← België

Arrest 176388 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 31/10/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.388 Rolnummer: A. 185509/X-13494 Zaak: Arrest 176388 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 31/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-07 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:55 Fiche Arrest nr 176.388 van 31 oktober 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.388 van 31 oktober 2007 in de zaak A. 185.509/X-13.

  1. In zake :
  2. de n.v. VULSTEKE RECYCLING,
  3. de b.v.b.a. VERVOERONDERNEMING VULSTEKE, die woonplaats kiezen bij advocaat J. BILLIET, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 146,bus 9 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
  4. DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. VULSTEKE RECYCLING en de b.v.b.a. VERVOERONDERNEMING VULSTEKE op 16 oktober 2007 hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 31 augustus 2007 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende onthouding van goedkeuring van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Vulsteke” te Staden van de provincie West-Vlaanderen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 18 oktober 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 26 oktober 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. BILLIET, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verwerende partij; X-13.494-1/6 Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  5. Grondvoorwaarden tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voor- waarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, en dat een ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kan verantwoorden.
  6. De uiterst dringende noodzakelijkheid 2.
  7. Standpunt van de partijen 2.1.
  8. De verzoekende partijen voeren aan wat volgt : “Dat door verzoekers een milieuvergunning werd aangevraagd die ontvankelijk en volledig werd bevonden en die zich heden in de adviesronde bevindt; Dat een beslissing van de deputatie voorzien is op 06.12.2007 (...); Dat ingevolge de onthouding van goedkeuring aan het PRUP Vulsteke, het BPA De Kantonnier nog steeds van kracht is; Dat de desbetreffende milieuvergunning werd aangevraagd met het oog op de goedkeuring van het PRUP Vulsteke en de aldaar geconcipieerde bestemmingsvoorschriften; Dat de onthouding van goedkeuring aan het PRUP Vulsteke bij Ministerieel Besluit, dd. 31.08.2007 de kans van verzoekers op een positieve beslissing in de lopende milieuvergunningsprocedure van verzoekers teniet doet ; Immers, dat bij de beoordeling van een milieuvergunningsaanvraag de bevoegde overheid de verenigbaarheid van de inrichting met de voorschriften van de regelgeving van de desbetreffende plannen van aanleg/ruimtelijke uitvoeringsplannen moet nagaan; (...) Dat gelet op de onthouding van de goedkeuring aan het PRUP Vulsteke de bevoegde afdeling ROHM van de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen van het departement Leefmilieu en Infrastructuur tijdens de adviesperiode overeenkomstig art. 36, 3/ iuncto art. 20, § 1, 2/ van het K.B. 06.02.1991 een negatief advies zal moeten uitbrengen over de milieuvergunningsaanvraag aangezien de inrichting van het X-13.494-2/6 bedrijf van verzoekers niet verenigbaar is met de voorschriften van het BPA De Kantonnier; Dat de inrichting van het bedrijf van verzoekers immers werd geconcipieerd met het oog op de bestemmingsvoorschriften van het PRUP Vulsteke, waaraan op 31.08.2007 de goedkeuring werd onthouden; Dat de bestendige deputatie, gelet op het negatief advies van de bevoegde afdeling ROHM, gelet op de onverenigbaarheid van de inrichting van het bedrijf van verzoekers met de voorschriften van het BPA De Kantonnier en gelet op de onthouding van de goedkeuring aan het plan PRUP Vulsteke, de milieuvergunningsaanvraag van verzoekers zal weigeren; Dat - zoals in het feitenrelaas reeds aangegeven - de bezwaarschriften en de overwegingen in de bestreden beslissing (‘de activiteiten van verzoekers’) hoofdzakelijk betrekking(...) hebben op vermeende milieuproblemen; Dat er dienvolgens een situatie wordt gecreëerd waarbij de milieuvergunning niet zal worden verleend wegens milieutechnische overwegingen die werden aangehaald in de procedure m.b.t. het PRUP Vulsteke - overwegingen die in het kader van het PRUP Vulsteke niet ten gronde werden onderzocht aangezien zij thuishoren in de milieuvergunningsprocedure - en die hebben geleid tot een onthouding van goedkeuring aan een stedebouwkundig plan, een onthouding die dan op haar beurt heeft geleid tot een negatief advies van de bevoegde afdeling RHOM in de milieuvergunningsprocedure, Dat de bestreden beslissing enerzijds - zoals reeds aangegeven in het feitenrelaas - verkeerdelijk verwijst naar een uitbreiding van het plangebied en anderzijds stelt dat de site in Staden niet gepast is voor de activiteiten van verzoekers, hierbij zich hoofdzakelijk baserend op de milieutechnische overwegingen in de bezwaarschriften; Dat verzoekers onderhavig verzoekschrift bij uiterst dringende noodzakelijkheid indienen aangezien het uitblijven van een schorsing van de bestreden beslissing de kans op slagen van de milieuvergunningsaanvraag van verzoekers teniet doet; Dat zoals hieronder verder zal worden uiteengezet, de weigering van milieuvergunning catastrofale gevolgen zal hebben voor verzoekers aangezien zij hun activiteiten niet verder zullen kunnen uitoefenen; Dat verzoekers hierdoor naar een staat van faillissement worden gedreven en dat zij bijgevolg een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel zullen leiden; Dat duidelijk moge wezen dat het nadeel geleden door verzoekers door het verloop van tijd onherstelbaar zal worden, nl. een staat van faillissement; Dat verzoekers bovendien de nodige inspanningen hebben geleverd om het dreigende nadeel te voorkomen; Dat het PRUP Vulsteke een omvangrijk dossier betreft en dat de raadsman van verzoekers verschillende diensten (gemeente, provincie, Vlaams Gewest, ... ) heeft dienen te contacteren om een afspraak te maken ter inzage van het dossier; Dat na inzage van het dossier onmiddellijk een verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij Uw Raad werd ingediend”. 2.1.
  9. De verwerende partij repliceert als volgt : “
  10. Verzoekende partijen verwijzen naar de lopende aanvraag tot milieuvergunning hangende voor de Deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen. Een beslissing van de Deputatie zou voorzien zijn op 6 december
  11. Ingevolge het bestreden besluit is het BPA de Kantonnier nog steeds van kracht. De inrichting van het bedrijf van verzoekende partijen is niet verenigbaar met de voorschriften van het BPA de Kantonnier. X-13.494-3/6 Dit zal volgens verzoekende partijen leiden tot een weigering van de aangevraagde milieuvergunning.
  12. Uit het dossier blijkt, en dit wordt door verzoekende partijen ook niet betwist, dat verzoekende partijen momenteel de site van de voormalige olieslagerij reeds in gebruik hebben genomen. Zonder deze wederrechtelijke ingebruikname hadden verzoekende partijen nog kunnen wachten met het indienen van een milieuvergunningsaanvraag na duidelijkheid en zekerheid te hebben bekomen omtrent de al of niet goedkeuring van het PRUP ‘Vulsteke’. Het niet kloppen van de timing is uitsluitend ingegeven door het eigengereid, onzorgvuldigheid en wederrechtelijk handelen van verzoekende partijen zelf. Zoals met betrekking tot het ontbreken van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel werd voorgehouden, blijft ook na een eventuele schorsing van het bestreden besluit het BPA de Kantonnier nog steeds van kracht. Het argument dat de inrichting van het bedrijf van verzoekende partijen geconcipieerd werd met het oog op de bestemmingsvoorschriften van het PRUP ‘Vulsteke’, is enkel het gevolg van een eigengereid en wederrechtelijke ingebruikname van de site zonder duidelijkheid en zekerheid omtrent de bestemmingsvoorschriften van het PRUP ‘Vulsteke’ en de noodzakelijke vergunningen. Verzoekende partijen kunnen dan ook geen dringende noodzakelijkheid afleiden uit dit wederrechtelijk optreden.
  13. Ook aan de derde voorwaarde voor een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is derhalve niet voldaan”. 2.
  14. Bespreking 2.2.
  15. Gelet op het zeer uitzonderlijk en zeer ongewoon karakter van de uiterst dringende procedure tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een administratieve handeling waarin de wet voorziet, en op de stoornis die zij in het normaal verloop van de rechtspleging voor de Raad van State teweegbrengt, waarbij de rechten van verdediging van de verwerende partijen en van de tussenkomende partij tot een strict minimum zijn herleid, moet de verantwoording door een verzoeker van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de schorsing van de tenuit- voerlegging van het bestreden besluit evident, dit is, op het eerste gezicht onbetwist- baar, zijn. Om te voldoen aan die voorwaarde moet de verzoeker duidelijke feiten en gegevens aanbrengen die direct aannemelijk maken dat de gevraagde schorsing, wil zij enig nuttig effect sorteren, onmiddellijk bevolen moet worden. Hij moet met andere woorden aantonen dat ingeval de vordering tot schorsing wordt onderzocht met inachtneming van de gewone regels van de schorsingsprocedure de schorsing onmiskenbaar te laat zou komen. Bovendien mag hij de hoogdringendheid niet zelf -mede- veroorzaken. X-13.494-4/6 2.2.
  16. In casu loopt de termijn om te beslissen over de milieu- vergunningsaanvraag waarvan de verzoekende partijen gewag maken, in principe slechts af op 17 december
  17. Bovendien kan die termijn ook nog verlengd worden met twee maanden. Daarna beschikken de verzoekende partijen nog over de bij het Milieuvergunningsdecreet voorziene mogelijkheid tot administratief beroep bij de Vlaamse regering. Bijgevolg kan niet zonder meer worden gesteld dat een gewoon schorsingsarrest in ieder geval te laat zou komen om de belangen van de verzoekende partijen veilig te stellen. 2.2.
  18. De verzoekende partijen hebben bovendien zichzelf een termijn van ongeveer drie weken toegemeten om hun voorliggende vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te dienen. Dit getuigt van een gebrek aan de vereiste diligentie. 2.2.
  19. Tevens dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partijen minstens gedeeltelijk zelf de ingeroepen hoogdringendheid hebben geschapen door hun handelwijze. Zij hebben immers er voor geopteerd hun milieuvergunnings- aanvraag in te dienen zonder te wachten op de al dan niet goedkeuring door de verwerende partij -beslissing die nakende was en nog in dezelfde maand genomen werd- van het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, dat voor de betrokken site werd opgemaakt. 2.2.
  20. Uit het bovenstaande wordt besloten dat niet is voldaan aan de desbetreffende voorwaarde tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  21. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. X-13.494-5/6 Artikel
  22. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig oktober 2007, door : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-13.494-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.388 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.900 ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.773 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.