← België

Arrest 176053 - Plannen van aanleg - 23/10/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.053 Rolnummer: A. 50981/X-8333 Zaak: Arrest 176053 - Plannen van aanleg - 23/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-05 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:42 Fiche Arrest nr 176.053 van 23 oktober 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.053 van 23 oktober 2007 in de zaak A. 50.981/X-8333. In zake : 1. Rik VANDECAPELLE, 2. de b.v.b.a. ARDO, 3. de v.z.w. DISTRIBUTIEMACHT, die woonplaats kiezen bij advocaat W. CARPELS, kantoor houdende te 2970 SCHILDE, Kasteeldreef 125 tegen : 1. de gemeente ARDOOIE, die woonplaats kiest bij advocaat J. BOSSUYT, kantoor houdende te 8310 ASSEBROEK-BRUGGE 3, Bossuytlaan 35, 2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. TAELMAN, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rik VANDECAPELLE, de b.v.b.a. ARDO en de v.z.w. DISTRIBUTIEMACHT op 24 maart 1993 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 10 juli 1991 van de gemeenschapsminister van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting houdende goedkeuring van het gewijzigd bijzonder plan van aanleg nr. 4 “Uitbreiding Noord- West Watervalstraat II - gedeeltelijke wijziging” van de gemeente Ardooie en van het daaraan voorafgaand besluit van 4 maart 1991 van de gemeenteraad van de gemeente Ardooie houdende definitieve aanvaarding van dit bijzonder plan van aanleg; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; X-8333-1/12 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd J. HUBREGTSEN; Gelet op de beschikking van 9 september 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 28 februari 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 23 maart 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J BOSSUYT, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat T. DE KETELAERE, die loco advocaat P. TAELMAN verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat het gebied Noord-West Watervalstraat II volgens het gewestplan Roeselare-Tielt, vastgesteld bij koninklijk besluit van 17 december 1979, gelegen is in woongebied en volgens het bijzonder plan van aanleg “Watervalstraat II”, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 11 april 1969, gelegen is in een zone bestemd voor half-open bebouwing, lichte huisnijverheid, koeren en hovingen; Overwegende dat de wijziging van het bijzonder plan van aanleg “Watervalstraat II” bij beslissing van 1 oktober 1990 van de gemeenteraad van de gemeente Ardooie voorlopig wordt vastgesteld; dat op 4 maart 1991 het bijzonder plan van aanleg definitief wordt aangenomen; dat dit de tweede bestreden beslissing is; dat dit plan op 10 juli 1991 door de gemeenschapsminister van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting wordt goedgekeurd; dat dit de eerste bestreden beslissing is; X-8333-2/12 Overwegende dat de verzoekende partijen met betrekking tot de ontvankelijkheid ratione temporis van hun vordering, het volgende uiteenzetten: “Eerste verzoeker bekwam, in antwoord op zijn vraag bij aangetekend schrijven van 7.01.1993, gericht aan de Gemeente Ardooie, bij brief van het Schepencollege van 13.01.1993 de toelating tot inzage van het notulenboek van de Gemeenteraad te Ardooie, conform art. 102 van de nieuwe Gemeentewet. Op 25.01.1993 nam eerste verzoeker kennis van zowel de eerste beslissing van de Gemeenteraad dd. 4.03.1991, de tweede (de eerste overplakkende) beslissing van de Gemeenteraad te Ardooie van zelfde datum, alsmede van de beslissing van de Gemeenteraad dd. 3.06.1991, houdend goedkeuring van de notulen van de beslissing van de Gemeenteraad dd. 4.03.1991. Tot 25.01.1993 was eerste verzoeker, a fortiori verzoeksters sub 2 en 3, volstrekt onwetend over de manipulatie van de Gemeenteraadsbeslissingen van 4.03.1991 en 3.06.1991 door het College van Burgemeester en Schepenen te Ardooie, uiteraard ook over het mededelen door het College van nooit genomen beslissingen van de Gemeenteraad te Ardooie aan de bestuurlijke oversten, in casu het Provinciaal Gouvernement West-Vlaanderen en de Bestendige Deputatie West-Vlaanderen. Dienvolgens vangt de termijn voor het indienen van het verzoek tot nietigverklaring aan vanaf 25.01.1993 en is huidig verzoekschrift ontvank- elijk”; Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid ratione temporis opwerpt; dat zij uiteenzet hetgeen volgt : “Het Vlaamse Gewest is de mening toegedaan dat de vordering van eiser in alle redelijkheid als onontvankelijk dient te worden afgewezen, en dit op grond van het hiernavolgende : Het verzoek dient afgewezen gezien dit verzoek is ingediend buiten de termijn van 60 dagen. Zelfs wanneer verzoekers zouden beweren dat zij slechts voor het eerst op 25.01.1993 kennis hebben gekregen van een reeks beslissingen van de Gemeenteraad van Ardooie, nadat zij op 13.01.1993 toelating hadden bekomen van het Gemeentebestuur tot inzage van het notulenboek van de gemeenteraad. Dan nog is duidelijk dat reeds op grond van voornoemde gegevens verzoekers minstens uiterlijk op 15 maart 1993 hun verzoekschrift in nietigver- klaring dienden in te dienen. Er is echter meer : de verjaringstermijn voor het indienen van een vordering in nietigverklaring is reeds veel langer verstreken. Dit moge niet alleen blijken uit de procedurestukken naar aanleiding van een procedure gevoerd voor de Heer Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Brugge, zetelende zoals in kortgeding, en ingeleid bij dagvaarding dd. 16.07.1992 door ondermeer huidige verzoekers tegen de B.V.B.A. Super- markt DEVOS, doch inzonder wegens het feit dat het Ministerieel Besluit van 10.07.1991 houdende goedkeuring van het B.P.A. Watervalstraat II van Ardooie, meer de erbij horende plannen, bij toepassing van art. 23 van de stedebouwwet ter algemene kennis werd gebracht door ter inzagelegging van het publiek op het X-8333-3/12 gemeentehuis. Dat deze ter inzagelegging geschiedde vanaf 19.08.1991 tot 19.09.1991. Dat dan ook zekerlijk vanaf die data het B.P.A. Watervalstraat II tegenstelbaar en verbindend is. Dat in werkelijkheid verzoekers dan ook hun vordering hadden dienen in te stellen zekerlijk en uiterlijk op 18.11.1991. Dat bovendien het feit dat verzoekers de nietigheid van het M.B. van 10.07.1991 hebben aangevoerd in hun aanvankelijk dagvaarding van 16.07.1992, minstens hun eerste besluiten van einde 1992, maakt dan ook dat zij zekerlijk op dat ogenblik enige vordering in nietigverklaring hadden dienen te stellen voor de Raad van State. Het moge dan ook reeds volstaan te verwijzen naar volgende passage in het vonnis van 05.03.1993 onder het punt 2.2.1. 'Nietigheid van het Ministerieel Besluit dd. 10.07.1991. (...) Blijkbaar hebben de belanghebbende geen verhaal ingesteld tegen het ministerieel besluit noch langs administratieve weg de geldigheid aangevochten en heeft het gewijzigd B.P.A. gelding'. Aangezien verzoekers hun verzoekschrift in nietigverklaring ten laatste dienden in te stellen binnen de 60 dagen vanaf het ogenblik dat zij op de hoogte waren, minstens op de hoogte behoorden te zijn van de goedkeuring van het B.P.A. Watervalstraat II. Dat uit het hiervorenstaande blijkt en vaststaat dat verzoekers reeds meer dan 60 dagen - zelfs in werkelijkheid meer dan zestien maanden - kennis hadden van het M.B. van 10.07.1991, zodat het dan ook duidelijk is dat het door verzoekers op 24.03.1993 ingediend verzoek bij de Raad van State absoluut laattijdig is en buiten de termijn van 60 dagen werd ingediend. Dienvolgens dient dan ook besloten tot onontvankelijkheid ‘ratione temporis’ van hun verzoekschrift tot nietigverklaring. Waar uit de gegevens van het dossier duidelijk blijkt dat de vordering kennelijk niet-ontvankelijk is, behoort het dat bij toepassing van art. 93 van het Regentsbesluit van 23.08.1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Administratie voor de Raad van State, het aangewezen lid van het Auditoraat overeenkomstig art. 12 van voornoemd Regentsbesluit onmiddellijk verslag zou uitgebracht worden aan de Voorzitter van de Kamer waarbij de zaak aanhangig is opdat verder zou gehandeld worden zoals voorzien in boven- genoemd art. 93”; Overwegende dat ook de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord opwerpt dat de vordering onontvankelijk is wegens laattijdigheid; dat zij haar exceptie argumenteert als volgt : “Een verzoek tot nietigverklaring dient ingediend te worden binnen een termijn van 60 dagen. Verzoekende partijen houden ten onrechte voor dat zij voor het eerst op 25.01.1993 kennis hebben gekregen van een reeks beslissingen van de Gemeenteraad van Ardooie, nadat zij op 13.01.1993 toelating hadden bekomen van het Gemeentebestuur tot inzage van het notulenboek van de Gemeenteraad. Verzoekende partijen hadden evenwel reeds voordien kennis van het Ministerieel Besluit van 10 juli 1991 houdende goedkeuring van het BPA Watervalstraat II van Ardooie, minstens hoorden zij hiervan reeds kennis te hebben. In toepassing van art. 23 van de Stedenbouwwet werd het Ministerieel Besluit een goedkeuring van BPA, met de erbij horende plannen, ter algemene X-8333-4/12 kennis gebracht door ter inzagelegging van het publiek op het gemeentehuis. Deze ter inzagelegging geschiedde vanaf 19.08.1991 tot 19.09.1991. Bovendien werd door verzoekende partijen reeds een burgerlijke procedure gevoerd tegen de BVBA SUPERMARKT DEVOS. Deze vordering tot staking werd, blijkens de gegevens in de memorie van de gemeente Ardooie, door de stakingsrechter afgewezen om reden dat de belanghebbenden blijkbaar geen verhaal hebben ingesteld tegen het Ministerieel Besluit noch langs administra- tieve weg de geldigheid van het gewijzigd BPA hebben aangevochten. Zelfs indien de termijn van 60 dagen nog niet zou kunnen ingaan vanaf de periode van ter inzagelegging ten gemeentehuize, dan behoorden verzoekende partijen, die van uw vordering tot staking zeer goed op de hoogte waren van het goedkeuringsbesluit van 10 juli 1991, minstens op dat ogenblik inzage te nemen in het BPA en in voorkomend geval de nodige stappen te ondernemen om hun rechten te vrijwaren. Verzoekende partijen zijn hiertoe in gebreke gebleven en kunnen zich dan ook onmogelijk beroepen op een eerste kennisname op 25 januari 1993. De vordering tot nietigverklaring is dan ook kennelijk niet ontvankelijk wegens laattijdigheid”; Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord hierop repliceren als volgt : “2. Op pag. 11 van haar memorie van antwoord stelt de Gemeente dat, vertrekkende vanaf 25.01.1993, de termijn van zestig dagen verstrijkt op 15.03.1993. Een dergelijke berekening is hoogst merkwaardig, vermits de termijn van zestig dagen, vanaf 25.01.1993, rekeninghoudend met het feit dat de maand februari 1993 28 dagen telt, verstrijkt op 26.03.1993, om middernacht (art. 52-53 Ger.W.). 3. Op pag. 12 van haar memorie voert de Gemeente Ardooie aan dat de termijn van 60 dagen ingaat op 19.09.1991, laatste dag waarop het Ministerieel Besluit met bijgevoegde plannen ter inzage van het publiek werd gebracht op het Gemeentehuis, in toepassing van art. 23 van de Stedenbouwwet. Verzoekers betwisten niet dat de plannen en het Ministerieel Besluit ter inzage werden gelegd. Evenwel heeft de Gemeente Ardooie alsdan geen inzage verleend van haar eerste Gemeenteraadsbeslissing, dd. 4.03.1991, aan het Provinciaal Gouverne- ment medegedeeld op 8.03.1991 (...), evenmin heeft de Gemeente inzage verleend van de Gemeenteraadsbeslissing van 3.06.1991, waarin zij erkent dat over het bezwaarschrift (...) nooit werd beraadslaagd, laat staan gestemd (...). Bij gebreke aan kennis in hoofde van verzoekers van de beide voornoemde stukken, dienden zij er noodgedwongen van uit te gaan dat de beslissing van 4.03.1991 regelmatig was, tot aan het bewijs van het tegendeel. 4. De Gemeente Ardooie maakt op pag. 10-11 en 12 van haar memorie van antwoord tenslotte gewag van een door verzoekers gevoerde procedure voor de Heer Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel .te Brugge, zetelend zoals in kortgeding, en ingeleid bij dagvaarding van 6.07.1992. Zij stelt dat verzoekers in deze dagvaarding, minstens in conclusies, de nietigheid van het Ministerieel Besluit hebben aangevoerd, zodat de termijn van zestig dagen aanvangt te lopen vanaf datum van dagvaarding, in casu 17.07.1992, dan wel vanaf datum van neerlegging der conclusies. De door verzoekers uitgebrachte dagvaarding van 16.07.1992, voor de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Brugge, zetelend in kortge- X-8333-5/12 ding, maakt geen gewag van de nietigheid van het Ministerieel Besluit houdende goedkeuring BPA-Watervalstraat 11 (...). Verzoekers legden hun eerste besluiten neer ter Griffie van de Rechtbank van Koophandel te Brugge in bijlage aan hun brief van 7.01.1993 (...). In deze besluiten stellen verzoekers een tegenvordering, conform art. 807 Ger.W. en in toepassing van art. 877 e.v. Ger.W. teneinde verweerster (de BVBA DEVOS) en het College te Ardooie bevel te geven te voegen bij het dossier van de rechtspleging een geldige raadsbeslissing van de Gemeente Ardooie, vanaf 4. 03.1991, waaruit blijkt dat de Gemeenteraad het bezwaar van eerste verzoeker dd. 22.11.1990 in het overwegend gedeelte heeft gemotiveerd, en in het beslissend gedeelte heeft verworpen, of aanvaard, met bewijs van goedkeuring door de Gemeenteraad van de notulen, waarin deze beslissing werd geakteerd, -en zulks binnen de maand nà betekening van de te wijzen beschikking, onder verbeurte van een dwangsom van 10.000,-fr. per dag vertraging (...). Verweerster in deze procedure -de BVBA DEVOS- heeft de in conclusies gevorderde stukken nooit overlegd. Dienvolgens verzocht eerste verzoeker, bij monde van zijn raadsman, de Gemeente Ardooie per aangetekend schrijven dd. 7.01.1993, om een copij van de gevraagde notulen, minstens om toelating tot inzage van het notulenboek (...). Verzoekers herhalen dat deze toelating hen werd verleend op 13.01.1993 (...). Na inzage van het notulenboek en opstellen van het proces verbaal van vaststelling, door Gerechtsdeurwaarder MARRIJNS dd. 25. 01.1993 (...), concluderen verzoekers aanvullend in de procedure voor de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Brugge, waarbij door hen werd gesteld dat het Ministerieel Besluit van 10. 07.1991 nietig was, en waarbij verzoekers hebben aangekondigd zich te voorzien voor de Raad van State (...). Bijgevolg werd over de gebeurlijke nietigheid van het BPA slechts te Brugge geconcludeerd nà 25.01.1993. 5. De Gemeenteraadsbeslissing van 4.06.1991 werd nooit bekendgemaakt aan verzoekers of hen betekend, en verweerders tonen niet aan dat verzoekers er kennis van hadden of moesten hebben vóór 25. 01.1993. 6. De tweede (en valse) Gemeenteraadsbeslissing van 4.03.1991 was van doorslaggevend belang voor het advies van het Bestuur Ruimtelijke ordening. Dit stelt op 9.07.1991 : 'Vermits het voorstel BPA met grote meerderheid definitief werd aanvaard in de Gemeenteraad van 4.03.1991, waarbij het ingediend bezwaar (ondertekend door 15 personen) werd weerlegd en verworpen, verzet mijn administratie zich, in het kader van de gemeentelijke autonomie, niet tegen de goedkeuring van dit doch enigszins problematisch BPA.' (...). De door het Bestuur geuitte fundamentele bezwaren : '... het voorstel van BPA, voor wat betreft de handelszone problematisch is op gebied van verkeersontsluiting, burenhinder, schending van de straatwand in de Stationstraat. De handelszone grenst aan de Watervalstraat, doch deze is door zijn smal profiel niet geschikt om de volledige verkeersontsluiting van deze zone op zich te nemen. Daarom voorziet onderhavig plan vanuit de Stationstraat een dienstweg A ..., dienstig voor de toelevering, van de handels- zone, met in- en uitgaand verkeer. Gelet op de situatie ter plaatse (inplanting voormelde stapelplaats) is er voor grotere vrachtwagens weinig ruimte om op de handelszone zelf te draaien, zodat de in- of uitrit achterwaarts zal moeten gebeuren, met alle gevaren vandien. Er is een tweede dienstweg B voorzien... voor alleen ingaand verkeer vanaf de Stationstraat. Belde dienstwegen vanuit de Stationstraat zijn X-8333-6/12 verkeerstechnisch en stedenbouwkundig noodoplossingen, die de geschiktheid van de locatie van de handelszone in vraag doen stellen. De vraag wordt tevens gesteld of de goedkeuring van de thans voorziene handelszone de huidige verkeers- en parkeeroverlast in de Stationstraat zal oplossen, gelet op de voormelde problematiek, alsook gelet op de mogelijkheid dat de drie thans bestaande winkeleenheden (eventueel onder een andere vorm of assortiment) voor een zekere verkeersaantrekking zullen blijven zorgen...', worden niet gehandhaafd, daar het Bestuur rekening houdt met het zogenaamd weerleggen en verwerpen van het bezwaar van o.m. eerste verzoeker in de Gemeenteraad van 4.03.1991, beslissing die voor de toezichthoudende overheid manifest van doorslaggevend belang was. Evenwel heeft de Gemeente Ardooie haar raadsbeslissing van 3.06.1991 nooit aan het Bestuur Ruimtelijke Ordening medegedeeld, omdat daaruit blijkt dat nooit weerlegging en/of verwerping van het bezwaar van o.m. eerste verzoeker is gebeurd. 7. Verzoekers benadrukken dat zij voor het eerst op 25. 01.1993 kennis namen van de Raadsbeslissing van de Gemeente Ardooie van 4.06.1991, die de valsheid van de beslissing van 4.03.1991 daar stelt, terzake bespreking, beraadslaging en verwerping van het bezwaar van o.m. eerste verzoeker, en die daarmede één geheel uitmaakt, omdat zij hetzelfde voorwerp heeft, nl. de goedkeuring van het BPA- II. Vermits verzoekers slechts kennis namen van de beslissing van 3.06.1991 van de Gemeenteraad van en te Ardooie op 25.01.1993, is het verzoekschrift tot nietigverklaring van 24.03.1993 alleszins ontvankelijk en neergelegd binnen de termijn van zestig dagen. Immers, vermits de Raadsbeslissing van 03.06.1991 één geheel ui tmaakt met de Raadsbeslissing van 4.03.1991, die middels het verzoekschrift tot nietigverklaring wordt bestreden, en de kennis van de beslissing 'van 3.06.1991 in hoofde van verzoekers slechts is ontstaan op 25. 01.1993, is het middel van onontvankelijkheid ratione temporis, door verweerders gesteld in hun memorie van antwoord, volstrekt ongegrond. A contrario, mochten verzoekers binnen een termijn van zestig dagen nà het nemen van de Gemeenteraadsbeslissing van 4.03.1991 hun verzoek tot nietigverklaring hebben geformuleerd, dan ware het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid verworpen, omdat de termijn alsdan zou aanvangen op 5.03.1991, om te eindigen op 4.05.1991, ogenblik waarop de beslissing van de Gemeenteraad te Ardooie, die één geheel uitmaakt met de beslissing van 4.03.1991, dd. 3.06.1991 nog niet genomen was”; Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie het volgende uiteenzetten : “1. Aangezien de Auditeur de exceptie van laattijdigheid, door verweerders ingeroepen, als gegrond beoordeelt, en de vordering van verzoekers als onontvankelijk bestempelt, omdat

  1. i)verzoekers niet aantonen dat zij inzage hebben genomen van het BPA op het gemeentehuis en/of de gemeentelijke overheid het inzagerecht van verzoekers onmogelijk maakte,
  2. ii)de brief van de raadsman van de betrokken bezwaarindieners, dd. 06.06.1991, aantoont dat het hen bekend was dat het bezwaarschrift niet werd onderzocht; Aangezien verzoekers enkel kennis mochten nemen van de beslissing van 04.03.1991, genomen door de Gemeenteraad van Ardooie, die stelt het bezwaar van eerste verzoeker en veertien anderen te verwerpen en het BPA te aanvaar- den (...); X-8333-7/12 Dat, wanneer de raadsman van de indieners van het bezwaar zich namens hen tot de bestuurlijke overheid richt op 06.06.1991, het Ministerieel Besluit, waarvan verzoekers de vernietiging vorderen, niet was genomen en evenmin was gepubliceerd; Dat verzoekers bijgevolg slechts ten vroegste op 11.07.1991 en in fine, vanaf de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad, hun vordering tot nietigverklaring van het Ministerieel Besluit kunnen inleiden; Dat de brief van 06.06.1991 dienvolgens enkel tot doel heeft bezwaar in te dienen bij de toezichthoudende overheid, tegen een gemeentelijke beslissing, en tot gevolg heeft dat de termijn van verjaring van een eventueel beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State wordt geschorst (...); Aangezien het (fictieve) besluit van de Gemeenteraad Ardooie, dd. 04.03.1991 (...) aan de toezichthoudende overheid wordt medegedeeld, en het om die reden is dat
  3. i)het bestuur ruimtelijke ordening op 09.07.1991 stelt dat het bezwaar werd weerlegd en verworpen,
  4. ii)de bestuurlijke overheid zich niet verzet tegen de goedkeuring van het problematische BPA, gelet op het besluit van de Gemeenteraad Ardooie, dd. 04.03.1991 tot verwerping van de ingediende bezwaren; Dat de bestuurlijke overheid door de Gemeente Ardooie nooit werd ingelicht over haar beslissing, genomen in de Gemeenteraad van 03.06.1991 (...); Dat zulks manifest blijkt uit het administratief dossier, waarin de beslissing van de Gemeenteraad te Ardooie, dd. 03.06.1991, niet werd opgenomen; Dat de bestuurlijke overheid om die reden de raadsman van de indieners van het bezwaar op 08.07.1991 antwoordt dat het bezwaarschrift bij het bundel van het BPA werd gevoegd en geëvalueerd werd bij de besluitvorming van het globale dossier, en er aldus van uit gaat dat de beslissing van de Gemeenteraad Ardooie, dd. 04.03.1991 (...) de juiste is, quod non; Aangezien bijgevolg het argument van de Heer Auditeur, als zouden verzoekers voldoende tijdig hun verzoek tot nietigverklaring hebben kunnen indienen, omdat zij wisten dat de Gemeenteraad het bezwaarschrift niet had goedgekeurd, enkel opgaat voor zover verzoekers binnen een termijn van 60 dagen vanaf publicatie van het Ministerieel Besluit in het Belgisch Staatsblad, kunnen aantonen dat de Gemeenteraad Ardooie het bezwaarschrift inderdaad nooit heeft goedgekeurd, in casu het bewijs van de onregelmatigheid; Dat verzoekers het bewijs dat het bezwaar door de Gemeenteraad Ardooie op 04.03.1991 niet onderzocht werd, op dat ogenblik onmogelijk konden leveren; Dat de gemeentesecretaris VAN ACKER stelt dat de datum van de nieuwe beslissing hem niet gekend is, daar hij de inkleving slechts naderhand heeft vastgesteld (...); Dat, vooropgesteld dat vertogers binnen de termijn van 60 dagen na publicatie van het Ministerieel Besluit in het Belgisch Staatsblad een ver- zoekschrift tot vernietiging zouden hebben ingediend, het geenszins vaststaat dat dit verzoek zou hebben geleid tot nietigverklaring wegens vastgestelde onregelmatigheden, precies omdat uit het administratief dossier onmogelijk kan worden geconcludeerd dat de door verzoekers aangeklaagde onregelmatigheid zich daadwerkelijk heeft voorgedaan; Dat, zoals verzoekers betoogden in hun inleidend verzoekschrift en hun memorie van wederantwoord slechts kennis mochten nemen van de onregel- matigheden, begaan door het College van Burgemeester en Schepenen, na toelating tot inzage van het notulenboek van de Gemeenteraad, hen toegezon- den op 13.01.1993, en na consultatie van het notulenboek, op 25.01.1993; Dat het verzoekschrift tot nietigverklaring binnen een termijn van 60 dagen werd neergelegd, vanaf kennisname van het notulenboek, zodat het X-8333-8/12 verzoekschrift tot nietigverklaring van het Ministerieel Besluit bijgevolg ontvankelijk is; 2. Aangezien de Raad van State geen administratieve beslissing nietig kan verklaren wanneer deze aan zijn censuur wordt voorgelegd, na het verstrijken van de termijn, behalve indien die beslissing door een zodanige onregelmatig- heden is aangetast dat zij als onbestaande moet worden beschouwd, indien zij werd getroffen als gevolg van listige kunstgrepen (...); Aangezien de bestreden beslissing het gevolg is van listige kunstgrepen; Dat immers het College van Burgemeester en Schepenen het Provinciaal Gouvernement, Administratie van West-Vlaanderen, op 08.04.1991 een wijzigende beslissing van de Gemeenteraad van 04.03.1991 doet toekomen, met de uitdrukkelijke vermelding dat het bezwaar van o.m. eerste verzoeker, dd. 22.11.1990, werd besproken en verworpen; Dat intussen vaststaat dat een dergelijke gemeenteraadsbeslissing nooit werd genomen, zoals blijkt uit de beslissing van 03.06.1991 (...); Dat het College van Burgemeester en Schepenen het Provinciaal Gouverne- ment, Administratie te West-Vlaanderen, nooit in kennis heeft gesteld van de gemeenteraadsbeslissing van 03.06.1991; Dat het College van Burgemeester en Schepenen een volstrekt fictieve gemeenteraadsbeslissing dd. 04.03.1991 in haar notulenboek heeft aangebracht, en deze fictieve beslissing aan haar administratieve oversten heeft bezorgd; Dat het College van Burgemeester en Schepenen doet uitschijnen dat de Gemeenteraad zich op datum van 04.03.1991 heeft beraden over het be- zwaarschrift van 22.11.1990, terwijl, ingevolge de beslissing van dezelfde Gemeenteraad van 03.06.1991, blijkt dat uitsluitend werd gestemd over de aanvaarding van het gewijzigd BPA-Watervalstraat II, en vaststelt dat geen beraadslaging heeft plaatsgevonden over het bezwaarschrift, alsdusdanig nooit het bezwaarschrift heeft verworpen, zodat de Gemeenteraad haar verplichting om het bezwaar van 22.11.1990 te toetsen op haar regelmatigheid en gegrond- heid, niet heeft nagekomen; Dat het College van Burgemeester en Schepenen aldus aan de toezicht- houdende overheid doet uitschijnen dat zij een beslissing heeft genomen die regelmatig is, deze beslissing in haar notulenboek inbrengt, aldus de werkelijk genomen beslissing overplakkende en de toezichthoudende overheid misleidt door deze niet op de hoogte te brengen van het besluit van de Gemeenteraad van 03.06.1991; Dat het bestuur stelt dat ‘.... het voorstel van BPA, voor wat betreft de handelszone problematisch is op gebied van verkeersomsluiting, burenhinder, schending van de straatwand in de Stationsstraat. De handelszone grenst aan de Watervalstraat, doch deze is door zijn smalle profiel niet geschikt om de volledige verkeersomsluiting van deze zone op zich te nemen. Daarom voorziet onderhavig plan vanuit de Stationsstraat een dienstweg A.., dienstig voor de toelevering van de handelszone, met in- en uitgaand verkeer. Gelet op de situatie ter plaatse (inplanting voormelde stapelplaats) is er voor grotere vrachtwagens weinig ruimte om op de handelszone zelf te draaien, zodat de in- of uitrit achterwaarts zal moeten gebeuren, met alle gevaren vandien. Er is een tweede dienstweg b voorzien... voor alleen ingaand verkeer vanaf de Stationsstraaat. Beide dienstwegen vanuit de Stationsstraat zijn verkeerstech- nisch en stedenbouwkundige noodoplossingen, die de geschiktheid van de locatie van de handelszone in vraag doen stellen. De vraag wordt tevens gesteld of de goedkeuring van de thans voorziene handelszone de huidige verkeers- en parkeeroverlast in de Stationsstraat zal oplossen, gelet op de voormelde problematiek, alsook gelet op de mogelijkheid dat de drie thans bestaande winkeleenheden (eventueel onder een andere vorm of assortiment) voor een zekere verkeersaantrekking zullen blijven zorgen....’; X-8333-9/12 Dat het Bestuur ruimtelijke ordening evenwel besluit zich niet te verzetten, in het kader van de gemeentelijke autonomie, tegen de goedkeuring van dit noch enigszins problematisch BPA, vermits het voorstel BPA met grote meerderheid definitief werd aanvaard in de gemeenteraad van 04.03.1991, waarbij het ingediend bezwaar (ondertekend door vijftien personen) werd weerlegd en verworpen (...); Dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden gesteld dat, indien het bestuur ruimtelijke ordening kennis zou hebben gehad van het feit dat de Gemeenteraad te Ardooie het bezwaar van eerste verzoeker en veertien anderen nooit heeft onderzocht, niet heeft besproken in de Gemeenteraad en er evenmin over heeft beslist, het bestuur zich tegen het BPA zou hebben verzet; Dat bijgevolg de beslissing waarvan verzoekers de vernietiging nastreven, door een dermate onregelmatigheid is aangetast, dat zij als onbestaand moet worden beschouwd, vermits zij getroffen werd als gevolg van listige kunst- grepen, begaan door het College van Burgemeester en Schepenen te Ardooie; Dat algemeen aangenomen wordt dat het stilzwijgen van een partij (in casu een overheid, de Gemeente Ardooie) een kunstgreep uitmaakt voor zover op die partij een plicht tot spreken rust (Cass. 08.06.1978, RCJB 1979, 525, met noot J.P. MASSON); Dat het College van Burgemeester en Schepenen, die daartoe nota bene was gevraagd op 25.03.1991, de Provincie West-Vlaanderen er op attent had dienen te maken het bezwaarschrift van 22.11.1990 nooit te hebben behandeld in haar gemeenteraad. Dat het College integendeel :
  5. a)verzwijgt dat het bezwaar op 04.03.1991 niet werd behandeld, en dat er niet over gestemd werd;
  6. b)doet geloven dat er in haar Gemeenteraad werd gedebatteerd over het bezwaar, dat vervolgens werd afgewezen (...);
  7. c)verzwijgt dat de gemeenteraad in haar zitting van 03.06.1991 de notulen van de Raad van 04.031.1991 niet goedkeurt, precies omdat het bezwaar nooit werd behandeld en er nooit over werd gestemd; Dat uit het bovenstaande duidelijk blijkt dat het College van Burgemeester en Schepenen te Ardooie haar plicht tot informatie van de hogere overheid tot driemaal toe schendt hetgeen bewezen wordt door de verklaringen van de gemeentesecretaris en een reeks toenmalige gemeenteraadsleden (...) Dat in hoofde van het College Ardooie de listige kunstgreep overduidelijk aangetoond wordt; Dat, aldus handelend, de volledige procedure, voorzien in de destijds van toepassing zijnde Wet Stedenbouw, en opgenomen onder art. 21 e.v. wordt uitgehold; Dat het voor de bevoegde overheid aldus immers volstaat, zoals ten deze blijkt, om de bezwaarschriften van bestuurden te ontvangen, de hogere overheid in kennis te stellen dat over deze bezwaarschriften werd beraadslaagd en gestemd, en de bezwaren vervolgens werden verworpen, terwijl zulks niet het geval is, hetgeen de gemeentelijke overheid in een latere beslissing dient te erkennen, de fictieve beslissing aan de toezichthoudende overheid over te maken, Dat het vervolgens volstaat aan de bestuurden te doen geloven dat dergelijke beslissing rechtens werd getroffen, door inplakking ervan in het notulenboek van de Gemeente, tenslotte door verzwijging aan de toezichthoudende overheid van de beslissing van de gemeenteraad dat het besluit dat aan de toezichthoudende overheid werd overgemaakt, onjuist is, en vaststelt dat over het initieel ingediende bezwaarschrift niet werd beraadslaagd en er evenmin over werd gestemd; X-8333-10/12 Dat in casu het handelen van het College van Burgemeester en Schepenen te Ardooie een blauwdruk is van een listige kunstgreep, in welk geval het de Raad van State volstrekt toegelaten is de administratieve beslissing, in casu het Ministerieel Besluit van 10.07.1991, waaruit recht is ontstaan, in te trekken, zelfs voor zover de Raad van State zou oordelen dat het door vertogers ingediende verzoekschrift tot vernietiging buiten de termijn voorzien bij de Wet zou zijn neergelegd”; Overwegende dat de verwerende partijen in hun laatste memories niets toevoegen aan hetgeen hierboven reeds werd uiteengezet; Overwegende dat ingevolge artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de bekendmaking van de bestreden akte; Overwegende dat, wat de bijzondere plannen van aanleg betreft, het ten tijde van het nemen van de bestreden beslissingen geldende artikel 23 van de Stedenbouwwet van 29 maart 1962, een dubbele bekendmaking voorschreef, met name de bekendmaking bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad, en het ter inzage leggen ten gemeentehuize; dat bij tweevoudige bekendmaking de beroepstermijn ingaat nadat aan die beide formaliteiten is voldaan; Overwegende dat het eerste bestreden besluit bij uittreksel op 20 september 1991 werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad; dat het plan van 19 augustus 1991 tot 19 september 1991 ter inzage lag in het gemeentehuis; dat de verzoekende partijen deze gegevens niet betwisten; Overwegende dat het beroep tegen de beide bestreden besluiten is ingesteld op 24 maart 1993, dit is méér dan achttien maanden na het vervuld zijn van de beide formaliteiten van bekendmaking; dat, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen aanvoeren, de termijn van 60 dagen om annulatieberoep in te dienen, niet ingaat met de dag dat de verzoeker kennis krijgt van het grievend karakter van de vergunning; dat de excepties gegrond zijn, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. X-8333-11/12 Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 297,48 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een derde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig oktober 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, door de voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de heer D. MOONS, staatsraad, verhinderd wegens ziekte na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad; Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-8333-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.053 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.