← België

Arrest 176437 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/11/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.437 Rolnummer: A. 76341/X-7859 Zaak: Arrest 176437 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-15 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 03:55 Fiche Arrest nr 176.437 van 6 november 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.437 van 6 november 2007 in de zaak A. 76.341/X-

  1. In zake : Willy VANDER EECKT, die woonplaats kiest bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. DECLERCQ, kantoor houdende te 3010 KESSEL-LO, Tiensesteenweg
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Willy VANDER EECKT op 12 november 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 28 augustus 1997 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van zijn beroep tegen de registratie in de inventaris van leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten, van de bedrijfsruimte waarvan hij eigenaar is, gelegen te Halle, Willamekaai 8; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 26 april 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie met verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij; X-7859-1/6 Gelet op de beschikking van 7 maart 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 30 maart 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. DE KETELAERE, die loco advocaat J. GHYSELS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat G. HAVET, die loco advocaat P. DECLERCQ verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.Feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. De verzoeker is eigenaar van een gebouw gelegen te Halle, Willamekaai 8, kadastraal bekend sectie H, nr. 90/h
  4. 1.
  5. Met toepassing van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten wordt dat gebouw op 14 mei 1997 opgenomen in de inventaris van de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten. 1.
  6. Tegen die registratie stelt de verzoeker een beroep in bij de Vlaamse regering. 1.
  7. Op 28 augustus 1997 beslist de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening het bovenvermelde beroep van de verzoeker te verwerpen; X-7859-2/6
  8. Ontvankelijkheid 2.
  9. Overwegende dat de verzoeker in zijn verzoekschrift zijn belang als volgt onderbouwt: “De verzoekende partij is eigenaar van het bedrijfsgebouw, gelegen aan de Willamekaai 8 te Halle, dat het voorwerp uitmaakt van het registratieattest. Als eigenaar, komt de heffing op gezegd onroerend goed, opgenomen in de inventaris van leegstaande en verwaarloosde bedrijfsruimten, ten laste van de verzoekende partij. Verzoekende partij heeft zodoende een evident belang bij het aanvechten van het ministerieel besluit dat het beroep van de verzoekende partij tegen de registratie heeft verworpen”; 2.
  10. Overwegende, ambtshalve, dat om ontvankelijk te zijn een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een administratieve rechtshandeling tot voorwerp moet hebben; dat onder rechtshandeling in de zin van voormelde bepaling dient te worden verstaan een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen te doen ontstaan of te beletten dat zij tot stand komen, m.a.w. waarbij wordt beoogd wijzigingen aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand dan wel zodanige wijziging te beletten; dat om ontvankelijk te zijn het beroep een handeling tot voorwerp moet hebben die zelf rechtsgevolgen sorteert en die onmiddellijk en rechtstreeks nadeel berokkent aan de verzoekende partij; dat aldus enerzijds handelingen die in de loop van een administratieve procedure door de overheid worden gesteld met het oog op de totstandkoming van een administratieve rechtshandeling maar die zelf geen rechtsgevolgen hebben, niet voor vernietiging vatbaar zijn - de mogelijke onregelmatigheden waarmee zij zouden zijn aangetast, kunnen wel ontvankelijk worden aangevoerd in een beroep tot nietigverklaring tegen de eindbeslissing - terwijl anderzijds handelingen ter voorbereiding van een administratieve eindbeslissing die zelf rechtsgevolgen hebben doordat zij onmiddellijk en beslissend de inhoud van de eindbeslissing voor een deel of geheel bepalen en dus een direct en definitief nadeel aan de verzoekende partij berokkenen, wel afzonderlijk met een beroep tot nietigverklaring kunnen worden bestreden; 2.
  11. Overwegende dat in casu de nietigverklaring wordt gevorderd van het besluit waarbij het beroep van de verzoeker tegen de registratie van een bedrijfs- ruimte in de inventaris van leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten zoals bedoeld in het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, wordt verworpen; X-7859-3/6 Overwegende dat uit de parlementaire voorbereiding van dit decreet blijkt dat het de bedoeling van de decreetgever is geweest door een geheel van bepalingen de eigenaars van leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten ertoe aan te zetten om deze bedrijfsruimten “te recupereren of ze opnieuw op de markt te brengen met eerbied voor de ruimtelijke ordening van het grondgebied” (Parl. St., Vl. R., 1993-1994, 591/1, p. 2); dat het decreet daartoe onder meer voorziet in een heffing die aan de eigenaars van verwaarloosde en/of leegstaande bedrijfsruimten wordt opgelegd, en waarvan de opbrengst wordt gestort in een zgn. “Vernieuwingsfonds” (art. 15) dat wordt aangewend om nieuwe eigenaars van verwaarloosde en/of leegstaande bedrijfsruimten te financieren (art. 42); dat de Vlaamse regering eveneens machtiging kan verlenen om leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten te onteigenen (art. 50), maatregel die is bedoeld als “ultiem pressiemiddel (...) indien ondanks de heffing niet tot vernieuwing wordt overgegaan” (Parl. St., Vl. R., 1993-1994, nr. 591/1, p. 23); Overwegende dat de registratie van een onroerend goed in de inventaris van de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten een stap is in de bij het decreet vastgelegde administratieve procedure die de voormelde maatregelen (heffing, financiële steun en machtiging tot onteigening) mogelijk maakt; dat de kennisgeving van het registratieattest een verwittiging en een aansporing is van de betrokkenen om iets te ondernemen; dat de registratie in de inventaris van de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten niet rechtstreeks en onmiddellijk tot gevolg heeft dat een heffing of belasting verschuldigd is en evenmin dat het betrokken goed zal worden onteigend; Overwegende dat krachtens artikel 15, § 1 van het decreet van 19 april 1995 “de heffing wordt ingevoerd vanaf het kalenderjaar dat volgt op de tweede opeenvolgende registratie in de inventaris voor geheel of gedeeltelijk verlaten en/of verwaarloosde bedrijfsruimten”, en dat de heffing betrekking heeft “op het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de heffing wordt betekend”; dat zelfs na een tweede opeenvolgende registratie niet automatisch een heffing is verschuldigd, vermits deze krachtens de artikelen 26 juncto 33 pas is verschuldigd nadat ze op naam van een persoon is ingekohierd en nadat de kennisgeving die de grondslag van de heffing bevat en het te betalen bedrag aan diegenen die eraan onderworpen zijn met een aangetekende brief is betekend; X-7859-4/6 2.
  12. Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de registratie in de inventaris van de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten een louter voorbereidende handeling is zonder onmiddellijke nadelige gevolgen; dat zij niet afzonderlijk met een beroep tot nietigverklaring kan worden bestreden; dat het beroep niet ontvankelijk is;
  13. Kosten Overwegende dat de verwerende partij bij de betekening van de bestreden beslissing melding heeft gemaakt van “de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State”; dat het in de gegeven omstandigheden past dat de kosten ten laste van de verwerende partij worden gelegd, BESLUIT: Artikel
  14. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. X-7859-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes november 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, door de voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de heer D. MOONS, staatsraad, verhinderd wegens ziekte na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad; Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-7859-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.437 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.