id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.334 Rolnummer: A. 185554/XII-5249 Zaak: Arrest 176334 - Varia (onderwijs en cultuur) - 30/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-05 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:54 Fiche Arrest nr 176.334 van 30 oktober 2007 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Bevolen Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.334 van 30 oktober 2007 in de zaak A. 185.554/XII-
- In zake : Pieter VAN TRICHT, die woonplaats kiest bij advocaat J. Hendrickx, kantoor houdende te Antwerpen, Lange Lozanastraat 24 tegen : de VZW SINT-MICHIELSCOLLEGE SCHOTEN, die woonplaats kiest bij advocaten E. Van Der Mussele en Y. Vanden Bosch, kantoor houdende te Antwerpen, Stoopstraat 1, bus
- ----------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Pieter van Tricht, minderjarige leerling vertegenwoordigd door zijn ouders Lief Berckmans en Stefan van Tricht, op 22 oktober 2007 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de delibererende klassenraad van klas 22ECA1 van het Sint-Michielscollege dd. 28 augustus 2007” en van “de beslissing van de inrichtende macht gedateerd op 15 oktober 2007”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 22 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 oktober 2007, om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat Ch. Vangeel, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat E. Van der Mussele, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; XII-5249-1\28 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feitelijke gegevens van de zaak 1.
- Verzoeker volgt tijdens het schooljaar 2006-2007 het vierde jaar Economie-Moderne Talen aan het Sint-Michielscollege te Schoten. Op 28 juni 2007 worden de rapporten uitgereikt. Verzoeker krijgt een oriënteringsattest B met clausulering voor het ASO. De motivering luidt : “Gelet op de prestaties voor de vakken Duits en M.O. en de eindproeven chemie, Engels en geschiedenis zijn de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen onvoldoende bereikt en acht de delibererende klassenraad de leerling prospectief niet bekwaam om zinvol een volgend leerjaar aan te vatten in de geclausuleerde richtingen”. Voor het vak Duits behaalt verzoeker een jaartekort van 45%, voor M.O. (muzikale opvoeding) een jaartekort van 40%. Op de laatste proefwerken behaalt hij voor chemie 48% (jaartotaal 58%), voor Engels 45% (jaartotaal 53%) en voor geschiedenis 46% (jaartotaal 50%). 1.
- Op 29 juni 2007 volgt een gesprek over de clausulering met de directeur; er volgt nogmaals een gesprek op 2 juli
- De directeur ontvangt op die datum een uitgeschreven bezwaar dat verzoeker overweegt aan de beroepscommissie te richten. Op 3 juli 2007 deelt de directeur aan verzoeker mee dat hij bereid is “om uw argumenten, opgesomd in uw klacht, voor te leggen aan de delibererende klassenraad” die hij samenroept op 28 augustus
- Verzoeker heeft niettemin zijn brief van 2 juli 2007 alsnog met aangetekend schrijven verstuurd aan de beroepscommissie. Verzoeker verklaart hierover dat dit schrijven nooit werd afgehaald. Verwerende partij merkt op dat de zending eerst aan een verkeerd huisnummer is verstuurd, dat het dan wel naar het juiste adres wordt gestuurd en op de school wordt aangeboden op 24 juli 2007, maar XII-5249-2\28 dat ook die zending wegens de sluiting van de school tijdens de vakantie niet afgehaald is. 1.
- Op 28 augustus 2007 handhaaft de klassenraad het B-attest, met als motivatie luidens de notulen : “MO & Duits, MO en de eindproeven chemie, Engels en gesch. + MV3 zie ook argumentatie in bijlage”. Op 30 augustus 2007 deelt de directeur aan verzoeker mee dat de klassenraad de beslissing van juni opnieuw heeft bekrachtigd. Hij voegt in bijlage een “omstandige argumentatie, die geleid heeft tot deze bekrachtiging”. Die bijlage luidt : “Verantwoording Deliberatiebeslissing Pieter Van Tricht - 4EcA1 Schooljaar 2006-2007
- Algemene duiding. Op een deliberatie moet de klassenraad zich een breed beeld van het kind vormen, door alle beschikbare gegevens in ogenschouw te nemen: van de voorgeschiedenis, van de resultaten en hoe die bereikt werden dit jaar, van de begeleidende maatregelen, van de evolutie, van de uitgedrukte keuzes. De school maakt hierbij gebruik van een uitgebreid leerlingvolgsysteem. De delibererende klassenraad is dus juist verplicht om zo veel mogelijk gegevens te verzamelen en te gebruiken. Al deze informatie wordt gebruikt om de delibererende klassenraad toe te laten de wettelijk verplichte prospectieve deliberatiehouding aan te nemen om dan de deliberatievraag te beantwoorden: wordt de leerling bekwaam geacht om zijn studies verder te zetten in het volgende leerjaar ? In dit geval dus een vijfde jaar van het secundair onderwijs. Die vraag is positief beantwoord, want zowel een A als een B-attest betekenen dat de leerling geslaagd is. Pieter behaalde dus het getuigschrift van de tweede graad secundair onderwijs. Enkel een C-attest is niet geslaagd. Hij werd echter niet bekwaam geoordeeld om zijn studies verder te zetten in ASO. De ASO-richtingen in de 3de graad (een tiental) werden niet ingeschat als mogelijk, maar de vijftigtal TSO-richtingen zijn nog wel in theorie toegankelijk. De keuzeprocedure die vanaf februari liep (met informatie aan leerlingen en ouders, een keuzehandleiding, een informatie-opdracht, gevolgd door een proefkeuze, een advies erover en de uitdrukkelijke mogelijkheid tot oudercontact hierover) bood hier een tijdige opening om een gefundeerde keuze te maken. XII-5249-3\28 Het B-attest met uitsluiting ASO was hier aangewezen door het feit dat EcA (4 uur wiskunde) niet leidt tot combinaties met Latijn (of Grieks uiteraard) maar ook niet tot combinaties met wiskunde of wetenschappen. De enige logische weg in ASO, is een verderzetting in de richting economie-moderne talen. Uit de vakgebonden toelichtingen die volgen, blijkt duidelijk dat Pieter momenteel -in ieder geval op dit moment- als kansloos wordt ingeschat in een derdegraadsrichting met ‘moderne talen’ in de noemer. Dit gegeven, in combinatie met zijn slecht presteren in het totaalpakket leidde tot het toekennen van het attest met die clausulering. Ook in humane wetenschappen werd Pieter als kansloos ingeschat, denk aan de zwakke prestaties voor geschiedenis (over de hele 2de graad). In het schooljaar 2005-2006 ontving Pieter het advies : ‘Enkel slaagkansen in het volgende jaar mits dagelijkse inzet van meet af aan en tot het einde toe.’ We stellen vast dat hij op het DW1 nog een algemeen percentage van 68 % haalde, terwijl hij op de eindproeven 5 onvoldoendes haalde met een totaal percentage dat meer dan 10 % lager lag. De klassenraad heeft geen elementen gevonden om te menen dat iets deze negatieve evolutie het jaar erna zou stoppen. De piste ‘herexamen’ kon niet worden bewandeld. Een ‘herexamen’ als dusdanig bestaat niet meer in het secundair onderwijs. Scholen zijn verplicht om in principe op 30 juni een uitspraak te doen. In de plaats daarvan bestaan ‘toegevoegde proeven’, die mogen echter alleen worden gebruikt indien de klassenraad meent op 30 juni nog geen uitspraak te kunnen doen, omdat de klassenraad onvoldoende of tegenstrijdige gegevens te hebben. Vermits Pieter aan alle evaluatiebeurten heeft deelgenomen en de resultaten redelijk eenduidig waren (hierbij dient te worden verwezen naar de eenstemmigheid van de leden van de klassenraad) waren ‘toegevoegde proeven’ niet aangewezen. Samenvattend kan worden gezegd dat de delibererende klassenraad unaniem een beeld zag dat Pieter geen kans had in de 3de graad ASO. Voor een aantal vakken werd vastgesteld dat Pieter aan het maximum van zijn mogelijkheden zag ondanks voldoende inzet. Voor andere vakken werd niet de studiehouding vastgesteld die tot succes kon leiden in de theoretische studierichtingen die alle ASO-richtingen zijn.
- Vakoverschrijdende elementen Vooraf : de beslissing om Pieter een B-attest toe te kennen is een weloverwogen beslissing. De klassenraad heeft ruim zijn tijd genomen om van gedachten te wisselen en in eer en geweten geoordeeld. Dat de beslissing weinig gemotiveerd lijkt, heeft enkel te maken met de praktische omstandigheden van het ogenblik. Het is onbegonnen werk om bijna 900 beslissingen omstandig schriftelijk te motiveren. Naast een aantal vakgebonden elementen (die elders uitvoerig worden toegelicht) hebben ook een aantal vakoverschrijdende elementen een rol gespeeld tijdens het tot stand komen van de beslissing. XII-5249-4\28 Ten eerste: de globaal zwakke resultaten op de eindproeven (5 tekorten, waaronder 2 erg diepe). Gezien het gegeven dat in de derde graad van het ASO voor een groot deel van de vakken nog meer de klemtoon wordt gelegd op de proefwerken (evolutie naar een verhouding 30 - 70 of 20-80). Tijdens het derde trimester werden de leerlingen door de klastitularis herhaaldelijk op het belang van de eindproeven gewezen en ook de rapportcommentaar van de titularis bij DW5 stelde letterlijk : ‘De eindproeven worden nu wel heel belangrijk Pieter.’ Verder dient aangestipt dat de leerlingen bij de voorbereiding van de proefwerken enerzijds niet meer bij het handje worden genomen, anderzijds ook niet de jungle ingestuurd worden. Zo worden de leerlingen bij Kerstproeven planningsdocumenten en -schema’s aangeboden. Het staat de leerlingen, in hun groei naar zelfstandigheid, vrij deze documenten te gebruiken. Het aanbod bestaat echter en vanuit de school wordt al het mogelijke gedaan om het gebruik te stimuleren. Als vanzelfsprekend kunnen de leerlingen voor de eindproeven, alweer in hun groei naar zelfstandigheid, zelf soortgelijke documenten ontwerpen. Bovendien vormden ook de resultaten op de Kerstproeven een ernstig signaal. De school heeft niet nagelaten op dit signaal te reageren, getuige daarvan de commentaar van de titularis en de remediërende maatregelen n.a.v. deze proeven. Ten tweede : het ontbreken van een goede studiehouding. Daar waar Pieter aanvankelijk het schooljaar met een goede ingesteldheid gestart was (zie de resultaten en rapportcommentaren bij DW1) zagen we de motivatie en ingesteldheid gedurende de rest van het schooljaar afglijden. De sterke terugval in resultaten bij DW2 en een aantal rapportcommentaren hierbij, waren een eerste signaal in die richting. Zoals hierboven reeds aangehaald werd dit signaal versterkt door erg zwakke Kerstproeven. De hierboven aangehaalde remediërende maatregelen hebben een tijdelijke verbetering teweeg gebracht (zie de resultaten voor DW3 met uitzondering voor Duits). Vanaf dit moment werden door de school echter ook regelmatig signalen gegeven waaruit af te leiden valt dat de studiehoudïng en motivatie bij Pieter vaak te wensen over liet : • De vakcommentaren Duits en wiskunde bij DW3 • De vakcommentaren Duits, muziek en Wiskunde bij DW4 • De vakcommentaren Engels, Geschiedenis en Nederlands bij DW5 • De ordestudie van 1 juni voor Nederlands • De commentaar voor attituderapport 2 voor Nederlands Bovendien zagen we vanaf DW4 een duidelijke terugval in resultaten (Engels, muziek, Nederlands, ..), terwijl voor Duits de verhoopte kentering niet tot stand kwam. Voor de klassenraad is er een verband tussen die terugval en de vaak ondermaatse studiehoudïng. Terecht hecht de klassenraad bij de einddeliberatie veel belang aan die studiehouding. Immers in de derde graad zijn naast vakken met traditionele evaluatievormen (zie hierboven - belang van de proefwerken) ook vakken waarin alternatieve werkwijzen en evaluatievormen gehanteerd worden. Bv. in de vrije ruimte in onze school. In deze context wint een goede XII-5249-5\28 studiehouding (het respecteren van afspraken, het naleven van een strikt tijdsschema, het zelfstandig kunnen werken, ...) steeds meer aan belang.
- Vakgebonden motiveringen. Chemie Binnen het vak chemie wordt de leerstof progressief opgebouwd. Hierbij ligt in het begin van het schooljaar de nadruk eerder op kennis en reproductie. Naarmate het leerproces vordert, vergroot het aandeel van de inzichtelijke vaardigheden. Ook wordt er hoe langer hoe meer een beroep gedaan op een zelfstandige studiehouding, zowel tijdens de lessen als thuis. Na een goede start, zien we dat de punten van Pieter zowel voor DW V als voor de eindproef, onvoldoende zijn. Deze tendens is ook bij verschillende andere vakken merkbaar en biedt dan ook geen toekomst in een derde graad ASO. Duits. Duits is in het vierde jaar een nieuw vak dat traag op gang komt. Telkens wordt bij het behandelen van een nieuw grammaticaal onderdeel het vorige deel wat betreft naamvallen of werkwoordsvervoegingen herhaald. Dus in feite kan men steeds opnieuw aanpikken. Voor een vak van 2 uur in de week zijn er heel veel toetsen : Totaal dit jaar in 4EcA1: 22, waaronder 4 herhalingstoetsen en 18 kleinere toetsen die telkens over een beperkt gedeelte van de te kennen woordenschat gaan. Herhalingstoetsen worden aangekondigd, kleinere toetsen niet, maar door de hoeveelheid ervan, weten de leerlingen dat ze er minstens één in de week kunnen verwachten. Gedurende het eerste trimester haalde Pieter tijdens de eerste twee DW-periodes nog redelijke resultaten. Vanaf proefwerk 1 (Kerstmis) niet meer. Hieruit blijkt de moeilijkheid om een groter geheel te verwerken en de stof een plaats te geven. DW3 vormde een absoluut dieptepunt met 28 % Op het eindexamen Duits haalt Pieter over de hele lijn onvoldoendes, zowel wat vaardigheden als wat kennis betreft. Voor luisteren scoort hij zelfs het slechtst van de klas. Luisteren 10/30 Lezen 12/30 Schrijven 10,5/30 Woordenschat 25/60 Grammatica 24/60 Eindproef 38% Jaartotaal 45% Hij is ook de enige in de klas die voor het proefwerk over de hele lijn een tekort heeft. Hij heeft onvoldoende of niet gestudeerd, daardoor komen vele woorden misvormd op papier. Voor schrijven moest men enkel zinnen maken die in de loop van het jaar geleerd zijn (pure reproductie) Pieter laat veel open of verzint maar wat. Sommige zaken werden niet ingevuld. Voor dit vak heeft hij dus XII-5249-6\28 duidelijk weinig of geen bagage om aan een 5de jaar moderne talen te beginnen. Economie - Pieter scoorde zeer wisselvallig in de loop van het jaar DW1 80% DW 2 40% DW 3 62% DW 4 51% DW 5 35% (Kernbegrippen herhaling van het 3e jaar 3/15 !) -De leerkracht had de indruk dat hij geïnteresseerd was maar kon zelden op gestelde vragen antwoorden. Engels o Pieter scoort zwak voor alle proefwerken Engels. Er is ook duidelijk sprake van een negatieve evolutie. Op de eindproef haalt hij dan zelfs een tekort - kerstproef: 58% - paasproef: 53% - eindproef: 45% o Vanaf dagelijks werk 4 laat Pieter het dan helemaal afweten voor Engels. -Voor dagelijks werk 4 haalt hij 46% (Hij is enkel geslaagd voor een spreekoefening) -Voor dagelijks werk 5 haalt hij 44% (Hij slaagt voor geen enkele test; listening, reading,functional skills) Hij wordt gewaarschuwd en gemotiveerd o.a. via rapportcommentaar. DW5 : Jij behaalt een tekort voor elke test van dit DW (lezen, luisteren en kennis)?! Bereid je grondig voor op de eindproef Pieter! Laat zien wat je kan! o Bij de proeven is het zeer duidelijk dat het altijd het kennisgedeelte (functional skills) is waar Pieter het laat afweten. (Voor de vaardigheden weet hij zich nog redelijk uit de slag te trekken.) kerstproef: 33.5/90 paasproef: 36.5/80 eindproef: 20/60 Hieruit kan je afleiden dat hij zeker niet voldoende basiskennis Engels heeft om een vijfde jaar ASO moderne talen aan te vatten. o Vanaf de kerstproef heb ik hem gewaarschuwd voor zijn resultaten voor functional skills. Hier is echter nooit reactie opgekomen. Noch van Pieter zelf, noch van zijn ouders. - kerstproef: Opgelet voor functional skills, Pieter! Je behaalde 6/40 voor vocabulary?!Jij kan veel beter! Geniet van de feestdagen! - Paasproef: Je behaalde een tekort voor functional skills, Pieter! Je liet zelfs een hele oefening open?! Hier zal je een tandje voor moeten bijsteken! Zalig Pasen - - Eindproef: kennis: 20/60 - spreken (numbers): 0/20? Frans • Pieter scoort op de DW gemiddeld 61,8%, op de PW slechts 56% DW1 DW2 DW3 DW4 DW5 PW1 PW2 PW3 67 61 55 56 70 61 53 54 Trim. 1 Trim. 2 Trim. 3 Trim. 1 Trim. 2 Trim. 3 XII-5249-7\28 • Tijdens het eerste trimester behaalt Pieter mooie resultaten en is er een duidelijk evenwicht tussen DW (gemiddeld 64%) en PW (61%). • Vanaf het tweede trimester gaan Pieters resultaten omlaag, zowel voor DW (55%) als voor PW (53%). • Tijdens het derde trimester is er een groter verschil tussen DW (gemiddeld 63%) en PW (54%). DW5 valt hierbij op met 70%. Binnen de PW scoort Pieter beter op vaardigheden dan op kennis : kennis vaardigheden PW1 54% 66% PW2 50% 56% PW3 40% 63% • Opvallend is dat het kennisonderdeel bij elk PW achteruitgaat. • Ook bij de grote overhoringen gaan Pieters resultaten in dalende lijn: Récap 1 Récap 2 Récap 3 17,5/30 20/35 14,5/35 58% 57% 41% • CONCLUSIES : o Pieter krijgt het steeds moeilijker te hebben met grote gehelen (PW + récaps). o Het kennisgedeelte gaat erop achteruit => basis verdwijnt! • Pieter heeft wel altijd aandachtig en actief meegewerkt tijdens de les. Ik heb nooit de indruk gehad dat hij er de kantjes afliep. • Hij volgt al twee jaar op zeer regelmatige basis bijles en zet zich ook daar volledig in. YPieter is niet sterk in Frans en komt er, volgens mij, nét door hard te werken en efficiënte en continue begeleiding. Fysica Pieter haalde meestal redelijke resultaten gedurende het jaar behalve één onvoldoende tijdens het jaarwerk bij DW
- Dit was het gevolg van onvoldoende te studeren. Zie rapportcommentaar: ‘Foei!! Dit zijn aangekondigde testen. Herpak je met het proefwerk! Ik denk dat je tijdens de les veel aandachtiger moet worden.’ Bij kleinere gehelen lukt het meestal wel om voldoende te halen. Pieter scoorde zwak op de beide proefwerken. Bij proefwerk 1 behaalde hij 49% . Hij scoorde zwak op alle toepassingen van de basisleerstof en zeer zwak op die ene inzichtsvraag die maar aan bod komt bij een éénuursrichting fysica. Bijgevolg 49% halen op een proefwerk met voornamelijk basisleerstof is zwak. Het verwerken van grotere gehelen leerstof blijkt moeilijk te zijn. De remediëring na proefwerk 1(nl. afgeven van schriftelijke voorbereiding) werd maar 1 keer afgegeven. XII-5249-8\28 Proefwerk 2 behaalde Pieter 52%. Ook hier blijft hij zwak op de basisleerstof en zelfs zeer zwak scoren op het oplossen van vraagstukken en toepassingen. Ook hier blijkt dat het verwerken van grotere leerstofgehelen moeilijk is. Conclusie dat een jaartotaal van 53% zwak is als het over een éénuursvak gaat met alleen maar de minimale basisleerstof. Geschiedenis • Wanneer men overzicht van punten geschiedenis bekijkt is duidelijk te zien dat het probleem van Pieter zich voor dit vak situeert bij de proefwerken. Pieter slaagt voor alle DW. Voor de proefwerken is dit echter niet het geval: PR1 onvoldoende van 45%, PR2 onvoldoende van 46%. YPieter heeft het dus duidelijk moeilijk wanneer het gaat om de verwerking van grotere gehelen. Kleinere toetsen lukken nog wel, maar wanneer het gaat om de toetsing van meerdere hoofdstukken komt Pieter al vlug in de problemen. Dit probleem zal enkel nog duidelijker worden in de derde graad omdat juist hier de grote gehelen belangrijker worden alsook het procentuele aandeel van de proefwerken in het eindcijfer (70% t.o.v. 50% in de tweede graad). • Wanneer men gaat kijken bij toetsen en proefwerken waar het probleem zich situeert is het vooral te vinden bij de inzichtsvragen en synthesevragen. YZelf ben ik ook leerkracht in de derde graad en mag ik oordelen dat juist dit type van vraagstelling belangrijker wordt in het vijfde jaar. Loutere reproductievragen verdwijnen quasi en meer wordt de nadruk gelegd op inzicht en toepassingen. Juist hier ligt vooral het probleem. • Er werd duidelijk op voorhand gewaarschuwd in de vakcommentaar dat er zich op het einde van het jaar problemen kunnen voordoen. Twee citaten uit de commentaar bij PR1 en DW5 om dit te staven. Yvakcommentaar PR 1: ‘Je scoort op kennis (13/25) en inzicht (16/40) zwakke cijfers. Bovendien produceer je een zwakke synthesevraag (6/20). Ik zag je graag ook iets meer betrokken bij de lessen, Pieter. Probeer hieraan te werken in het tweede semester.’ Yvakcommentaar DW 5: ‘8/25 voor grote herhalingstoets, let op voor examen !’ Muzikale opvoeding Iedere leerling die de gevraagde inspanning voor dit vak levert, heeft zo goed als zekere slaagkansen. Voortdurende onvoldoendes zijn zo goed als steeds een XII-5249-9\28 gevolg van verwaarlozing, wat bijdraagt tot het algemene beeld van de studiehouding. Het vak muzikale opvoeding vindt in de 3de graad een gevolg in het vak esthetica. Nederlands Uit de toetsen en het proefwerk 1 en 2 (Pasen buiten beschouwing gelaten, want dat is een samenvatting schrijven) blijkt dat Pieter het moeilijk heeft met taken die gestudeerd moeten worden. Proefwerk 2 was wat beter wat dat betreft, maar het is toch niet overtuigend genoeg om gezien de andere resultaten voor de taakvakken een vrijgeleide te geven voor het 5de jaar. Eindproef 53 % Jaartotaal 51 % Onderdelen Spreken 18/30 Lezen 9/30 Literatuur 19,5/35 Taalbesch./taalstudie 22/35 Woordenschat Spraakkunst 3/14 Taaladviseur 28,5/46”. Verzoeker verklaart dit schrijven, aangetekend verstuurd op 31 augustus 2007, op 3 september 2007 te hebben ontvangen. 1.
- Op 6 september 2007 richt de vader van verzoeker een bezwaarschrift aan de beroepscommissie, op het privé-adres van haar voorzitter. Hij doet gelden wat volgt : “Bij deze wens ik, als vader, een beroep in te stellen tegen de beslissingen van delibererende klassenraad, waarbij mijn zoon Pieter (22ECA1) een B-attest kreeg met clausule voor ASO. In juni werd aan Pieter een B-attest toegekend. Na 2 gesprekken met de heer Vergauwen heb ik de Interne Beroepscommissie aangeschreven met een aangetekend schrijven van 2 juli
- Teneinde de directeur in staat te stellen onverwijld de inrichtende macht te informeren met het oog op een bijeenkomst van de interne beroepscommissie heb ik bij gewone brief van zelfde datum een kopie van de aangetekende brief aan hem bezorgd. De heer Vergauwen heeft hierop zelf het initiatief genomen om de delibererende klassenraad terug samen te roepen op 28 augustus 2007, en heeft mij dit gemeld met een (niet-aangetekende) brief van 3 juli. Deze delibererende klassenraad -ik moet er van uitgaan dat die geldig was samengesteld- heeft de beslissing van juni (en het toegekende B-attest) bevestigd. XII-5249-10\28 In het eerste aangetekend schrijven aan de interne beroepscommissie heb ik uitgelegd waarom ik de beslissing aanvecht als onjuist, onrechtvaardig, en gebrekkig gemotiveerd. In onderhavige brief herneem ik niet de integrale tekst van het aangetekend schrijven van 2 juli laatstleden. Ik voeg een kopie ervan in bijlage bij dit schrijven, en vraag dat U de inhoud ervan integraal als deel van dit schrijven wilt beschouwen. Bij deze hekel ik de gevolgde werkwijze en maak ik derhalve verder alle voorbehoud van mijn rechten. Ten eerste werd dit aangetekend schrijven niet afgehaald ter post : het werd mij door de post terug bezorgd op 28 augustus. Tevens zie ik een grove schending van discretieplicht door de directeur als ik vaststel dat er in de motivering van de beslissing van de delibererende klassenraad van 28 augustus door de directeur en/of de delibererende klassenraad geantwoord wordt op argumenten uit een schrijven dat niet aan hem/hen gericht is en ook niet voor hem/hen bedoeld is. De delibererende klassenraad blijft er van uitgaan dat in het licht van een prospectieve deliberatiehouding Pieter ‘niet bekwaam geoordeeld (wordt) om zijn studies verder te zetten in A.S.O..’ en dat hij onbekwaam moet geacht worden om met succes een derdegraadsinrichting ‘moderne talen’ aan te vatten. Ik citeer: ‘Samenvattend kan worden gezegd dat de delibererende klassenraad unaniem een beeld zag dat Pieter geen kans had in de 3e graad AS.O.’ Wat kan dit ‘beeld’ geweest zijn? Het gevaar van een ‘beeld’ is dat het subjectief is en naar willekeur zou neigen. Daarom worden er 8 pagina’s tekst geschreven om aan te tonen dat het beeld niet subjectief zou zijn. De argumenten kunnen niet overtuigen, de aangehaalde cijfers zijn onvolledig, en de gemaakte opmerkingen en besluiten zijn vaak fout, zoals hierna zal blijken. In de inleiding wordt de schijn gewekt dat Pieter negatief evolueert door te verwijzen naar een terugval met 10% van resultaten in vergelijking met het eerste rapport dagelijks werk. De goede resultaten van het eerste rapport dagelijks werk (meestal gaat het hier om herhalingen van het vorige schooljaar) tonen alleen aan dat Pieter de leerstof van het vorige schooljaar op een meer dan behoorlijke manier verwerkt heeft. Over de jaren heen lijkt Pieter eerder een regelmatige leerling vorig jaar behaalde hij een jaartotaal van 62% met een globale score op de eindproef van 59% ten opzichte van een mediaan van 58%. Dit jaar behaalt hij een jaartotaal van 57% met een globale score op de eindproef van 57% ten opzichte van een mediaan van 56%. Er worden 2 vakoverschrijdende argumenten aangereikt : - de globale zwakke resultaten op de eindproeven - het ontbreken van een goede studiehouding In mijn eerder aangehaald (aangetekend) schrijven van 2 juli heb ik uitvoerig besproken hoe en waarom er door de delibererende klassenraad te veel nadruk gelegd wordt op de eind-proeven, en hoe ook de jaartotalen ‘gewogen’ cijfers zijn, waarin deze eindproeven reeds een zwaarder gewicht hebben gekregen. XII-5249-11\28 In de mate dat het probleem zich slechts situeert bij de eindproeven, kan het toch zinvol zijn om een toegevoegde proef te geven om te testen of er sprake is van een probleem eigen aan het momentum van de eindproef, dan wel of er sprake is van een structureel probleem. Andere maatregelen (remediëring, waarschuwing, ...) werden niet in overweging genomen. Het argument van het ontbreken van een goede studiehouding kan echt niet ernstig genomen worden: ik verwijs hiervoor naar de 2 attituderapporten waarin de leerhouding van Pieter door alle leerkrachten als voldoende, en door de meeste leerkrachten zelfs als goed tot zeer goed wordt beoordeeld. Opmerkelijk hierbij zijn de veelal positieve commentaren op het tweede attituderapport (niet gedateerd). Vele argumenten die nu, post factum, uit het zgn. uitgebreide leerlingvolgsysteem worden gehaald blijken niet overeen te komen met de globale beoordeling, door de leerkrachten zelf, van Pieters leerhouding. En dan volgen de zgn. vakgebonden motiveringen Ter zijde : maar liefst 6 cijfers (percentages) stemmen niet overeen met het rapport. CHEMIE : Uit de behaalde cijfers blijkt minstens dat er zich totaal geen problemen hebben voorgedaan tot en met het paasexamen. De weergave is negatief gekleurd. De verwijzing naar andere vakken is niet relevant in een vakgeboden motivering. Deze fout wordt later nogmaals gemaakt in de vakgebonden bespreking van het vak Nederlands. DUITS : De analyse is correct. Pieter heeft vanaf het kerstexamen te slecht gepresteerd voor het vak Duits. Ik verwijs evenwel naar mijn schrijven van 2 juli. Het was voor de eerste maal dat Pieter Duits heeft gekregen. Met de betrokken leerkracht heeft het zeker niet ‘geklikt’. De leerkracht Duits is tevens de leerkracht Nederlands. ECONOMIE : Met een jaartotaal van 56% heeft Pieter bepaald goed gescoord voor dit vak. Het is bekend dat de leerkracht economie (mevrouw Maenhout) erg rechtlijnig en streng is. Dat Pieter zelden op de gestelde vragen kon antwoorden is een leugen: alle commentaren van deze leerkracht waren positief, met als eindbeoordeling : Goed gewerkt. Proficiat. Het lijkt niet denkbaar dat deze opmerking door de leerkracht economie werd neergeschreven. Wel integendeel doet deze opmerking vragen rijzen over de objectiviteit en de juistheid van de gegeven motiveringen. ENGELS : Voor Engels heeft Pieter nog een jaartotaal weten te halen van 53%, ondanks de zeer bedenkelijke wijze waarop het vak werd gegeven. Een totaal gebrek aan discipline werd gecompenseerd in toetsen en proeven. Voor de proefwerken 2 en 3 hebben belangrijk puntenverlies door onachtzaamheid hem toch niet de das omgedaan: bij de paasproef werd een vraag op de keerzijde van het examenblad niet gezien, bij de eindproef werd een mondelinge oefening XII-5249-12\28 (numbers) niet begrepen, wat door de leerkracht bedacht werd met een koele 0/
- Zou Pieter niet tot 100 kunnen tellen in het Engels? Men wil doen uitschijnen dat ook hier Pieter niet in staat zou zijn het volgende jaar aan te vatten, hoewel ook voor Engels blijkt dat Pieter behoorlijke scores haalt in de taalvaardigheden. Dit wordt in de omstandige (negatieve) motivering niet ontkend. De leerkracht hekelt tekorten in ‘functional skills’ waarmee geduid wordt op tekorten in kennis op een bepaalde proef, zoals vocabulaire. Ook de ouders worden in het verhaal betrokken. Moeten er van de ouders reacties komen op alle rapportcommentaren van leerkrachten zolang de jaartotalen geen tekorten vertonen? Ook hier worden de zaken behoorlijk op zijn kop gezet. Mogen wij als ouders geen expliciet verzoek verwachten van een leerkracht die een gesprek met de ouders wenselijk acht? FRANS : Ook hier wordt er getracht aan te tonen dat Pieter geen gehelen kan verwerken en hij dus maar onbekwaam moet geacht worden een volgend jaar aan te vatten: ondanks de fraaie resultaten worden hier analytische studies gemaakt om te komen tot besluiten waarvan kan aangenomen worden dat zij niet uitsluitend zijn genotuleerd door de leerkracht Frans. Deze analyse kan niet rond de sterke cijfers in vaardigheden over de 3 proefwerken heen. Ronduit potsierlijk is de redenering dat Pieter er nét komt door hard te werken en efficiënte en continue begeleiding en daaruit besloten wordt dat hij niet sterk is in Frans. Hier worden m.a.w. zijn volgehouden inspanningen tegen hem gebruikt! Pieter behaalde een fraai jaarresultaat van 58% (bij de betere van de klas) en een voldoende op alle cijfers van het rapport. FYSICA : Wisselende scores voor het vak fysica, maar negatief weergegeven en becommentarieerd zoals voor het vak chemie. Terecht wordt gesteld dat de behaalde scores op de proefwerken zwak zijn, hoewel Pieter bij de eindproef toch boven de mediaan eindigt en op jaarbasis een voldoende behaalt. Met een mediaan onder de 50% lijkt er niet alleen met Pieter is fout gelopen te zijn ! GESCHIEDENIS : De bespreking voor dit vak is niet gunstig voor Pieter. Toch is dit een van de weinige motiveringen (samen met het vak Duits) waar een coherente en juiste redenering wordt opgebouwd. Hoewel Pieter erin geslaagd is om op jaarbasis net een voldoende te halen, is het duidelijk dat geschiedenis zijn ‘ding’ niet is. Ook zwakkere resultaten tijdens vorige schooljaren hebben dit aangetoond. Pieter zal nooit een historicus worden ! MUZIKALE OPVOEDING : De opmerking bij de score op het vak muziek in het licht van het vak esthetica in de derde graad kan niet ernstig genomen worden. NEDERLANDS : zie mijn opmerking ten gronde als bij het vak chemie, en de opmerking bij het vak Duits. Opmerkelijk is het dat een aantal zaken niet aan bod komen in de gegeven motiveringen : XII-5249-13\28 - In de vakgebonden bespreking worden de resultaten van Pieter individueel bekeken. Een volledig beeld kan maar verkregen worden als deze resultaten ook geplaatst worden in een ruimer kader, te weten de resultaten van de ganse klas. Ook het klein aantal geslaagden met een A-attest (11 op 25 geslaagd, waarvan 4 bissers) is veel betekenend. - Er wordt in alle talen gezwegen over de malaise die er zich in de klasgroep heeft voorgedaan en de onmacht van de meeste leerkrachten hieraan iets te verhelpen, waarbij onmiddellijk dient onderstreept te worden dat het gedrag en de leerhouding van Pieter moeten geacht worden vreemd te zijn aan deze malaise (zie ook mijn brief van 2 juli) De quasi globale ‘remediëring’ van een verplichte avondstudie tijdens de eerste zes weken van het tweede trimester zijn een uitstekende illustratie van de onmacht van de leerkrachten. Ik citeer de klastitularis op het oudercontact na het eerste trimester ‘We moesten toch iets doen !’ - In de vakgebonden motiveringen wordt er niet gesproken over de behaalde resultaten voor de vakken aardrijkskunde en godsdienst: voor deze vakken heeft Pieter tekorten kunnen wegwerken met de eindproeven en dit na de opmerking op het rapport DW5 : ‘Voor verschillende vakken kan de balans nog in beide richtingen overhellen.’ - Dat het vak wiskunde en ook de eindbeoordeling van de leerkracht wiskunde, ‘Mooi zo Pieter’ onbesproken blijft is wel heel opmerkelijk. - Aansluitend bij de vorige opmerking, valt het op dat nergens in de argumentering verwezen wordt naar de eigen klastitularis, wiens stem -althans op papier- niet in het verhaal voorkomt. In mijn brief van 2 juli laatstleden heb ik reeds aangekaart dat wij als ouders niet vooraf werden verwittigd over de ernst van het dreigend gevaar voor een B- of C-attest. Vlak voor de laatste proefwerken werd er nog een oudercontact georganiseerd voor leerlingen met een dreigend B- of C-attest. Hierop werden wij niet uitgenodigd ... Ook in het tweede gesprek dat ik had met de heer Vergauwen nadat die het leerlingvolgsysteem had geraadpleegd (dit was niet gebeurd voor onze eerste afspraak), heb ik geen antwoord gekregen op deze fundamentele opmerking. De school is hier duidelijk in de fout gegaan, ook in de juridische zin van het woord. Kunnen we even trachten positief te denken? Zelfs uit de negatieve analyse die gegeven wordt blijkt dat Pieter goed is in vaardigheden voor Engels en Frans. Uit de gegeven analyses en motivering kan afgeleid worden dat Pieter klaar moet zijn voor deze taalvakken om met succes de derde graad aan te vatten. Op belangrijke vakken als economie en wiskunde behaalt Pieter mooie resultaten. Pieter behaalt ondanks een aantal problemen in de klas een jaartotaal van 57%, en ook 57% op de zo gehekelde eindproeven. Er blijven tekorten voor Duits en Muziek. Redelijkerwijs dient alleen het tekort voor Duits weerhouden te worden. Uiteraard is hier werk aan de winkel. Kan dit tekort, hoe belangrijk ook, een B-attest verantwoorden? XII-5249-14\28 Pieter werd vakkundig begeleid, niet alleen voor Frans zoals vermeld in de motivering, doch ook, zij het in mindere mate, voor Engels. Het systematisch volgen van bijles voor een aantal vakken is helaas voor de meerderheid van de leerlingen (in dit jaar) noodzakelijk gebleken. Dit is niet de gepaste plaats om hier belangrijke vraagtekens bij te plaatsen. Belangrijk is de overtuiging van de bijleraar, de heer J. Tourné die, zonder zich te willen uitspreken over het besluit van de delibererende klassenraad, op eigen initiatief aanbood zijn visie op de talenkennis van Pieter schriftelijk mee te delen. Zijn getuigenis vind U in bijlage. Last but not least, de vraag naar de intellectuele geschiktheid van Pieter om de 3e graad ASO aan te vatten. Graag verwijs ik naar een neuro-linguistisch onderzoek, uitgevoerd door mevr. P. Wackenier op 4 september
- Er werd een bovengemiddeld verbaal IQ (talig redeneervermogen ) van 119 vastgesteld: ook inprentingsgeheugen, concentratie en performantieel IQ (ruimtelijk, abstract redeneren) werden normaal bevonden. In bijlage laat ik U het integrale verslag geworden. Ik besluit : De behaalde resultaten zijn geen voldoende reden om -zelfs in een prospectieve deliberatiehouding- te besluiten tot een onbekwaamheid om de derde graad ASO aan te vatten. De intellectuele bekwaamheid blijkt duidelijk uit de wetenschappelijke bevindingen van het recent neuro-linguistisch onderzoek. Er kan geen sprake zijn van onvoldoende taalvaardigheden voor Frans en Engels. Ondanks de 8 pagina’s tellende verantwoording is de delibererende klassenraad er niet in geslaagd een correcte motivering te geven voor het verstrekte B-attest. Ik behoud mij dan ook alle rechten voor, en geef nu reeds mijn inzicht te kennen om alle stappen te zetten die mij wettelijk worden geboden, zo hetzij de beslissing, hetzij de motivering ervan niet op een meer correcte, overtuigende en gepaste wijze worden geformuleerd en gecommuniceerd. Bij voorbaat wil ik U danken voor de aandacht die U aan deze klacht wil schenken. Graag wil ik andermaal benadrukken dat ik er op sta om door de interne beroepscommissie gehoord te worden”. De voorzitter van de beroepscommissie antwoordt op 11 september 2007 per brief dat de klassenraad door het procedureverloop materieel niet meer kan worden samengeroepen voor 15 september, en dat het dossier door de beroepscommissie ingevolge haar vakantie niet voor 24 september behandeld kan worden. De raadsman van verzoeker protesteert hiertegen schriftelijk op 17 september
- 1.
- Verzoeker wordt opgeroepen om op 1 oktober 2007 te worden gehoord door de beroepscommissie. XII-5249-15\28 Diezelfde dag adviseert de beroepscommissie “dat het bijeenroepen van een nieuwe delibererende klassenraad voor Pieter Van Tricht, ondanks de nieuwe gegevens door de ouders voorgebracht, m.n. brief van 03/09/2007 van dhr. Touné, verslag van 04/09/2007 van mevr. P. Wackenier, neurolinguïste, niet opportuun is omdat dit niet zal bijdragen tot wijziging van de bestaande beslissing”. Van de samenkomst van deze beroepscommissie wordt een handgeschreven verslag overgelegd. Dit verslag geeft een chronologisch overzicht van de voorafgaande feiten, resumeert de uiteenzetting van verzoeker en resumeert de argumenten van de directeur om de klassenraad opnieuw te hebben samengeroepen op 28 augustus. 1.
- Op 15 oktober 2007 neemt de raad van bestuur akte van het advies van de beroepscommissie. Volgens het verslag van deze vergadering licht de voorzitter van de beroepscommissie dit advies toe, waarna zij de vergadering verlaat. Tevens “wordt kennis genomen van de beslissing van de klassenraad van 28/08/2007 en de bijlagen”. De raad van bestuur notuleert dat hij “de verschillende argumenten tot de [zijn] gemaakt [heeft]” en “het advies van de beroepscommissie [volgt]”. Diezelfde dag vertrekt een schrijven naar verzoeker, dat luidt : “De raad van bestuur heeft in zitting van 15 oktober 2007, na overleg en grondige bespreking, het advies van de beroepscommissie betreffende uw zoon Pieter Van Tricht gevolgd. De beroepscommissie adviseerde meer bepaald dat de deliberende klassenraad niet opnieuw diende te worden bijeen geroepen, gezien zij van oordeel is dat een juiste deliberatie geleid heeft tot een goede beslissing. Wij hielden eraan u hiervan in kennis te stellen. Gelet op de voorgeschreven procedure wordt huidig schrijven u per aangetekende en gewone zending verzonden”. XII-5249-16\28 De ontvankelijkheid en het voorwerp van de vordering
- De artikelen 68 en volgende van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (hierna: organisatiebesluit), laatst gewijzigd bij besluit van 7 september 2007, organiseren een beroep binnen de school tegen beslissingen van de delibererende klassenraad, dat moet worden uitgeput alvorens de Raad van State kan worden geadieerd. Die artikelen worden voor de goede orde in herinnering gebracht : “Afdeling
- - Beslissingen van de delibererende klassenraad over regelmatige leerlingen Art.
- In het geval de delibererende klassenraad een beslissing neemt die wordt betwist door de betrokken personen, kunnen deze drie werkdagen, volgend op de werkdag waarop hen die beslissing werd meegedeeld, het recht doen gelden op overleg met de afgevaardigde van de inrichtende macht of de voorzitter van de delibererende klassenraad of zijn afgevaardigde. Bij betwisting maken de betrokken personen hun redenen kenbaar. De afgevaardigde van de inrichtende macht of de voorzitter van de delibererende klassenraad of zijn afgevaardigde toont, aan de hand van het dossier van de betrokken leerling aan, dat de door de delibererende klassenraad genomen beslissing gegrond is. Art.
- De afgevaardigde van de inrichtende macht of de voorzitter van de delibererende klassenraad of zijn afgevaardigde kan na dergelijk overleg, indien nodig, de delibererende klassenraad zo spoedig mogelijk opnieuw doen bijeenkomen. Art.
- Onafgezien de al dan niet betwisting door de betrokken personen van de beslissing van de delibererende klassenraad, wordt de inrichtende macht steeds het recht voorbehouden de delibererende klassenraad opnieuw te doen samenkomen, teneinde een door de inrichtende macht zelf omstreden beslissing te heroverwegen. Afdeling
- - De beroepscommissie Art.
- Elke inrichtende macht bepaalt de samenstelling en de procedure van de beroepscommissie. Deze commissie bestaat evenwel minstens uit drie leden. Met uitzondering van de directeur, kunnen de leden van de delibererende klassenraad er geen deel van uitmaken. Art.
- De beroepscommissie is bevoegd voor de behandeling van de door de betrokken personen betwiste beslissing van de delibererende klassenraad. XII-5249-17\28 Een beroep kan slechts worden ingesteld na toepassing van artikel 68 en binnen een termijn van 5 werkdagen [lees, met ingang van 1 september 2007 : 3 werkdagen] nadat het in dit artikel bedoeld overleg heeft plaatsgevonden of, indien het desbetreffend overleg heeft geleid tot een nieuwe bijeenkomst van de delibererende klassenraad, binnen een termijn van 5 werkdagen [lees, met ingang van 1 september 2007: 3 werkdagen] nadat het resultaat van deze bijeenkomst aan de betrokken personen werd meegedeeld. Art.
- Het resultaat van het door de beroepscommissie uitgevoerd onderzoek wordt aan de inrichtende macht meegedeeld. Vervolgens beslist de inrichtende macht of de delibererende klassenraad wel of niet opnieuw dient samen te komen met het oog op het nemen van een definitieve beslissing. Art.
- Indien overeenkomstig artikel 73 de delibererende klassenraad opnieuw dient samen te komen om een definitieve beslissing ten aanzien van de betrokken leerling te nemen, dient dit te gebeuren uiterlijk op 20 september [lees, met ingang van 1 september 2007: 15 september] van het daaropvolgend schooljaar. De betrokken personen worden van deze beslissing, die dient gemotiveerd, onverwijld schriftelijk in kennis gesteld”. 3.
- Verwerende partij betoogt in de nota met opmerkingen, dat verzoeker de eerste beslissing van de klassenraad van eind juni niet heeft aangevochten en ze evenmin intern geldig heeft bestreden. Voorts werpt zij op dat de beslissing van de delibererende klassenraad van 28 augustus 2007 niet voor vernietiging vatbaar is, omdat het een loutere bevestigende beslissing is. Om diezelfde reden is de beslissing van 28 augustus 2007 volgens verwerende partij ook ten aanzien van de interne beroepsprocedure “geen beroepbare beslissing”. Tenslotte argumenteert zij dat het administratief beroep “niet rechtsgeldig en tijdig is aangetekend” omdat het was gericht aan een verkeerd adres. 3.
- De exceptie is ten dele gegrond, maar geenszins om de redenen die verwerende partij er voor geeft. 3.
- Verzoeker heeft vooreerst wel degelijk de junibeslissing van de klassenraad geldig bestreden, door als eerste procedurestap daartoe reeds daags na de uitreiking van de rapporten -en dus tijdig- het recht op overleg te doen gelden als bedoeld in artikel 68 van het organisatiebesluit. XII-5249-18\28 De klassenraad is vervolgens na het in artikel 68 van het organisatiebesluit bedoelde overleg opnieuw samengeroepen door de directeur, die deze bevoegdheid heeft krachtens artikel 69 van het organisatiebesluit. Tot een beroep bij de beroepscommissie is het op dat ogenblik gelet op artikel 72, tweede lid, van het organisatiebesluit dan ook terecht, zo lijkt, niet gekomen. De delibererende klassenraad heeft op 28 augustus 2007 kennis genomen van de toenmalige bezwaren van verzoeker en een nieuwe, gemotiveerde beslissing genomen die geenszins een louter bevestigende beslissing is. Uit artikel 72, tweede lid, in fine, van het organisatiebesluit blijkt dat het resultaat van deze bijeenkomst aan verzoeker moet worden meegedeeld en dat, ingeval hij er zich niet mee kan verzoenen, hij daartegen beroep kan -en moet- instellen bij de beroepscommissie. Zij is dus wel degelijk ook een beroepbare beslissing. De ontvangst van deze beslissing van de delibererende klassenraad door verzoeker op 3 september 2007 wordt door verwerende partij niet betwist. Verzoeker heeft dan een termijn van drie werkdagen om beroep in te stellen bij de beroepscommissie, ingevolge de wijziging van het organisatiebesluit bij het besluit van 7 september
- Dit wijzigend besluit is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 oktober
- De Raad van State meent dat er ernstige vragen rijzen bij de wettigheid van de terugwerkende kracht van dit besluit. Die vragen hoeven thans echter niet te worden onderzocht, aangezien verzoeker hoe dan ook, zelfs binnen deze nieuwe termijn van drie werkdagen, namelijk op 6 september 2007 zijn beroep tijdig heeft ingesteld. Dit beroep is aan het privé adres van de voorzitter van de beroepscommissie gestuurd. Zij heeft de ontvangst ervan bevestigd en de beroepscommissie heeft vervolgens advies kunnen geven. De Raad van State ziet op het eerste gezicht geen regel die hem aan de rechtstreekse verzending van het administratief beroep aan de voorzitter van de beroepscommissie, in plaats van via XII-5249-19\28 de school, hoewel misschien ongebruikelijk en niet wenselijk, de sanctie moet doen koppelen van de onontvankelijkheid van dat beroep. 3.
- De Raad van State bevestigt ambtshalve evenwel ook voor deze zaak de redengeving die hij heeft ontwikkeld, onder meer in de arresten nr. 103.155, Labaere, van 5 februari 2002 en nr. 126.481, Verlende, van 16 december 2003, dat de beslissing waarmee de desbetreffende beroepsprocedure wordt afgesloten, de eindbeslissing is, vatbaar voor beroep voor de Raad van State en dat die eindbeslissing kan zijn, ofwel de “definitieve beslissing ten aanzien van de betrokken leerling” van de delibererende klassenraad (artikel 74 van het organisatiebesluit), ofwel de beslissing van de inrichtende macht dat de delibererende klassenraad niet opnieuw dient samen te komen met het oog op het nemen van een definitieve beslissing (artikel 73, tweede lid, van het organisatiebesluit). Zulks betekent dat de voorliggende vordering niet ontvankelijk is voor zover ze is gericht tegen de eerste bestreden beslissing. Zoals de Raad van State onder meer in voornoemd arrest nr. 103.155, of ook nog in de arresten nr. 123.773, Verfaillie, van 2 oktober 2003, nr. 126.192, Jacobs, van 9 december 2003, en nr. 149.871, Vanlook, van 6 oktober 2005, heeft opgemerkt, kunnen de onwettigheden die verzoeker de beslissing van de delibererende klassenraad aanwrijft echter wel in aanmerking worden genomen voor de beoordeling van de wettigheid van de bestreden eindbeslissing : wanneer immers de delibererende klassenraad onwettig heeft gehandeld -in de huidige stand van de rechtspleging: lijkt te hebben gehandeld- moest zulks voor het schoolbestuur een reden zijn om die klassenraad opnieuw te doen samenkomen. Immers, uit artikel 6quater, tweede lid, van de zogenaamde schoolpactwet van 29 mei 1959 -en uit artikel 5, § 1, van het organisatiebesluit- blijkt dat de delibererende klassenraad als enig orgaan fungeert op het vlak van de beslissingen inzake het al dan niet geslaagd zijn, nu die bepaling hem aanwijst “als enig orgaan op het vlak van de beslissingen inzake het al dan niet geslaagd zijn” en voorts preciseert dat hij “oordeelt of een regelmatige leerling in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen, heeft bereikt om al dan niet te kunnen overgaan naar een volgend leerjaar en/of een van rechtswege geldend studiebewijs behaalt dat een XII-5249-20\28 bepaald civiel effect impliceert”. Het organisatiebesluit kent inzake de bekrachtiging van de studies geen bevoegdheid toe aan het schoolbestuur zelf. Het schoolbestuur krijgt in artikel 73 -en in artikel 70- van het organisatiebesluit enkel de bevoegdheid om te beoordelen of er redenen zijn om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen, zonder zich met de inhoud van de te nemen beslissing te mogen mengen. De schorsingsvoorwaarden
- Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Beoordeling van de eerste en de derde schorsingsvoorwaarde
- Wat de eerste en de derde voorwaarde betreft, beroept verzoeker zich met goed gevolg op het dreigend verlies van een schooljaar en de rechtspraak van de Raad van State desbetreffend. Verwerende partij bestrijdt dit overigens niet. Deze voorwaarden zijn vervuld. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde 6.
- Verzoeker voert als eerste middel de schending van de motiveringsplicht aan. Verzoeker meent dat hij niet in kennis is gesteld van de redenen waarom een voor hem ongunstige beslissing is genomen derwijze dat hij zich, met de ter beschikking staande rechtsmiddelen, tegen dat besluit kan verweren door aan te tonen dat de tot uiting gebrachte motieven niet gegrond zijn. Hij betoogt dat de beslissing van de inrichtende macht om de klassenraad niet opnieuw samen te roepen op geen enkele manier gemotiveerd is. Hoewel de inrichtende macht XII-5249-21\28 verwijst naar het advies van de beroepscommissie wordt dit advies niet bijgebracht. Hij kan derhalve geen antwoord vinden op de talrijke vragen die hij in zijn bezwaar had geformuleerd, ofschoon die meer dan voldoende redenen opleverden om de inrichtende macht te laten besluiten tot het opnieuw samenroepen van de klassenraad. Het gebrek aan motivering strekt zich volgens verzoeker uit over de twee beslissingen: deze van de raad van bestuur én deze van de klassenraad. Door de afwezigheid van ook maar een begin van motivering van de beslissing van de raad van bestuur blijft verzoeker zich geconfronteerd zien met een motivering van de klassenraad die allesbehalve coherent is en waarin hij geen antwoord vindt op zijn vragen en bezwaren. 6.
- Zoals verzoeker het middel aanbrengt en toelicht, lijkt het opgevat te moeten worden als betrekking hebbende op de formele motiveringsplicht. 6.
- De Raad van State blijft ook voor deze zaak bij wat hij ook vroeger al heeft overwogen, in zijn arrest nr. 162.923, Parmentier, van 28 september 2006, te weten “dat een klassenraad [...] niet [...] bij de deliberatie over elke leerling een boek moet schrijven om zijn beslissing te verantwoorden; dat dit bezwaar precies wordt ondervangen door de in het organisatiebesluit opgenomen beroepsprocedure die, eerst via mondeling overleg en in voorkomend geval vervolgens met een advies van de beroepscommissie, een beslissing van het schoolbestuur of een nieuwe beraadslaging van de klassenraad, bij betwisting en enkel in dat geval de school moet brengen tot nadere explicitering van een oorspronkelijk misschien te beknopte en daardoor voor de leerling onaanvaardbare motivering; dat, met andere woorden, wil zij enig nut hebben, de bij het organisatiebesluit geregelde beroepsprocedure er in ieder geval op gericht moet zijn om de klachten en de argumenten van een leerling te onderzoeken; dat verzoekster dienvolgens ergens in de loop van de beroepsprocedure een antwoord op haar klachten diende te vinden; dat, zo het bestuur niet ‘stuk voor stuk’ élke grief moet beantwoorden, vooralsnog wordt aangenomen dat alleszins de motivering er blijk van moet geven dat die grieven in overweging zijn genomen en in de beoordeling betrokken en dat ten minste een uitdrukkelijke repliek volgt op de vragen die voor XII-5249-22\28 de leerling blijkens zijn beroepsschrift van wezenlijk belang zijn [en] die, mochten zij gegrond zijn, mogelijk tot een voor de leerling beter resultaat leiden”. 6.
- Wat de beslissing van de delibererende klassenraad betreft, stelt de Raad van State vast dat die beslissing ruimschoots formeel gemotiveerd is en dat verzoeker overigens zijn bezwaren tegen die motieven in zijn beroep bij de beroepscommissie heeft kunnen uiteenzetten. De Raad valt verzoeker dan ook niet bij waar deze poneert dat het middel zich uitstrekt tot de beslissing van de delibererende klassenraad. In zoverre is het middel niet ernstig. 6.
- Zoals uit de overwegingen sub 3.
- en 6.
- volgt, toegepast op de voorliggende zaak, diende het schoolbestuur, daaromtrent geadviseerd door de beroepscommissie, te beoordelen of de leerling in zijn bezwaarschrift grieven, vragen of opmerkingen naar voor brengt die in de beslissing van de klassenraad nog geen afdoende antwoord hebben gekregen of die wijzen op elementen waarmee de klassenraad niet, of niet correct, rekening heeft gehouden. Indien die vraag een bevestigend antwoord krijgt, moest het schoolbestuur vervolgens nagaan of die onbeantwoord gebleven grieven van aard waren dat zij, mochten zij gegrond zijn, mogelijk tot een voor de leerling beter resultaat zouden kunnen leiden. Aangezien het niet aan het schoolbestuur toevalt om over het geslaagd zijn van de leerling te beslissen, impliceert een bevestigend antwoord op die tweevoudige vraagstelling dat noodzakelijk de delibererende klassenraad opnieuw moest worden samengeroepen. Uit de nota van de verwerende partij en haar uiteenzetting ter terechtzitting meent de Raad te mogen begrijpen dat verwerende partij van mening was en blijft dat reeds de delibererende klassenraad een afdoende antwoord had gegeven op alle door verzoeker gestelde vragen en dat verzoeker slechts in herhaling viel met altijd dezelfde bezwaren. Of dat inderdaad zo is, moet de Raad thans niet beoordelen; immers, de formele motiveringsplicht vergt een uitdrukkelijk gemotiveerd antwoord vanwege de raad van bestuur en dat is er prima facie niet gekomen. Alleen bij een uitdrukkelijk veruitwendigen van de motieven kan verzoeker nuttig oordelen of het zin heeft er in rechte tegen op te treden. De Raad van State stelt echter in de huidige stand van de procedure vast dat de raad van XII-5249-23\28 bestuur zijn overtuiging waarom de klassenraad niet meer moet worden samengeroepen, niet uitwerkt in een uitgeschreven motivering in de kennisgeving van de bestreden beslissing, en overigens evenmin in het niet aan verzoeker meegedeelde verslag van zijn vergadering. Ook de referentie aan het advies van de beroepscommissie verandert niets aan die vaststelling. Vooreerst is dit advies evenmin aan verzoeker meegedeeld. Voorts lijkt ook dit advies geen uitgeschreven motivering te bevatten. Het advies is enkel mondeling toegelicht aan de raad van bestuur door de voorzitter van de beroepscommissie. De loutere referentie aan de beroepen beslissing van de delibererende klassenraad -dan nog enkel in het intern verslag, niet in de kennisgeving- volstaat vanzelfsprekend evenmin voor verzoeker om zelfs maar te kunnen raden om welke reden zijn vraag om de klassenraad opnieuw samen te roepen, afgewezen wordt. Betrokken op de beslissing van de raad van bestuur is het middel ernstig. 7.
- Een tweede middel is geput uit de schending van de regel patere legem quam ipse fecisti, met name door het miskennen, eerste middelonderdeel, van de algemene pedagogische reglementering nr. 3 van het Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs en, tweede middelonderdeel, van het schoolreglement. In het eerste middelonderdeel zet verzoeker uiteen dat de clausulering volgens genoemde reglementering zo eng mogelijk dient te zijn en dat hij “zonder meer” geclausuleerd wordt voor alle ASO-richtingen, “terwijl hij toch op diverse vakken bijzonder goed scoort” en er niet wordt stilgestaan bij de positieve evoluties voor diverse vakken. Ook voldoet de beslissing van de raad van bestuur niet aan het voorschrift, opgenomen in die reglementering, dat dergelijke beslissingen van de inrichtende macht uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd. XII-5249-24\28 In het tweede middelonderdeel wijst verzoeker op de bepaling in het schoolreglement die een gemotiveerde beslissing vergt indien de klassenraad niet moet worden samengeroepen; beslissing die moet worden meegedeeld binnen een redelijke termijn. Het ene noch het andere voorschrift werd volgens verzoeker gerespecteerd. Tot slot van zijn toelichting zet verzoeker uiteen dat hij in de beroepsprocedure geen antwoord heeft gevonden op zijn vragen en verwijst hij naar de rechtspraak van de Raad van State daaromtrent. 7.
- De uiteenzetting die verzoeker geeft over de strekking van de beroepsprocedure hoort volgens de Raad van State veeleer thuis als toelichting bij het eerste middel, dat hiervoor overigens reeds ernstig is bevonden. De grieven die verzoeker formuleert over de motiveringstekorten in de beslissing van de raad van bestuur zijn ook reeds ontmoet in de beoordeling van dat eerste middel. Verzoeker lijkt in zijn beroep bij de beroepscommissie de ASO- clausulering in se te hebben aangevochten, met het oog dus op het verkrijgen van een A-attest. Op het eerste gezicht heeft hij nergens specifiek gevraagd om die clausulering, al was het maar subsidiair, te heroverwegen voor een welbepaalde ASO-richting en om het B-attest in die zin aan te passen. Prima facie kan verzoeker thans dan ook niet meer aan de verwerende partij verwijten, zulke overweging niet te hebben gedaan. Bovendien onderbouwt verzoeker dit middelonderdeel ook voor de Raad van State niet, door ten minste concreet aan te geven welke ASO-richting voor hem dan wel toegankelijk kan blijven en waarom zijn welbepaalde resultaten daaraan niet in de weg mogen staan. Zonder dat de Raad derhalve moet nagaan of de verwerende partij er toe is gehouden om de pedagogische “reglementering” na te leven die niet uitgaat van het schoolbestuur maar van een koepelorganisatie waarvan zij lid is, volstaat die vaststelling om het middelonderdeel niet ernstig te bevinden. In zoverre verzoeker aan verwerende partij verwijt onredelijk lang te hebben gewacht met de mededeling van haar beslissing, stelt de Raad vast dat de XII-5249-25\28 beslissing is genomen op 15 oktober 2007 en nog dezelfde dag aan verzoeker is meegedeeld. Ook dit aspect van het middel faalt. 7.
- Uit wat voorafgaat dat het tweede middel in geen van zijn onderdelen ernstig is. 8.
- In een derde middel voert verzoeker de schending aan “van de beginselen van behoorlijk bestuur”. In een eerste onderdeel stelt verzoeker vast dat van enige waarschuwing of remediëring nooit sprake is geweest. In een tweede onderdeel laakt hij dat verwerende partij niet binnen een redelijke termijn zijn zaak heeft behandeld. In een derde onderdeel merkt hij op nooit behoorlijk ondertekende notulen van de delibererende klassenraad te hebben ontvangen en “meer zelfs”, de indruk te hebben dat de ontvangen argumentatie het werk is van één persoon. In een vierde onderdeel heet het dat de school is tekort geschoten om hem een gepast studie-stimulerend kader aan te bieden. 8.
- De Raad merkt vooreerst op dat verzoeker een viertal grieven formuleert en deze onderbrengt in een algemene rubriek “schending van de beginselen van behoorlijk bestuur”, zonder voor het eerste, derde en vierde van die onderdelen concreet toe te lichten wélk beginsel dan wel van tel zou zijn en hoé dit beginsel precies geschonden is. Voor zover het middel al ontvankelijk is, merkt de Raad voorts op wat volgt. Wat het eerste en het vierde onderdeel betreft, stelt de Raad vast dat verzoeker de door hem behaalde punten niet heeft betwist in zijn verzoekschrift. Zijn bezwaren kunnen mogelijk betekenen dat de school door een gebrek aan begeleiding mede schuld heeft aan die tekorten, de Raad ziet evenwel op het eerste gezicht niet hoe ze van verzoeker een geslaagde vermogen te maken. Zo al zou worden aangenomen dat de bestreden beslissing niet binnen een redelijke termijn is genomen, kan dit er niets van af doen dat verzoeker recht heeft op een vaststaande uitspraak over zijn studieresultaten. De Raad ziet niet XII-5249-26\28 welke belang verzoeker heeft bij dit middelonderdeel. Daarnaar gevraagd, heeft verzoekers raadsman dit ter terechtzitting overigens ook onbeantwoord gelaten. Verzoeker heeft de motieven van de klassenraadsbeslissing van 28 augustus 2007 ontvangen. Noch het organisatiebesluit noch enig beginsel van behoorlijk bestuur lijken verwerende partij op te leggen om aan verzoeker een ondertekend exemplaar van de notulen mee te delen. De delibererende klassenraad verwijst in die notulen voorts naar de argumentatie in bijlage. Vooralsnog ziet de Raad geen reden waarom die bijlage niet mag worden geacht de mening van de delibererende klassenraad weer te geven. Verzoeker beticht het stuk overigens niet van valsheid. 8.
- Ook het derde middel is derhalve niet ernstig.
- Nu het eerste middel in de hiervoor aangegeven mate ernstig is bevonden, is ook de tweede schorsingvoorwaarde vervuld.
- Er is bijgevolg, wat de tweede bestreden beslissing betreft, voldaan aan de drie voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de geco- ördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Bevolen wordt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de raad van bestuur van de vzw Sint- Michielscollege Schoten van 15 oktober 2007, om de over Pieter van Tricht delibererende klassenraad niet samen te roepen. XII-5249-27\28 Artikel
- De vordering tot schorsing wordt voor het overige verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig oktober 2007, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5249-28\28 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.334 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.126 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.