id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.435 Rolnummer: A. 105634/X-10385 Zaak: Arrest 176435 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-15 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:55 Fiche Arrest nr 176.435 van 6 november 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.435 van 6 november 2007 in de zaak A. 105.634/X-10.
- In zake :
- Joost FLAMENT,
- An ISERBYT, die woonplaats kiezen bij advocaten R. DE WAELE en M. COOPMAN, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Doorniksesteenweg 206 tegen:
- de STAD WERVIK, die woonplaats kiest bij advocaat J. VANDEN BRAEMBUSSCHE kantoor houdende te 8940 WERVIK, Nieuwstraat 38
- het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat Y. FRANCOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat
- tussenkomende partij: de n.v. INVESTMAER, die woonplaats kiest bij advocaten R. HONORE en F. VANDEN BERGHE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 4a. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Joost FLAMENT en An ISERBYT op 7 juni 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 29 november 2000 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wervik, waarbij aan de n.v. INVESTMAER de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend om een herenhuis te slopen en een appartementsgebouw op te richten op een perceel gelegen te Wervik (Geluwe), Menenstraat 2, kadastraal bekend sectie C, nr. 1066/p; X-10.385-1/9 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 11 september 2001 ingediend door de n.v. INVESTMAER; Gelet op de beschikking van 18 september 2001 die de tussen- komst van de n.v. INVESTMAER toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memorie van de tussenkomende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 26 januari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekers; Gelet op de beschikking van 20 maart 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 27 april 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VAN RUNKELEN, die loco advocaten R. DE WAELE en M. COOPMAN verschijnt voor de verzoekers, van advocaat F. ROGGE, die loco advocaat J. VANDENBRAEMBUSSCHE verschijnt voor de eerste verwerende partij, van advocaat P. AERTS, die loco advocaat Y. FRANCOIS verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van advocaat R. HONORÉ, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-10.385-2/9
- Feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- De tussenkomende partij dient in de loop van februari 2000 bij het stadsbestuur van Wervik een bouwaanvraag in met het oog op het slopen van een bestaand herenhuis en het oprichten van een appartementsgebouw met winkelruimte aan de Menenstraat 2 te Wervik. 1.
- Ingevolge problemen die o.m. namens de verzoekers (buren van het bouwperceel) worden aangekaart aangaande het statuut van de aan het perceel grenzende gemene, dan wel private weg, brengt de gemachtigde ambtenaar op 20 juni 2000 een ongunstig advies uit over het dossier “in afwachting van verduidelijking nopens deze gemene uitweg”, en geeft het stadsbestuur aan de aanvraag geen gevolg. 1.
- In de loop van juli 2000 dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen een aangepaste stedenbouwkundige aanvraag in. Naar aanleiding van het openbaar onderzoek dienen de verzoekers op 1 augustus 2000 een bezwaarschrift in. Hun raadsman vraagt per brief van 8 augustus 2000 aan het stadsbestuur nog de toezending van “een volledige copie van het dossier”, waarop het college per brief van 11 augustus 2000 laat weten dat zulks “niet mogelijk” is gezien het “een dossier betreft dat bestaat uit meerdere bouwplannen”, en voorstelt het dossier op de stadsdiensten te komen inzien. Uiteindelijk dient ook de raadsman van de verzoekers op 21 augustus 2000 nog een bezwaarschrift in. In vergadering van 30 augustus 2000 delibereert het college van burgemeester en schepenen van Wervik over het dossier en over de bezwaren, worden deze laatste ongegrond bevonden, en wordt het dossier met een gunstig preadvies overgemaakt aan de diensten van de gemachtigde ambtenaar. X-10.385-3/9 Op 21 november 2000 verleent de gemachtigde ambtenaar een gunstig advies over de aanvraag. Het college van burgemeester en schepenen beslist dan ook in vergadering van 29 november 2000 de gevraagde vergunning af te leveren. Dit is het bestreden besluit. 1.
- De werken worden aangevat eind december
- 1.
- In de loop van maart 2001 dient de tussenkomende partij bij het stadsbestuur een nieuwe stedenbouwkundige aanvraag in, strekkende tot het “wijzigen” van het “reeds vergund appartementsgebouw” op een aantal punten. Meer bepaald zou het te realiseren bouwvolume gereduceerd worden door op de verdiepingen achteraan minder diep te bouwen en de hoek van het gebouw aan de straatzijde te verkleinen, en zouden ook een aantal balkons worden weggelaten. Ook inzake deze nieuwe aanvraag wordt een openbaar onderzoek gehouden, waarvan de verzoekers per aangetekende brief van 6 april 2001 door het stadsbestuur op de hoogte gebracht worden. De verzoekers stellen dat zij zich via dit schrijven bewust zijn geworden van het feit dat voor de werken reeds op 29 november 2000 een eerste stedenbouwkundige vergunning verleend was. Uiteindelijk leidt deze nieuwe aanvraag ook tot een stedenbouwkundige vergunning, verleend door het college van burgemeester en schepenen op 3 september 2001, die door de verzoekers voor de Raad van State wordt aangevochten middels een annulatieberoep (A. 113.377/X-10.688);
- Ontvankelijkheid ratione temporis 2.
- Standpunten van de partijen X-10.385-4/9 2.1.
- Overwegende dat de verzoekers in hun verzoekschrift het volgende aanbrengen inzake de tijdigheid van hun beroep: “De termijn voor het instellen van het annulatieberoep werd gerespecteerd. Immers, de termijn van zestig dagen gaat pas in ten vroegste de dag nadat de beslissing ten deze de verzoekers bekend is geworden, in casu 10.04.2001”; 2.1.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid wegens laattijdigheid opwerpt: “In de veronderstelling dat het beroep tot nietigverklaring slaat op de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen d.d. 29.11.00 (stuk 9), dient vastgesteld te worden dat het verzoek laattijdig werd neergelegd. Het verzoekschrift tot nietigverklaring werd gedateerd op 06.06.01 en op een ongekende datum neergelegd. Het beroep dient ingesteld te worden binnen de 60 dagen nadat verzoekende partij kennis heeft genomen van de beslissing, zodat het verzoek slechts tijdig zou zijn indien verzoekende partij ten vroegste op 07 .04.01 kennis heeft genomen van de bouwvergunning die op 29.11.00 werd verleend. In voorliggend geval kan verzoekende partij niet ontkennen dat zij reeds eind 2000 of minstens begin 2001 de visu heeft kunnen vaststellen dat het bestaande herenhuis aan de Menenstraat 2 te Geluwe werd gesloopt aangezien zij net naast/achter het kwestieuze pand woont. Uit stuk 10 blijkt genoegzaam dat in ieder geval op 16.03.01 het bestaande pand reeds volledig afgebroken was. Op het moment dat de slopingswerken vastgesteld werden, diende verzoekende partij te beseffen dat de bouwvergunningsaanvraag dd. 14.07.00 betreffende het slopen van het herenhuis en betreffende het bouwen van een appartementsgebouw goedgekeurd was. Bijgevolg is vaststaand dat verzoekende partij reeds sedert begin 2001 weet dat er een bouwvergunning bestaat, waartegen zij pas op 06.06.01 of manifest laattijdig is opgekomen”; 2.1.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord ook de exceptie van onontvankelijkheid wegens laattijdigheid opwerpt en die als volgt onderbouwt: “Wanneer een administratieve rechtshandeling niet betekend of bekendgemaakt wordt, begint de termijn van 60 dagen slechts te lopen vanaf het ogenblik dat de betrokken derde er kennis van kón krijgen (art. 4 procedurereglement). Wanneer die derde er effectief kennis van genomen heeft, is irrelevant. Verzoekende partijen -die uit de gegevens van het dossier klaarblijkelijk de toestand op de voet volgen- konden in de loop van de maanden januari-februari 2001 kennis krijgen van het bestaan van een X-10.385-5/9 bouwvergunning daar in die maanden de slopingswerken werden uitgevoerd. De slopingsfactuur dateert van 12.02.2001, zodat minstens vanaf die datum de termijn van 60 dagen begon te lopen (stuk 11 administratief dossier). De termijn van 60 dagen verstreek derhalve op 14.04.
- Het verzoekschrift dateert van 06.06.2001, zodat het manifest laattijdig is. Verkeerdelijk nemen verzoekende partijen 10.04.2001 als startdatum, zijnde de dag na de datum van ‘kennisgeving’ van het feit dat een vergunning werd verleend . Niet de datum waarop door de overheid kennis gegeven wordt van het bestaan van een vergunning is bepalend, enkel de datum waarop kennis kón gekregen worden . Na de aanvatting van de slopingswerken in het begin van het jaar 2001 dienden verzoekende partijen de nodige informatie ingewonnen te hebben. Zij konden daarbij desnoods beroep doen op art. 2 van het K.B. van 22 oktober 1971 tot uitvoering van art. 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw. Door hun langdurig stilzitten, is de termijn verstreken . Het indienen van een annulatieberoep zes maand na het verlenen van de vergunning, en meer dan 5 maand na de mogelijkheid tot kennisname ervan is zonder meer laattijdig”; 2.1.
- Overwegende dat de tussenkomende partij in haar memorie een exceptie van onontvankelijkheid wegens laattijdigheid inroept met de volgende argumentatie: “Het verzoekschrift tot nietigverklaring is onontvankelijk . De termijn van 60 dagen voor het instellen van een annulatieberoep werd niet gerespecteerd. Volgens verzoekers zouden zij pas op 09.04.2001 kennis hebben gehad van de stedenbouwkundige vergunning, en dit naar aanleiding van een aangetekend schrijven d.d.
- 04.2001 van de gemeente Wervik waarin werd gemeld dat INVESTMAER een nieuwe aanvraag had ingediend om op het perceel gelegen te 8940 Wervik, Menenstraat en kadastraal gekend sectie C n/ 1066 p wijzigingen aan te brengen aan het vergund appartementsgebouw. De termijn van zestig dagen zou dan ook, volgens verzoekers, pas ten vroegste ingegaan zijn de dag nadat de beslissing ten deze de verzoekers bekend is geworden, in casu 10.04.
- Deze redenering gaat niet op. De vraag stelt zich niet wanneer de aflevering van een vergunning hen schriftelijk werd meegedeeld, maar wel wanneer zij feitelijk kennis kregen of hadden kunnen kennis nemen van de beslissing. Uit de voorliggende feiten blijkt duidelijk dat verzoekers wel degelijk kennis hadden van de stedenbouwkundige vergunning, minstens het bestaan ervan hebben vermoed zodat zij er kennis van konden hebben. Verzoekers werden volgens de regels vermeld in het uitvoeringsbesluit betreffende de behandeling en de openbaarmaking van de bouwaanvragen op de hoogte gesteld, wat ook niet wordt betwist. Van meet af aan hebben verzoekers zich gekant tegen het toekennen van een stedenbouwkundige vergunning en zich op de hoogte laten stellen van het dossier en van het verloop van de aanvraag. X-10.385-6/9 Bewijs hiervan wordt geleverd door het feit dat zij in hun bezwaarschrift stellen dat de bepalingen van het burgerlijk wetboek niet zouden nageleefd zijn, wat zij aldus moeten gebaseerd hebben op gegevens die zij op basis van het dossier hebben vastgesteld. Meerdere malen hebben verzoekers zich op het gemeentehuis te Wervik gemeld, teneinde het dossier in te zien, wat hen ook te allen tijde door dhr. Freddy VANDERSTALLE werd toegestaan. Verzoekers mochten derhalve verwachten dat de gemeente over de ingediende aanvraag zou beslissen. De desbetreffende werkzaamheden (slopen herenhuis en bouwen appartementsgebouw) werden aangevat op 27.12.
- Voor de aanvang werd de aflevering van de vergunning op de door de wet voorgeschreven wijze op de werf aangebracht. De afbraak was voltooid in januari 2001 zoals blijkt uit uitnodiging tot een eerste werfvergadering d.d. 24.01.2001, de eerste werfvergadering van 14.02.2001, de factuur d.d . 12.02.2001 voor de afbraak, “de foto's van het terrein, genomen op 12.04.2001, en de vorderingsstaat van de aannemer voor werken NA de afbraak uitgevoerd vanaf 01.03.
- Vermits verzoekers stellen dat “aanvragers een totale inkijk bekomen in tuin en pand van verzoekers”, werden zij aldus dagelijks geconfronteerd met de werkzaamheden en hadden aldus kennis minstens het sterke vermoeden dat de bouwvergunning werd afgeleverd. Zij konden dan ook kennis nemen (als ze het al niet effectief gedaan hebben) van de inhoud van de stedenbouwkundige vergunning door consultatie van de op het gemeentehuis ter inzage liggende stukken. Zelfs wanneer de inzage hen zou geweigerd zijn, quod non, konden zij nog de nodige stappen ondernemen o.m. op grond van art. 9 §1 van de wet van 12.11.1997 betreffende de openbaarheid van bestuur in de Provincies en Gemeenten (B.S. 19.12.1997). Verzoekers waren (of konden) aldus ruim 5 maanden (!) op de hoogte (zijn) van de stedenbouwkundige vergunning. Het verzoekschrift tot nietigverklaring d.d. 06.06.2001 is aldus manifest laattijdig en dan ook onontvankelijk ratione temporis”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekers in hun memorie van wederantwoord repliceren als volgt: “Thans verneemt verzoekende partij dat de bouwvergunning klaarblijkelijk zou zijn verleend op 29.11.
- Wat verwerende partijen en tussenkomende partij ook beweren, verzoekende partij kreeg hiervan slechts kennis op 09.04.
- Het gaat niet op om verzoekende partij post factum allerlei op te leggen als had zij maar voldoende vermoedens moeten koesteren dan wel kennis moeten hebben van de bestaande bouwvergunning. Overigens is verzoekende partij de mening toegedaan dat slopingswerken verre van automatisch impliceren dat er naast een vergunning voor het slopen ook een bouwvergunning zou bestaan: verzoekende partij is overigens geen juridisch beslagen rechtsonderhorige”; X-10.385-7/9 2.
- Beoordeling 2.2.
- Overwegende dat de bestreden stedenbouwkundige vergunning noch bekendgemaakt, noch aan derden diende betekend te worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop de verzoekers er kennis van hebben gehad of geacht moeten worden kennis ervan te hebben gehad; dat het evenwel niet in de macht van een potentiële verzoeker mag liggen, wanneer hij in de mogelijkheid is kennis te nemen van de bestuurshandeling die hij eventueel met een annulatieberoep wenst te bestrijden, die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten weten, zowel van de overheid van wie zij uitgaat, als van alle andere belang-hebbenden, in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen vandien; dat het beginsel volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van administratieve beslissingen te lang onzeker blijft, en dat aan voormeld artikel 4 van de procedureregeling ten grondslag ligt, eensdeels, en de noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de bouwheer én van de omwonenden en andere belanghebbende personen, anderdeels, meebrengen dat degene die meent te worden benadeeld door een stedenbouwkundige vergunning en die het bestaan van die vergunning moet vermoeden, de verplichting had om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de mogelijkheid die hem toentertijd door artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, gewijzigd bij de wetten van 22 april 1970 en 22 december 1970, geboden werd om ten gemeentehuize kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning; dat eens die redelijke termijn verstreken, de termijn van 60 dagen om annulatieberoep in te dienen, een aanvang neemt; 2.2.
- Overwegende dat de werken eind december 2000 zijn gestart om van dan af in de loop van de eerste maanden van 2001 te worden voortgezet; dat de verzoekers, die in de onmiddellijke nabijheid wonen van het bouwterrein en die bij het openbaar onderzoek van de op 14 juli 2000 door de tussenkomende partij ingediende bouwaanvraag waren betrokken, in die periode het bestaan van een vergunning voor de betrokken werken, en dus niet alleen voor de sloping, moeten hebben vermoed; dat ze dan ook binnen een redelijke termijn van vijftien dagen X-10.385-8/9 gebruik hadden moeten maken van de mogelijkheid om ten gemeentehuize kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning; dat het annulatieberoep ruim zes maanden na de aanvang van de werken, namelijk op 7 juni 2001, door de verzoekers is ingediend; dat het beroep dan ook meer dan zestig dagen na de mogelijke kennisname is ingesteld; dat de exceptie van onontvankelijkheid wegens laattijdigheid gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekers, elk voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes november 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, door de voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de heer D. MOONS, staatsraad, verhinderd wegens ziekte na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad; Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.385-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.435 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div