← België

Arrest 175952 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/10/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.952 Rolnummer: A. 79449/X-8271 Zaak: Arrest 175952 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-30 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:38 Fiche Arrest nr 175.952 van 19 oktober 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.952 van 19 oktober 2007 in de zaak A. 79.449/X-

  1. In zake : Yvan BEIRENS, die woonplaats kiest bij advocaat K. VINCKE, kantoor houdende te 8310 BRUGGE, Jan Moritoenstraat 1/bus 7 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BOSSUYT, kantoor houdende te 8310 ASSEBROEK-BRUGGE, Bossuytlaan
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Yvan BEIRENS op 17 juli 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 26 mei 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van zijn beroep tegen het besluit van 25 september 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij hem de vergunning wordt geweigerd voor het uitbreiden van een loods en het bijbouwen van een zoogkoeienstal aan de Loweg te Zuienkerke, op een perceel kadastraal bekend sectie C, nrs. 657/d en 657/e; Gelet op het arrest nr. 154.192 van 26 januari 2006 waarbij de debatten worden heropend en waarbij een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof wordt gesteld; Gelet op het arrest nr. 164.300 van 31 oktober 2006 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; X-8271-1/10 Gelet op de beschikking van 16 januari 2007 die de neerlegging ter griffie van het aanvullend verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het aanvullend verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 26 april 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 1 juni 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. MOUTON, die loco advocaat K. VINCKE verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat J. BOSSUYT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De feiten Overwegende dat de feitelijke omstandigheden van de zaak werden uiteengezet in het arrest nr. 154.192 van 26 januari 2006, waarnaar hierbij wordt verwezen;
  4. Ten gronde Overwegende dat de verzoeker in het tweede middel aanvoert dat de motivering van het bestreden besluit feitelijk onjuist en willekeurig is; dat immers het terrein waar het bedrijf naar toe zou worden geplaatst in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied ligt; dat in toepassing van artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen (hierna: het Inrichtingsbesluit) dit inhoudt dat dit gebied in principe bestemd is voor de landbouw in de ruime zin; dat er geen discussie kan bestaan over het feit dat de X-8271-2/10 geplande bouwwerken rechtstreeks te maken hebben met landbouw in de ruime zin; dat het immers de verplaatsing van een landbouwuitbating betreft; dat artikel 15 van het Inrichtingsbesluit evenwel voorziet dat er in landschappelijk waardevol agrarisch gebied een aantal beperkingen kunnen worden opgelegd met het doel het landschap te beschermen; dat bijgevolg in dit gebied alle handelingen en werken kunnen worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen; dat dit in casu niet het geval is om de volgende redenen: “• de gebouwen hebben rechtstreeks te maken met de uitbating van een landbouwbedrijf en horen dus volledig harmonieus te staan in een agrarisch gebied. • Dienaangaande kan verwezen worden naar het advies van AMINAL dd. 11.09.1996, waar in hoofdzaak volgende punten worden aangegeven: - er wordt een gunstig advies verstrekt voor de voorgestelde bedrijfsinplanting op dat terrein - Het inplanten van de nieuwe bedrijfszetel bij elders gelegen gebruiksgronden is om bestemmings- en andere randvoorwaarden niet logisch - De schikking van de bedrijfsinfrastructuur is aanvaardbaar - Uit het oogpunt van goede landinrichting lijkt het nodig het bedrijf te verschuiven naar de oostzijde in de richting van de beide steenwegen - Fijntjes wordt eraan toegevoegd dat de loods zou moeten afgebroken worden. Opvallend hierbij is dat nergens in het advies wordt gesteld dat de inplanting van de bedrijfszetel de schoonheidswaarde van het landschap in gevaar zou brengen... • Ten onrechte stelt het Ministerieel Besluit dat er in de nabijheid van de betrokken loods helemaal geen bebouwing voorkomt. Zelfs al mocht dit zo zijn, dan nog kan men toch niet zomaar naast de wettelijk geplaatste loods kijken. Ten onrechte wordt daarbij telkenmale gesteld dat de loods gedoogd wordt. Dit is onjuist! Wegens de nietigheid van het KB verkeerde verzoeker in de toestand van het huidig artikel 53 § 2 lid 5 Decreet 22.10.1996 en mocht hij de loods oprichten. Zo het bebouwen van dit terrein dan toch de schoonheid van de streek zou aantasten is het onbegrijpbaar dat er een bouwvergunning op 01.06.1992 werd afgeleverd. Bijgevolg neemt het bestuur een zeer onconsequente houding aan. • de bedrijfskern wordt omringd door een aangepast groenscherm. • De eventuele afbraak van de volgens de wettelijke normen opgerichte loods zou zware schade toebrengen aan de belangen van verzoeker. Niet alleen is dit op financieel vlak zo, maar ook op uitbatingsvlak: gedurende enige tijd zou hij niet over een voor hem zeer belangrijke stal kunnen beschikken, waardoor het vee geen bescherming kan genieten”; dat de verzoeker verder stelt dat er in hetzelfde stedenbouwkundig gebied wel gebouwen werden vergund, na de door hem ingediende aanvraag, waarbij moet worden vastgesteld dat deze gebouwen geen uitstaans hebben met een agrarische X-8271-3/10 uitbating; dat de verzoeker voorts aanvoert dat in zover in het ministerieel besluit wordt gesteld dat de vergunning kan worden geweigerd voor het bouwen op een stuk grond gelegen aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende is uitgerust, geen rekening wordt gehouden met de stukken die werden voorgelegd; dat immers uit een schrijven van Imewo van 25 juli 1995 duidelijk blijkt dat er geen problemen zijn om een elektriciteits- en waternet aan te leggen; dat de verzoeker tenslotte erop wijst dat huidig verzoek tot het overplaatsen van zijn bedrijfszetel van levensbelang is voor hem, zijn gezin en zijn bedrijf, nu de verdere exploitatie in de dorpskern van Houthave duidelijk uitdovend is; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord uitdrukkelijk ontkent dat de aanvraag niet zou gelegen zijn in een uitgesproken gaaf en uiterst waardevol agrarisch open gebied; dat dit volgens haar wordt bevestigd door de door de verzoeker voorgelegde fotoreportage; dat de door de verzoeker aangehaalde voorbeelden zich in de onmiddellijke omgeving van de dorpskern van Houtave bevinden en derhalve niet dienstig door hem kunnen worden ingeroepen; dat bovendien het door de verzoeker voorziene groenscherm erop wijst dat hij ervan uitgaat dat de schoonheidswaarde van het landschap door de ontworpen constructie wordt geschonden of alleszins geschonden dreigt te worden; dat zowel de schaal, de typologie als het materiaalgebruik van de geplande bebouwing niet in overeenstemming zijn met het karakter van dit zeer waardevol landschap; dat het argument van de verzoeker dat het oude in de dorpskern van Houtave gelegen landbouwbedrijf dient te worden geherlokaliseerd geen reden mag zijn om het open-ruimte-gebied naar willekeur aan te snijden en het betreffende landschappelijk waardevol agrarisch gebied fundamenteel te wijzigen; dat het immers de algemeen aanvaarde consensus is dat nieuwe landbouwbedrijfsinplantingen enkel kunnen worden aanvaard in structureel zeer sterk aangetaste landschappelijk waardevolle agrarische gebieden, wat in casu niet het geval is; dat tenslotte de percelen gesitueerd zijn langs een verharde landbouwweg die echter niet voorzien is van nutsleidingen en derhalve onvoldoende uitgerust is; Overwegende dat de verzoeker in zijn memorie van weder- antwoord voorbeelden aanhaalt waaruit de verschillende gebiedsaansnijdingen van het kwestieus landschappelijk waardevol agrarisch gebied blijken; dat voorts de verzoeker stelt dat er recentelijk vergunningen werden afgegeven voor ondermeer een nieuw bedrijf, een zeer grote uitbreiding van een bestaand bedrijf en de bouw X-8271-4/10 van een aardappelloods in voormeld gebied; dat de verzoeker verder repliceert wat volgt: “b. Concluant neemt er akte van dat verweerster aanvoert dat concluant door het aanplanten van een groenscherm rond de bestaande loods zelf het bewijs levert dat de schoonheidswaarde van het landschap door de ontworpen constructie geschonden wordt en dat een verdere aansnijding van het landschap uit den boze is Deze redenering is totaal onbegrijpelijk en wijst erop dat verweerster niet eens de stukken van concluant bekeken heeft. In de bouwvergunning dd. 01.06.1992 voor de op te richten loopstal, voorziet dat er een streekeigen groenscherm uit hoogstammige bomen en laagstammige tussenbeplanting aangelegd moet worden. Concluant heeft enkel en alleen de voorschriften van de bouwvergunning nageleefd. Ook de materialen van de bebouwing werden aangepast. De dakbedekking is in een roodbruine kleur. c. De landbouwuitbating komt aan een landweg te liggen die voldoende verhard en uitgerust is of in de nabije toekomt zal uitgerust worden met de noodzakelijke nutsvoorzieningen. d. Volkomen ten onrechte stelt verweerster dat de voorgestelde bouwplaats landschappelijk te waardevol is, zodat het ontwerp dan ook in strijd is met de wettelijke bepalingen en een goede plaatselijke aanleg. Vooreerst maakt zij op opmerkelijke wijze steeds abstractie van het reeds bestaande en conform de bouwvergunning opgerichte loods, waardoor het landschap er reeds aangesneden is. Hiermee houdt verweerster totaal geen rekening! Het gaat dus niet om een totaal nieuwe aansnijding van het landschap, waar er op heden niets zou staan!!! De voorziene uitbreiding is niet van die orde en grootheid dat zij het landschap wezenlijk aantast. De bebouwing betreft een met het landschap harmonierend landbouwbedrijf dat op verantwoorde wijze wordt ingeplant. Bovendien is de weigering en het gebrek aan motivering totaal in strijd met de omzendbrief van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap dd. 08.07.1997, zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 23 augustus
  5. De minister gaat uit van het principe dat omwille van een landschappelijk waardevol gebied het niet zo mag zijn dat bebouwing in principe wordt geweigerd. Hij stelt dat de toelaatbaarheid van het bouwwerk moet getoetst worden aan een dubbel criterium, te weten of de aanvraag in overeenstemming is met de in de grondkleur aangegeven bestemming van het gebied. Verder moet de aanvraag getoetst worden aan het esthetisch criterium. In artikel 16 van de omzendbrief wordt gesteld dat in de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden in principe dezelfde ordeningsmaatregelen van toepassing zijn als in gewone agrarische gebieden. Dit betekent dat dit gebied bestemd is voor de landbouw in de ruime zin, wat betekent dat landbouw niet restrictief, doch ruim dient te worden opgevat. In casu gaat het zelfs om landbouw in de meest restrictieve zin van het woord, aangezien het een gemengd rundveebedrijf betreft bestemd voor melk- en vleesproduktie. De gebondenheid aan de landbouwgrond is dan ook vaststaande. Voor landschappelijk waardevol agrarisch gebied dient evenwel te worden nagegaan of de betrokken handeling of werk al dan niet dient X-8271-5/10 onderworpen te worden aan bijkomende voorwaarden, zoals gebruikte materialen, aanleg van groenschermen en dergelijke meer. Lectuur van het artikel 16 leert dus dat er in het kwestieus gebeid gebouwen mogen opgericht worden die rechtsreeks verband houden met de landbouwuitbating. Meer zelfs, gezien de overeenstemming met de inkleuring van de bestemming van het gebied, mag de oprichting zelfs niet geweigerd worden, maar kan zij wel aan een aantal bijkomende voorwaarden onderworpen worden teneinde de schoonheidswaarde van het betrokken gebied te garanderen. In fine van het artikel 17.5 van de omzendbrief eindigt de minister met de pertinente woorden: 'Hier zal hoofdzakelijk het probleem gemeld worden te oordelen in hoeverre stedenbouwkundige voorwaarden (zoals gebruikte materialen, gabariet en dergelijke) kunnen opgelegd worden zonder prohibitief te worden voor bedrijfseconomische uitbating. Welnu, huidige weigering van een verdere relatieve uitbouw van een landbouwbedrijf op een plaats waar reeds landbouwgebouwen opgericht zijn, is een pertinent voorbeeld van een prohibitieve houding van verweerster, die hiermee ingaat tegen haar eigen omzendbrief!!! Het is duidelijk dat vanuit landbouwkundig standpunt de verdere uitbouw van het landbouwbedrijf meer dan verantwoord is, gezien de penibele toestand waarin het bestaande bedrijf van concluant, gelegen in de dorpskern van Houtave, zich bevindt. Het is er als het ware ten dode opgeschreven. Het heeft er geen uitbreidingsmogelijkheden en de praktische toegang tot het bedrijf wordt volkomen belemmerd door de heraanleg van de dorpskern. Ook vanuit ecologisch standpunt is een langere bedrijfsvoering minder en minder verantwoord op die plaats. Vandaar dat Aminal in haar advies dd, 11.09.1996 in hoofdzaak positief was. Aminal achtte trouwens de inplanting van een nieuwe bedrijfszetel bij elders gelegen gebruiksgronden niet logisch omwille van bestemmings- en andere randvoorwaarden. Verweerster stelt dan zonder enige motivering dat de algemeen aanvaarde consensus is dat nieuwe landbouwbedrijfsinplantingen enkel kunnen aanvaard worden in structureel sterk aangetaste landschappelijk weinig waardevolle agrarische gebieden. Welnu, in sterk aangetaste en dichtbebouwde gebieden is het zowat onbegonnen werk om nog een nieuwe bedrijfsinplanting te kunnen realiseren. Dit niet zozeer vanuit stedebouwkundig oogpunt, dan wel vanuit ecologisch oogpunt, waar de milieunormen verhinderend optreden. Het is niet voldoende een landbouwbedrijf op te richten, men moet nog de toestemming krijgen om het ui te baten. Bovendien wenst verzoeker er andermaal op te wijzen dat concluant geen inplanting voorziet op een bedrijf dat nog niet is aangesneden. Op de plaats staat reeds een grote loods die als loopstal dient voor runderen. Van een beperkte bebouwing is dan ook geen sprake. Tenslotte wenst verzoeker er op te wijzen dat de materiaalkeuze en inplanting en aanplanting van een groenscherm maakt dat de oprichting van de voorziene gebouwen volkomen verantwoord is. In zijn omzendbrief stelt de minister trouwens dat wat de te gebruiken materialen betreft, bepaalde materialen die courant gebruikt worden in de industriële bouw in principe niet uitgesloten zijn. (vb prefab-elementen op basis van beton, grote elementen voor dak- bedekking en dergelijke) Uit al deze gegevens blijkt dat de weigering van de bouwvergunning volstrekt ongegrond is”; X-8271-6/10 Overwegende dat de verzoeker in zijn laatste memorie o.m. repliceert dat in het gebied dat door de verwerende partij wordt omschreven als “een uitgesproken gaaf en landschappelijk uiterst waardevol open gebied” de laatste jaren nog vergunningen werden verleend; dat de verzoeker voorts verwijst naar de beoordeling in het kader van een stedenbouwkundig attest voor een perceel waarvan hij eigenaar is, en dat in de onmiddellijke omgeving is gelegen en waarbij de toestand wordt omschreven als dat “de open ruimte (er) is (...) aangetast”; dat derhalve de overheid de plaatselijke toestand niet correct heeft vastgesteld; dat de verzoeker voorts stelt dat in het betreffende gebied verschillende gebouwen aanwezig zijn, waarvan sommige onlangs werden vergund, en derhalve moet worden vastgesteld dat het principe van het “open gebied” blijkbaar niet altijd wordt gerespecteerd; dat bijgevolg de motivering van de bestreden beslissing onjuist en willekeurig is, terwijl een afdoende motivering duidelijk, juist en pertinent dient te zijn; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie niets wezenlijks toevoegt aan hetgeen zij reeds heeft uiteengezet; Overwegende dat de verzoeker met het middel kritiek levert op de overweging in het bestreden besluit waarin, na gewezen te hebben op het feit dat de op dit perceel aanwezige loopstal werd opgericht in toepassing van de bepalingen van artikel 53, § 2, 5/ lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: Coördinatiedecreet) en op het feit dat het perceel volgens het gewestplan Brugge-Oostkust gelegen is in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, gesteld wordt : “Overwegende dat de aanvraag gesitueerd is in een open poldergebied; dat appellant aan de hand van een fotoreportage tracht aan te tonen dat het landschappelijk waardevol agrarisch gebied reeds op verschillende plaatsen werd aangesneden; dat de aangehaalde voorbeelden zich situeren in de onmiddellijke omgeving van de dorpskern van Houtave, gelegen in het landelijk woongebied, langs de Oostendse Steenweg, het kanaal Gent-Brugge- Oostende; dat het dichtsbij gelegen voorbeeld op 750m gesitueerd is, het verste circa 4 km; dat in de onmiddellijke omgeving van betrokken perceel het evenwel een relatief open, homogeen landschap betreft; Overwegende dat in nabijheid van betrokken loods helemaal geen bebouwing voorkomt; dat de aanwezigheid van de loopstal in kwestie op zich, niet mag inhouden dat het perceel verder zonder meer mag bebouwd worden; dat elke bouwaanvraag; ook deze die de uitbreiding van een bestaande toestand voorziet, immers moet getoetst worden aan de geldende bestemmingsvoorschriften en aan een goede plaatselijke aanleg; dat indien de uitbreiding van het bestaande gebouw wordt gerealiseerd, ondanks de aanwezigheid van het voorziene groenscherm, het open gebied verder zal X-8271-7/10 worden aangesneden; dat in dit open polderlandschap dit uit ruimtelijk oogpunt onaanvaardbaar is; dat een dergelijk project stedenbouwkundig aldus onaanvaardbaar is en de plaatselijke aanleg niet ten goede zal komen; Overwegende dat het perceel in kwestie bovendien gesitueerd is langs een verharde weg die echter niet voorzien is van nutsleidingen; dat in artikel 48 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 onder meer wordt gesteld dat de vergunning kan worden geweigerd voor het bouwen op een stuk grond, gelegen aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende is uitgerust, wat hier het geval is; Overwegende dat de aanvraag niet voor vergunning vatbaar is”; Overwegende dat artikel 11, 4.1 van het Inrichtingsbesluit bepaalt : “De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft (...)”; dat artikel 15, 4.6.1 van hetzelfde besluit bepaalt : “De landschappelijke waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen”; dat uit de samenlezing van artikel 11, 4.1 en artikel 15, 4.6.1 volgt dat de toelaatbaarheid van bouwwerken in landschappelijk waardevolle agrarische gebieden op grond van een tweevoudig criterium moet worden getoetst : 1) een planologisch, hetwelk veronderstelt dat de overheid nagaat of de te vergunnen werken in overeenstemming zijn met de bestemming agrarisch gebied, en 2) een esthetisch, hetwelk inhoudt dat bedoelde werken moeten kunnen worden overeengebracht met de eisen ter vrijwaring van het landschap; Overwegende dat, wat het eerste criterium betreft, de partijen niet betwisten dat het betrokken perceel volgens het gewestplan Brugge-Oostkust gelegen is in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, waarvoor de bestemmingsvoorschriften vastgesteld in de artikelen 11, 4.1 en 15, 4.6.1 van het Inrichtingsbesluit gelden; dat wat het tweede criterium betreft, het te dezen de Raad X-8271-8/10 van State niet toekomt zijn beoordeling van de bestaanbaarheid van het bouwproject met de schoonheidswaarde van het betrokken gebied in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid; dat hij wel tot opdracht heeft aan de hand van de concrete gegevens van de zaak na te gaan of de overheid de feiten waarop zij haar beoordeling heeft gesteund correct heeft vastgesteld en of zij op grond van die feiten in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de te vergunnen bouwwerken de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen; Overwegende dat de door een gewestplan aan een bepaald gebied gegeven bestemming ook op de toekomst is gericht, zeker wanneer die bestemming zoals te dezen uitdrukkelijk ertoe strekt de specifieke landschappelijke waarde van het gebied te vrijwaren en zelfs te ontwikkelen; dat derhalve de argumentatie van de verzoeker dat het betrokken gebied reeds door bestaande constructies is aangetast geen reden kan zijn om het landschap aldaar nog verder aan te tasten; dat de vraag of het betrokken gebied al dan niet een “uitgesproken gaaf en landschappelijk uiterst waardevol open gebied” is zoals in het bestreden besluit wordt gesteld, ter zake niet relevant is; dat met na het bestreden besluit verleende vergunningen geen rekening kan worden gehouden; dat de verzoeker geen afdoende argumenten bijbrengt waaruit kan blijken dat de beoordeling met betrekking tot de bestaanbaarheid van het bouwproject met de schoonheidswaarde van het betrokken gebied door de bevoegde administratieve overheid kennelijk onredelijk zou zijn; dat de argumentatie van de verzoeker dat de overplaatsing van het bedrijf van levensbelang is voor hem en zijn gezin aan het voorgaande geen afbreuk doet; dat tenslotte de kritiek van de verzoeker op de overweging in het bestreden besluit aangaande het niet voldoende uitgerust zijn van de weg, betrekking heeft op een overtollig motief van het bestreden besluit en derhalve niet dienend kan worden ingeroepen; dat immers uit hetgeen voorafgaat blijkt dat het bestreden besluit de aanvraag in hoofdzaak heeft geweigerd omwille van de reden dat de aanvraag niet voldoet aan het esthetisch criterium; dat dit motief volstaat om de weigering van de stedenbouwkundige vergunning te verantwoorden; dat het tweede middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  6. Het beroep wordt verworpen. X-8271-9/10 Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien oktober 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, door de voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de heer D. MOONS, staatsraad, verhinderd wegens ziekte na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad; Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-8271-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.952 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.192 ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.300 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.