← België

Arrest 175919 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 19/10/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.919 Rolnummer: A. 180277/XIV-28206 Zaak: Arrest 175919 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 19/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-29 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 03:37 Fiche Arrest nr 175.919 van 19 oktober 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.919 van 19 oktober 2007 in de zaak A. 180.277/XIV-28.206. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat K. HINNEKENS, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Louis Pasteurlaan 24 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 16 januari 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 6 december 2006 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; Gelet op de beschikking nr. 170 van 30 januari 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 19 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 22 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 mei 2007; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. HINNEKENS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat N. LUCAS, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; XIV-28.206-1/5 Gehoord het eensluidend advies van auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 57/11, 57/22 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het motiveringsbe- ginsel, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de rechten van verdediging opwerpt; dat zij een theoretische uiteenzetting over de motiveringsplicht in jurisdictionele zaken geeft en aanvoert dat uit de bestreden beslissing niet duidelijk blijkt waarom de middelen van de verzoekende partij worden verworpen, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich niet als een jurisdictioneel orgaan maar als “een soort super-bestuur” opstelt zonder de aangevoerde middelen te ontmoeten, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen herhaaldelijk stelt dat de antwoorden van de verzoekende partij op de ter zitting gestelde vragen “niet overtuigen”, zonder aan te geven waarom, dat de Tsjetsjeense afkomst van de verzoekende partij niet wordt gewaardeerd in verhouding tot de voorgehouden misleiding of onwaarachtige verklaringen, alhoewel de afkomst zelf voldoende zou kunnen zijn om iemand als politiek vluchteling te erkennen, dat de Tsjetsjeense afkomst in een aantal andere gevallen determinerend bleek, dat het verzwijgen van een asielaanvraag gecombineerd met het gebruik van een vals stuk geen beletsel is voor de erkenning als politiek vluchteling, dat het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenverdrag) een soepele bewijslast vergt, dat er sprake is van een diepgaande breuk met het land van herkomst, dat ook is geoordeeld dat iedere Tsjetjseen waarvan niet vaststaat dat hij tot het pro-Russische overheidsapparaat behoort, wordt geacht te worden vervolgd, dat in de bestreden beslissing enkel en ten onrechte wordt gemotiveerd waarom de verzoekende partij niet als vluchteling wordt erkend en dat de verzoekende partij geen elementen heeft aangebracht waaruit kan worden besloten dat de bepalingen van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet op haar van toepassing zijn, dat blijkbaar geen rekening is gehouden met de Tsjetsjeense afkomst van de verzoekende partij en dat die afkomst als een element zou kunnen gelden om de subsidiaire beschermingsstatus toe te kennen; 1.2. Overwegende dat de verzoekende partij sub a), sub

  1. b)en sub
  2. c)eerst aanvoert dat in de bestreden beslissing niet op alle door haar opgeworpen middelen wordt geantwoord en dat de motivering te vaag is, doch dat zij daarbij niet aangeeft op welke XIV-28.206-2/5 middelen niet zou zijn geantwoord of op welke concrete punten de motivering zou falen; dat het eerste middel in die mate kennelijk niet-ontvankelijk is; Overwegende dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet, zoals het gold op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, betrekking had op de ontvank- elijkheidsfase terwijl de bestreden beslissing betrekking heeft op de al dan niet gegrondheid van de asielaanvraag; dat artikel 57/11 van de Vreemdelingenwet enkel de beroepsmogelijk- heid bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen tegen beslissingen tot weigering van de erkenning als vluchteling door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen aangaf en dat de verzoekende partij niet uiteenzet hoe die bepaling zou zijn geschonden; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen als administratief rechtscollege jurisdictionele beslissingen uitspreekt zodat noch de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, noch artikel 62 van de Vreemdelingenwet, noch de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen op haar beslissingen van toepassing zijn; dat het eerste middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij verder in de uiteenzetting van het middel haar Tsjetsjeense afkomst benadrukt en stelt dat die in aanmerking had moeten worden genomen voor haar erkenning als vluchteling, zoals in een aantal andere zaken zou zijn gebeurd; dat de verzoekende partij daarbij voorbijgaat aan het motief dat de commissaris-generaal terecht ernstige twijfels had aan het beweerde verblijf van de verzoekende partij in Tsjetsjenië tot juli 2005, in essentie omwille van haar gebrekkige kennis over Tsjetsjenië; dat de verzoekende partij op geen enkel van de concrete motieven of vaststellingen ingaat en aldus het motief niet ontkracht dat geen geloof aan haar beweringen over een verblijf in Tsjetsjenië tot 2005 wordt gehecht; dat, in het licht van die motieven, de uiteenzetting over het feit dat andere Tsjetsjenen wel als vluchteling zouden zijn erkend en dat de Tsjetsjeense afkomst op zichzelf al determinerend kan zijn, niet dienstig is, daargelaten de vaststelling dat asielaanvragen individueel worden behandeld, dat de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geen precedentswaarde hebben en dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om zelf in de beoordeling van de feiten te treden; dat het eerste middel in die mate, voor zover ontvankelijk, ongegrond is; Overwegende dat de aanvrager van de subsidiaire beschermingsstatus, met name wat betreft de vraag of hij bij een terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet zou lopen, niet met een verwijzing naar de algemene toestand in het land van herkomst kan volstaan maar XIV-28.206-3/5 dat hij enig verband met zijn persoon aannemelijk moet maken, ook al is daartoe geen bewijs van een individuele bedreiging vereist; dat de verzoekende partij door ongeloofwaardige verklaringen af te leggen betreffende haar voorgehouden verblijf in Tsjetsjenië, zelf het bewijs van dergelijk verband met haar persoon onmogelijk maakt; dat in de bestreden beslissing aldus op wettige wijze op grond van de ongeloofwaardigheid van de verklaringen van de verzoekende partij tot het niet-toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus kon worden besloten; dat het eerste middel in die mate ongegrond is; 2.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending van artikel 1 van het Vluchtelingenverdrag en van de artikelen 48, 49, 50, 52, 57/6 en 63/2 van de Vreemdelingenwet opwerpt; dat zij aanvoert dat haar Tsjetsjeense afkomst niet wordt betwist en dat zij de uiteenzetting uit het eerste middel herhaalt volgens dewelke haar Tsjetsjeense afkomst zou volstaan om als vluchteling te worden erkend; 2.2. Overwegende dat uit de bespreking van het eerste middel sub 1.2. hierboven blijkt dat het door de verzoekende partij voorgehouden verblijf in Tsjetsjenië van 1999 tot haar vlucht in 2005 en haar asielrelaas ongeloofwaardig zijn bevonden en dat de uiteenzetting over de erkenning omwille van de Tsjetsjeense afkomst derhalve niet dienend is; dat die motieven evenmin in het tweede als in het eerste middel worden ontkracht en dat daaraan geen afbreuk wordt gedaan door de verwijzing in het opschrift van het tweede middel naar een hele reeks bepalingen uit de Vreemdelingenwet; dat het tweede middel om dezelfde redenen als het eerste middel ongegrond is; 3.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending van Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna “Richtlijn 2004/83") en van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet opwerpt; dat zij aanvoert dat het niet volstaat enkel te motiveren dat de verzoekende partij ter zitting geen elementen heeft aangevoerd waaruit kan blijken dat de bepalingen van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet op haar van toepassing zijn, dat blijkbaar geen rekening wordt gehouden met de Tsjetsjeense afkomst van de verzoekende partij en dat die afkomst op zijn minst als een element voor de toekenning van de subsidiaire bescherming kan gelden; 3.2. Overwegende dat de verzoekende partij niet aangeeft welke bepaling van Richtlijn 2004/83 zij geschonden acht, daargelaten de vraag naar de rechtstreekse XIV-28.206-4/5 werking van die Richtlijn; dat het derde middel alleen al om die reden in die mate niet- ontvankelijk is; Overwegende dat met betrekking tot de voorgehouden schending van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet naar de bespreking in fine van het eerste middel kan worden verwezen; dat het derde middel in die mate ongegrond is; 4. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien oktober tweeduizend en zeven, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-28.206-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.919 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.