← België

Arrest 176484 - Varia (onderwijs en cultuur) - 06/11/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.484 Rolnummer: A. 184041/XII-5139 Zaak: Arrest 176484 - Varia (onderwijs en cultuur) - 06/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-15 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 03:58 Fiche Arrest nr 176.484 van 6 november 2007 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK nr. 176.484 van 6 november 2007 in de zaak A. 184.041/XII-

  1. In zake :
  2. Erik BOEN,
  3. de VZW VOLWASSENENONDERWIJS VAN DE LANDELIJKE BEDIENDENCENTRALE - NATIONAAL VERBOND VOOR KADERPERSONEEL die woonplaats kiezen bij advocaat L. Lenaerts, kantoor houdende te Antwerpen, Nachtegaalstraat 47 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij de juridische cel afdeling Advies en Ondersteuning Onderwijspersoneel, kantoor houdende te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 15, kamer 1C
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Erik Boen en de vzw Volwassenenonderwijs van de Landelijke Bediendencentrale - Nationaal Verbond voor Kaderpersoneel op 18 juni 2007 hebben ingediend om de schorsing en de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de afdeling Volwassenenonderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, meegedeeld aan verzoekers op 19 april 2007, dat de vaste benoeming van Erik Boen als leraar AV Engels RG2 “geen uitwerking heeft ten overstaan van de overheid”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van der Gucht op grond van artikel 93 van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van der Gucht; XII-5139-1/7 Gelet op de beschikkingen van 25 september 2007 houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 oktober 2007; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. Lenaerts, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van adjunct van de directeur M. Broucke, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
  5. Op zijn aanvraag wordt Erik Boen door tweede verzoekende partij voor het schooljaar 2006-2007 eerst aangesteld als tijdelijke van doorlopende duur en nadien, met ingang van 1 januari 2007, vast benoemd voor AV Engels en voor AV Nederlands tweede taal. De directeur van het Centrum voor Volwassenenonderwijs L.B.C.- M.V.K. meldt met formulier PERS-14 (gedateerd op 15 maart 2007) de vaste benoeming van Erik Boen met ingang van 1 januari 2007 voor 480 lestijden leraar AV Nederlands tweede taal en 120 lestijden leraar AV Engels aan het departement onderwijs. Op 19 april 2007 deelt de afdeling Volwassenenonderwijs van de Vlaamse Gemeenschap zowel Erik Boen als de directie van de school mee wat volgt : XII-5139-2/7 “Hierbij deel ik u mee dat de vaste benoeming van Erik Boen als leraar AV Engels RG 2 geen uitwerking heeft ten overstaan van de overheid omdat hij niet aan de voorwaarde(n) voldeed om als tijdelijke van doorlopende duur aangesteld te zijn. Zodoende is de vaste benoeming strijdig met de bepalingen van artikel 31, § 1, 4/ van het decreet van 27 maart 1991, zoals gewijzigd”. 1.
  6. In het inleidend verzoekschrift zetten verzoekers uiteen dat aan hen “na vrij veel heen en weer getelefoneer” werd meegedeeld : “dat de beslissing gebaseerd zou zijn op: S art. 31 § 1, 4e van het Decreet van 27.03.1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho medische sociale centra [...] waarbij als voorwaarde voor een vaste benoeming gesteld wordt dat men op 31 december voorafgaand aan de vaste benoeming voor doorlopende duur dient aangesteld te zijn in het ambt waarvoor de leraar zich kandidaat heeft gesteld. S vervolgens bepaalt art. 23 § 5 dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor het ambt waarin de nodige anciënniteit is verworven ‘en voor het ambt van leraar waarvoor het personeelslid het vereiste bekwaamheidsbewijs...bezit’. S voor het vak AV Engels geldt als vereist bekwaamheidsbewijs : licentiaat Germaanse filologie (met vermelding van Engels) + BPB (Bewijs Pedagogische Bekwaamheid)”. Volgens die telefonische mededeling aan verzoekers zou het diploma van Erik Boen als licentiaat in de Germaanse filologie niet voldoen als vereist bekwaamheidsbewijs omdat er geen “Engels” op staat vermeld. De procedure 2.
  7. Verzoekers vragen ter terechtzitting om de procedure niet met korte debatten te beslechten, maar de zaak te verwijzen naar de gewone procedure omdat in het administratief dossier aanvullende stukken zijn neergelegd die aan hen niet bekend waren en waar zij niet op konden repliceren. 2.
  8. Zoals hierna zal blijken kan de zaak worden opgelost zonder gebruik te moeten maken van de bedoelde stukken van het administratief dossier en volstaan voor de beoordeling van de aangevoerde middelen de door verzoekers bij het inleidend verzoekschrift overgelegde stukken, in het bijzonder de afschriften van de diploma’s van eerste verzoeker, evenals, vanzelfsprekend, de toepasselijke regelgeving waarvan verzoekers in hun middelen de schending aanvoeren. Op het XII-5139-3/7 verzoek wordt niet ingegaan, nu de zaak op grond van die stukken effectief met korte debatten kan worden opgelost. Ten gronde
  9. Een eerste middel wordt geput uit de schending van artikel 31, § 1, 4/, j/ artikel 23, § 5, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (hierna : rechtspositiedecreet) “in samenhang met het Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het BVR van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen [...] (B.S. 14.12.2006) en het Besluit van de Vlaamse regering van 9 februari 2001 betreffende de bekwaamheidsbewijzen en de prestatie- en bezoldigingsregeling voor de personeelsleden van de centra voor volwassenenonderwijs (B.S. 5.12.2006)”. Verzoekers betogen dat Erik Boen wel degelijk voldeed aan de bepalingen van artikel 31, § 1, 4/, van het rechtspositiedecreet en geldig was aangesteld voor doorlopende duur “doordat uit het diploma van verzoeker wel degelijk volgt dat dit betrekking heeft op het vak Engels, aangezien in het licentiaatsdiploma verwezen wordt naar één van de twee Germaanse talen die deel hebben uitgemaakt van het kandidaatsexamen en het kandidaatsdiploma leert dat deze twee talen Nederlands en Engels zijn”. Uit het kandidaatsdiploma van Erik Boen volgt dat hij voor Engels een negental vakken heeft afgelegd. In de licenties moet slechts voor één van de beide Germaanse talen een grondige studie worden afgelegd. De beide diploma’s -kandidaat en licentiaat- moeten tezamen worden gelezen en aldus moet worden vastgesteld dat Erik Boen een licentiaatsdiploma heeft dat verwijst naar de twee Germaanse talen die deel hebben uitgemaakt van het kandidaatsexamen, dus ook naar het Engels.
  10. Verzoekers argumenteren wél te voldoen aan artikel 31, § 1, 4/, van het rechtspositiedecreet met betrekking tot de vaste benoeming en aan artikel 23, §§ 3 tot 5 van het rechtspositiedecreet met betrekking tot de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur (TADD). Zij betwisten dus niet de toepassing van die bepalingen, naar luid waarvan, eensdeels, een personeelslid maar in vast verband kan worden benoemd als hij op dat ogenblik voor doorlopende duur is aangesteld in het ambt waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld en, anderdeels, een personeelslid de anciënniteit die hij verworven heeft in het ambt van leraar maar voor TADD in XII-5139-4/7 aanmerking kan laten komen voor dit ambt en voor de vakken en specialiteiten waarvoor hij een vereist bekwaamheidsbewijs bezit. Voor de toepassing van het begrip “vereiste bekwaamheidsbewijs” worden de bekwaamheidsbewijzen waarvan de personeelsleden houder moeten zijn, opgesomd in de bijlage gevoegd bij het besluit van de Vlaamse regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs. Die bijlage is ook van toepassing voor het personeel van het volwassenenonderwijs krachtens artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 9 februari 2001 betreffende de bekwaamheidsbewijzen en de prestatie- en bezoldigingsregeling voor de personeels- leden van de centra voor volwassenenonderwijs. Voor de licentiaten Germaanse filologie, diploma waarvan verzoeker houder is, wordt in de bedoelde bijlage als bekwaamheidsbewijs voor het vak Engels vereist : - licentiaat Germaanse filologie (hoofdtaal Engels) + BPB - licentiaat Germaanse filologie (met vermelding van Engels) + BPB. De regelgeving houdt geen rekening met de tijdens de kandidaturen gevolgde vooropleiding, maar vermeldt enkel het einddiploma van licentiaat en de vereisten waaraan de opleiding waarvan dat diploma blijkt geeft, moet voldoen. Het licentiaatsdiploma van eerste verzoeker voldoet klaarblijkelijk aan geen van beide mogelijkheden. Zijn diploma blijkt te zijn afgeleverd op grond van, onder meer, de “grondige studie van één van de twee Germaanse talen die deel hebben uitgemaakt van het kandidaatsexamen en van haar literatuur : Nederlands”. Hij is met andere woorden niet met “hoofdtaal Engels” afgestudeerd, wat de eerste hiervoor aangegeven mogelijkheid was om het vereiste bekwaamheidsbewijs te bezitten. Uit het niet aangekruist zijn in de desbetreffende rubriek van het diploma blijkt voorts dat verzoeker voor het behalen van dit diploma niet als minor de “grondige studie van de tweede Germaanse taal die deel heeft uitgemaakt van het kandidaatsexamen” (versta: Engels) heeft gekozen, wat dan tot een diploma “met vermelding van Engels” had geleid. Ook de tweede hiervoor gegeven mogelijkheid om over een vereist bekwaamheidsbewijs te beschikken is derhalve niet voorhanden. XII-5139-5/7 Het eerste middel is ongegrond. 5.
  11. Als tweede middel wordt de schending aangevoerd van de formele motiveringsplicht zoals vastgelegd in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motiveirng van de bestuurshandelingen en het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten én schending van de materiële motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur, doordat in de mededeling van het bestreden besluit enkel gezegd wordt dat Erik Boen niet zou voldoen aan de voorwaarden voor een TADD en aldus niet vast benoemd zou kunnen worden zonder aan te duiden welke voorwaarden dit dan wel zouden kunnen zijn. Bovendien wordt de motivering die men zou kunnen vermoeden tegengesproken door de diploma’s en is alzo de materiële motiveringsplicht geschonden. 5.
  12. Voor wat de materiële motivering betreft, zij verwezen naar het onderzoek van het eerste middel. Aangezien verzoekers in het eerste middel te kennen geven de materiële motieven te kennen die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen -en ook al hebben zij die slechts kunnen achterhalen met veel over en weer telefoneren, maar alleszins alvorens zij huidig verzoekschrift hebben opgesteld- hebben zij er geen belang meer bij nog de schending van de formele motiveringsplicht in te roepen omdat zij, ondanks eventuele gebreken in die formele motieven, niet in hun belangen zijn geschaad. Het middel is niet ontvankelijk. De vordering tot schorsing
  13. Uit wat voorafgaat volgt dat het beroep niet kan worden ingewilligd. De vordering tot schorsing, als accessorium van het annulatieberoep, dient hetzelfde lot te ondergaan. XII-5139-6/7 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  14. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  15. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  16. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes november 2007, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5139-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.484 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.