id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.307 Rolnummer: A. 185563/XII-5251 Zaak: Arrest 176307 - Reglementen (onderwijs en cultuur) - 29/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-05 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:53 Fiche Arrest nr 176.307 van 29 oktober 2007 Onderwijs en cultuur - Reglementen (onderwijs en cultuur) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.307 van 29 oktober 2007 in de zaak A. 185.563/XII-
- In zake : Katrin EYCKMANS, die woonplaats kiest bij advocaat Ph. Declercq, kantoor houdende te Leuven (Kessel-Lo), Tiensesteenweg 271 tegen : de VZW COMITE VOOR ONDERWIJS VAN DE ZUSTER ANNUNTIATEN VAN HEVERLEE, die woonplaats kiest bij advocaat J. Bergé, kantoor houdende te Leuven, Naamsestraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de minderjarige Katrin Eykmans, vertegenwoordigd door haar ouders Marc Eyckmans en Anne Renmans, op 20 oktober 2007 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 8 oktober 2007 van de klassenraad van het tweede leerjaar van de tweede graad, Sport ASO, van het Heilig- Hartinstituut te Heverlee om haar een oriënteringsattest-B te verlenen “dat toelating geeft tot het volgend leerjaar behalve in economie-wiskunde ASO, Grieks-Latijn ASO, Grieks-wetenschappen ASO, Grieks-wiskunde ASO, Latijn-moderne talen ASO, Latijn-wetenschappen ASO, Latijn-wiskunde ASO, moderne talen-wiskunde ASO, wetenschappen-wiskunde ASO”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 23 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 oktober 2007, om 14.00 uur; XII-5251-1/11 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat Ph. Declercq, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat J. Bergé, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten
- Verzoekster is tijdens het schooljaar 2006-2007 leerlinge in het tweede leerjaar van de tweede graad Sport ASO, in het Heilig-Hartinstituut te Heverlee. De delibererende klassenraad beslist op 25 juni 2007 haar een oriënteringsattest-B te verlenen. Als reden wordt meegedeeld : “Katrin, jij hebt gemiddeld een onvoldoende voor het vak Wiskunde
(47)en daarom heeft de klassenraad besloten jou een B-attest te geven. Dit betekent dat je geslaagd bent, maar niet voor de studierichtingen opgesomd in de clausulering (studierichtingen met 6u Wiskunde)”. Aangezien het overleg met de directie vruchteloos blijft, tekent verzoekster met een brief van 4 juli 2007 beroep aan bij de interne beroepscommissie. In haar advies van 5 juli 2007 wijst de interne beroepscommissie erop dat er voor een tekort van wiskunde 5 uur in het vierde jaar ASO richtnormen zijn opgesteld, dat er in een afwijkingsmogelijkheid wordt voorzien op basis van de deelresultaten voor leerweg 4 en leerweg 5, dat verzoekster op jaarbasis 54,5 % haalt voor de vragen van leerweg 4 en 26,5 % voor de vragen van leerweg 5, en dat de beslissing van de klassenraad volledig conform is met deze richtlijnen en dus zeker niet onredelijk. Wel wordt, in verband met een “mogelijke vorm van ongelijkheid” ten opzichte van verzoekster, geopperd dat er reden kan zijn tot een aanpassing van het algemeen jaarpercentage voor wiskunde van 47 % naar 48 %. Ten slotte wijst de interne beroepscommissie op de mogelijkheid om de extreme positieve evolutie voor de punten van wiskunde als een objectief verzachtende omstandigheid in de zin van punt 8.1 van de deliberatierichtlijnen te beschouwen. De inrichtende macht beslist op 13 juli 2007 dat de klassenraad opnieuw dient samen te komen. XII-5251-2/11 Op 3 september 2007 besluit de klassenraad weer tot de afgifte van een oriënteringsattest-B. Na de schorsing van dat besluit, bij arrest van de Raad van State nr. 174.743 van 20 september 2007, beslist de klassenraad op 8 oktober 2007 eens te meer aan verzoekster een oriënteringsattest-B af te geven. Overwogen wordt, samengevat, dat volgens het punt 3.2.3 van de algemene richtlijnen met betrekking tot einddeliberaties 2007 het tekort voor wiskunde 5 uur in het vierde jaar ASO aanleiding geeft tot het afgeven van een oriënteringsattest-B voor de studierichtingen met 6 uur wiskunde, tenzij de deelresultaten van leerweg 4 en leerweg 5 een afwijking toelaten, dat bij toepassing daarvan de summatieve toetsen van Kerstmis, Pasen en juni opnieuw onderzocht werden om de deelresultaten van leerweg 4 en leerweg 5 te controleren, dat concreet werd onderzocht of kan worden afgeweken van de voor elke leerling geldende deliberatierichtlijn en in welke mate verzoekster de basisdoelstellingen van leerweg 4 en leerweg 5 bereikte, dat hiervoor de leerplandoelstellingen werden gebruikt zoals ze opgesomd worden in het leerplan wiskunde ASO voor de tweede graad, dat gecontroleerd werd in hoeverre verzoekster 50 % behaalt voor de op summatieve toetsen geteste doelstellingen uit het leerplan, dat de klassenraad constateert dat er 43 basisleerplandoelstellingen werden getest en dat verzoekster slechts een voldoende behaalt op 15 van de 43 leerdoelstellingen, dat zij geslaagd is voor 3 van de 11 leerplanonderdelen, dat de klassenraad uit deze concrete analyse besluit dat verzoekster niet mag doorstromen naar een richting met 6 uur wiskunde, dat de positieve evolutie van de punten naar het derde trimester toe geen “verzachtende omstandigheid” is die een afwijking van het besluit uit analyse toelaat, omdat de leerstof over de drie trimesters zo is verdeeld dat de belangrijkste leerstofonderdelen voor de doorstroming naar de derde graad tijdens het langere eerste trimester aan bod komen, terwijl in het tweede maar vooral het derde trimester losse leerstofonderdelen worden behandeld waarvoor de leerlingen geen voorkennis nodig hebben, dat hogere punten in het derde trimester geen objectief beeld geven van de verworven competenties voor een doorstroming naar een richting met 6 uur wiskunde. De schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de XII-5251-3/11 bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is. De voorwaarde van de ernstige middelen
- Verzoekster voert in een eerste middel onder meer de schending van de motiveringsplicht aan. Zij doet onder andere gelden dat de verwerende partij nog altijd ten onrechte de afwijking van de deliberatienorm die betrekking heeft op de extreem positieve evolutie in de punten voor wiskunde verbindt met de mogelijke afwijking van de richtnorm op basis van de deelresultaten van leerweg 4 en leerweg 5, dat het duidelijk is en buiten betwisting staat dat de criteria van richtlijn 3.2.3 “zeker geen bindende criteria” zijn, dat ook rekening moet worden gehouden met artikelen 3.2, 1.1, 1.3, 1.4 en 1.5 en 1.
- Tevens wijst verzoekster er op dat de beslissing op “de verkeerde feitelijke gegevens” steunt, dat haar totaal 48 % moest bedragen in plaats van 47 %, dat zij wél de doelstelling bereikt heeft wat de cirkel, de loodrechte stand, de reële functies, elementaire begrippen, algebraïsch rekenen en rijen betreft, dat zij er zeker van is dat niet al deze aspecten verwerkt zijn in het examen en zelfs niet getoetst, en dat verwerende partij dus rekening houdt met criteria(onderdelen) die niet hun grondslag vinden in de geanalyseerde toetsen.
- De verwerende partij antwoordt hierop in de nota met opmerkingen dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de deliberatierichtnorm van punt 3.2.3 en de richtlijn voor de motivering van punt 8.1, dat het gegeven van de puntenevolutie toch uitdrukkelijk is onderzocht als een zelfstandig element van overweging, dat het geen afwijking van de deliberatienorm toelaat omdat het resultaat voor leerweg 5 nog slecht is, dat verzoekster een foutieve analyse van de structuur van de deliberatierichtlijnen maakt, in het bijzonder wat hoofdstuk 3.2 betreft, dat verzoekster “er op even foutieve [wijze] van uit[gaat] dat de ‘doelstellingen en houding van de klassenraadsleden’ in hoofdstuk 1 van de deliberatierichtlijnen aanleiding geven tot een formele of bijkomende motievering”, dat de doelstellingen en aanbevelingen geen formele normen zijn. Aangaande verzoeksters kritiek dat de summatieve toetsten de aangegeven doelstellingen voor leerweg 4 en leerweg 5 niet of niet volledig hebben getoetst, merkt verwerende partij op : “Dit is een betwisting over de toets zelf, haar inhoud en/of de correctie. Dit raakt de motivering eventueel, indien de feitelijke grondslag van de beslissing onjuist zou zijn. De verzoekende partij is wel zeer summier in haar uitleg, en ze moet weten dat de verwerende partij haar bewering formeel ontkent. Op deze wijze kan geen schending van het motiveringsbeginsel worden aanvaard”. XII-5251-4/11
- Met de bestreden beslissing wenst de klassenraad toepassing te maken van de “algemene richtlijnen met betrekking tot einddeliberaties 2de graad juni 2007”. Zij heeft zich inzonderheid aan de richtnorm in het punt 3.2.3 ervan willen houden, “omdat alleen op deze wijze de correcte en gelijke behandeling van Katrin Eyckmans kan worden gegarandeerd”. Onder dat punt 3.2.3 komt voor: “Bij een tekort voor wiskunde 5 uur in het 4de jaar ASO gelden volgende richtnormen: - Vanaf 49 %: B-attest voor studierichtingen met 6u wiskunde (ASO). [...] Er kan van deze normen afgeweken worden op basis van de deelresultaten van leerweg 4 en leerweg 5”.
- Op zich presenteren de “algemene richtlijnen met betrekking tot de einddeliberaties 2 graad juni 2007” zich -terecht- niet als dwingende, bindende voorschriften. Dat mag al uit de eerste regels ervan worden afgeleid: “Onderstaande concrete richtlijnen moeten soepel gehanteerd worden. Ze hebben geenszins de bedoeling de verantwoordelijkheid van de leerkracht tot een minimum te herleiden. Ze hebben wel de bedoeling een zeker houvast te bieden en vergelijkbare normen in de beoordeling toe te passen”. Wat welbepaald de deliberatie in geval van “tekorten” betreft, vermelden de richtlijnen onder punt 3.2 als algemene inleiding: “Indien het gaat om 1 tekort en indien de resultaten van de andere vakken zeer goed zijn kan van de hierna opgesomde criteria worden afgeweken”. Volgens verzoekster, die daarin opvallend niet wordt tegengesproken door de verwerende partij, bevindt zij zich “ontegensprekelijk” in een dergelijk geval.
- In de bestreden beslissing is de klassenraad vertrokken van een jaartekort voor verzoekster van 47 % voor wiskunde. Daarbij wordt geen enkele toelichting gegeven, niettegenstaande de interne beroepscommissie in haar advies van 5 juli 2007 liet verstaan dat voor verzoekster eventueel rekening moest worden gehouden met “een algemeen jaarpercentage voor wiskunde van 48 % ipv 47 %”, nu zij voor de summatieve toets van 7 december 2006 mogelijk een
(1)punt te weinig heeft gekregen. Volgens de nota met opmerkingen van de verwerende partij is de kwestie zonder belang omdat in voorkomend geval hoe dan ook dezelfde deliberatienorm moest zijn toegepast. 8. Niet onterecht merkt verzoekster op dat overeenkomstig de deliberatierichtlijnen weliswaar kan worden afgeweken van de norm om een B-attest voor studierichtingen met 6 uur wiskunde te verlenen, maar “zonder dat wordt XII-5251-5/11 uiteengezet in welke mate de deelresultaten van leerweg 4 en leerweg 5 de grond vormen voor die mogelijke afwijking”. Op het eerste gezicht voorziet de afwijkingsmogelijkheid dan ook in een ruime beoordelingsvrijheid en lijkt zij een bijkomende bevestiging in te houden dat de algemene richtlijnen niet beogen de klassenraad in een korset te dwingen en a priori de uitkomst van de deliberatie vast te leggen. Hoe ruim ook een beoordelingsvrijheid mag zijn, zij is nooit onbeperkt. Onder meer wordt zij beperkt door de vereiste van een minimale consistentie, een elementaire continuïteit in de beoordeling. Het is willekeurig nu eens zus en korte tijd nadien weer zo te oordelen, zonder dat er voor de gewijzigde beoordeling enige verantwoording blijkt te bestaan, minstens gegeven wordt. Ten overstaan van de interne beroepscommissie heeft verwerende partij haar beslissing om niet van de richtnorm af te wijken gesteund op “de opgesplitste resultaten voor leerweg vier en leerweg vijf”: “Voor elke leerling worden de vragen opgedeeld in vragen voor leerweg 4 en vragen voor leerweg 5. Op jaarbasis behaalt Katrin 54,5 % voor de vragen van leerweg 4 en 26,5 % voor de vragen van leerweg 5”. Ook voor de Raad van State, in de procedure tot schorsing van de beslissing van 3 september 2007, werd betoogd dat “het eindresultaat van 47 % een zeer gedifferentieerde werkelijkheid verbergt, en niet gewoon een als een zeer beperkt omschreven tekort van 3 % is”, en dat namelijk na een uitsplitsing van verzoeksters punten volgens vragen van leerweg 4 en leerweg 5 moet worden vastgesteld “dat de resultaten voor leerweg 5 over het hele jaar beduidend lager liggen dan de resultaten voor leerweg 4 (resp. 54,4 % en 26,5 %) en dat de resultaten voor leerweg 5 op elke summatieve toets bijzonder laag waren (resp. 13 %, 23 % en 40 %)”. In de thans bestreden beslissing lijkt de uitsplitsing van de punten volgens de resultaten voor leerweg 4 en leerweg 5 plotsklaps geen enkele rol meer te spelen. Om nu te weigeren van de richtnorm af te wijken op basis van de deelresultaten van leerweg 4 en leerweg 5, motiveert de klassenraad dat verzoekster van de 43 basisleerplandoelstellingen -van leerweg 4 en leerweg 5 tezamen genomen- die in de summatieve toetsen getest zijn, verzoekster slechts in 15 gevallen een voldoende behaalde en dat zij zodoende op 8 leerplanonderdelen -alweer van leerweg 4 en leerweg 5 tezamen genomen- onvoldoende scoorde. XII-5251-6/11 Op welke grond de klassenraad aan de afwijkingsmogelijkheid van de richtnorm een geheel nieuwe invulling lijkt te geven, wordt niet toegelicht en is evenmin spontaan duidelijk. 9. De motieven voor de afwijzing van de afwijkingsmogelijkheid zijn overigens ook om nog een andere reden problematisch. Verzoekster betwist immers dat, anders dan in de bestreden beslissing beweerd wordt, zij op 8 leerplanonderdelen een onvoldoende behaalde; zij zegt er “zeker” van te zijn dat niet alle betrokken leerplandoelstellingen in het examen verwerkt zaten en getoetst zijn. In de plaats van, zoals het had behoord, de examens in het administratief dossier bij te brengen tezamen met een beknopte toelichting die de gestelde vragen relateert aan de leerplandoelstellingen en -onderdelen die er mee getest werden, antwoordt verwerende partij in de nota: “De verzoekende partij is wel zeer summier in haar uitleg, en ze moet weten dat de verwerende partij haar bewering formeel ontkent. Op deze wijze kan geen schending van het motiveringsbeginsel worden aanvaard”. Verwerende partij vergist zich. Waar verzoekster uitdrukkelijk de feitelijke juistheid betwist van de motieven waarop verwerende partij zich beweerdelijk steunt, moest de laatstgenoemde op het eerste gezicht de Raad van State in de gelegenheid hebben gesteld de echtheid van de motieven te verifiëren. Daaraan is niet voldaan. 10. Om de -aldus de interne beroepscommissie- “extreme positieve evolutie voor de punten van wiskunde” ter zijde te schijven, grijpt de bestreden beslissing terug naar de reden waarom er niet “op basis van de deelresultaten van leerweg 4 en leerweg 5” van de richtnorm in punt 3.2.3 kan worden afgeweken. Verwerende partij vat in de nota samen: “dat de verzachtende omstandigheid van de evolutie van de resultaten wiskunde geen afwijking van de deliberatienorm toelaten, omdat het resultaat voor leerweg 5 nog slecht is”. Naar in het middel wordt gesteld, legt verwerende partij aldus “ten onrechte de link naar de andere mogelijkheid tot afwijking van de deliberatienorm die betrekking heeft op leerweg 4 en leerweg 5” en klampt verwerende partij zich ten onrechte vast aan één enkele richtlijn die strikt wordt geïnterpreteerd, terwijl volgens andere richtlijnen ook rekening moet worden gehouden met het gunstige XII-5251-7/11 algemeen resultaat, de evolutie, het gebrek aan waarschuwing in het verleden, de puike punten op de andere vakken, het feit dat het slechts om één tekort gaat. Met verzoeker wordt vastgesteld dat de klassenraad zich mateloos focust op de richtnorm in punt 3.2.3 van de algemene richtlijnen. Dit lijkt hoegenaamd niet te rijmen met de doelstelling en de houding die de klassenraad volgens de algemene richtlijnen zelf, die zij inroept, moet in acht nemen. Juist die richtlijnen stellen dat “het accentueren van sterktes of zwaktes in een of ander vak” “nooit doorslaggevend” kan zijn (punt 1.5) en dat integendeel “het globaal beeld of het totaal procent” een “goede wegwijzer [kan] zijn naar een beslissing” (punt 1.4). Punt 1.2 van de algemene richtlijnen, dan weer, doet gelden dat bij een eindejaarsdeliberatie de situatie van de leerling “in haar totaliteit” positief benaderd en bekeken moet worden. Waaraan wordt toegevoegd : “D.w.z. dat in twijfelgevallen rekening gehouden wordt met: - de inzet van de leerling(
- e)en de bereidheid tot inspanning - de oorza(a)k(
- en)van de tekorten - het dagelijks werk - de overgang naar volgend schooljaar (B-attest) en de vereiste basiskennis voor mogelijke studierichtingen - de specifieke aanleg van de leerling(
- e)- de mogelijkheid tot abstract denken (vooral voor leerlingen die een ASO- richting verder volgen)”. Te dezen had de klassenraad te maken met een leerlinge die globaal een jaargemiddelde van 66 % behaalde, die één jaartekort liet noteren, met 47 of 48 % voor wiskunde, en van wie niet betwist wordt dat zij voor de andere vakken goede resultaten behaalde. Wat specifiek wiskunde betreft behaalde zij in het eerste trimester 31 % (commentaar: “De moed niet opgeven, Katrin, waar een wil is, is een weg”), in het tweede trimester 43 % (commentaar: “Het examen Wiskunde was al beter maar toch nog onvoldoende, Katrin. Volhouden is de boodschap!”), en in het derde trimester 67 %. De punten voor het dagelijks werk wiskunde evolueerden in vergelijkbare zin, met respectievelijk 17, 21 en 28 op 40, voor het eerste, tweede en derde trimester. In het licht van het voorgaande kan, tenminste in de huidige stand van de procedure, niet worden aangenomen dat de verwerende partij de aangevochten beslissing op alle relevante gegevens van de zaak heeft gesteund en dat zij het argument van “de positieve evolutie van de punten naar het derde trimester toe” naar zijn juiste waarde heeft beoordeeld. Gelet op zijn fixatie op de richtnorm van punt 3.2.3 in verband met een B-attest voor studierichtingen met 6 u wiskunde behoudens XII-5251-8/11 afwijking “op basis van de deelresultaten van leerweg 4 en leerweg 5”, kon de klassenraad de positieve evolutie van de punten blijkbaar alleen appreciëren in de mate waarin die evolutie specifiek de “competenties voor een doorstroming naar een richting met 6 uur wiskunde” ten goede komt. Daarmee lijkt de klassenraad de meer vermelde positieve evolutie geen recht te doen, aangezien die op het eerste gezicht begrepen lijkt te moeten worden als een indicatie van “de inzet van de leerling(
- e)en de bereidheid tot inspanning”, en van het feit dat als verzoekster die inspanningen levert, zij ook resultaten behaalt. 11. Het eerste middel komt in de besproken mate ernstig voor. De voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel en van de uiterst dringende noodzakelijkheid 12. Verzoekster zet uiteen dat zij door de bestreden beslissing dreigt een schooljaar te verliezen aangezien zij zes uur wiskunde wil volgen “in het bijzonder om haar kansen maximaal te behouden voor de latere studies van bvb. geneeskunde of bio-ingenieur”. 13. Verwerende partij reageert in essentie dat het bestreden B-attest niet op rechtstreekse wijze het onherstelbare nadeel van het verlies van een schooljaar veroorzaakt, dat het om een louter hypothetische dreiging gaat, dat het nadeel herstelbaar is zoals “zowel de inschrijving van de verzoekende partij als vrije leerling in een richting 6 uur wiskunde gedurende het schooljaar 2007-2008, als haar inschrijving voor herkansing van het examen wiskunde waarvoor zij tijdens het schooljaar 2006-2007 niet heeft voldaan” aantonen, en dat de clausulering niet uitsluit dat verzoekster slaagt in een ingangsexamen, zo nodig na zich op een eigen specifieke wijze op bepaalde ingangsexamens of studierichtingen in het hoger onderwijs te hebben voorbereid. 14. Zoals al in het arrest met nr.174.743 gezegd, doet het niet terzake dat verzoekster geen schooljaar verliest indien zij een niet-geclausuleerde studierichting kiest. Waar het wel om gaat is dat verzoekster, zoals zij te kennen geeft, een studierichting met zes uur wiskunde wil volgen met het oog op haar latere studiekeuze. Indien zij haar jaar moet overdoen om de geambieerde richting te kunnen volgen, verliest zij wel degelijk een schooljaar. XII-5251-9/11 Het nadeel dat verzoekster aldus door de aangevochten, omvangrijke clausulering riskeert, is niet minder reëel en moeilijk herstelbaar omdat het volgens verwerende partij later beweerdelijk kan worden goedgemaakt door “een extra inspanning”, nu die extra inspanning op het eerste gezicht evengoed een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt. Ook het argument “dat zowel de inschrijving van de verzoekende partij als vrije leerling in een richting 6 uur wiskunde gedurende het schooljaar 2007- 2008, als haar inschrijving voor herkansing van het examen wiskunde waarvoor zij tijdens het schooljaar 2006-2007 niet heeft voldaan, aantonen dat het nadeel [...] wel herstelbaar is” overtuigt niet. Reeds eerder, in het arrest nr. 174.743, is aangenomen dat het succes van die demarches geenszins zeker is, terwijl het voor een schorsing volstaat dat de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel “kan” berokkenen. 15. Verwerende partij betwist ten onrechte dat het dreigend verlies van een schooljaar te dezen geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel en a fortiori geen uiterst dringende noodzakelijkheid kan verantwoorden. De tweede en de derde schorsingsvoorwaarde zijn eveneens vervuld. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 8 oktober 2007 van de klassenraad van het tweede leerjaar van de tweede graad, Sport ASO, van het H.-Hartinstituut te Heverlee om Katrin Eyckmans een oriënteringsattest-B te verlenen “dat toelating geeft tot het volgend leerjaar behalve in economie-wiskunde ASO, Grieks-Latijn ASO, Grieks-wetenschappen ASO, Grieks-wiskunde ASO, Latijn-moderne talen ASO, Latijn-wetenschappen ASO, Latijn-wiskunde ASO, moderne talen-wiskunde ASO, wetenschappen-wiskunde ASO”. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. XII-5251-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig oktober 2007, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-5251-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.307 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.226 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div