond is; 3.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending van “de bewijskracht van een neergelegde akte”, van de artikelen 1319, 1320, 1322 en 1350 van het Burgerlijk Wetboek, van de artikelen 23 en 28 van het gerechtelijk Wetboek en van “het algemeen rechtsbeginsel met diezelfde inhoud dat de bewijskracht en gewijsde van een rechterlijke akte inhoudt”; dat zij andermaal een deel van het eerste middel herhaalt en toevoegt dat ingevolge artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek heel het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is op de procedure voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, dus ook de artikelen 23 en 28 van het Gerechtelijk Wetboek, en dat de bewijskracht van de Franse beslissing tot erkenning als vluchteling van de ouders van de verzoekende partij inhoudt dat ook de verzoekende partij voor volledig gelijkaardige feiten moet worden erkend; 3.2. Overwegende dat, los van de vraag of en in welke mate bepalingen uit het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn op de procedure voor de Vaste Beroepscom- missie voor vluchtelingen, uit de bespreking van het eerste middel reeds blijkt waarom er in casu geen sprake kan zijn van een gewijsde waardoor ook de verzoekende partij, evenals haar ouders met de genoemde Franse beslissing, als vluchteling zou moeten worden erkend; dat het derde middel om die reden op zijn minst ongegrond is; 4. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, XIV-28.197-5/6 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien oktober tweeduizend en zeven, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-28.197-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.917 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div