id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.333 Rolnummer: A. 185458/XII-5241 Zaak: Arrest 176333 - Varia (onderwijs en cultuur) - 30/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-12 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 03:54 Fiche Arrest nr 176.333 van 30 oktober 2007 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK nr. 176.333 van 30 oktober 2007 in de zaak A. 185.458/XII-
- In zake : Boris RUDAKOV, die woonplaats kiest bij advocaat I. Staelens, kantoor houdende te Torhout, Bruggestraat 126 tegen : de VZW KATHOLIEK SECUNDAIR ONDERWIJS OOSTENDE, die woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46 bus 1 --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Boris Rudakov, minderjarige leerling vertegenwoordigd door zijn moeder Anjelina Rudakova als wettige vertegenwoordiger, op 11 oktober 2007 heeft ingediend om de nietigverklaring en de schorsing van tenuitvoerlegging bij uiterst dingende noodzakelijkheid te vorderen van de beslissing van 17 september 2007 van de delibererende klassenraad van het tweede jaar mechanica-elektriciteit van het Vrij Technisch Instituut te Oostende, waarbij hem een oriënteringsattest B is uitgereikt met clausulering voor ASO, TSO en KSO; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 18 oktober 2007 waarbij aan verzoeker het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend voor wat betreft de vordering tot schorsing; Gelet op de beschikking van 12 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 oktober 2007 om 11.00 uur, zitting waarop de zaak wordt uitgesteld naar de zitting van 25 oktober 2007 om 11.00 uur; XII-5241-1/20 Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgesteld door auditeur D. Mareen op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 23 oktober 2007 waarbij de terechtzitting over het beroep tot nietigverklaring bepaald wordt op 25 oktober 2007 om 11.00 uur; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van A. Rudakova en van advocaat I. Staelens, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat B. Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
- Verzoeker volgt tijdens het schooljaar 2006-2007 de lessen in het tweede jaar van de eerste graad, richting mechanica-elektriciteit aan het Vrij Technisch Instituut te Oostende. Hij behaalt op 26 juni 2007 een oriënteringsattest B met clausulering voor ASO-TSO-KSO. De delibererende klassenraad verwijst als motivering naar de onvoldoendes voor godsdienst (jaarresultaat 38%), Nederlands (47%) en lichamelijke opvoeding (L.O., 46%). Voor godsdienst en L.O. wordt een dalende evolutie vastgesteld. De klassenraad notuleert voorts : “geen motivatie voor zijn studies degressieve evolutie, zeker voor specifieke vakken”. XII-5241-2/20 1.
- De moeder van verzoeker doet het recht op overleg gelden, bedoeld in artikel 68 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (hierna : organisatiebesluit). Het gesprek met de directie heeft plaats op 3 juli
- Op 9 juli 2007 deelt de directeur aan de moeder van verzoeker mee dat hij “de elementen die u hebt aangebracht” aan de delibererende klassenraad wil voorleggen. Daarom roept hij deze samen op 31 augustus
- 1.
- Op 31 augustus 2007 beslist de delibererende klassenraad het B- attest te handhaven. De motivering brengt opnieuw de tekorten voor godsdienst, Nederlands en L.O. in herinnering -ditmaal zonder de evolutie te vermelden- en stelt voorts : “- AV : 53%, SV : 69% ; TOT. : 57% - geen motivatie voor zijn studies in het algemeen, neemt kansen niet aan - 3de trimester 9% achteruit voor specifieke vakken - kan met dergelijke studiehouding niet met succes in een 3de jaar TSO”. 1.
- Nadat de moeder van verzoeker laat weten het nog altijd niet eens te zijn met het toegekende attest, wordt zij uitgenodigd om te worden gehoord door de beroepscommissie op 7 september 2009 en er haar argumenten persoonlijk toe te lichten. Uit het verslag van die hoorzitting blijkt dat de beroepscommissie kennis heeft genomen van de volgende bezwaren van verzoeker : - de lerares godsdienst is racistisch ingesteld, het verband tussen dit vak en de richting mechanica is niet te zien, verzoeker is voorts niet katholiek, - de kleine onvoldoende voor Nederlands is begrijpelijk aangezien verzoeker anderstalig is, - voor L.O. is verzoeker enkele keren niet gaan zwemmen wegens een allergie van de ogen maar na aankoop van een zwembril was het probleem van de baan, - het is onterecht met zulke kleine onvoldoendes zo een zwaar attest te geven, verzoeker kan zeker de richting TSO aan want in zijn rapport is evolutie in algemene vakken heel goed merkbaar, - het zwakke tweede trimester heeft als oorzaak problemen thuis, in het derde trimester heeft verzoeker zich herpakt, de problemen zijn ook opgelost zodat hij zich in een derde jaar meer zal inzetten, XII-5241-3/20 - verzoeker verdient de kans om over te gaan en hij moet zelf de verantwoordelijkheid er voor dragen indien hij daar toch zou mislukken, verzoeker moet de kans krijgen die hij verdient. De beroepscommissie adviseert vervolgens om de delibererende klassenraad samen te roepen om de bestreden beslissing opnieuw te overwegen. Dit advies steunt zij op volgende vaststellingen : “- taalachterstand is begrijpelijk en werkt ook door in het vak godsdienst - attitudeprobleem zal niet opgelost worden door te verwijzen naar beroepsonderwijs, wel aanraden dat betrokkene contact neemt met leerlingenbegeleiding voor ombuigen naar positieve perceptie en werkhouding”. Op 12 september 2007 neemt de raad van bestuur kennis van het advies van de beroepscommissie en notuleert daarover nog de volgende toelichting : “Boris is afkomstig uit het voormalige Oostblok. Het gezin leeft in moeilijke omstandigheden (de vader heeft het gezin verlaten). Dit heeft een weerslag op de leerling. Hij heeft 3 tekorten: Nederlands, Godsdienst. Wat dit laatste vak betreft: Boris is Russisch-Orthodox, om dit vak te volgen is er een goed taalgevoel vereist. De beroepscommissie stelt geen gebrek aan motivatie vast voor Nederlands en Godsdienst. De moeder van Boris voelde aan dat hij gepest werd door leerlingen en leerkrachten. Ze noemde de leerkrachten ‘racistisch’. Dit was gebaseerd op een uitspraak van een leerkracht, die wellicht fout geïnterpreteerd werd door een gebrek aan kennis van de Nederlandse taal. Boris geeft geen blijk van een negatieve ingesteldheid, maar heeft een underdoggevoel. Zijn tegenstand tegen het vak LO ligt voor een stuk in de weigering om een zwembril te kopen. Advies van de commissie: overschakelen naar BSO zal de negatieve houding niet oplossen. Hij heeft geen onvoldoende voor technische vakken”. De raad van bestuur verklaart akkoord te gaan met dit advies en beslist de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. Op 13 september 2007 wordt verzoeker met aangetekend schrijven verwittigd dat de delibererende klassenraad zal vergaderen op 17 september
- 1.
- Met de thans bestreden eindbeslissing van 17 september 2007 blijft de delibererende klassenraad er bij om aan verzoeker een B-attest te geven met clausulering ASO-TSO-KSO. Hij refereert andermaal aan de drie tekorten godsdienst-Nederlands-L.O. en notuleert voorts : XII-5241-4/20 “- De tekorten voor Nederlands en Godsdienst zijn niet in de eerste plaats te wijten aan taalachterstand, aangezien Boris op examens niet zozeer faalde in inzichtsvragen, maar voornamelijk op kennisvragen. - Zowel voor Nederlands, Godsdienst als L.O. faalde Boris door gebrek aan inzet. Met een dergelijke inzet en resultaten heeft hij weinig kans het derde jaar TSO met vrucht te volgen. - Aangezien Boris tekorten heeft op algemene vakken, is een clausulering naar een andere TSO-richting (of ASO/KSO) niet opportuun. Aangezien er voor de specifieke vakken geen tekorten zijn, is een 3de BSO de meest aangewezen richting voor Boris, wat dan ook aangeraden wordt”. Deze beslissing wordt op 19 september 2007 aan verzoeker aangezegd. De procedure
- Het lid van het auditoraat, belast met het onderzoek van de zaak, heeft geoordeeld op zicht van het inleidend verzoekschrift, de nota met opmerkingen van de verwerende partij en het administratief dossier, dat het geschil kan worden beslecht met korte debatten, als bedoeld in artikel 93 van het algemeen procedure- reglement. Zij heeft dienovereenkomstig verslag opgesteld en geconcludeerd tot de gegrondheid van het beroep. Verwerende partij verzet zich niet tegen de behandeling van het beroep met korte debatten. Ten gronde Stelling van de partijen
- In een enig middel voert verzoeker de schending aan van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name de schending van de motiveringsplicht, het evenredigheidsbeginsel en de zorgvuldigheidsplicht. Volgens verzoeker is het bijzonder vreemd - zelfs kennelijk onredelijk- dat zijn inzet een reden kan zijn om hem een B-attest te geven nu hij een jaartotaal haalt van 31/40 op gedrag. Evenzeer is het vreemd dat een eindresultaat voor specifieke vakken van 69% een aanleiding kan zijn om hem te oriënteren naar het beroepsonderwijs. In de juni-deliberatie wordt naar de minieme tekorten op de algemene vakken zelfs niet verwezen. XII-5241-5/20 De klassenraad gebruikt in zijn achtereenvolgende beslissingen andere en zelfs tegenstrijdige motieven. Op 31 augustus 2007 is het achteruitgaan voor de specifieke vakken reden om een B-attest te geven en te oriënteren naar het beroepsonderwijs, op 17 september 2007 is het feit dat er géén tekorten zijn voor de specifieke vakken reden om hem naar die richting te oriënteren. Het is niet ernstig enkel te kijken naar de achteruitgang met 9% in het derde trimester voor de specifieke vakken, aangezien verzoeker voor de algemene vakken in datzelfde trimester 13% vooruitging. Dit laatste wordt zonder enige motivatie buiten beschouwing gelaten, terwijl het onmiskenbaar aantoont dat verzoeker in het TSO thuishoort. De beroepscommissie heeft aangegeven dat een attitudeprobleem niet wordt opgelost door verwijzing naar het beroepsonderwijs. Van de klassenraad mocht dan ten minste worden verwacht, ingeval hij van mening bleef een B-attest te moeten uitreiken, in de nieuwe beslissing de gegevens te vermelden waaruit blijkt dat hij pas tot de bevestiging van zijn eerdere beslissing is gekomen na het argument omtrent het attitudeprobleem ernstig en accuraat te hebben onderzocht, quod non. Verzoeker verwijst nog naar artikel 5, § 5, van het organisatie- besluit, dat de klassenraad oplegt zich door de concrete gegevens van het dossier van de leerling te laten leiden.
- Verwerende partij antwoordt op het enig middel in de nota met opmerkingen als volgt : “IV.
- De verzoekende partij poneert dat de motiveringsplicht zou geschonden zijn, dat het evenredigheidsbeginsel zou geschonden zijn en dat de zorgvuldigheidsplicht zou geschonden zijn. IV.
- Het komt de verzoekende partij toe om aan te geven waarom een bepaalde rechtsregel zou geschonden zijn. De verzoekende partij geeft aan waarom de motiveringsplicht zou geschonden zijn. De verzoekende partij geeft niet aan waarom het evenredigheidsbeginsel zou geschonden zijn. De verzoekende partij geeft ook niet aan waarom het zorgvuldigheidsbeginsel of, zo gewenst, de zorgvuldigheidsplicht zou geschonden zijn. Bij gemis aan uitwerking waarom deze rechtsregelen zouden geschonden zijn, is het verzoek deels onontvankelijk. XII-5241-6/20 In de mate er verwezen wordt naar het evenredigheidsbeginsel en in de mate er verwezen wordt naar de zorgvuldigheidsplicht, is de vordering onontvankelijk. IV.
- De verzoekende partij poneert dus dat de motiveringsplicht zou geschonden zijn. Het is niet steeds even duidelijk op te maken of de verzoekende partij nu van oordeel is dat de formele motivering niet naar behoren is verlopen dan wel dat de verzoekende partij van oordeel is dat niet is voldaan aan de materiële motiveringsplicht. Er wordt in elk geval niet verwezen naar de formele motivering en er wordt ook niet verwezen naar een rechtsregel die de formele motivering oplegt. Want dit kan niet als een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur aanzien worden. Dit is van belang omdat bepaalde overwegingen van de verzoekende partij het klaarblijkelijk eerder hebben over formele motivering, andere dan klaarblijkelijk weer eerder over materiële motivering. Bij gemis aan aanduiding van een rechtsregel die tot formele motivering noopt, kunnen overwegingen die ertoe strekken om uit te werken dat er niet naar behoren formeel zou gemotiveerd zijn, geen ernstig middel schragen. Waar er geen rechtsregel is ingeroepen die formele motivering oplegt, zijn uitwerkingen m.b.t. een formele motivering niet dienstig. IV.
- Eén van de schragende motieven van het besluit van de delibererende klassenraad om een B-attest te verlenen is de volgehouden vaststelling en motivering dat het gebrek aan studie-inzet van verzoeker het onmogelijk maakt om het derde jaar T.S.O. met vrucht te volgen. Dit motief wordt als zodanig niet tegengesproken maar de verzoeker verwijst een aantal maal in het verzoekschrift naar de gedragspunten. De quotering van de gedragspunten heeft echter niets te maken met het gemis aan inzet om te studeren, de wil om iets te kennen en onder de knie te krijgen. De gedragskaart heeft enkel en alleen te maken met orde en tucht. Het schoolreglement voorziet onder ‘3.
- Orde- en tuchtreglement’ ook in een regelgeving m.b.t. ‘3.3.
- Gedragskaart’. Het schoolreglement voorziet ter zake in volgende regelgeving: ‘3.3.
- Gedragskaart Via een correcte registratie en een adequate reactie willen we de leerlingenbegeleiding verbeteren. Daarom werken we met de ‘Gedragskaart’. De procedure verloopt via het pedagogisch team. Elke opgelegde straf wordt in de schoolagenda genoteerd of via een brief aan de ouders bekend gemaakt. In het begin van elk semester start de leerling met 20 gedragspunten. Er kunnen strafpunten in mindering gebracht worden: - in geval van onaangepast gedrag (uit de klas gezet worden, verbale of niet- verbale agressie, stelen, vandalisme …) kan het pedagogisch team 1 of meer punten in aftrek brengen. XII-5241-7/20 - te laat komen (zonder geldige reden) kost 1 punt - een klassenleraar of –raad kan bij een optelling van verschillende straffen of opmerkingen van collega’s 1 punt in aftrek laten brengen of een weekendwerk laten opleggen. - een weekendwerk kost 1 punt of 0 punten. - over de middag de school verlaten zonder toelating levert een weekendwerk op met mindering van 1 gedragspunt, gebeurt dit meermaals dan krijg je strafstudie met een mindering van 2 punten. - een strafstudie kost 2 punten – ouders worden op de hoogte gebracht - een schorsing binnen of buiten de school kost 4 punten - bewuste verbale en/of fysieke agressie zijn zware vergrijpen waarvoor zware straffen (strafstudie of schorsing) uitgesproken kunnen worden - niet aanwezig zijn op de strafstudie (tenzij omwille van dringende of wettige reden: ziekte, overlijden familie, plaatsing door rechtbank, opname …) is automatisch schorsing en kost dus 4 punten. Zodra het totaal aantal punten gezakt is tot 12 (of door omstandigheden minder) word een opvolgingscontract (= vorm van begeleidingscontract) opgemaakt. De duur en inhoud zijn te bepalen door het pedagogisch team. Op dat moment worden de ouder(s), voogd of meerderjarige leerling op school geïnviteerd voor een gesprek. Dit gespek is een belangrijke formele stap in het begeleidingsplan. Zo de leerling de periode van het opvolgingscontract positief doorloopt, kan hij eventueel na evaluatie door het pedagogisch team opgewaardeerd worden met maximaal twee gedragspunten. Bij een negatieve beoordeling van het opvolgingscontract worden de gedragspunten tot 6 herleid. De leerling krijgt dan een pedagogisch contract. Op dat moment worden de ouder(s), voogd of meerderjarige leerling opnieuw op school geïnviteerd voor een gesprek. Dit gesprek is niet vrijblijvend en is de eerste stap in een tuchtdossier. Komt de leerling deze periode gunstig door, kan hij / zij op school blijven en moet het tekort aan punten gedurende het tweede halfjaar opgehaald worden. In geval van een uitzonderlijke vooruitgang kunnen de gedragspunten na een pedagogisch contract opgewaardeerd worden. Komt de leerling deze periode niet gunstig door dan wordt het aantal beschikbare punten herleid tot nul, worden de ouder(s), voogd of meerderjarige leerling verwittigd en wordt een definitieve uitsluiting uitgesproken. De directeur zal deze definitieve uitsluiting behandelen zoals besproken in het tuchtreglement van het schoolreglement. Het tweede semester start de leerling terug van 20 punten en herhaalt zich de bovenstaande procedure. Heeft de leerling op het einde van het schooljaar een globale onvoldoende ( 20/40), dan wordt hij / zij eind juni besproken in een speciale klassenraad. Het resultaat kan zijn dat de leerling het volgende schooljaar en het schooljaar daarop niet meer ingeschreven wordt. De school zal de ouder(s), voogd of meerderjarige leerling hiervan schriftelijk inlichten. Dit gebeurt via de procedure ‘Definitieve uitsluiting’ op datum van 1 september.’ Overeenkomstig dit reglement behield verzoeker op het einde van het eerste semester 18 van de 20 punten, op het einde van het tweede semester 13 punten. Het heeft weinig zin dat verzoeker het erover heeft een hoog percentage te hebben behaald – daar heeft het niets mee te zien. Er kan enkel en alleen vastgesteld worden dat het aantal punten gedrag in het tweede semester gedaald was tot net boven de 12 waar er een opvolgingscontract of begeleidingscontract moet worden opgemaakt. Loftrompetten lijken hier niet aangewezen. Maar dit is niet de essentie; de essentie daaromtrent komt erop neer dat die gedragspunten vreemd zijn aan de motieven die door de XII-5241-8/20 delibererende klassenraad zijn ingeroepen. Er is niet gemotiveerd m.b.t. gedrag, orde of tucht maar er is gemotiveerd m.b.t. een globale studiehouding. Er is gemotiveerd m.b.t. een gemis aan elementaire ernst en inzet waardoor het voor verzoeker niet mogelijk is om het derde jaar met succes af te leggen. Elke verwijzing naar de puntengedragskaart is dus volstrekt irrelevant. IV.
- Bij de toetsing of het materieel motief aanvaardbaar is, moet er natuurlijk de meeste aandacht worden opgebracht voor de zeer ruime discretionaire bevoegdheid van de delibererende klassenraad. De delibererende klassenraad zal zich effectief overeenkomstig art. 5 § 5 organisatiebesluit laten leiden door de concrete gegevens m.b.t. de scholier. Dit dossier is niet beperkt tot resultaten van proeven, toetsen of examens die door de leraars werden afgenomen. Daarbij kan perfect rekening worden gehouden met een algemene attitude van gemis aan zelfs maar minimale inzet. Daarbij kan er, moet er zelfs, perfect prospectief worden geredeneerd. Het gaat in het secundair onderwijs niet om een puur rekensommetje of men al dan niet, desgevallend met de hakken over de sloot, een bepaald percentage heeft behaald. Er wordt een globale beoordeling gemaakt, waarbij er precies wordt geoordeeld welke studierichting er in de toekomst kan worden aangevat. Er dient geconstateerd te worden dat er ter zake sprake is van een volstrekt ander onderwijskundig paradigma dan het paradigma inzake het hoger onderwijs. Maar dit is effectief zo. Ter zake dergelijke regels en ter zake dergelijke pedagogische paradigma’s, kan er bij juridische toetsing alleen maar worden nagegaan of er niet kennelijk onredelijk is gehandeld door de delibererende klassenraad. Cfr. daaromtrent onder meer R.v.St. 8 oktober 2002, Hofmans, T.O.R.B. 2002 – 2003, 207: ‘Overwegende dat de Raad van State zich niet in de plaats van de delibererende klassenraad kan stellen voor de beoordeling van de examenresultaten en van de geschiktheid van de leerling om het volgende jaar aan te vatten, vermits het alleen aan de delibererende klassenraad toekomt om die keuze te maken; dat de Raad van State verzoekster derhalve niet kan beschermen tegen strenge of onredelijke beslissingen; dat een beoordeling door de delibererende klassenraad voor onwettig kan worden gehouden indien blijkt dat die beslissing niet gedragen kan worden, in rechte of in feite, door de ervoor ingeroepen motieven of indien het om een beslissing gaat waarvan het niet denkbaar is dat enige zorgvuldig handelende klassenraad ze zou kunnen nemen; dat de Raad te dezen echter prima facie aanneemt dat de opgegeven motieven niet worden tegengesproken door de gegevens van het administratief dossier én dat ze kunnen verantwoorden dat aan een leerling een C-attest wordt uitgereikt; dat de Raad in de huidige stand van de procedure ook aanneemt dat een beslissing om een oriënteringsattest C uit te reiken waarbij de bevoegde klassenraad oordeelt dat de leerling niet in staat is het volgend schooljaar met redelijke kans op succes aan te vatten noodzakelijk impliceert dat hij op dezelfde gronden ook oordeelt dat een A-attest met een waarschuwing niet aangewezen is; dat de opgegeven motieven bijgevolg afdoende lijken te zijn om de bestreden beslissing te schragen;’ Zo valt er niet in te zien waarom er niet in redelijkheid, a fortiori bij gemis aan kennelijke onredelijkheid, door de delibererende klassenraad zou kunnen geoordeeld worden dat een scholier die drie onvoldoendes heeft, die een laag percentage heeft en die geen degelijke studiehouding heeft, in het derde jaar T.S.O. niet zal slagen, desgevallend wel in het derde jaar beroepsonderwijs. In het verzoekschrift worden er geen elementen aangereikt om dit te poneren. XII-5241-9/20 IV.
- De verzoekende partij poneert ook volkomen ten onrechte dat de delibererende klassenraad andere en zelfs tegenstrijdige motieven heeft gebruikt. En in tegenstrijd daarmee poneert de verzoekende partij dan dat er niet afdoende zou zijn geantwoord op de bevindingen van de Interne Beroepscommissie. De verzoekende partij mag niet uit het oog verliezen dat het organisatiebesluit er inderdaad in voorziet dat er gepoogd wordt om zo veel mogelijk discussies en problemen intern op te lossen. Er wordt voorzien in een feitelijk vrij complexe procedure van interne beroepen. Maar anderzijds dient – precies omwille van de zeer ruime discretionaire bevoegdheidsruimte van de delibererende klassenraad – het eindoordeel uiteindelijk te worden genomen door de delibererende klassenraad. Bij een pedagogisch systeem waar er niet puur mathematisch wordt afgerekend maar waarbij krachtens alle gegevens er prospectief wordt gedelibereerd, is het evident dat de jurist bij de toetsing een zeer grote discretionaire bevoegdheidsruimte laat voor de delibererende klassenraad. Niet enkel heeft men dus te maken met een discretionaire bevoegdheid, bovendien impliceert de pedagogische optie van de regelgever dat de delibererende klassenraad het laatste woord heeft en dat enkel een kennelijk onredelijk woord niet zou kunnen aanvaard worden door de jurist. De interne procedures impliceren dat er bij de motivering uiteraard een zekere evolutie zich kan voordoen, waarbij er in zekere mate wordt gereageerd op opmerkingen, waarbij er wordt gereageerd op het advies van de Interne Beroepscommissie, enz. Het ware zelfs bevreemdend als de delibererende klassenraad zonder enige wijziging of reactie hetzelfde mantra zou herhalen. Zelfs een delibererende klassenraad die op het einde van de rit desgevallend volkomen andere motieven zou aanhalen dan in den beginne, zou daarom niet per definitie een delibererende klassenraad zijn die inconsistent handelt. Er zijn wel degelijk hypotheses denkbaar waar dit in redelijkheid aanvaardbaar zou zijn. Maar in casu is ook daarvan geen sprake. In casu kan enkel en alleen worden vastgesteld dat de delibererende klassenraad in den beginne een houding heeft aangenomen, die door alle interne administratieve betwistingen heen, volgehouden wordt, waarbij ook in zekere mate in repliek op de argumenten en adviezen, wordt gemotiveerd. Van onaanvaardbare andere motieven of van tegenstrijdige motieven is er dus precies geen sprake. IV.
- Als de principes zoals uiteengezet onder IV.
- concreet worden overlopen, dan kan het volgende worden geconstateerd. De verzoekende partij behaalt voor zijn algemene vakken over het gehele jaar 53 %. Dit is behoorlijk weinig en duidelijk beneden het klasgemiddelde van 61 %. Bovendien behaalt hij inzake de algemene vakken drie onvoldoendes, namelijk voor Godsdienst, Nederlands en Lichamelijke Opvoeding. Over het gehele jaar heen is er niet de minste aandacht of inzet opgebracht inzake Godsdienst, er is nooit 50 % behaald. XII-5241-10/20 Anderzijds doet verzoekende partij het veel beter inzake de specifieke vakken. Maar wat de specifieke vakken betreft is er dan wel een vrij spectaculaire terugval in het derde trimester. De delibererende klassenraad is er van uitgegaan, op overigens bijzonder consistente wijze, dat verzoeker niet voldoet inzake algemene vakken en dat dit niet voldoen het hem niet mogelijk maakt om het technisch onderwijs verder te volgen. Inzake specifieke vakken beschikt hij over veel meer vaardigheden wat hem zou moeten toestaan om het beroepsonderwijs met succes verder af te werken. Bij deze prospectieve deliberatie is de delibererende klassenraad ervan uitgegaan dat verder het volledige gemis aan motivatie van verzoeker voor zijn studies, het hem niet mogelijk maakt om het technisch onderwijs met succes te doorlopen. En dit gemis aan motivatie heeft geleid tot degressieve evolutie, zoals zelfs blijkt uit de degressieve evolutie inzake de specifieke vakken. Deze overtuiging van de delibererende klassenraad werd aangegeven bij de deliberatie van 26 juni 2007 met verwijzing naar de drie negatieve eindresultaten en met de motivering: ‘Geen motivatie voor zijn studies. Degressieve evolutie, zeker voor specifieke vakken’. Vervolgens heeft de verzoekende partij de directie medegedeeld niet akkoord te gaan. De motieven die daarbij ook schriftelijk op papier werden gezet, zijn veelzeggend. Men zag het verband niet in tussen Mechanica en Godsdienst. Daarover hoeven er geen theologische discussies te worden gevoerd in huidig geding maar de verzoekende partij moet de consequenties trekken uit het feit dat de verzoekende partij zich heeft ingeschreven bij een katholieke school. De verzoekende partij kent het schoolreglement. Als men meent dat men niet de minste intellectuele inspanning moet doen voor een bepaald vak, bevestigt dit zonder meer de stelling van de delibererende klassenraad dat niet de minste motivatie aanwezig is. Ter zake wordt er overigens in eerste instantie in casu een intellectuele inspanning gevraagd, die men dus weigert. Inzake Nederlands geeft men aan dat men anderstalig is en dat men het niet beheerst. Inzake L.O. werd er ook aangegeven dat er eerst feitelijk zonder meer werd geweigerd om te zwemmen. Ook hier bevestigt de verzoekende partij eigenlijk de bevinding dat niet de minste motivatie aanwezig is. Zwemmen behoort tot de kern van L.O. en het schoolreglement bevat zelfs afspraken over de zwemles. Er wordt ook aangegeven dat als er problemen zouden zijn in het derde jaar T.S.O., men daarvoor dan de verantwoordelijkheid zou dragen. Daarbij wordt natuurlijk uit het oog verloren dat er nu eenmaal prospectief kan gedelibereerd worden door de delibererende klassenraad. Er is dus vervolgens opnieuw gedelibereerd op 31 augustus
- Daarbij heeft de delibererende klassenraad opnieuw verwezen naar de drie onvoldoendes en heeft de delibererende klassenraad verwezen naar de zeer XII-5241-11/20 lage score algemene vakken. Er werd opnieuw aangegeven dat er geen motivatie bestond voor de studies in het algemeen en dat verzoeker zijn kansen niet aanneemt. Daarbij is nog eens verwezen naar de achteruitgang voor de specifieke vakken en is besloten: ‘Kan met dergelijke studiehouding niet met succes in het derde jaar T.S.O.’. De verzoekende partij mag niet uit het oog verliezen dat haar uiteenzetting allesbehalve van aard was om te poneren dat een andere studiehouding tot de mogelijkheden zou behoren of zelfs maar denkbaar zou zijn. De verzoekende partij heeft vervolgens de Interne Beroepscommissie gevat. De Interne Beroepscommissie wenste dat er opnieuw een delibererende klassenraad zou doorgaan waarbij de delibererende klassenraad dus effectief moest nagaan of de taalachterstand niet begrijpelijk zou zijn en of dit niet zou doorwerken in het vak Godsdienst. De Interne Beroepscommissie gaf ook aan dat het probleem van de studiehouding niet zou opgelost worden door een verwijzing naar het beroepsonderwijs en raadde ter zake aan om contact op te nemen met de leerlingenbegeleiding. Deze overwegingen zijn meegenomen door de delibererende klassenraad. De motivering op 17 september 2007 is dus per definitie niet volkomen gelijk aan de vorige motiveringen – er kan enkel en alleen worden vastgesteld dat de delibererende klassenraad haar houding heeft gehandhaafd en dat bij de uitwerking van de motivering ter zake, er is geantwoord op de bevindingen van de Interne Beroepscommissie. De delibererende klassenraad heeft op 17 september 2007 opnieuw vastgesteld welke vakken er onder de 50 % werden afgesloten. Inzake de taalbeheersing werd er overwogen: ‘De tekorten voor Nederlands en Godsdienst zijn niet in de eerste plaats te wijten aan taalachterstand, aangezien Boris op examens niet zozeer faalde in inzichtsvragen maar voornamelijk op kennisvragen’. Kortom, de stelling dat een en ander door taalachterstand omwille van meertaligheid zou moeten verklaard worden, werd op gemotiveerde wijze weerlegd. Verzoeker kende zijn stof inzake Nederlands en Godsdienst zonder meer niet. Hij had zonder meer geen inspanning opgebracht of hij kon het zonder meer niet verwerken. Dat een dergelijke motivering ook wordt gegeven in de delibererende klassenraad na het advies van de Interne Beroepscommissie, zoals bijgetreden door de Inrichtende Macht, is nogal evident. Daarbij werd nog zeer duidelijk toegevoegd: ‘Zowel voor Nederlands, Godsdienst als L.O. faalde Boris door een gebrek aan inzet’. Er werd verder gemotiveerd waarbij ook uiteraard werd ingegaan op het tweede motief van de Interne Beroepscommissie. XII-5241-12/20 Kan er iets gebeuren inzake inzet en zou een verwijzing naar CLB hier niet afdoende zijn? Neen, en dit werd gemotiveerd als volgt: ‘Met een dergelijke inzet en resultaten heeft hij weinig kans het derde jaar T.S.O. met vrucht te volgen. Aangezien Boris tekorten heeft op algemene vakken is een clausulering naar een andere T.S.O.-richting (of A.S.O./ K.S.O.) niet opportuun. Aangezien er voor specifieke vakken geen tekorten zijn, is een derde B.S.O. de meest aangewezen richting voor Boris, wat dan ook aangeraden wordt’. Kortom, de delibererende klassenraad gaf aan dat de motivering zo laag was dat een derde jaar niet kon. Eventuele CLB-verwijzingen zouden daar niets aan verhelpen. En hoe dan ook, de algemene vakken waren zo zwak dat een clausulering naar een andere T.S.O.-richting niet opportuun werd geacht door de discretionair oordelende delibererende klassenraad. Er werd wel verwezen naar het gemis aan tekorten voor de specifieke vakken wat impliceert dat een volgend jaar in het B.S.O., met lagere vereisten inzake algemene vakken, aangewezen was. Er is dus naar behoren overwogen en gemotiveerd. Daarbij is rekening gehouden met alle elementen die in de interne beroepsprocedure naar voor zijn gekomen. En daarbij is op geen enkele wijze tegenstrijdig of onaanvaardbaar gemotiveerd. IV.
- De delibererende klassenraad heeft in casu inspanningen opgebracht. Er is over verzoeker drie maal gedelibereerd. De directie heeft de zaak onderzocht en ook de Interne Beroepscommissie heeft de zaak onderzocht. Er mag dus niet geponeerd worden dat er niet met aandacht is gewerkt voor de verzoekende partij. Er mag niet verwacht worden dat een delibererende klassenraad essays schrijft. Dit is niet de taak van de delibererende klassenraad. A fortiori waar er geen rechtsregel wordt aangehaald die tot formele motivering zou nopen, is elke verdere overweging van de verzoekende partij ter zake volstrekt irrelevant. Maar hoe dan ook, de verzoekende partij weet perfect waarom de verzoekende partij geen A-attest maar een B-attest bekwam. IV.
- Ook m.b.t. de appreciatie specifieke vakken is er op geen enkel ogenblik een tegenstrijdigheid vast te stellen. Er is wel verwezen naar de degressieve evolutie ter zake omdat deze degressieve evolutie het gemis aan motivatie nog eens bevestigt. Maar er is natuurlijk vastgesteld dat verzoeker inzake de specifieke vakken voldoet. Dit maakt het hem mogelijk om het derde jaar B.S.O. aan te vatten. Er is dus niet voorzien in een C-attest maar in een B-attest. Van tegenstrijdigheden is er geen sprake. IV.
- Van gemis aan ernst en gemis aan onderzoek kan er geen sprake zijn als wordt nagegaan hoeveel energie en aandacht er aan verzoeker is besteed. Er is terecht zoveel energie en aandacht aan verzoeker besteed maar dan kan ook het omgekeerde niet worden gesteld door verzoeker. Ook het gemis aan inzet is overwogen en er is zonder meer bevonden dat hoe dan ook dit gemis XII-5241-13/20 aan inzet en studiemotivatie zo groot was, dat een derde jaar T.S.O. niet als mogelijk werd aanzien. De vraag of dit gemis aan inzet zal verholpen worden in B.S.O., kan een open vraag blijven, maar hoe dan ook is een derde jaar T.S.O. niet mogelijk. En daar gaat het in casu om”. Beoordeling van het middel
- De Raad van State moet eerst en vooral verzoeker corrigeren als hij beweert dat in de junideliberatie niet naar de tekorten voor de algemene vakken is verwezen. De motivatie van het B-attest vermeldt ook dan reeds de drie tekorten voor Nederlands, godsdienst en L.O., weze het dat voor de twee laatstgenoemde vakken onterecht van een dalende evolutie gewag wordt gemaakt. Vervolgens valt de Raad verwerende partij bij in haar verweer over de betekenis van de gedragspunten. De voorbeelden uit het schoolreglement tonen genoegzaam aan dat die gedragspunten het sanctioneren beogen van problemen van orde en tucht en in beginsel dan ook vreemd zijn aan de inzet en studiehouding van de leerling. In zoverre wordt het middel niet aangenomen.
- Verwerende partij schetst correct de omvang van het wettigheidstoezicht door de Raad van State. De Raad van State mag zich niet als beroepsinstantie in de plaats van de delibererende klassenraad stellen voor de beoordeling van de examenresultaten en van de geschiktheid van de leerling om het volgende jaar aan te vatten, vermits het alleen aan de delibererende klassenraad toekomt om die keuze te maken. De delibererende klassenraad beschikt daarbij over een -ruime- discretionaire bevoegdheid. De Raad van State kan verzoeker derhalve niet beschermen tegen strenge beslissingen, alleen tegen onwettige beslissingen. Een strenge beslissing kan door de betrokken leerling allicht als onredelijk of onbillijk ervaren worden. Het is ook niet uitgesloten dat een ándere delibererende klassenraad, op zicht van dezelfde gegevens en op grond van de hem toekomende beoordelingsbevoegdheid, evengoed binnen de grenzen van de wettelijkheid tot een ánder oordeel zou komen. XII-5241-14/20 Discretionaire bevoegdheid rijmt evenwel niet met willekeur. Een beoordeling door de delibererende klassenraad mag door de Raad van State voor onwettig worden gehouden indien blijkt dat die beslissing niet gedragen kan worden, in rechte of in feite, door de er voor ingeroepen motieven of indien het om een beslissing gaat waarvan gewoon niet te begrijpen valt hoe ze zelfs binnen die ruim geachte discretionaire bevoegdheid tot stand is kunnen komen : waarvan met andere woorden niet denkbaar is dat enige zorgvuldig handelende klassenraad ze zou kunnen nemen.
- Verwerende partij wordt eveneens bijgevallen in de stelling dat door de delibererende klassenraad wordt gedelibereerd, eensdeels, volgens “een volstrekt ander onderwijskundig paradigma dan het paradigma inzake het hoger onderwijs” : minder mathematisch en meer globaal en -zoals verzoeker overigens ook opmerkt waar hij verwijst naar artikel 5 van het organisatiebesluit- rekening houdend met de zeer concrete elementen die eigen zijn aan het specifieke dossier van de leerling en, anderdeels, dat ook “prospectief wordt gedelibereerd”. Meer nog, precies het “prospectief” onderzoek is in de voorliggende zaak in debat. Immers, verzoeker heeft een B-attest ontvangen, wat luidens artikel 39, 2/, van het organisatiebesluit in de eerste plaats betekent “dat de leerling het leerjaar met vrucht beëindigd heeft in de betrokken onderwijsinstelling en derhalve tot het volgend leerjaar mag worden toegelaten”. Dit betekent dat verzoeker, met de woorden van artikel 6quater van de zogenaamde schoolpactwet van 29 mei 1959, volgens de delibererende klassenraad “in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen, heeft bereikt” om “te kunnen overgaan naar een volgend leerjaar” en dat dienvolgens aan verzoeker als geslaagde leerling overeenkomstig artikel 43 van het organisatiebesluit het getuigschrift is uitgereikt van de eerste graad van het secundair onderwijs. Uit die vaststelling onthoudt de Raad van State alvast reeds dat de drie tekorten die verzoeker heeft behaald voor de algemene vakken godsdienst, L.O. en Nederlands voor de klassenraad géén reden waren om hem te beschouwen als een leerling die niet geslaagd is voor het tweede jaar van de eerste graad van het secundair onderwijs, wat dan immers zou hebben geleid tot de toekenning van een C-attest. XII-5241-15/20
- De op grond van het aangevoerde middel blijvend te onderzoeken vraag is dan of de delibererende klassenraad op voldoende zorgvuldige wijze, dit wil zeggen ten minste ook rekening houdend met de bezwaren van verzoeker, heeft onderzocht en vervolgens in de motieven onderbouwd waarom verzoeker, spijts geslaagd te zijn voor het tweede jaar, niet toegestaan kan worden om zijn studies voort te zetten in diezelfde studierichting. Zo de delibererende klassenraad een geslaagde leerling toch clausuleert voor een welbepaalde studierichting, dan vraagt verzoeker immers terecht dat uit de motieven van de bestreden beslissing moet blijken dat met alle elementen van zijn dossier is rekening gehouden. Nu aan een delibererende klassenraad geen voorspellende gaven kunnen worden toegedicht over de toekomstige studies van een leerling, moet hij zijn “prospectieve” beslissing om een B-attest uit te reiken des te meer steunen op de concrete en objectieve gegevens van het individuele dossier van de betrokken leerling. Een delibererende klassenraad die zijn noodzakelijk ook deels subjectieve oordeel over het gebrek aan redelijke slaagkansen van een leerling in een volgend jaar niet kan relateren aan de objectieve gegevens van het dossier -in het bijzonder de bagage waarover de leerling thans beschikt- zou de grenzen van zijn discretionaire bevoegdheid overschrijden. Verwerende partij betoogt in dit verband dat de klassenraad drie maal heeft gedelibereerd en geen “essays” moet schrijven. Zij verliest echter uit het oog dat precies het feit dat de klassenraad al tot drie maal toe opnieuw is moeten samen komen om zijn beslissing te heroverwegen en zijn motieven te verduidelijken, aanwijst dat vragen rijzen bij de eerst gegeven motieven en dat strenger moet worden toegezien op de motieven, die met grote zorgvuldigheid moeten worden veruitwendigd. Ook de aard van de prospectieve deliberatie moet een delibererende klassenraad tot grotere omzichtigheid in de motivering nopen. De Raad van State blijft voor deze zaak dan ook bij wat hij vroeger al heeft overwogen, in zijn arrest nr. 162.923, Parmentier, van 28 september 2006, te weten “dat een klassenraad [...] niet [...] bij de deliberatie over elke leerling een boek moet schrijven om zijn beslissing te verantwoorden; dat dit bezwaar precies wordt ondervangen door de in het organisatiebesluit opgenomen beroepsprocedure die, eerst via mondeling overleg en in voorkomend geval vervolgens met een advies van de beroepscommissie, een beslissing van het schoolbestuur of een nieuwe beraadslaging van de klassenraad, bij betwisting en enkel in dat geval de school moet brengen tot nadere explicitering van een oorspronkelijk misschien te beknopte en daardoor voor de leerling XII-5241-16/20 onaanvaardbare motivering; dat, met andere woorden, wil zij enig nut hebben, de bij het organisatiebesluit geregelde beroepsprocedure er in ieder geval op gericht moet zijn om de klachten en de argumenten van een leerling te onderzoeken; dat verzoekster dienvolgens ergens in de loop van de beroepsprocedure een antwoord op haar klachten diende te vinden; dat, zo het bestuur niet ‘stuk voor stuk’ élke grief moet beantwoorden, vooralsnog wordt aangenomen dat alleszins de motivering er blijk van moet geven dat die grieven in overweging zijn genomen en in de beoordeling betrokken en dat ten minste een uitdrukkelijke repliek volgt op de vragen die voor de leerling blijkens zijn beroepsschrift van wezenlijk belang zijn [en] die, mochten zij gegrond zijn, mogelijk tot een voor de leerling beter resultaat leiden”. 9.
- De Raad van State stelt vast dat de delibererende klassenraad de drie tekorten van verzoeker voor Nederlands, godsdienst en L.O. niet aanvoert als op zichzelf staande verklaring waarom verzoeker, weliswaar geslaagd zijnde in het tweede jaar, zijn studies mechanica-elektriciteit TSO niet in het derde jaar kan voortzetten, bijvoorbeeld wegens een gebrek aan noodzakelijke voorkennis voor elk van die welbepaalde vakken in het licht van het concrete curriculum van het derde jaar. Wél worden de drie tekorten tezamen genoemd als “tekorten op algemene vakken”, om de clausulering naar een andere TSO-richting uit te sluiten. Verzoeker mag zich met reden afvragen waarom precies die vakken, die overigens in elke richting voorkomen, determinerend kunnen zijn om een bepaalde richting te volgen of niet te volgen en hij vermocht van de klassenraad een nadere explicitering hiervan vragen. Zonder uitdrukkelijke explicitering is dat al minstens voor de vakken godsdienst en L.O. niet evident. Het tekort voor Nederlands is niet al te groot, zodat ook daar zonder bijkomende motivering niet dadelijk duidelijk is waarom verzoeker niet in staat zou zijn om een volgend jaar TSO aan te vatten. De delibererende klassenraad stelt overigens wel dat het tekort voor Nederlands niet “in de eerste plaats” is te wijten aan taalachterstand, maar sluit aldus niet uit dat taalachterstand niet geheel vreemd is aan het tekort. Met reden verwijst verzoeker voorts naar zijn rapport, waaruit blijkt dat hij voor de andere algemene vakken (Frans, Engels, wiskunde, biologie, aardrijkskunde, geschiedenis en muzikale opvoeding) wel geslaagd is, dat hij spijts de drie tekorten toch voor het geheel van die algemene vakken een jaarresultaat behaalt van 53% en dat, nu de XII-5241-17/20 klassenraad -naar het oordeel van de Raad terecht- aandacht heeft voor de evolutie van zijn resultaten tijdens het jaar, het als onbegrijpelijk verschijnt waarom met zijn beduidende vooruitgang met 13% van het tweede naar het derde trimester bij de algemene vakken geen rekening is gehouden. De Raad stelt vast dat, in strijd met wat nog werd geponeerd in de eerste klassenraadbeslissing van juni, die positieve evolutie ook significant is voor de drie in de beoordeling betrokken vakken: voor Nederlands en L.O. is verzoeker immers in het derde trimester wél geslaagd, met telkens 54%, en hij behaalt voor godsdienst 48 % (tegenover 38% in het eerste trimester en 28% in het tweede trimester). In het bijzonder wat L.O. betreft had verzoeker nog aangevoerd dat zijn moeilijkheden door de aankoop van een zwembril opgelost waren. In de bestreden beslissing blijkt geenszins dat al die elementen in de beoordeling zijn betrokken, en is op die bezwaren van verzoeker dan ook geen antwoord gegeven. 9.
- De drie tekorten voor de algemene vakken worden voorts aangevoerd om te onderbouwen dat verzoeker een “gebrek aan inzet” -inzet als hiervoor gezien te begrijpen als studiehouding- wordt verweten. Het “gebrek aan inzet” is in de bestreden beslissing evenwel in genen dele geconcretiseerd. Hiervoor is al opgemerkt dat, wat LO betreft, verzoeker in de bezwaarprocedure een uitleg heeft gegeven over zijn gebrek aan inzet waarop de klassenraad geen antwoord geeft. Wie voorts in staat is om voor de probleemvakken in het derde trimester positief te evolueren mag een nadere uitleg verwachten waarin de gebrekkige studiehouding wordt gezien. Of -en hoe- rekening is gehouden met het in de beroepsprocedure aangevoerde argument dat de zwakke resultaten van het tweede trimester voldoende vergoelijkt kunnen worden door huiselijke problemen en dat de oplossing van die problemen in het derde trimester voor verbetering hééft gezorgd en in het derde jaar zál zorgen, valt uit de gegeven motieven niet af te leiden. Evenmin is dadelijk te begrijpen hoe het falen door gebrek aan inzet, volgens de uitgeschreven beknopte motivering dan toch beperkt tot de drie vakken waarop een tekort is behaald, een afdoende obstakel is voor het vervolg van verzoekers studies in TSO. XII-5241-18/20 Ten slotte stelt de Raad vast dat niet wordt geantwoord op de essentiële door de beroepscommissie opgeworpen vaststelling dat een probleem van studiehouding niet zijn oplossing krijgt door te verwijzen naar het beroepsonderwijs. 9.
- Behalve het “gebrek aan inzet” verantwoordt ook de vaststelling dat er voor de specifieke vakken geen tekorten zijn, volgens de klassenraad de oriëntering naar het BSO. Waarom een clausulering voor TSO wordt gesteund op de vaststelling dat verzoeker géén tekorten heeft voor de aan die TSO-richting specifieke vakken (technologie mechanica-elektriciteit 73%, technologische opvoeding 69%, realisatietechnieken mechanica 60% en realisatietechnieken elektriciteit 70%) mag verzoeker terecht innerlijk tegenstrijdig vinden. 9.
- De klassenraad schrijft voorts dat verzoeker met zijn inzet en resultaten “weinig kans” heeft het derde jaar TSO met vrucht te volgen. Nog daargelaten of de toekenning van een B-attest niet voorbehouden moet worden voor de gevallen wanneer een klassenraad op basis van de concrete gegevens de overtuiging heeft dat een leerling “geen kans” heeft om het volgende jaar aan te vatten, en of de autonomie van een klassenraad met andere woorden zo ver reikt dat hij in geval van “weinig kans” de vrije studiekeuze uit handen van de leerling en zijn ouders mag nemen, vereist de motiveringsplicht in de voorliggende zaak alleszins dat uit de beslissing blijkt dat de klassenraad ook het door verzoeker voorgesteld alternatief -een overgang met waarschuwing en vakantiewerken- daadwerkelijk overwogen heeft, en dat hij uiteenzet waarom die oplossing wordt afgewezen. Dit is niet gebeurd. De klassenraad expliciteert al helemaal nergens om welke reden hij niet meegaat in de oplossing die de beroepscommissie aanreikt, namelijk door leerlingenbegeleiding betrokkene doen “ombuigen naar positieve perceptie en werkhouding”.
- De conclusie van de klassenraad dat verzoeker met “dergelijke inzet en resultaten” weinig kans heeft om het derde jaar TSO met vrucht te volgen is zonder nadere toelichting niet in eenklank met de resultaten die verzoeker heeft behaald voor de algemene vakken en voor de specifieke vakken. Uit wat voorafgaat blijkt ook dat op de voornaamste grieven van verzoeker geen antwoord is gekomen en dat van sommige van die grieven zelfs niet uit de beslissing is af te leiden of ze door de klassenraad in overweging zijn genomen. De motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel zijn in zoverre geschonden. Het middel is in de sub 9 besproken mate gegrond. XII-5241-19/20 De vordering tot schorsing
- De nietigverklaring van de bestreden beslissing heeft tot gevolg dat de door verzoeker ingediende vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geen voorwerp meer heeft. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 17 september 2007 van de delibererende klassenraad van het tweede jaar mechanica-elektriciteit van het Vrij Technisch Instituut te Oostende, waarbij aan Boris Rudakov een oriënteringsattest B is uitgereikt met clausulering voor ASO, TSO en KSO. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig oktober 2007, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5241-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.333 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.