← België

Arrest 176153 - Politie - 25/10/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.153 Rolnummer: A. 98011/XII-2861 Zaak: Arrest 176153 - Politie - 25/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-13 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:45 Fiche Arrest nr 176.153 van 25 oktober 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.153 van 25 oktober 2007 in de zaak A. 98.011/XII-

  1. In zake : Frans VANSANT, die woonplaats kiest bij advocaat P. Lahousse, kantoor houdende te Mechelen, Leopoldstraat 64 tegen :
  2. de STAD TURNHOUT, die woonplaats kiest bij advocaat R. Wilmots, kantoor houdende te Turnhout, Gemeentestraat 4/6,
  3. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Gouverneur van de provincie Antwerpen tussenkomende partij : Didier WOUTERS, die woonplaats kiest bij advocaten W. Van der Gucht en F. Dieu, kantoor houdende te Gent, Sint-Denijslaan
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekscbrift dat Frans Vansant op 2 december 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 4 september 2000 van de gemeenteraad van de stad Turnhout tot voordracht van Didier Wouters en Jan Theys voor de betrekking van adjunct-commissaris van politie, van de impliciete weigering om hem voor te dragen en van de beslissing van 7 november 2000 van de gouverneur van de provincie Antwerpen tot bevordering van Didier Wouters tot adjunct-commissaris van politie van de stad Tumhout; Gelet op het arrest nr. 93.746 van 6 maart 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten wordt verworpen; XII-2861-1/5 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 2 april 2001 ingediend door verzoeker; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 21 mei 2001; Gelet op de beschikking van 12 juni 2001 die de tussenkomst van Didier Wouters toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 17 juni 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van verzoeker en van de eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 10 april 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 mei 2007, op welke datum de zaak is uitgesteld tot de terechtzitting van 5 juni 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. Lahousse, die verschijnt voor verzoeker, van advocaat R. Wilmots die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaten K. Gysel en F. De Mil, die loco advocaten F. Dieu en W. Van Der Gucht verschijnen voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973,
  5. Verzoeker vraagt de nietigverklaring van beslissingen die ertoe hebben geleid dat uiteindelijk niet hij, maar Didier Wouters tot adjunct-commissaris XII-2861-2/5 van politie van de stad Turnhout werd bevorderd. Bij het instellen van zijn beroep was zijn belang, als niet gekozen kandidaat voor die bevordering, niet betwist. Op grond van zijn oude graad van adjunct-commissaris, verkreeg Didier Wouters in de nieuwe politiestructuur de graad van commissaris van politie. Verzoeker daarentegen verkreeg, op grond van zijn oude graad van hoofdinspecteur eerste klasse, de graad van hoofdinspecteur van politie. Krachtens artikel 27 van de wet 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, worden de bevorderingsprocedures in de gemeentelijke politiekorpsen die in uitvoering zijn op 1 januari 2001, voortgezet en afgehandeld overeenkomstig de van kracht zijnde bepalingen daags voor 1 januari 2001, wordt het bevorderde personeelslid bevorderd in het gemeentelijk politiekorps of de lokale politie waarde procedure loopt, en de bevordering geschiedt in de nieuwe graad vastgesteld bij de rechtspositieregeling van het personeel van de politiediensten. De beoogde nietigverklaring zou verzoeker dus de kans hebben geboden om alsnog tot adjunct-commissaris te worden bevorderd en dan als commissaris in de nieuwe politiestructuur te worden opgenomen. Verzoeker deelt echter mee dat hij op 1 april 2006 zelf tot “commissaris in het kader van de Vesaliuswet (Rode Loper)” is bevorderd. Hij merkt op dat hij op 1 april 2001 ingevolge de politiehervorming werd ingeschaald in het middenkader, namelijk als hoofdinspecteur van politie terwijl, zo hij op die datum reeds was bevorderd geweest tot adjunct-commissaris, hij toen zou zijn opgenomen in het officierskader, namelijk in de graad van commissaris van politie. Hieruit leidt hij af dat hij dienvolgens nog een belang heeft “zowel financieel” als door “de inmiddels gemiste kansen aan promotie”. Hij heeft aldus “onder meer niet de mogelijkheid gehad om zich kandidaat te stellen voor de mandaatfunctie van zonechef”.
  6. Het belang waarvan een verzoeker blijk moet geven, dient te bestaan op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep en hij moet dat belang behouden tot aan de uitspraak. De aard van het belang kan weliswaar evolueren maar verzoeker moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde XII-2861-3/5 nietigverklaring hem nog een concreet voordeel oplevert. Wanneer er twijfel rijst omtrent verzoekers belang, komt het hem toe aan de Raad van State alle nuttige gegevens ter beoordeling voor te leggen die kunnen aantonen dat hij in de concrete omstandigheden van de zaak nog steeds een actueel belang bij de nietigverklaring behoudt. Te dezen streeft verzoeker de nietigverklaring na van een bevordering in het ambt van adjunct-commissaris van politie van de stad Turnhout, de daaraan voorafgaande voordracht en de impliciete weigering om hem te bevorderen. Hij beroept zich niet op enige rechtsplicht in hoofde van de benoemende overheid om hem na de gevraagde nietigverklaringen nog retroactief te benoemen in het betrokken ambt van adjunct-commissaris. Verzoeker verduidelijkt niet, in de nota die de Raad van State hem toestond op te stellen om zijn actueel belang toe te lichten, op welke wijze het oorspronkelijk oogmerk dat hij met zijn beroep nastreefde, namelijk zich een nieuwe kans te verschaffen om te worden bevorderd in het ambt van adjunct-commissaris te Turnhout, dan nog naderbij zou kunnen worden gebracht door de gevraagde nietigverklaringen, gelet op eensdeels de tussengekomen politiehervorming en anderdeels het feit dat hijzelf heden reeds een hogere graad bekleedt. Betreffende een resterend “financieel” belang verstrekt verzoeker geen nadere verduidelijkingen zodat hij derhalve nalaat toe te lichten welk concreet voordeel hij op dat vlak thans nog zou kunnen nastreven met zijn beroep, dat meer zou zijn dan de eenvoudige vaststelling van een onwettigheid om op grond daarvan een eis tot schadevergoeding in te stellen bij de burgerlijke rechter, hetgeen een belang is met een onrechtstreeks karakter, niet vallend binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Al evenmin verklaart verzoeker hoe “gemiste kansen aan promotie” zouden kunnen worden geremedieerd door de gevraagde nietigverklaringen. Hij toont immers niet aan dat ook maar één van dergelijke promoties, die hij overigens slechts zeer algemeen aangeeft als “onder meer” “de mandaatfunctie van zonechef”, tijdig binnen het bereik van de annulatiebevoegdheid van de Raad van State zijn gebracht, zodat deze dienvolgens definitief moeten zijn geworden. XII-2861-4/5 Verzoekers actueel belang wordt niet aangetoond. Dienvolgens is het beroep niet langer ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  7. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  8. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig oktober 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2861-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.153 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.93.746 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.