id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.050 Rolnummer: A. 135986/X-11401 Zaak: Arrest 176050 - Huisvesting - 23/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-06 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:42 Fiche Arrest nr 176.050 van 23 oktober 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Huisvesting Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.050 van 23 oktober 2007 in de zaak A. 135.986/X-11.
- In zake : Bernice BEERNAERT, die woonplaats kiest bij advocaten I. LARMUSEAU, P. DESMEDT en B. ROELANDTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kasteellaan 141 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat G. LAMBERT, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, Elisabethlaan
- tussenkomende partij : de stad OUDENAARDE. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Bernice BEERNAERT op 28 april 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 5 februari 2003 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken waarbij aan de stad Oudenaarde machtiging tot onteigening wordt verleend in toepassing van de spoedprocedure voor de verwerving van gronden gelegen te Oudenaarde, bestemd voor de realisatie van de sociale verkaveling ‘Dorre Wei’; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 25 juni 2003 ingediend door de stad Oudenaarde; Gelet op de beschikking van 8 juli 2003 die de tussenkomst van de stad Oudenaarde toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; X-11.401-1/7 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 18 oktober 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 maart 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 30 maart 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. HERTEGONNE, die loco advocaat I. LARMUSEAU verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat K. LARDENOIT, die loco advocaat G. LAMBERT verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat W. CHEYNS, die loco advocaat Y. VAN COILLIE verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat bij besluit van 5 februari 2003 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken, de stad Oudenaarde gemachtigd wordt “tot het verwerven, bij wege van onteigening tot nut van het algemeen, van gronden, met een totale oppervlakte van 1 ha 47 a 51 ca gelegen in Oudenaarde er kadastraal bekend zoals vermeld in genoemd besluit, met het oog op de realisatie van de sociale verkaveling ‘Dorre Wei’”; dat hetzelfde besluit verklaart dat “de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden, bepaald bij artikel 5 van de wet van 26 juli 1962, op dezelfde onteigening mag worden toegepast”; dat de verzoekster op het ogenblik van het instellen van het beroep eigenares is van de percelen kadastraal bekend sectie A, nrs. 126/c, 126/d en 153/g, begrepen in de onteigening; X-11.401-2/7 Overwegende dat de verzoekster ten verzoeke van de stad Oudenaarde op 10 juni 2003 werd gedagvaard om te verschijnen op 19 juni 2003 voor de vrederechter van het gerechtelijk kanton Oudenaarde-Kruishoutem; Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst opwerpt dat “de algemene bevoegdheid om akten en reglementen van administratieve overheden te vernietigen uitgesloten is wanneer een specifiek gerechtelijk beroep tegen een bepaalde bestuurshandeling is georganiseerd, en meer bepaald, zoals dit ter zake het geval is, zelfs wanneer de specifieke rechter wordt geadieerd nadat voor uw Raad een vordering tot nietigverklaring van het bestreden besluit is ingesteld”; Overwegende dat de verzoekster repliceert wat volgt : “(...) De verzoekende partij is bekend met de rechtspraak van uw Raad en van het Arbitragehof (zie bvb. Arbitragehof, nr. 51/95, 22 juni 1995, R.W., 1995-96, 391), waarin wordt geoordeeld dat de Raad van State zich onbevoegd dient te verklaren om zich verder uit te spreken over het annulatieberoep tegen een onteigeningsbeslissing, van zodra de getroffen eigenaar wordt gedagvaard om voor de Vrederechter te verschijnen, dit op grond van de overweging dat de legaliteitscontrole op de onteigeningsbeslissing door de Vrederechter op een gelijkwaardige wijze gebeurt als door de Raad van State. De verzoekende partij durft die redengeving toch in vraag te stellen. Immers, in casu gaat het om een onteigening bij hoogdringende omstandigheden, dit op basis van de wet van 26 juli
- In artikel 7, lid 2 van deze wet is bepaald dat de Vrederechter binnen 48 uur na de eerste verschijning (ter plaatse) een uitspraak dient te doen over de tegen de onteigeningsbeslissing aangevoerde excepties, excepties die eveneens het voorwerp uitmaken van onderhavige annulatieprocedure voor de Raad van State. Anderzijds bepaalt artikel 8 dat deze legaliteitscontrole in het provisioneel vonnis van de Vrederechter ook niet vatbaar is voor beroep. Naar het oordeel van de verzoekende partij kan deze wettelijke beperking van de beslissingstermijn, termijn die vergelijkbaar is met de UDN-procedure voor de Raad van State, waaromtrent steeds wordt geoordeeld dat de rechten van de verdediging tot het absolute minimum worden herleid, slechts tot een eerste oppervlakkige, prima facie-beoordeling leiden. Anders gezegd : de beoordelingstermijn is dermate kort en het tegensprekelijk debat zodanig beperkt, dat de gevraagde legaliteitscontrole waartoe de Vrederechter in deze specifieke procedure wordt geroepen, niet als gelijkwaardig kan worden beschouwd aan de legaliteitscontrole door de Raad van State, nu het verloop en de regeling van de annulatieprocedure voor de Raad van State precies garant staat voor een gedegen en grondiger beoordeling van de wettigheid van het onteigeningsbesluit. Nog anders gezegd : het kwaliteitsverschil in de beoordeling van de wettigheid van het onteigeningsbesluit door de Vrederechter steekt alleen al omwille van deze specifieke hoogdringendheidsprocedure (uitspraak binnen 48 uur, na inleiding van een onteigeningsprocedure nadat reeds 30 jaar voor het betrokken perceel onteigeningsplannen bestaan, sic) X-11.401-3/7 noodgedwongen schril af tegen wat van een beoordeling, na een grondig debat, door de Raad van State mag worden verwacht. De verzoekende partij wordt derhalve een rechtsbescherming (voor de Raad van State) ontnomen die haar nochtans grondwettelijk is toegekend (zie artikel 13 (juncto) artikel 160 van de Grondwet). Daarom wordt aan de Raad van State gevraagd zich wél verder bevoegd te verklaren, derwijze dat de verzoekende partij kan bogen op een volwaardige wettigheidscontrole van het door haar bestreden onteigeningsbesluit. Minstens wordt de Raad verzocht hieromtrent aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen, in de zin zoals voorgesteld in het beschikkend gedeelte van huidige memorie”; dat de verzoekster niet betwist dat, ingevolge het inzetten van de gerechtelijke onteigeningsprocedure, de Raad van State volgens zijn vaste rechtspraak niet meer bevoegd is om kennis te nemen van het annulatieberoep, ook al werd het annulatieberoep voorafgaandelijk ingesteld; dat zij niettemin de Raad van State verzoekt aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: “Schendt artikel 7, lid 2 en artikel 8, lid 2 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigeningen ten algemene nutte het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (juncto) de regels in verband met de grondwettelijk gewaarborgde rechtsbescherming en toegang tot de Raad van State zoals vervat in de artikelen 13, resp. 160 van de Grondwet en de artikelen 6, § 1 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, doordat een onteigende, die wordt geconfronteerd met een geheel eenzijdig en willekeurig door de onteigenaar in de tijd genomen beslissing om de inleiding van een onteigeningsvordering bij hoogdringende omstandigheden als bedoeld in de wet van 26 juli 1962 voor de Vrederechter in te leiden, alleen al omwille van de specifieke aard van de in deze wet opgenomen procedureregeling (uitspraak door de Vrederechter binnen 48 uur na verschijning van partijen (art. 7, lid 2) en het gebrek aan onmiddellijke beroepsmogelijkheden, i.e. vóór de inbezitneming van het onteigende goed (art. 8, lid 2)) de bescherming van zijn rechten en aanspraken per definitie beperkt ziet tot een prima facie-beoordeling van het onteigeningsbesluit door de Vrederechter en aldus verstoken blijft van een onderwerping - met toepassing van artikel 14 van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State - aan een grondige legaliteitscontrole door de Raad van State, die voor dergelijke vorderingen als natuurlijke rechter door de Grondwetgever is aangewezen, terwijl wél van die volle grondwettelijk gewaarborgde rechtsbescherming voor de Raad van State kan worden genoten indien de onteigenaar (willekeurig) beslist de onteigeningsvordering niet in te leiden vooraleer omtrent de legaliteit van de onteigeningsbeslissing door de administratieve rechter is beslist”; Overwegende dat krachtens artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State ieder die van een belang doet blijken een beroep tot nietigverklaring kan instellen tegen “de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden”; dat die algemene bevoegdheid van de Raad van State X-11.401-4/7 uitgesloten is wanneer een specifiek gerechtelijk beroep tegen een bepaalde bestuurshandeling is georganiseerd; dat krachtens de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte de vrederechter, wanneer de onteigenaar de vordering tot onteigening bij hem heeft ingeleid, als opdracht heeft de voor de onteigening vereiste besluiten van de onteigenende overheid zowel op hun interne als op hun externe wettigheid te toetsen; dat die bevoegdheid van de gewone rechter de bevoegdheid van de Raad van State uitsluit om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring van die handelingen, indien dat beroep is ingesteld door de onteigende of door een belanghebbende derde, als bedoeld in artikel 6 van de wet van 26 juli 1962; dat die bevoegdheidsuitsluiting geldt vanaf de dagvaarding om voor de gewone rechter te verschijnen en ten aanzien van de personen die tot die procedure toegang hebben; dat zij ook geldt voor het beroep tot nietigverklaring dat bij de Raad van State is ingesteld vooraleer de vrederechter werd geadieerd; dat uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat dit te dezen het geval is; dat de door de tussenkomende partij opgeworpen exceptie gegrond is; dat de Raad van State niet langer bevoegd is om kennis te nemen van het beroep tot nietigverklaring; dat het beroep niet ontvankelijk is; dat het in die omstandigheden past de kosten van het beroep ten laste van de verwerende partij te leggen; Overwegende dat op het verzoek tot het stellen van voormelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof niet moet worden ingegaan; dat immers krachtens artikel 26, § 2, derde lid van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het betrokken rechtscollege niet gehouden is een prejudiciële vraag te stellen, wanneer de uitspraak van het betrokken rechtscollege vatbaar is voor hoger beroep, verzet, voorziening in cassatie of beroep tot vernietiging bij de Raad van State, doch enkel wanneer het Grondwettelijk Hof een vraag met hetzelfde onderwerp reeds heeft beantwoord, het antwoord niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen of de betrokken grondwetsbepalingen klaarblijkelijk niet geschonden worden; dat te dezen de Raad van State bij zijn uitspraak niet gehouden is de prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, aangezien die prejudiciële vraag zijn rechtsmacht betreft en zijn beslissing hierover vatbaar is voor een voorziening in cassatie overeenkomstig artikel 158 van de Grondwet en de artikelen 33 en 34 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, en de betrokken grondwetsbepalingen klaarblijkelijk niet geschonden worden; dat immers o.m. in de arresten 75/93 van 27 oktober 1993, 9/98 van 11 februari 1998 en 68/2002 van 28 maart 2002 van het Grondwettelijk Hof dit Hof voor recht X-11.401-5/7 heeft gezegd dat de artikelen 6 en 6bis van de Grondwet niet worden geschonden door de artikelen 3, 6, 7, 8 en 16, tweede lid van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, noch door de artikelen 14 en 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State “doordat de belanghebbende derden de nietigverklaring van een onteigeningsbesluit kunnen vorderen bij de Raad van State, terwijl de onteigende de onwettigheid van het besluit alleen maar bij exceptie mag opwerpen nadat de gerechtelijke procedure tot onteigening is ingesteld, en doordat bovendien, als de vordering van de derde met succes wordt bekroond, de onteigende op zijn beurt in herziening of in hoger beroep de vaststelling van de onwettigheid van de onteigening zal kunnen verkrijgen, terwijl hij die niet kan verkrijgen bij de Raad van State”; dat de prejudiciële vraag die de verzoekster gesteld wil zien bovendien inhoudelijk dezelfde rechtsvraag aan de orde stelt als deze die reeds werd beantwoord in de arresten 75/93, 9/98 en 68/2002; dat, ingevolge artikel 26, § 2, 2/ van de bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof de Raad van State er ook niet toe gehouden is een prejudiciële vraag te stellen wanneer dit Hof reeds uitspraak heeft gedaan over een vraag of een beroep met een identiek voorwerp, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-11.401-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig oktober 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, door de voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de heer D. MOONS, staatsraad, verhinderd wegens ziekte na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad; Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-11.401-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.050 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div