id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.003 Rolnummer: A. 65025/IX-1630 Zaak: Arrest 176003 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 22/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-14 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-30 03:53 Versie(s): Vertaling FR Fiche Arrest nr 176.003 van 22 oktober 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.003 van 22 oktober 2007 in de zaak A. 65.025/IX-1630 In zake : Urbain BRUGGEMAN, wonende te SINT-NIKLAAS, Damstraat 13 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Mobiliteit. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Urbain BRUGGEMAN op 7 augustus 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 23 januari 1995 waarbij Marie-Claire ROBIJNS met ingang van 1 december 1994 wordt bevorderd tot de graad van adviseur (rang 13) in het Nederlandse taalkader bij het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur; Gelet op het arrest nr. 59.068 van 15 april 1996 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste-auditeur F. GEENS; Gelet op de beschikking van 24 februari 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-1630-1/7 Gelet op de beschikking van 6 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 oktober 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van de verzoeker, en van adviseur L. CLOET die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Over de gegevens van de zaak 1.
- Bij dienstnota's van 11 juli 1994 worden aan het personeel van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur de vacatures bekendgemaakt van twee betrekkingen van adviseur respectievelijk bij het Bestuur van het Vervoer te Land en bij het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur, en van zeven betrekkingen van directeur, respectievelijk vier bij de Algemene Diensten, één bij het Bestuur van de Maritieme Zaken en van de Scheepvaart en twee bij het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur. 1.
- Zowel de verzoeker, adjunct-adviseur - hoofd van dienst bij het Centraal Bureau voor Benodigdheden van het Ministerie van Verkeer en Infrastruc- tuur, als Marie-Claire ROBIJNS dienen hun kandidatuur in voor de betrekkingen van adviseur en van directeur. 1.
- Tijdens zijn vergadering van 2 september 1994 onderzoekt de directieraad de ingediende kandidaturen -een vijftigtal- en beslist hij onder meer om, na vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten en op grond van een profielbeschrijving voor elke te begeven functie, Beatrice DE FEYTER, Claudine BALEUX, Philippe COLPAERT en Marleen VAN AVONDT in die volgorde van rangschikking voor te dragen voor benoeming tot adviseur bij het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur. De verzoeker wordt voor geen enkele benoeming voorgesteld. Marie-Claire ROBIJNS wordt voorgesteld voor IX-1630-2/7 benoeming tot directeur bij het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur, als vierde kandidaat. 1.
- Bij bericht van 12 september 1994 worden de bevorderingsvoorstellen ter kennis gebracht van het personeel. 1.
- De bezwaarschriften tegen de bevorderingsvoorstellen, waaronder die van de verzoeker, worden door de directieraad onderzocht in zijn vergadering van 4 oktober
- De directieraad beslist unaniem dat de bezwaren van de verzoeker geen enkel nieuw element bijbrengen dat de klassering van de kandidaten kan wijzigen. 1.
- Bij koninklijk besluit van 23 januari 1995 wordt Marie-Claire ROBIJNS met ingang van 1 december 1994 bevorderd tot de graad van adviseur in het Nederlandse taalkader bij het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur. 1.
- De bestreden bevordering wordt bij dienstnota van 1 maart 1995 bekendgemaakt aan het personeel van de verschillende besturen van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur. Het genoemde koninklijk besluit van 23 januari 1995 wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 juni
- 1.
- De verzoeker wordt bij ministerieel besluit van 24 oktober 1995 per 1 januari 1996 naar het Ministerie van Ambtenarenzaken overgeheveld, met toepassing van artikel 3, § 2, 2/, van het koninklijk besluit van 19 september 1994 houdende oprichting, organisatie en vastlegging van de personeelsformatie van het Ministerie van Ambtenarenzaken. Dit geschiedt ingevolge de overheveling van het Centraal Bureau voor Benodigdheden (thans het Federaal Aankoopbureau) naar het geherstructureerd departement van Ambtenarenzaken. Bij koninklijk besluit van 4 april 2003 wordt de verzoeker met ingang van 1 mei 2003 bevorderd tot de graad van adviseur bij de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie. IX-1630-3/7 Over de ontvankelijkheid van het beroep 2.
- Overwegende dat de verwerende partij aanvoert dat met toepassing van artikel 1 van het ministerieel besluit van 24 oktober 1995 houdende de aanduiding van de personeelsleden die belast zijn met de bevoegdheden van het Centraal Bureau voor Benodigdheden, onder meer de verzoeker met deze bevoegdheden wordt belast; dat het Centraal Bureau (of de Centrale Dienst) voor Benodigdheden, met toepassing van artikel 3, § 2, 2/, van het voornoemde koninklijk besluit van 19 september 1994, op 1 januari 1996 naar het nieuwe Ministerie van Ambtenarenzaken wordt overgeheveld; dat naast het feit van de overheveling van de dienst zelf op 1 januari 1996, er tevens het vaststaand gegeven is van de overheveling van de verzoeker, bij ministerieel besluit van 24 oktober 1995 genomen met toepassing van artikel 4 van het meergenoemd koninklijk besluit van 19 september 1994; dat de uitzondering op de overheveling van het Centraal Bureau voor Benodigdheden met betrekking tot de dienst die belast is met het leveren van de uitrusting van de gemeentelijke politiekorpsen, van het materieel voor de civiele bescherming en het brandweermaterieel, vermeld in art. 3, § 2, 2/, niet van toepassing is op de verzoeker; dat de ambtshalve overheveling van de verzoeker krachtens artikel 4 van vermeld koninklijk besluit op 1 januari 1996 naar het nieuwe Ministerie van Ambtenarenzaken, en het feit dat deze beslissing reeds in werking getreden is, de verzoeker zijn rechtens vereiste belang ontnemen; dat hij door deze ambtshalve overheveling definitief geen voordeel meer kan verwachten uit de eventuele vernietiging van het bestreden bevorderingsbesluit; dat hij zich niet kan beroepen op enige rechtsregel volgens dewelke het hem verlenen van de bestreden benoeming het voorwerp zou uitmaken van een gebonden bevoegdheid; dat ongeacht de eventuele gegrondheid van de middelen van de verzoeker, het niet in de mogelijkheden ligt van de Raad van State om aan de administratieve overheid een nieuwe vacature voor de betrekking op te leggen en een nieuwe bevorderingsprocedure op te starten; dat de bevordering van de tussenkomende partij inderdaad een benoeming naar keuze is; dat de verzoeker aldus het rechtens vereiste belang niet meer heeft zodat niet is voldaan aan een ontvankelijkheidsvereiste voor het ingestelde beroep; 2.
- Overwegende dat de verzoeker hierop in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat slechts op het ogenblik van de definitieve behandeling van onderhavig dossier door de Raad van State in het raam van het verzoek tot nietigverklaring, dient vastgesteld of hij al dan niet zijn belang in deze zaak verloren IX-1630-4/7 heeft; dat het nog steeds mogelijk is dat hij door een overplaatsing of door een verschuiving van diensten van het ene naar het andere federaal ministerieel departement, een belang zal hebben teruggewonnen; dat het niet denkbeeldig is dat in het raam van het herschikken van diensten binnen de federale ministeries, de betrekking van adviseur, die Marie-Claire ROBIJNS bekleedt, deel zal uitmaken van het departement waartoe de verzoeker op dat ogenblik zal behoren, zodat hij wel degelijk belang zou hebben bij de nietigverklaring van de bevordering tot de graad van adviseur van Marie-Claire ROBIJNS; dat, nog steeds volgens de verzoeker, niet kan worden ontkend dat de federale ministeries steeds in beweging zijn en dat de mogelijkheid van hoger genoemde hypothese reëel is; dat hij bovendien opmerkt dat de verwerende partij nooit de gelegenheid heeft gegeven om zijn voorkeur kenbaar te maken; dat de verwerende partij de problematiek inzake de overheveling "ambtshalve" heeft geregeld en dus de gelegenheid had om ervoor te zorgen dat door de ambtshalve overheveling naar het Ministerie van Ambtenarenzaken de verzoeker wellicht zijn belang zou verliezen; Overwegende dat de verzoeker vraagt dat, indien hij ingevolge de ambtshalve overheveling naar het Ministerie van Ambtenarenzaken zijn belang zou hebben verloren, de gerechtskosten ten laste gelegd zouden worden van de verwerende partij; dat hij immers, wegens het ambtshalve karakter van zijn overheveling en omdat het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur hem niet de gelegenheid heeft geboden om te opteren tussen het nieuwe Ministerie van Ambtenarenzaken en een andere dienst van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur, geen enkele verantwoordelijkheid of inspraak heeft gehad bij zijn overheveling; dat de verzoeker in het raam van dit verzoek tevens opmerkt dat een aantal personen van het Centraal Bureau voor Benodigdheden niet "ambtshalve" werden overgeheveld naar het Ministerie van Ambtenarenzaken doordat, wegens de verplichte afslanking van het personeelseffectief van het Centraal Bureau, een aantal personen moesten worden afgestoten; dat naast die personen die ambtshalve werden geaffecteerd naar een ander bestuur van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur doordat hun graad niet meer voorkwam op het vooropgestelde organieke kader van het Federaal Aankoopbureau (ambtenaren houder van de graad van hoofdingenieur-directeur en eerste adviseur), nog een aantal personen willekeurig door het Centraal Bureau voor Benodigdheden werden afgestoten; dat de verzoeker tenslotte argumenteert dat hij op het kader van het Centraal Bureau in overal was en de verwerende partij niet de kans heeft benut om hem te bestemmen voor een ander bestuur van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur; IX-1630-5/7 2.
- Overwegende dat verzoekers overheveling met ingang van 1 januari 1996 naar het nieuwe Ministerie van Ambtenarenzaken definitief is; dat zij immers door hem niet bestreden is; dat met de verwerende partij wordt aangenomen dat de verzoeker als gevolg van en sedert de overheveling niet meer in concurrentie kan komen met ambtenaren van de federale overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer; dat verzoekers actuele belang bijgevolg teloor gegaan is; Overwegende dat de verzoeker in zijn laatste memorie nog wijst op het morele belang dat hij, ondanks zijn overheveling, behouden zou hebben; dat, daargelaten de vaststelling dat de verzoeker zich niet eerder op een dergelijk belang heeft beroepen, hij in elk geval niet concreet aangeeft waarin dat morele belang nog zou bestaan; Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat het beroep onontvankelijk is geworden; dat de exceptie gegrond is;
- Overwegende dat, aangezien het teloorgaan van het belang het gevolg is van maatregelen die door de verwerende partij zijn genomen, het past die partij te verwijzen in de kosten. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-1630-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 22 oktober 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1630-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.003 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1996:ARR.59.068 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div