← België

Arrest 176439 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 06/11/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.439 Rolnummer: A. 75467/X-7682 Zaak: Arrest 176439 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 06/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-15 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 03:56 Fiche Arrest nr 176.439 van 6 november 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.439 van 6 november 2007 in de zaak A. 75.467/X-

  1. In zake : de b.v.b.a. GEBROEDERS VERBEEMEN, die woonplaats kiest bij advocaat A. BORGERS, kantoor houdende te 3560 LUMMEN, Ringlaan 15 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
  2. tussenkomende partij : de n.v. CATERPILLAR LOGISTICS SERVICES BELGIUM, die woonplaats kiest bij advocaat L. SWARTENBROUX, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Brederodestraat
  3. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. GEBROEDERS VERBEEMEN op 25 augustus 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van:
  4. het besluit van 8 oktober 1996 van de Vlaamse regering houdende voorlopige vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Hasselt-Genk op het grondgebied van de gemeente Lummen,
  5. het besluit van 17 juni 1997 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Hasselt-Genk op het grondgebied van de gemeente Lummen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 12 november 1997 ingediend door de n.v. CATERPILLAR LOGISTICS SERVICES BELGIUM; X-7.682-1/7 Gelet op de beschikking van 3 december 1997 die de tussenkomst van de n.v. CATERPILLAR LOGISTICS SERVICES BELGIUM toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 1 maart 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 7 maart 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 30 maart 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. LAMMENS, die loco advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat L. SWARTENBROUX, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  6. Feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  7. Op 8 oktober 1996 stelt de Vlaamse regering een ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Hasselt-Genk voorlopig vast voor een X-7.682-2/7 gedeelte van het grondgebied van de gemeente Lummen. Dit besluit vormt het eerste voorwerp van het beroep. Voornoemd ontwerpplan beoogt onder meer een gebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen, gelegen aan de Bosstraat te Lummen, te bestemmen tot industriegebied. 1.
  8. Tijdens het openbaar onderzoek dient de verzoekende partij, op 3 april 1997, bezwaar in tegen het voormelde besluit. In dit bezwaar stelt zij onder meer dat “de bedoeling om het gebied van ambachtelijke zone, het statuut van industriegebied te geven, enkel is ingegeven geworden door de bedoeling privé belangen te dienen, nl. deze van de NV Caterpillar Logistics Services”, dat “de gemeenteraad in haar beslissing dd. 21 februari 1997 zelfs de gronden welke nog dienen onteigend te worden, heeft overgedragen onder opschortende voorwaarde aan de NV Caterpillar Logistics Services” en dat “zelfs verschillende KMO-bedrijven, zoals de BVBA VERBEEMEN GEBROEDERS, welke een KMO-activiteit in het desbetreffend gebied willen uitoefenen, eenvoudigweg worden onteigend om deze gronden, zonder enige tussenkomst of uitrusting van infrastructuur, over te dragen aan de NV Caterpillar Logistics Services”. 1.
  9. Op 17 juni 1997 wordt het tweede bestreden besluit genomen, waarbij voormelde voorlopig vastgestelde bestemming definitief wordt vastgesteld;
  10. Belang 2.
  11. Standpunt van de partijen 2.1.
  12. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord volgende exceptie opwerpt: “De verzoekende partij laat na haar belang aan te tonen. Zij doet zich voor als eigenares van gronden die gelegen zijn in het gebied die het voorwerp uitmaken van de bestreden gewestplanwijziging, alsook van de onteigening. De verzoekende partij dient haar belang concreet aan te tonen”; 2.1.
  13. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord daartegen het volgende inbrengt: X-7.682-3/7 “Ten onrechte stelt het Vlaamse Gewest dat de eis onontvankelijk zou zijn bij gebrek aan belang; Volgens het Vlaamse Gewest doet verzoekende partij zich maar voor ‘als eigenares van gronden die gelegen zijn in het gebied die het voorwerp uitmaken van de bestreden gewestplanwijziging, alsook van de onteigening’; Verzoekende partij doet zich niet zomaar voor, doch dit is ook de werkelijkheid, hetgeen blijkt uit de procedurestukken van de onteigeningsprocedure; Verzoekende partij heeft een vordering tot herziening van het vonnis van de Vrederechter ingesteld, waarbij zij ook de wettigheid van het onteigeningsbesluit betwist; Met meer dan grote waarschijnlijkheid staat het dan ook vast dat, bij latere vaststelling van de onwettigheid van de onteigening de verzoekende partij het volledig herstel van het door hem geleden nadeel betracht, hetzij in natura, hetzij in tegenwaarde (...); Bij het instellen van huidige vordering, strekkende tot nietigverklaring van de aangevochten besluiten, getuigt verzoekster van het vereiste belang, al was het maar dat zij het risico dat zij loopt met de integrale teruggave van haar goed te verkrijgen, hierdoor alsnog kan beperken; Wanneer later zou komen vast te staan dat de onteigeningsprocedure nietig zou zijn, om welke reden ook, zal verzoekster haar voorheen ‘onteigende’ grond terugkrijgen - vóór de inbezitname door onteigening, zijnde ambachtelijke zone - bij teruggave ingevolge nietigverklaring - als zijnde industriegrond; Vermits er uiteraard een groot verschil bestaat tussen industriegrond en grond bestemd voor ambachtelijke bedrijven, wat verzoekende partij ook is, bestaat er wel degelijk een belang in hoofde van verzoekende partij”; 2.1.
  14. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar memorie volgende exceptie opwerpt: “Verzoekster heeft deze vordering tot nietigverklaring klaarblijkelijk ingesteld in de hoedanigheid van eigenaar van een perceel grond gelegen in de voormalige KMO-zone Lindekensveld in de gemeente Lummen. Evenwel werden op 25 februari 1997 de betrokken percelen van verzoekster onteigend bij vonnis van de vrederechter van Hasselt en werd de provisionele vergoeding vastgesteld. Een dergelijk vonnis heeft de eigendomsoverdracht tot gevolg (...). Het is bovendien niet vatbaar voor beroep (art. 8, tweede lid Onteigeningswet 26 juli 1962). Verzoekster is geen eigenaar meer van enig perceel gelegen in de voormalige KMO-zone ‘Lindekensveld’. Zij beschikt derhalve niet over het nodige belang om een vordering tot nietigverklaring in te stellen tegen de bestreden beslissingen”; 2.1.
  15. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie aanvoert wat volgt: “1) Gezien het verslag (artikel 12) van de Auditeur, waarbij gesteld wordt dat de vordering onontvankelijk is; Aangezien verzoekster het hiernavolgende wenst op te merken; (...) X-7.682-4/7 2) Verzoekster heeft zich wel degelijk verzet tegen het gemeenteraadsbesluit van 21 februari 1997, houdende goedkeuring van de verkoop van de gronden in de KMO-zone LINDEKENSVELD aan de NV CATERPILLAR LOGISTICS SERVICES BELGIUM; Deze zaak is gekend onder A/A. 74.814/XII; Het feit dat de vordering tot schorsing eventueel verworpen is bij arrest van 70.429 van 19 december 1997, is niet terzake dienend; 3) De Auditeur stelt zich de vraag of de wederoverdracht mogelijk is; Zoals de overdracht heeft plaatsgehad aan de gemeente, kan de overdracht op dezelfde wijze geschieden aan de vorige eigenaars; Het feit dat een derde gehandeld heeft ‘alsof hij eigenaar is’, kan uiteraard niet tot gevolg hebben dat de eigendom van verzoekster niet zou kunnen terug overgedragen worden; Het tegendeel aannemen zou impliceren dat degene welke wederrechtelijk bezit neemt zou beschermd worden ‘omdat hij wederrechtelijk in bezit heeft genomen’; Niemand kan, niet steunend op vaste rechten, zich op een feitelijkheid beroepen, in casu de inbezitname door de NV CATERPILLAR LOGISTICS SERVICES BELGIUM; De Auditeur stelt zich de vraag of teruggave of wederoverdracht van de onteigende gronden nog mogelijk zou zijn; Uiteraard is dit mogelijk; Vermits door de onteigening een overdracht tot stand komt, kan uiteraard in tegenovergestelde zin een teruggave geschieden; Aangezien trouwens DENYS N. in het werk ‘Onteigening en Planschade’ deze mogelijkheid duidelijk voorziet; 4) Dit belang is uiteraard een normaal belang, hetgeen zeker als een ‘rechtstreeks en zeker belang’ moet beschouwd worden; Ten onrechte wordt gesteld dat het belang van verzoekster afhankelijk is van het resultaat van de procedure hangende voor de gewone rechter; Aangezien verzoekster uiteraard haar belang heeft uiteengezet, hetwelk dient aanvaard te worden; 5) Aangezien de Auditeur voorhoudt dat er geen verschil is tussen ‘een industriegebied’ en ‘een gebied voor ambachtelijke bedrijven’ en ‘een gebied voor kleine en middelgrote ondernemingen’; (...)”; 2.1.
  16. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog stelt wat volgt: “
  17. Verwerende partij stelde in haar memorie van antwoord dat de verzoekende partij nalaat haar belang (concreet) aan te tonen. De heer eerste auditeur-afdelingshoofd besluit na zijn onderzoek tot de onontvankelijkheid van het ingestelde annulatieberoep wegens gebrek aan belang.
  18. De heer eerste auditeur-afdelingshoofd stelt vast dat de verzoekende partij ‘zich in feite, beroept op haar hoedanigheid van gewezen eigenaar van bepaalde gronden gelegen in voormelde K.M.O.-zone, welke ingevolge de bestreden beslissing, thans bestemd worden als industriegebied en dat zij, in die hoedanigheid, meent belang te hebben bij de vernietiging van de bestreden beslissing’ (verslag p. 5).
  19. De heer eerste auditeur-afdelingshoofd meent dan ook dat ‘het wel zeer specifiek en niet vanzelfsprekend belang waarop verzoekster zich blijkt te beroepen, niet kan aangemerkt worden als een rechtstreeks en zeker belang’. X-7.682-5/7 ‘Immers verzoeksters belang is afhankelijk van het resultaat van de, voor de gewone rechter, hangende procedure(s) i.v.m. de onteigening van meergenoemde goederen.’ (verslag p. 6)
  20. Terecht acht de heer eerste auditeur-afdelingshoofd het onaanvaardbaar dat ‘de Raad (van State) eigenlijk verplicht wordt zijn uitspraak uit te stellen totdat over dit belang zekerheid bestaat, m.a.w. totdat over de door verzoeksters betwiste onteigening definitief is beslist’ (verslag p. 6). De onzekerheid omtrent de goede afloop van die procedure was reeds voorhanden voor het indienen van het voorliggend annulatieberoep. Het belang van de verzoekende partij is dan ook niet rechtstreeks en hypothetisch. Het ingestelde annulatieberoep is bijgevolg onontvankelijk. (...)
  21. De wederoverdracht van de onteigende gronden is - in casu - wel degelijk onmogelijk. (...)”; 2.
  22. Beoordeling 2.2.
  23. Overwegende dat overeenkomstig artikel 19, eerste lid van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, de beroepen tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van die wetten, voor de afdeling bestuursrechtspraak kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of van een belang; Overwegende dat dit veronderstelt dat de verzoekende partij door het bestreden besluit benadeeld is en dat dit nadeel persoonlijk, rechtstreeks, zeker en actueel is; dat daarenboven vereist is dat de nietigverklaring van het bestreden besluit aan de verzoekende partij een rechtstreeks voordeel verschaft; Overwegende dat het belang waarvan een verzoekende partij blijk moet geven, moet bestaan op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep en dat die partij dat belang ook nog moet bezitten op het ogenblik van de uitspraak; 2.2.
  24. Overwegende dat uit het verzoekschrift en de memories van de verzoekende partij blijkt dat zij zich uitsluitend beroept op haar hoedanigheid van gewezen eigenares van bepaalde - in de toenmalige KMO-zone Lindekensveld gelegen - gronden; dat de verzoekende partij meer bepaald in haar memorie van wederantwoord als belang aanhaalt dat, wanneer later zou komen vast te staan dat de onteigeningsprocedure nietig zou zijn, ze “haar voorheen ‘onteigende’ grond (zou) terugkrijgen” als behorend tot een industriezone en dat “er uiteraard een groot verschil bestaat tussen industriegrond en grond bestemd voor ambachtelijke bedrijven, wat verzoekende partij ook is”; X-7.682-6/7 2.2.
  25. Overwegende dat de puur theoretische mogelijkheid tot teruggave na een eventuele herziening van het vonnis van de vrederechter niet in aanmerking kan worden genomen ter staving van het vereiste rechtstreeks en zeker belang, BESLUIT: Artikel
  26. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  27. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes november 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, door de voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de heer D. MOONS, staatsraad, verhinderd wegens ziekte na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad; Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-7.682-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.439 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.