← België

Arrest 176485 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 06/11/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.485 Rolnummer: A. 183644/XII-5122 Zaak: Arrest 176485 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 06/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-15 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 03:58 Fiche Arrest nr 176.485 van 6 november 2007 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.485 van 6 november 2007 in de zaak A. 183.644/XII-

  1. In zake : Marc COGEN, die woonplaats kiest bij advocaat V. Simeons, kantoor houdende te 1060 Brussel, Fontainasstraat 31, bus 1 tegen : de UNIVERSITEIT GENT, die woonplaats kiest bij advocaat P. Devers, kantoor houdende te Gent, Kouter 71-
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Marc Cogen op 29 mei 2007 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 25 april 2007 van de faculteitsraad van de faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen om het opleidingsonderdeel “Internationaal Publiek Recht” toe te wijzen aan An Cliquet en waarbij het opleggen van voorlopige maatregelen wordt gevorderd onder verbeurte van een dwangsom; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van der Gucht; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 21 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 oktober 2007; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-5122-1\10 Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van advocaat V. Simeons, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat P. Devers, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van der Gucht; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feitelijke gegevens van de zaak 1.
  3. Verzoeker doceert sedert 1990 het opleidingsonderdeel “internationaal publiekrecht” aan de Universiteit Gent, waar hij thans gewoon hoogleraar is. 1.
  4. Op 13 maart 2007 stelt de vakgroepvergadering van de vakgroep Internationaal Publiekrecht in het kader van de aanduiding van de lesgevers voor het academiejaar 2007-2008 vast dat er zich voor het vak internationaal publiekrecht twee kandidaten aandienen, te weten verzoeker en A. Cliquet. De vakgroepvoorzitter stelt vast dat beide kandidaten bevoegd zijn om het betrokken vak te doceren, reden waarom hij voorstelt beide kandidaten voor te dragen zodat de faculteit politieke wetenschappen uiteindelijk de keuze dient te maken welke lesgever zij voor dit vak wenst aan te duiden. Geopperd wordt dat het toegenomen studentenaantal in de 1e bachelor rechten in overweging moet worden genomen, waardoor de onderwijsbelasting voor verzoeker is toegenomen terwijl er vanuit de vakgroep wordt gestreefd naar een billijke verdeling van de onderwijslast. Het voorstel wordt, op één tegenstem na, unaniem aangenomen door de vakgroepleden. 1.
  5. Vervolgens nodigt de voorzitter van de opleidingscommissie politieke wetenschappen bij e-mailbericht verzoeker uit om aanwezig te zijn op de commissievergadering van 30 maart
  6. XII-5122-2\10 Bij e-mailbericht bevestigt verzoeker op 21 maart 2007 zijn aanwezigheid op de vergadering voor het punt “aanstelling van docenten”. Ter ondersteuning van zijn aanspraken tot wederaanstelling voor het kwestieuze opleidingsonderdeel richt verzoeker daarenboven op 28 maart 2007 een brief aan de voorzitter van de opleidingscommissie. 1.
  7. Op 30 maart 2007 bespreekt de opleidingscommissie politieke wetenschappen de ingezonden kandidaturen, waarover zij notuleert wat volgt : “De voorzitter merkt op dat voor alle opleidingsonderdelen slechts één kandidaat-lesgever (of een samenwerkingsverband van enkele kandidaat- lesgevers) wordt voorgedragen. Dat geldt op één uitzondering na. Het betreft hier het opleidingsonderdeel ‘Internationaal Publiekrecht’ gedoceerd in respectievelijk het derde jaar bachelor in de politieke wetenschappen, optie internationale politiek, het voorbereidingsprogramma tot master in de politieke wetenschappen, afstudeerrichting internationale politiek, het schakelprogramma tot master in de politieke wetenschappen, het voorbereidingsprogramma tot master in-de EU-studies en het schakelprogramma tot master in de EU-studies. De voorzitter wijst op het verslag van de vakgroepraad van de vakgroep internationaal publiekrecht van 13 maart
  8. Daarin geeft de vakgroep te kennen dat er twee kandidaten worden voorgesteld voor het opleidings- onderdeel internationaal publiekrecht, te weten Prof. Dr. M. Cogen en Prof. Dr. A. Cliquet. De vakgroep acht beide kandidaten bevoegd voor het doceren van dit vak. De vakgroep heeft, met uitzondering van Drs. E. De Brabandere, gekozen om beide lesgevers aan de faculteit voor te stellen. De vakgroepraad wijst er bijkomend op dat de onderwijsbelasting van Prof. Dr. Cogen is toegenomen waar uit de bijlage blijkt dat deze van Prof. Dr. A. Cliquet is afgenomen. De voorzitter wijst de vergadering erop dat uit de dubbele voordracht door de vakgroep internationaal publiekrecht blijkt dat beide kandidaten aan de inhoudelijke voorwaarden voldoen om het opleidingsonderdeel te mogen doceren. Beiden wordt dus een voldoende wetenschappelijke competentie toegedicht m.b.t. het internationaal publiekrecht. Hij vraagt de commissie enkel de onderwijsmatige aspecten in overweging te nemen bij het uitbrengen van haar advies. De opleidingscommissie bestaat uit politicologen en studenten in de politieke wetenschappen en is dus onvoldoende competent om uitspraak te doen over de vraag welke van beide lesgevers inhoudelijk het meest geschikt is om over deze materie te doceren. Dat is het prerogatief van de voorstellende vakgroep. Bovendien werden beide kandidaten door de betrokken vakgroep zonder rangschikking als lesgever voorgesteld. Daaruit beslist de opleidings- commissies dat de vakgroepraad beide kandidaten evenwaardig competent acht om dit vak te doceren. Bij de voorbereiding van de opleidingscommissie hebben de voorzitter en secretaris het raadzaam geacht om beide kandidaten te horen en beiden de kans te geven om de commissie in kennis te stellen van hun visie op het opleidingsonderdeel. Zo kunnen beiden kandidaten hun onderwijsvisie en -methode uiteenzetten en aangeven hoe ze dit vak aan een publiek van studenten politieke wetenschappen zullen doceren. Beide kandidaten werden door de voorzitter met een e-mail op woensdag 21 maart j.l. uitgenodigd om hun visie te geven in deze opleidingscommissie. Dat beide kandidaten zouden gehoord worden werd ook als opmerking aan de agenda voor deze vergadering gehecht. XII-5122-3\10 Prof. Dr. M. Cogen gaf bij e-mail van 21 maart 2007 te kennen aanwezig te willen zijn op de vergadering van de opleidingscommissie maar zegde zijn aanwezigheid af met een telefonisch onderhoud met de voorzitter. Hij liet de voorzitter op 28 maart 2007 wel een schrijven geworden waarin hij verzoekt om de wederaanstelling voor het vak internationaal publiek recht. Hij haalt daarbij de volgende redenen aan: hij doceert het vak al zestien jaar, hij is naar eigen zeggen tegemoet gekomen aan de vragen en opmerkingen van de studenten, hij heeft een handboek geschreven voor deze cursus, hij stelt uitgebreid materiaal ter beschikking voor de studenten (o.m. een ondersteunende samenvatting van de cursus en actua besprekingen) en schrijft èen beknopte inleiding tot het internationaal recht die bij uitgeverij Kluwer zal verschijnen teneinde de studenten een zeer betaalbare tekst in boekvorm ter beschikking te stellen. Het schrijven wordt door de secretaris bij de oorspronkelijke stukken bewaard. Bij dit schrijven laat hij de commissie een bundeling geworden van het materiaal dat hij tijdens zijn colleges internationaal publiekrecht gebruikt (o.m. handboek, lesnotities, slides). De voorzitter laat dit materiaal circuleren en vergewist zich ervan dat de leden van de commissie de kans krijgen deze documenten persoonlijk in te zien. Enkele leden wijzen erop dat het gebruikte materiaal onjuistheden bevat (o.m. vergaderfrequentie van de Europese Raad). Een studentenvertegenwoordiger wijst erop dat dit materiaal tijdens de colleges of bij de zelfstudie zeker niet allemaal werd gebruikt. De voorzitter herinnert de commissie aan een eerdere vergadering van 28 november 2006 (verslag unaniem goedgekeurd op 31 januari 2007). In het kader van de onderwijsevaluaties 2005-2006 kwam daar tevens het opleidingsonderdeel internationaal publiekrecht (Prof. Dr. M. Cogen) aan bod. Prof. Dr. M. Cogen werd toen gehoord om zijn visie op de evaluatie kenbaar te maken. De voorzitter licht de voornaamste elementen uit dit verslag opnieuw toe en verwijst de leden voor de woordelijke weergave naar het integrale verslag. Volgens verschillende leden is dit een belangrijk onderdeel van de overweging tussen beide kandidaatlesgevers. De opeenvolgende negatieve evaluaties en elementen die tijdens genoemde vergadering aan bod zijn gekomen zijn volgens verschillende leden voldoende redenen om de kandidatuur van Prof Dr. M. Cogen te verzwakken. Prof. Dr. A. Cliquet wenste wel in te gaan op de uitnodiging van de commissie. Zij liet de voorzitter ook een overzicht geworden van haar activiteiten op het vlak van onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en maatschappelijke dienstverlening sinds
  9. De voorzitter geeft hiervan een overzicht een vergewist zich ervan dat de leden van de commissie de kans krijgen deze documenten persoonlijk in te kijken. De stukken worden bij de oorspronkelijke bijlagen door de secretaris bewaard. Na telefonisch contact vervoegt Prof. Dr. A. Cliquet zich bij de vergadering. De voorzitter vraagt haar ten behoeve van het advies enige toelichting te verstrekken bij haar achtergrond en visie op het opleidingsonderdeel. Prof. Dr. A. Cliquet wijst op haar onderwijservaring in aan het internationaal publiekrecht verwante opleidingsonderdelen (o.m. International Public Law, Actuele Vraagstukken van het Internationaal Recht, Interactie tussen Internationale Politiek en Internationaal Publiekrecht). Met International Public Law gaf zij verscheidene jaren het Engelstalige equivalent van het opleidingsonderdeel internationaal publiekrecht. Zij wijst de commissie erop dat deze opleidingsonderdelen telkens gunstig werden geëvalueerd door de studenten. Het opleidingsonderdeel internationaal publiekrecht ziet zij als een basiscursus, waarbij een overzicht moet worden gegeven van de voor dit wetenschapsdomein relevante begrippen, stromingen, tendensen en evoluties in een relatief kort tijdsbestek. Een verdere uitdieping van deze basiskennis kan later gebeuren (o.m. door keuzevakken, scriptie of in het beroepsleven). Zij XII-5122-4\10 wenst daarbij een bijzondere aandacht te hebben voor de waarde van het internationaal recht in de internationale politiek. Zij ziet het opleidingsonderdeel vormelijk in de eerste plaats als een reeks hoorcolleges waar er toch ruimte is voor interactie met de student. Het gebruik van powerpoint, de grote aandacht die ze wenst te besteden aan voorbeelden en de internationale actualiteit moeten deze aanpak ondersteunen. Het examen peilt in de eerste plaats naar de basiskennis van het internationaal publiekrecht. Er volgt een grondige discussie waarin beide kandidaturen tegen het licht worden gehouden. Verschillende leden van de commissie wijzen, met referentie naar het verslag van de opleidingscommissie van 28 november 2006, op de beperkte bereidheid van Prof. Dr. M. Gogen om tegemoet te komen aan een aantal ernstige aandachtspunten die uit de onderwijsevaluaties voor dit opleidingsonderdeel naar voren komen. Zij wijzen erop dat er een negatieve trend zit in de vier meest recente onderwijsevaluaties die er voor dit opleidingsonderdeel bestaan onder titulatuur van Prof. Gogen. Zij tillen ook bijzonder zwaar aan de persoonlijke beledigingen die Prof Dr. M. Gogen uitte aan het adres van collegalesgevers tijdens publieke hoorcolleges die konden worden vastgesteld in het vermelde verslag en waarvan de inhoud en de strekking niet aanvaard kan worden in het licht van de mentale uitlokking die Prof. Dr. M. Gogen daarvoor als motivatie aanhaalde. De lesgever meende toen dat dit een wat scherpe reactie was op de discriminatie die hem naar eigen zeggen te beurt viel o.w.v. het minderheidsstandpunt dat hij zou innemen in een dominant opinieklimaat. Gelet op het bijzondere karakter van de voorliggende beslissing stelt de voorzitter voor een geheime stemming te organiseren onder de stemgerechtigde leden van de opleidingscommissie om alle leden toe te laten in eer en geweten, en in alle vrijheid te laten stemmen en zodoende een volledig objectieve beoordeling van de beide kandidaturen te kunnen waarborgen. Tien van de achttien stemgerechtigde leden zijn aanwezig op de vergadering. De stemming wordt georganiseerd door de naam van de twee kandidaten op een A4-formulier te plaatsen met daarnaast een cirkel waarin de daartoe gerechtigden hun stem kunnen uitbrengen. Het ATP van de faculteit politieke en sociale wetenschappen brengt deze stemformulieren aan. De stemmen worden twee maal en in het openbaar door de secretaris geteld. De stemformulieren worden, met hun stemmerk, aan de leden van de opleidingscommissie getoond. De stemformulieren zullen bewaard worden tot na definitieve goedkeuring van het voorliggende verslag. Uit de stemopneming blijkt dat alle tien de stemgerechtigde leden hun stem hebben uitgebracht. Alle tien de uitgebrachte stemmen gaan naar Prof. Dr. A Gliquet. Daarmee beslist . de opleidingscommissie dus unaniem om Prof. Dr. A. Cliquet voor te dragen als titularis voor het opleidingsonderdeel internationaal publiekrecht in alle opleidingen waar dit gedoceerd wordt en die onder de bevoegdheid van de commissie vallen. De andere lesgevers worden voorgedragen zoals op de ontwerptabellen werd voorzien. De opleidingscommissie stemt daar unaniem mee in”. 1.
  10. Op 25 april 2007 verklaart de faculteitsraad zich unaniem akkoord met de voorstellen tot aanstelling van de lesgevers voor het academiejaar 2007- 2008, waaronder die van A. Cliquet voor het vak internationaal publiekrecht. XII-5122-5\10 De procedure
  11. Ter terechtzitting legt verzoeker bijkomende stukken neer die moeten dienen ter ondersteuning van zijn eerste middel. Verwerende partij werpt terecht op dat de procedureregeling niet in de mogelijkheid daartoe voorziet. De Raad stelt daarenboven mét verwerende partij vast dat het om stukken gaat die verzoeker reeds bij het oorspronkelijk verzoekschrift had kunnen voegen. Zij worden niet in het debat betrokken. De schorsingsvoorwaarden
  12. Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Beoordeling van de eerste schorsingsvoorwaarde 4.
  13. Als eerste middel voert verzoeker de schending aan van het recht op vrije meningsuiting, omdat hij als vertegenwoordiger van een minderheidsstandpunt betreffende Israël en de Verenigde Staten van Amerika binnen de faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen verwijderd is “om de faculteit niet langer te ‘vervuilen’ met zijn ‘slechte gedachten’ die hij niet voor zichzelf kan houden”. 4.
  14. In de motieven die de vakgroep veruitwendigt om verzoeker en A. Cliquet voor te stellen en vervolgens de opleidingscommissie om A. Cliquet voor te dragen bespeurt de Raad van State prima facie niets dat betrokken zou kunnen worden op de door verzoeker geformuleerde aantijging. Verzoeker wordt door de vakgroep “bevoegd” geacht en samen met A. Cliquet zonder rangschikking voorgesteld. De opleidingscommissie vervolgens stelt insgelijks vast dat verzoeker aan de inhoudelijke voorwaarden voldoet en dat hij over voldoende wetenschappelijke competentie beschikt volgens de vakgroep. De vergelijking tussen verzoeker en A. Cliquet steunt dan op de inzage van de documenten die beiden vooraf ter beschikking hebben gesteld van de commissie, op de brief van XII-5122-6\10 verzoeker van 28 maart 2007 en de mondelinge toelichting van A. Cliquet, op de vier meest recente onderwijsevaluaties van het toen door verzoeker gedoceerde opleidingsonderdeel, op de “beperkte bereidheid” van verzoeker om tegemoet te komen aan een aantal ernstige aandachtspunten die uit de onderwijsevaluaties naar voren komen, op de negatieve trend van de onderwijsevaluaties en op de persoonlijke beledigingen die verzoeker uitte aan het adres van collegae tijdens publieke hoorcolleges. Verzoeker hoeft het uiteraard met die motieven niet eens te zijn en vermag ze in voorkomend geval in rechte bestrijden, maar op het eerste gezicht is het “minderheidsstandpunt” waarvan verzoeker verklaart de vertegenwoordiger te zijn “in een dominant opinieklimaat” niet anders ter sprake gekomen dan “naar eigen zeggen” van verzoeker. Het middel is niet ernstig. 5.
  15. Als tweede middel noemt verzoeker het “recht op verdediging” geschonden omdat A. Cliquet de gelegenheid werd gegeven op de vergadering van 30 maart 2007 van de opleidingscommissie politieke wetenschappen haar kandidaatstelling mondeling toe te lichten, terwijl hijzelf niet werd opgeroepen en derhalve niet de gelegenheid heeft gekregen ter zake enige toelichting te verschaffen. 5.
  16. De bestreden beslissing kadert niet in een tuchtprocedure maar is het resultaat van een benoemingsprocedure, waar op het eerste gezicht het aangevoerde recht van verdediging, of zelfs de hoorplicht, in beginsel niet van toepassing lijken. Overigens lijkt het middel ook feitelijke grondslag te missen, in zoverre de Raad kan vaststellen, eensdeels, dat verzoeker wel degelijk met een e- mailbericht was opgeroepen voor de vergadering van de opleidingscommissie, dat hij zijn aanwezigheid had toegezegd en dat hij er vervolgens eigener beweging van af zag om te verschijnen en, anderdeels, uit de notulen van de vergadering kan worden afgeleid dat bij de vergelijking van aanspraken en verdiensten waartoe de commissie overging rekening is gehouden met de brief van 28 maart 2007 waarin verzoeker zijn standpunt kenbaar maakte en met het materiaalbundel dat hij daarbij meegaf. Het middel is niet ernstig. XII-5122-7\10 6.
  17. In een derde middel noemt verzoeker de materiële motiverings- plicht geschonden. Hij betoogt dat de vakgroep wel beweert te streven naar een billijke verdeling van de onderwijslast, maar dat A. Cliquet minstens evenveel cursussen doceert als hijzelf. Op de opleidingscommissie wordt niet meer gesproken van de billijke verdeling van de onderwijslast, maar is de toewijzing van het vak aan A. Cliquet gestoeld op de negatieve onderwijsevaluaties van verzoeker en de persoonlijke beledigingen die hij geuit zou hebben aan het adres van collega’s. Deze motivering is volgens verzoeker “onvoldoende en verkeerd” omdat, ten eerste, de laatste onderwijsevaluatie voor het academiejaar 200-2007, meegedeeld op 8 mei 2007, positief was en, ten tweede, er geen beledigingen werden geuit. De opleidingscommissie haalde daarover haar informatie uit een achterhaalde onderwijsevaluatie van 2003-2004, die bovendien uitgaat van een kleine minderheid van studenten (5 op 57) van een andere opiniestrekking dan verzoeker. 6.
  18. Wat de opleidingscommissie er toe heeft gebracht om niet aan verzoeker de voorkeur te geven lijkt geenszins een gebrek aan kennis of inhoudelijke incompetentie te zijn geweest, maar wel “onderwijsmatige aspecten”, te weten, in wezen, de negatieve onderwijsevaluaties over de voorbije academiejaren en de persoonlijke beledigingen die hij heeft geuit aan het adres van collega’s tijdens de publieke colleges. Wat de onderwijsevaluaties betreft, toont verzoeker vooralsnog niet aan dat de opleidingscommissie reeds op 30 maart 2007 kennis had of moest hebben van de evaluatie betreffende het academiejaar 2006-2007, die hij overigens zelf op 8 mei 2007 dateert. De opleidingscommissie heeft gesteund, zo lijkt, niet enkel op de evaluatie van 2003-2004, maar op de vier meest recente evaluaties waarover zij toen kon beschikken, op de daar uit afgeleide negatieve evolutie én op de “beperkte bereidheid” van verzoeker om tegemoet te komen aan de aandachtspunten. Verzoeker verwoordt in het middel op dit alles geen kritiek; hij beweert niet dat die evaluaties anders gelezen zouden moeten worden dan zoals de opleidingscommissie het deed. Verzoeker betoogt wel dat hij geen beledigingen zou hebben geuit. Tegenover die loutere ontkenning staat evenwel de woordelijke weergave van de verklaringen van verzoeker over twee collega’s, genoteerd in het verslag van de vergadering van 28 november 2006 van de opleidingscommissie politieke XII-5122-8\10 wetenschappen waaraan de opleidingscommissie op 30 maart 2007 refereert. In de huidige stand van de procedure overtuigt de ontkenning van verzoeker niet. Zoals het middel is aangevoerd slaagt verzoeker er niet in om aan te tonen dat de motivering “onvoldoende en verkeerd” is en dat de onderwijsmatige overwegingen niet de toewijzing van het opleidingsonderdeel aan A. Cliquet vermogen te ondersteunen. Het middel is niet ernstig. 7.
  19. Het vierde middel is geput uit een schending van de formele motiveringsplicht, zoals opgelegd door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Verzoeker acht deze wet geschonden omdat “geen enkel stuk aan [hem] meegedeeld naar aanleiding van de beslissing [...] hem de gelegenheid [geeft] de redenen van deze beslissing te kennen”. 7.
  20. De adstructie van het middel verrast en het middel mist alle ernst. De motieven lijken immers genoegzaam te lezen te zijn in het verslag van de opleidingscommissie van 30 maart 2007, waarvan verzoeker - door er een afschrift van bij te voegen bij het verzoekschrift - erkent kennis te hebben gekregen. Het middel lijkt ook in tegenspraak met het derde middel, waarin precies verzoeker aangeeft maar al te goed te weten op grond van welke motieven zijn kandidatuur het tegen die van A. Cliquet heeft moeten afleggen. Ten overvloede merkt de Raad nog op dat de faculteitsraad, door te verwijzen naar dit advies van de opleidings- commissie, geacht moet worden er zich de motieven van eigen te hebben gemaakt.
  21. Er is, bij gebrek aan een ernstig middel, niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.
  22. Uit wat voorafgaat volgt dat ook de gevorderde voorlopige maatregelen en het opleggen van een dwangsom, als accessorium van de hoofdvordering, moet worden afgewezen. XII-5122-9\10 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  23. De vordering tot schorsing en de vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen onder verbeurte van een dwangsom worden verworpen. Artikel
  24. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes november 2007, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5122-10\10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.485 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.624 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.