← België

Arrest 176479 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/11/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.479 Rolnummer: A. 184322/X-13361 Zaak: Arrest 176479 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-15 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:58 Fiche Arrest nr 176.479 van 6 november 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.479 van 6 november 2007 in de zaak A. 184.322/X-13.

  1. In zake :
  2. Ludo VAN GENECHTEN,
  3. Mia WECKX, die woonplaats kiezen bij advocaat D. VANDEN BOER, kantoor houdende te 3920 LOMMEL, Lepelstraat 125 tegen : de deputatie van de provincieraad van LIMBURG. tussenkomende partijen :
  4. Erwin QUANTEN,
  5. Kirsten MENTEN, die woonplaats kiezen bij advocaten W. MERTENS en A. BEELEN, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat
  6. DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Ludo VAN GENECHTEN en Mia WECKX op 11 juli 2007 hebben ingediend, en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vorderen van het besluit van 26 april 2007 van de deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij het beroep ingesteld door QUANTEN- MENTEN tegen het besluit van 29 december 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Lommel houdende weigering van de stedenbouwkundige vergunning voor een uitbreiding op de verdieping van een woning gelegen te Lommel, Stationsstraat 57, kadastraal bekend sectie C, nr. 780/e2, wordt ingewilligd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-13.361-1/11 Gelet op de beschikking van 13 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 oktober 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. JANSSEN, die loco advocaat D. VANDEN BOER verschijnt voor de verzoekende partijen, van bestuurssecretaris T. ROOSEN, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat A. BEELEN, die verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT: De rechtspleging 1.
  7. Met een verzoekschrift van 1 augustus 2007 hebben Erwin QUANTEN en Kirsten MENTEN gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen. De feiten 2.
  8. Op 23 oktober 2006 (datum van het bewijs van ontvangst van de aanvraag) dienen Erwin QUANTEN en Kirsten MENTEN bij het stadsbebestuur van Lommel een aanvraag in tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor een uitbreiding op de verdieping van hun woning gelegen te Lommel, Stationsstraat 57, kadastraal bekend sectie C, nr. 780/e
  9. De aanvraag betreft een uitbreiding op de verdieping met een slaapkamer en een dressing tegen de linker perceelgrens. De uitbreiding heeft een diepte van 6,65m en een breedte die toeneemt van 3,10m tot 4,73m. De uitbreiding wordt bedekt met een zadeldak. Overeenkomstig de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 22 maart 1978 vastgestelde gewestplan Neerpelt-Bree is de woning gelegen in woongebied. X-13.361-2/11 Ze is niet gelegen binnen een gebied waarvoor een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan geldt, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. De verzoekers bewonen het links aanpalende pand. 2.
  10. Ter gelegenheid van het openbaar onderzoek dienen de verzoekers bezwaar in, dat kan worden samengevat als volgt:
  11. de uitbreiding is zuid-oost gericht wat een vermindering van lichtinval betekent;
  12. de voorgestelde uitbreiding betekent een vermindering van uitzicht op de achterliggende tuin;
  13. er zou geen bezwaar zijn indien de uitbreiding tegen de andere perceelgrens werd uitgevoerd;
  14. de bouwdiepte moet worden gerespecteerd. 2.
  15. Het college van burgemeester en schepenen van Lommel beschouwt de bezwaren als gegrond en weigert de vergunning bij besluit van 29 december
  16. 2.
  17. Bij aangetekende brief van 17 januari 2007 tekenen de tussenkomende partijen administratief beroep aan bij de deputatie. 2.
  18. Aangepaste plannen worden ingediend. Concreet wordt in een bakgoot voorzien op een hoogte van 1,55m boven het dak van de benedenverdieping over de gehele diepte van de uitbreiding. 2.
  19. Bij beslissing van 26 april 2007 verleent de deputatie de vergunning. Dit is het bestreden besluit. Met betrekking tot de aangepaste plannen overweegt het bestreden besluit als volgt: “Overwegende dat in voorliggend ontwerp de afwatering een probleem is; dat de beroeper een zadeldak voorziet dat afhelt naar de perceelgrens; dat dit concept en de uitvoering met een goot op de perceelsscheiding aanleiding geeft tot problemen inzake onderhoud; dat wanneer er onderhoud aan de goot dient te gebeuren, de beroeper deze goot immers enkel kan bereiken via het perceel van de buren; dat het perceel van de buren op deze manier in feite belast wordt met een erfdienstbaarheid; X-13.361-3/11 Overwegende dat de deputatie tijdens de hoorzitting van 6 maart 2007 oordeelde dat gezien het probleem van de afwatering het wenselijk is dat de beroeper zijn plannen aanpast; Overwegende dat de afdeling op 9 maart de gewijzigde plannen ontving; dat in deze plannen de hanggoot op de perceelsscheiding is vervangen door een driehoekige bakgoot die onderhoud van op het eigen perceel mogelijk maakt en conform de bepalingen van het burgerlijk wetboek is”. De ontvankelijkheid
  20. De tussenkomende partijen werpen een exceptie van niet ontvankelijkheid op. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de opgeworpen exceptie van niet ontvankelijkheid uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zou zich slechts opdringen indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, te dezen niet het geval is. De grondvoorwaarden tot schorsing 4.
  21. Overeenkomstig artikel 17, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 4.2.
  22. De verzoekers zetten in hun verzoekschrift hun moeilijk te herstellen nadeel als volgt uiteen: “De onmiddellijke tenuitvoerlegging van dit besluit zal verzoekers een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkenen. Er gaat een geruime periode voorbij vooraleer de Raad van State uitspraak zal doen over de gegrondheid van het verzoekschrift houdende het beroep tot nietigverklaring. Verzoekers beschikken over ernstige middelen die de vernietiging van de aangevochten beslissing dd 26.4.2007 verantwoorden, doch dit verhindert op zich, zonder huidig verzoekschrift, de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissingen niet. In tussentijd zullen de echtgenoten QUANTEN-MENTEN de uitbreiding van de eerste verdieping aan hun woning oprichten, hetgeen op ernstige en vérstrekkende wijze afbreuk zal doen aan het kwalitatief en residentieel karakter van de woning van verzoekers, wat een verregaande waardevermindering van hun woonmilieu, woonkwaliteit, alsook eigen woning tot gevolg zal hebben. X-13.361-4/11 Zodra deze uitbreiding functioneel is, zal zij op vérstrekkende wijze zorgen voor een vermindering van lichtinval met beperking van de woonkwaliteit, vermindering van de zichten vanuit de woning van verzoekers (...). In dit opzicht bestaat er in hoofde van verzoekers dan ook een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat in aanmerking dient te worden genomen om de schorsing van de bestreden beslissing te verrechtvaardigen. Dienvolgens werd ten onrechte het hoger beroep ingewilligd en de stedenbouwkundige vergunning afgeleverd”. 4.2.
  23. De verwerende partij repliceert in haar nota hierop als volgt: “(...) De verzoekende partijen beperken zich dus tot het stellen dat een beslissing over de grond van de zaak door uw Raad te veel tijd in beslag zou nemen, tot het opsommen van enkele mogelijke gevolgen en tot het bijbrengen van enkele foto’s. Vooraleer op deze beweringen in te gaan, wijst de verwerende partij er dan ook nu reeds op dat de verzoekende partijen enkel gevolgen opsommen die de bestreden beslissing mogelijkerwijze voor hen zou kunnen hebben zonder op enige wijze concrete gegevens bij te brengen of dit nadeel werkelijk wordt geleden ingevolge een onmiddellijke uitvoering van de bestreden beslissing laat staan dat zij op enige wijze aantonen dat dit nadeel ernstig en daarenboven moeilijk te herstellen is. 2 De verzoekende partijen stellen dat er een geruime periode voorbij zal gaan vooraleer uw Raad uitspraak zal doen over de gegrondheid van het verzoekschrift houdende het beroep tot nietigverklaring en dat een enkele vordering tot nietigverklaring niet zal verhinderen dat de beroepsindieners tijdens deze periode zullen overgaan tot de uitvoering van de door de verzoekende partijen bestreden beslissing. De verwerende partij wil echter benadrukken dat volgens vaststaande rechtspraak van uw Raad een verzoekende partij, teneinde het moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan te tonen dat voor haar uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van een beslissing kan voortvloeien, niet kan volstaan met een verwijzing naar de tijd die een annulatieprocedure bij uw Raad in beslag kan nemen. De verzoekende partijen moeten integendeel met concrete feiten aantonen dat het de onmiddellijke uitvoering van de door hen bestreden beslissing is die hen een nadeel kan bezorgen dat ernstig en daarenboven moeilijk te herstellen is (...). De verzoekende partijen doen dat, zoals hierna zal blijken, in casu niet. 3 De verwerende partij wenst op te merken dat het aangevoerde nadeel van een eventuele waardevermindering van de woning van de verzoekende partijen een louter financieel nadeel uitmaakt en dat dergelijk nadeel in regel, overeenkomstig de vaste rechtspraak van uw Raad, niet moeilijk te herstellen is, zodat het in principe geen aanleiding kan geven tot een schorsing van het besluit. Uw raad beschouwt enkel in zeer uitzonderlijke gevallen een louter financieel nadeel als moeilijk te herstellen. De verzoekende partijen bewijzen echter op geen enkel ogenblik dat zij zich in een dergelijk geval bevinden waarin uw Raad een louter financieel nadeel als moeilijk te herstellen beschouwt. Verder kan nog worden opgemerkt dat de verzoekende partijen op geen enkele wijze concreet aantonen dat hun woning door de uitbreiding op de verdieping effectief een waardevermindering ondergaat. Meer nog, gelet op de aanwezige bebouwing op de omliggende percelen en op het mooie esthetische X-13.361-5/11 karakter van de vergunde werken, is het zelfs weinig aannemelijk dat dit soort verbouwing zou leiden tot enige waardevermindering van de ernaast gelegen woning. Er kan dan ook enkel (...) worden gesteld dat het hier een loutere bewering zonder enige staving betreft. De verwerende partij kan dan ook enkel concluderen dat de door de verzoekende partijen naar voor geschoven waardevermindering van hun woning niet kan worden aanvaard als zijnde een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ingevolge de onmiddellijke uitvoering van de bestreden beslissing. 4 De verzoekende partijen wijzen verder op een beperking van de lichtinval, een verhindering van de zichten en - met verwijzing naar punt III ‘het belang’ - naar een schending van de privacy door de vensteropeningen. De verwerende partij wenst op te werpen dat, zoals reeds eerder werd gesteld, het hier enkel bij loutere beweringen blijft zonder dat de verzoekende partijen op enige wijze met concrete gegevens aantonen waarin die beperking, verhindering en schending bestaan laat staan dat zij aantonen dat deze een gevolg kunnen zijn van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en dat deze ernstig en daarenboven moeilijk te herstellen zijn. Op deze drie punten wenst de verwerende partij het volgende aan te voeren. • Wat de schending van de privacy door de vensteropeningen betreft, kan erop worden gewezen dat niet goed kan ingezien worden hoe er een dergelijke schending kan zijn door een uitvoering van de bestreden beslissing. De huidige woning van de beroepsindieners telt twee vensteropeningen op de verdieping en een vensteropening en een groot schuifraam op de gelijkvloerse verdieping. Ingevolge de verleende vergunning schuift één vensteropening op de verdieping met 6,65 meter op naar achter en verder wordt twee maal een driehoekig raam in de rechtergevel van de uitbreiding en één dakvlakvenster, eveneens aan de rechterzijde van de uitbreiding, aangebracht. Aan de linkerzijde van de bedoelde uitbreiding, zijde van de woning van de verzoekende partijen, wordt in geen enkele vensteropening voorzien. Er kan dan ook niet worden ingezien hoe de toevoeging van twee vensteropeningen en een dakvlakvenster in de rechtergevel van de uitbreiding en het behoud van twee vensteropeningen in de achtergevel aanleiding kunnen geven tot een schending van de privacy van de verzoekende partijen. Er kan dan ook enkel worden geconcludeerd dat de verzoekende partijen hier uitgaan van een verkeerde voorstelling van de feiten. • Wat de beperking van de lichtinval betreft, kan worden gesteld dat de verzoekende partijen hieromtrent enkel foto’s bijbrengen maar niet concreet maken op welke wijze de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor hen een beperking van lichtinval zal teweegbrengen en of deze beperking ernstig is en daarenboven moeilijk te herstellen. Uit de bij het bestreden besluit gevoegde plannen, waarop de zoninval op het afdak van de verzoekende partijen tijdens de verschillende seizoenen is aangegeven, blijkt duidelijk dat de beperking van de lichtinval niet zo ernstig is als de verzoekende partijen op ongefundeerde wijze wensen voor te wenden. Verder is het zo dat de lichtinval in de gelijkvloerse achterbouw van de verzoekende partijen enkel kan binnendringen in een klein doorschijnend dakdeel dat daarenboven helemaal tegen de linkerperceelsgrens van de woning van de verzoekende partijen nl. tegen het huis met huisnummer 53 gelegen is - m.a.w. zelfs niet palend aan de woning van de beroepsindieners - en dat het dak van de achterbouw van de woning van de verzoekende partijen voor het overige - en dit blijkt overduidelijk X-13.361-6/11 uit alle bij het dossier gevoegde foto’s - bestaat uit ondoorschijnende golfplaten. Er kan dan ook enkel worden geconcludeerd dat de verzoekende partijen zelf, door het dak aldus te hebben aangelegd, ervoor gekozen hebben om enkel via de beperkte glazen plaat van lichtinval te genieten en dit nu niet kunnen tegenwerpen aan de bestreden beslissing te meer niet nu de bedoelde uitbreiding niet onmiddellijk aan dit beperkte lichtdoorgevende deel van hun golfplaten dak paalt. Er kan dan ook enkel worden gesteld dat de verzoekende partijen op volledig gratuite wijze verklaren dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zal leiden tot een ernstige vermindering van de lichtinval. • Wat de vermindering van de zichten uit hun woning betreft, kan ook hier weer worden gesteld dat de verzoekende partijen enkel beweren dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zal leiden tot een vermindering van de zichten uit de woning zonder te verklaren waaruit die vermindering van de zichten bij de onmiddellijke uitvoering van de beslissing dan wel precies bestaat laat staan dat zij aantonen dat deze vermindering van de zichten ernstig is. De verwerende partij wil er meteen op wijzen dat de verzoekende partijen het vrijelijk uitzicht naar het achtergelegen perceel volledig behouden. Verder wil de verwerende partij opmerken dat de betrokken woning gelegen is in een stedelijk gebied dat reeds zeer dicht bebouwd is in de achterzone - zie uitbouw van de woning met nr. 53 en de bouwdiepte van de woning met nr. 59 - zodat de aanspraken op uitzichten in functie van die vaststelling moeten worden beoordeeld. Er kan dan ook enkel (...) worden geoordeeld dat de loutere bouw van de uitbreiding op zich niet leidt tot een vermindering van de zichten vanuit de woning of toch althans niet in die mate dat dit als zeer ernstig en daarenboven als moeilijk te herstellen kan worden aangemerkt. Er kan dan ook enkel worden geconcludeerd dat de verzoekende partijen op geen enkele wijze met concrete gegevens aantonen dat deze door hen naar voor geschoven mogelijke gevolgen van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor hen een ernstig nadeel betekenen dat daarenboven nog eens moeilijk te herstellen is. Ze beperken zich louter tot het opsommen van mogelijke gevolgen en tot de enkele stelling dat daaruit blijkt dat er in hoofde van de verzoekende partijen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aanwezig is. Om al de bovenvermelde redenen meent de verwerende partij dan ook dat de verzoekende partijen niet afdoende hebben aangetoond dat zij door de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit zelf een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen ondervinden, voortvloeiend uit dit besluit. Hierdoor is niet voldaan aan de tweede door artikel 17, §2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen en moet het verzoekschrift alleen al om deze redenen worden verworpen als zijnde onontvankelijk”. 4.2.
  24. De tussenkomende partijen voegen aan de argumentatie van de verwerende partij het volgende toe: “Algemeen kan worden vastgesteld dat de uiteenzetting m.b.t. het MTHEN zoals opgenomen in het verzoekschrift - los van het feit dat die uiteenzetting X-13.361-7/11 een verwijzing betreft naar de uiteenzetting over het belang, wat toch twee van elkaar te onderscheiden voorwaarden zijn - hoofdzakelijk beperkt is tot het poneren van het bestaan van bepaalde nadelen, eerder dan op concrete en gemotiveerde wijze het bewijs van die nadelen te leveren én bovendien van het feit dat zij ernstig en moeilijk herstelbaar zijn. Het stuk 4 dat verzoekende partijen aan Uw Raad voorleggen blijkt weliswaar foto’s te betreffen, maar dit stuk wordt door de verzoekende partijen in het geheel niet betrokken in de uiteenzetting over het MTHEN, laat staan op concrete wijze. De verzoekende partijen kunnen niet aan Uw Raad opdringen om de specifieke en concrete bewijslast die zij aangaande het MTHEN te vervullen hebben, ambtshalve over te nemen. * wat betreft de tijd die een annulatieprocedure bij Uw Raad in beslag kan nemen Het is vaststaande rechtspraak van Uw Raad dat de tijd die een annulatieprocedure in beslag kan nemen niet in aanmerking wordt genomen als moeilijk te herstellen ernstig nadeel (...) * wat betreft de waardevermindering Een financieel nadeel is volgens de rechtspraak van Uw Raad in principe herstelbaar (...). * wat betreft de schending van de privacy Zoals uit de vergunde plannen blijkt zijn er in de zijgevel van de vergunde bijbouw die grenst aan het perceel van de verzoekende partijen geen raamopeningen voorzien (...). Vanuit de vergunde constructie kan bijgevolg ook niet worden ingekeken op de woning van de verzoekende partijen. Verder mag worden beklemtoond dat de linkergebuur van de verzoekende partijen op de eerste verdieping van zijn woning niet minder dan 12 raamopeningen heeft die uitgeven op het eigendom van de verzoekende partijen, d.i. zowel op de achtergevel als op de tuin en op het terras van de verzoekende partijen. Dit blijkt zeer duidelijk uit de foto’s die verzoekers in tussenkomst voorleggen (...). Bovendien heeft die linkergebuur dan ook nog eens een terras op de eerste verdieping van zijn woning van waaruit eveneens zowel op het terras als op de tuin van de verzoekende partijen kan worden ingekeken (nl. onmiddellijk achter de bruingekleurde ramen - dit blijkt ook uit de trapsgewijze afbouw in rode baksteen) (...) In die omstandigheden kan de ene raamopening die in de achtergevel van het vergunde bijgebouw van verzoekers in tussenkomst is voorzien niet als een ernstig nadeel worden aanzien. Bovendien mag niet uit het oog worden verloren dat het perceel gelegen is in een stadskern. Het perceel bevindt zich zelfs aan de binnenzijde van de Binnenring die de stad Lommel kenmerkt. De aanspraken op o.a. privacy en uitzichten moeten dan ook in functie van die vaststelling worden beoordeeld (...). In dergelijke omgeving is de verdichting van de bouwdichtheid en van het stedelijk weefsel niet abnormaal noch onvoorzienbaar (...). * wat de vermindering van de uitzichten betreft Naast de rechtspraak van Uw Raad over de aanspraken op uitzichten die hoger reeds werd geciteerd en die hier wordt hernomen (cf. supra, ‘wat de schending van privacy betreft’), kan nog worden vastgesteld dat de verzoekende partijen bijzonder karig zijn met het verstrekken van informatie aan Uw Raad over de inrichting van hun eigen woning. Zo wordt niet aangegeven van uit welke vertrekken van hun woning zij het vergunde gebouw dan wel zullen waarnemen. X-13.361-8/11 In concreto kan enkel vanuit twee ramen die zich in de achtergevel van de eerste verdieping van de verzoekende partijen bevinden worden uitgekeken op de vergunde achterbouw van de familie Quanten-Menten (...). Als men voor de kwestieuze ramen staat kan de vergunde bijbouw door de verzoekende partijen in feite enkel worden waargenomen indien zij zijdelings zicht naar rechts uitoefenen. Het loodrecht zicht dat verzoekende partijen vanuit die ramen hebben op hun tuin blijft behouden. Bovendien moet de vermindering van zicht als nadeel ook gerelativeerd in die zin dat de ramen in kwestie enerzijds de overloop en anderzijds een slaapkamer van de verzoekende partijen betreffen. Dit werd door de architect van verzoekers in tussenkomst reeds aangegeven in een nota die op 20.01.2007 werd ingediend bij de Bestendige Deputatie (...). Het nadeel zou ernstiger zijn indien er een vermindering van zicht zou zijn vanuit vertrekken op het gelijkvloers (bv. keuken of living) of een vermindering van het zicht dat men heeft vanop het terras. Dat doet zich i.c. niet voor. * wat de vermindering van licht betreft De architect van tussenkomende partij heeft juist geopteerd voor een uitbreiding via een zadeldakconstructie op zijgevels met een beperkte hoogte van 1,60m, i.p.v. het gebruikelijke en meer comfortabele platte dak op zijgevels met een hoogte van 2,25 tot 2,50m om de lichtinval op de achterbouw van de verzoekende partijen maximaal te behouden. De zonlichtstudie die opgenomen is op de vergunde plannen toont dan ook aan dat met de gekozen constructie de vermindering van de lichtinval op het perceel van de verzoekende partijen bijzonder gering is (...). Alles in acht genomen berokkent de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing de verzoekende partijen dan ook geen moeilijk te herstellen en ernstig nadeel, minstens wordt het bestaan van dergelijk nadeel niet bewezen in het verzoekschrift”. 4.
  25. De verzoekers kunnen hun nadeel niet afleiden uit de tijd die de annulatieprocedure in beslag zal nemen. Het rechtens vereiste nadeel moet namelijk voortvloeien uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en niet uit de bedoelde duur van de annulatieprocedure. De wettelijke voorwaarde betreffende het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is een constitutieve en autonome schorsingsvoorwaarde. De aard evenals de graad van ernst van de ingeroepen middelen, en met andere woorden de graad van onwettigheid van de bestreden beslissing, zijn in principe abstracte gegevens die op zichzelf geen nadelige gevolgen genereren. Bijgevolg kan ter adstructie van het ernstig nadeel niet dienstig worden verwezen naar de ernst van de middelen. De -eventuele- waardevermindering van het perceel van de verzoekers is in wezen een financieel nadeel. Een dergelijk nadeel is in beginsel niet moeilijk te herstellen. De verzoekers brengen geen concrete en precieze gegevens bij waaruit zou kunnen blijken dat dit in casu wel het geval zou zijn. X-13.361-9/11 Wat het ingeroepen verlies van lichtinval betreft, dient de impact van de vergunde uitbreiding terzake te worden gerelativeerd. Uit de weergave van de verschillende zonnestanden op de plannen - en de verzoekers tonen niet aan dat deze onjuist zouden zijn- kan worden afgeleid dat het verlies aan lichtinval eerder beperkt is. De verzoekers maken niet aannemelijk dat dit verlies een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel dreigt te veroorzaken. Met betrekking tot het ingeroepen verlies van zicht dient te worden vastgesteld dat het bouwperceel en dat van de verzoekers gelegen zijn in het centrum van de stad Lommel. Het betreft een stedelijke omgeving die zeer dicht en sterk in de diepte variërend is bebouwd. De aanspraken op uitzichten moeten in functie hiervan worden beoordeeld. Het zicht waarop de verzoekers zich beroepen dient derhalve te worden gerelativeerd. Het betreft bovendien een zijdelings zicht vanuit de slaapkamer. Het zicht op het achtergelegen perceel blijft onaangeroerd. Gelet op deze elementen maken de verzoekers niet concreet aannemelijk dat hun uitzicht derwijze zal worden aangetast dat dit een nadeel vormt dat ernstig en moeilijk te herstellen is. Er is niet voldaan aan één van de bij artikel 17, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE: Artikel
  26. Het verzoek tot tussenkomst van Erwin QUANTEN en Kirsten MENTEN in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
  27. De vordering tot schorsing wordt verworpen. X-13.361-10/11 Artikel
  28. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes november 2007, door : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-13.361-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.479 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.347 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.