id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.489 Rolnummer: A. 184256/IX-5691 Zaak: Arrest 176489 - Gerechtsdeurwaarders - 07/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-22 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:59 Fiche Arrest nr 176.489 van 7 november 2007 Justitie - Gerechtsdeurwaarders Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.489 van 7 november 2007 in de zaak A. 184.256/IX-
- In zake : Véronique DEFLOO, die woonplaats kiest bij advocaat A. COOLSAET, kantoor houdende te ANTWERPEN, Arthur Goemaerelei 69 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaten P. LUYPAERS en H.-K. CARÊME, kantoor houdende te HEVERLEE, Industrieweg 4 bus
- Tussenkomende partij: Olivier LAMBILOTTE, die woonplaats kiest bij advocaten S. LUST en A. LUST, kantoor houdende te BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Véronique DEFLOO op 3 juli 2007 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van : “
- Het Koninklijk besluit van 27 april 2007 waarbij de heer Lambilotte Olivier wordt benoemd tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Brugge (B.S. 10 mei 2007). En, bij wijze van gevolgtrekking,
- Het ministerieel besluit van 27 april 2007 waarbij het kantoor van de heer Lambilotte Olivier wordt gevestigd te Oostende. Alsook,
- Het advies dd. 29 januari 2007 van de raad van de arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders van Brugge over de kandidatuur van Lambilotte Olivier; IX-5691-1/17
- Het advies dd. 29 januari 2007 van de raad van de arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders van Brugge over de kandidatuur van verzoekster (bevestigd op 5 maart 2007);
- Het definitief advies van de raad van de arrondissementskamer te Brugge dd. 5 maart 2007 m.b.t. verzoekster;
- Het advies dd. 7 februari 2007 van de procureur des Konings over de kandidatuur van Lambilotte Olivier;
- Het advies dd. 7 februari 2007 van de procureur des Konings over de kandidatuur van verzoekster (bevestigd op 21 februari 2007).
- Het definitief advies van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Brugge dd. 21 februari 2007 m.b.t. verzoekster;
- De impliciete weigering om verzoekster te benoemen.”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 3 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 oktober 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. COOLSAET die verschijnt voor de verzoekster, van advocaat H.-K. CARÊME die, loco advocaat P. LUYPAERS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat S. LUST die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. VAN NOTEN; IX-5691-2/17 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, IX-5691-3/17 OVERWEEGT WAT VOLGT : Tussenkomst
- Met een op 23 juli 2007 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt Olivier LAMBILOTTE om in het administratief kort geding en in de annulatieprocedure te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen. Feiten
- Met een bericht in het Belgisch Staatsblad van 15 juni 2001 werd een betrekking van gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Brugge vacant verklaard. Voor die betrekking stelden zich 41 personen kandidaat, onder wie de verzoekster en de tussenkomende partij.
- Overeenkomstig artikel 512, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek vroeg de minister van Justitie het advies van de Procureur-generaal bij het Hof van beroep te Gent, van de Procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge en van de Raad van de Arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders van Brugge. Op 6 augustus 2001 bracht de Raad van de Arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders van Brugge over de kandidatuur van de verzoekster het advies “zeer gunstig met speciale aanbeveling” uit, en over de tussenkomende partij een “zeer gunstig” advies. Op 3 en 6 augustus 2001 gaf de Procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge gunstige adviezen, respectievelijk over de tussenkomende partij en over de verzoekster. Op 9 november 2001 gaf ook de Procureur-generaal bij het Hof van beroep te Gent een gunstig advies over deze twee kandidaten. Bij koninklijk besluit van 7 juli 2002 werd de tussenkomende partij benoemd tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Brugge. IX-5691-4/17 Bij arrest nr. 165.784 van 12 december 2006 is dit besluit op vordering van Dorine Devlamynck, een andere kandidate, vernietigd op grond dat “het bestreden benoemingsbesluit niet afdoende werd gemotiveerd en dat de bestreden benoeming niet wordt gedragen door motieven die aan een objectieve vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten zijn ontleend”. Gelet op dit arrest, wordt bij arrest nr. 172.345 van 18 juni 2007 vastgesteld dat het beroep van de verzoekster tegen het benoemingsbesluit van 7 juli 2002 zonder voorwerp is.
- Ingevolge het arrest nr. 165.784 van 12 december 2006 vraagt de federale overheidsdienst Justitie opnieuw het advies van de Raad van de Arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders van Brugge, van de Procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge en van de Procureur- generaal bij het Hof van beroep te Gent. 4.
- Op 29 januari 2007 brengt de Raad van de Arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders van Brugge over de kandidatuur van de tussenkomende partij het volgend advies uit : “Aangezien de betrokken kandidaat sedert 2001 heeft aangetoond dat hij zowel op theoretisch als op praktisch vlak het ambt van gerechtsdeurwaarder uitmuntend heeft waargenomen zonder onderbreking; Dat betrokkene ook op het sociaal en menselijk vlak bewezen heeft het ambt voortreffelijk uit te oefenen; verandert de Raad unaniem het advies zeer gunstig, verleend in haar vergadering van 06 augustus 2001, in ZEER GUNSTIG met de speciale aanbeveling dat betrokkene als de meest geschikte kandidaat voor deze vacante plaats kan worden aanzien.” Eveneens op 29 januari 2007 brengt de raad van de arrondissementskamer het volgende advies uit over de kandidatuur van de verzoekster : “Gelet dat betrokkene sedert medio 2001 tot op heden geen enkele plaatsvervanging meer heeft waargenomen in het gerechtelijk arrondissement Brugge; Gelet op het schrijven van de Federale Overheidsdienst Justitie van 10 januari 2007; verandert de Raad unaniem het advies zeer gunstig met speciale aanbeveling, verleend in haar vergadering van 06 augustus 2001, in ZEER GUNSTIG.” Met een brief van 16 februari 2007 vraagt de verzoekster om door de raad van de arrondissementskamer gehoord te worden. IX-5691-5/17 Op 5 maart 2007 bevestigt de raad van de arrondissementskamer, na de verzoekster te hebben gehoord, zijn op 29 januari 2007 gegeven advies. 4.
- Ondertussen heeft de Procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge zich op 7 februari 2007 aangesloten bij de adviezen die op 29 januari 2007 zijn verleend door de raad van de arrondissementskamer. Na bezwaar van de verzoekster, verleent de procureur des Konings op 21 februari 2007 over haar het volgende definitieve advies : “Mevrouw Defloo Véronique werd op haar verzoek door mij gehoord op 21 februari
- Zij wilde voornamelijk opmerken dat het niet was doordat zij geen vervangingen meer deed, dat zij minder diende beoordeeld te worden. Zij werkt in het kantoor van haar echtgenoot P. Desmet, waar zij vooral de administratieve kant van het bureel verzorgt. Zij heeft trouwens twee medewerkers die voor het kantoor werken. Het is dus door de werkverdeling dat zij geen baanwerk meer verricht, wat trouwens een lichtere taak zou zijn dan het volgen van de juridische aspecten van het beroep. Zij verwijst naar het vorig advies van 6 augustus 2001 waarin een zeer gunstig advies met speciale aanbeveling gegeven werd (...). Zij oordeelt dus dat haar thans dezelfde beoordeling toekomt. De appreciatie die dient gegeven te worden aan het verrichten van vervangingen, lijkt dus de doorslag te geven bij de Raad bij het geven van zijn advies. Het is dus belangrijk dit aspect in overweging te nemen, om de aard van het advies te beoordelen. Mijn advies kan dus blijven en geformuleerd worden als zijnde : zeer gunstig, met dien verstande dat rekening gehouden moet worden met de discussie omtrent de waarde van de plaatsvervanging als graadmeter.” 4.
- Op 8 maart 2007 geeft de Procureur-generaal bij het Hof van beroep te Gent over beide kandidaten een gunstig advies.
- Bij koninklijk besluit van 27 april 2007 wordt de tussenkomende partij opnieuw benoemd tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Brugge. Dit besluit steunt op de volgende motieven: “Overwegende dat op basis van de vergelijking van de nieuwe adviezen, beroepservaring, anciënniteit, opleiding en verdiensten van de resterende kandidaten een aantal vaststellingen kunnen worden gedaan; Overwegende dat alle overige kandidaten namelijk gunstige adviezen mochten ontvangen vanwege de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent, zodat op basis van deze adviezen geen uitsluitsel kan worden gegeven inzake rangschikking naar de verdiensten van de respectievelijke kandidaten; Overwegende dat de procureur des Konings te Brugge slechts aan zeven kandidaten zeer gunstige adviezen met speciale aanbeveling heeft verleend, met IX-5691-6/17 name aan de heren De Mey Yves, Dermaux Geert, Lambilotte Olivier, Leys Axel en aan de dames Devlamynck Dorine, Neirynck Ann en Verkinderen Geertrui; Overwegende dat echter enkel bij één kandidaat, met name de heer Lambilotte Olivier, onder het advies wordt gespecificeerd in ‘zeer gunstig met speciale aanbeveling dat betrokkene als de meest geschikte kandidaat voor deze vacante plaats kan worden aanzien’; Overwegende dat de raad van de arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders te Brugge aan zeven kandidaten zeer gunstige adviezen met speciale aanbeveling heeft verleend, met name aan de heren De Mey Yves, Dermaux Geert, Lambilotte Olivier, Leys Axel en aan de dames Devlamynck Dorine, Neirynck Ann en Verkinderen Geertrui; Overwegende dat de raad haar advies heeft uitgebreid voor de heer Lambilotte Olivier naar een ‘zeer gunstig advies met speciale aanbeveling dat betrokkene als de meest geschikte kandidaat voor deze vacante plaats kan worden aanzien;’ Overwegende dat deze specificatie vanwege de raad van de arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders te Brugge toch in aanmerking dient te worden genomen aangezien zij de verdiensten en de bekwaamheden van de respectievelijke kandidaten aan de bron onderling kan evalueren; Overwegende dat aldus bij deze globale vergelijking van deze respectievelijke kandidaten onderling, de heer Lambilotte Olivier zich als eerste in rangschikking plaatst inzake de beste adviezen; Overwegende dat wat de anciënniteit van de vermelde kandidaten betreft (gerekend tot 2001) dient te worden vastgesteld dat alle kandidaten vrij recent actief zijn als plaatsvervanger in het gerechtsdeurwaardersambt en dat zij ook in elkaars buurt blijven qua jaren anciënniteit zonder een duidelijk en/of doorslaggevend aantal jaren verschil ten gunste van een bepaalde kandidaat; Overwegende dat qua streekgebondenheid alle voormelde kandidaten verbonden zijn aan een gerechtsdeurwaarderkantoor binnen het gerechtelijk arrondissement Brugge waardoor niemand primeert op zijn medekandidaten; Overwegende dat aldus bij een globale afweging der kandidaten onderling we dienen vast te stellen dat de heer Lambilotte Olivier de beste adviezen heeft verkregen vanwege de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Brugge én vanwege de raad van de arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders te Brugge; Overwegende dat hij een anciënniteit heeft die vergelijkbaar is met de andere best gerangschikte kandidaten en er zich aldus hier geen duidelijke uitschieters in manifesteren; dat hij qua bijzondere verdiensten, qua theorie en rechtskennis nog aanspraak kan maken op een licentie in het notariaat; dat hij werkt van bij aanvang van zijn stage bij een gerechtsdeurwaarderskantoor in het arrondissement Brugge, wat zijn streekgebondenheid duidelijk aantoont en dat betrokkene ook reeds jaar en dag in dit arrondissement woonachtig is; Overwegende dat zijn ervaring als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder als zeer gedegen dient te worden beschouwd gelet op zijn talrijke en regelmatige vervangingen, zowel binnen het gerechtelijk arrondissement te Brugge als nog in een ander arrondissement en dat deze vervangingen zonder opmerkingen, klachten of tuchtmaatregelen zijn verlopen; Overwegende dat de heer Lambilotte Olivier aan alle wettelijke benoemingsvoorwaarden voldoet; Overwegende dat op grond van de adviezen, anciënniteit, territoriale gebondenheid en beroepservaring, de heer Lambilotte Olivier als de meest geschikte kandidaat dient te worden weerhouden voor het ambt van gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Brugge, met standplaats Brugge”. IX-5691-7/17 Bij ministerieel besluit van 27 april 2007 wordt bepaald dat het kantoor van de tussenkomende partij wordt gevestigd te Brugge. Ontvankelijkheid van de vordering 6.
- De tussenkomende partij werpt een eerste exceptie van onontvankelijkheid op, in zoverre de vordering gericht is tegen de adviezen die in 2007 over de verzoekster en de tussenkomende partij zijn gegeven door de raad van de arrondissementskamer en de procureur des Konings. Volgens de tussenkomende partij gaat het om niet-bindende adviezen, die de rechtstoestand van de betrokkenen niet wijzigen en niet griefhoudend zijn. 6.
- De adviezen die in de loop van de benoemingsprocedure worden uitgebracht, zijn niet bindend. Dergelijke adviezen kunnen niet het voorwerp van een vordering tot schorsing uitmaken. De exceptie is gegrond. 7.
- De tussenkomende partij werpt een tweede exceptie van onontvankelijkheid op, in zoverre de vordering gericht is tegen het koninklijk besluit waarbij de tussenkomende partij benoemd wordt. Volgens de tussenkomende partij heeft de benoemende overheid het vergelijkend onderzoek rechtsgeldig beperkt tot de zeven kandidaten waarover zowel de arrondissementskamer als de procureur des Konings het advies “zeer gunstig met speciale aanbeveling” hebben uitgebracht, en behoort de verzoekster niet tot die groep van kandidaten. Die adviezen zijn volkomen rechtsgeldig en worden, wat de andere kandidaten dan de tussenkomende partij betreft, door de verzoekster niet betwist. In geval van een vernietiging van de bestreden benoeming zou de verzoekster nog steeds zes andere kandidaten tegenover zich hebben staan die over een beter advies beschikken. De schorsing of de vernietiging van de bestreden benoeming zou de verzoekster bijgevolg geen reële kans op een benoeming opleveren. De tussenkomende partij voert aan dat de vordering daardoor onontvankelijk is, bij gebrek aan belang. IX-5691-8/17 7.
- Uit het ingeroepen middel blijkt vooreerst dat de verzoekster de wettigheid van de adviezen van de arrondissementskamer en de procureur des Konings over de tussenkomende partij en over haarzelf betwist. In geval van vernietiging van het bestreden besluit op grond van de onregelmatigheid van die adviezen zou de verwerende partij verplicht zijn om nieuwe adviezen te vragen, en zouden de adviezen over de verzoekster gunstiger kunnen uitvallen. Bovendien zijn de voormelde adviezen, zoals de tussenkomende partij zelf terecht aanvoert, niet bindend voor de benoemende overheid. Er kan dan ook niet gesteld worden, zelfs niet in geval van bevestiging van de adviezen, dat de verzoekende partij in geval van vernietiging van het bestreden besluit niet benoemd zou kunnen worden. Onderzoek van de vordering
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 9.
- In een enig middel roept de verzoekster de schending in van het gelijkheidsbeginsel, de materiële motiveringsplicht en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. 9.1.
- In een eerste onderdeel voert de verzoekster aan dat de vergelijking van de titels en verdiensten niet correct gebeurd is, en dat de formele motivering bijgevolg niet afdoende is, op grond, enerzijds, dat het doorslaggevende motief voor de bestreden benoeming gebaseerd is op de ervaring die de tussenkomende partij opdeed bij de uitoefening van de benoeming tot gerechtsdeurwaarder die door het arrest nr. 165.784 is vernietigd, en anderzijds, dat de afwijzing van de verzoekster uitsluitend gebaseerd is op het ontberen van die ervaring. In de toelichting bij het onderdeel stelt de verzoekster dat de verwerende partij haar beslissing om de tussenkomende partij te benoemen ten onrechte steunt op de adviezen die de raad van de arrondissementskamer van de IX-5691-9/17 gerechtsdeurwaarders en de procureur des Konings over die partij hebben gegeven. Die adviezen zijn immers onwettig, omdat zij gebaseerd zijn op de ervaring die de tussenkomende partij heeft opgedaan in de periode tussen haar benoeming tot gerechtsdeurwaarder en de vernietiging van die benoeming door de Raad van State. Volgens de rechtspraak mag bij een herbenoeming geen rekening worden gehouden met een dergelijke ervaring. Ook de adviezen van de raad van de arrondissementskamer en van de procureur des Konings over de verzoekster zelf zijn onwettig. De arrondissementskamer heeft de verzoekster gedegradeerd van een “zeer gunstig advies met speciale aanbeveling”, verleend in de eerste benoemingsronde, naar een “zeer gunstig advies”, louter en alleen wegens het ontbreken van plaatsvervangingen sinds medio 2001, met andere woorden sinds de benoeming van de tussenkomende partij tot gerechtsdeurwaarder. Aldus worden de verzoekster en de tussenkomende partij in de adviezen tegenover elkaar afgewogen, enkel en alleen op basis van de ervaring die de tussenkomende partij opdeed als gerechtsdeurwaarder sinds haar vernietigde benoeming en de vergelijkbare ervaring van de verzoekster in dezelfde periode, terwijl volgens de rechtspraak van de Raad van State bij een nieuwe benoeming, na een vernietigingsarrest, niet alleen geen rekening mag worden gehouden met de ervaring opgedaan ingevolge de vernietigde benoeming, maar evenmin met het feit dat de verzoekende partij intussen van alle ervaring verstoken is gebleven. Bij de vergelijking van de kandidaten met het oog op de benoeming mag volgens de rechtspraak enkel rekening worden gehouden met de anciënniteit, de ervaring en het aantal plaatsvervangingen op het ogenblik van de eerste, vernietigde benoeming. De verzoekster kreeg dan ook geheel ten onrechte slechts een “zeer gunstig” advies. Het enige motief om haar de “speciale aanbeveling” te ontnemen, was immers het gebrek aan plaatsvervangingen sinds de eerste benoeming van de tussenkomende partij, een motief waarmee in rechte geen rekening mag worden gehouden. 9.1.
- In een tweede onderdeel voert de verzoekster aan dat de motivering niet afdoende is, daar noch uit de eerste bestreden beslissing, noch uit enig ander stuk van het administratief dossier blijkt dat zij werd betrokken bij de vergelijking van de titels en verdiensten van een aantal kandidaten, terwijl zij evenzeer recht heeft op een zeer gunstig advies met speciale aanbeveling en uit een correcte vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten blijkt dat zij kennelijk grotere aanspraken op de benoeming kan laten gelden. IX-5691-10/17 In de toelichting bij het onderdeel betoogt de verzoekster dat zij nergens expliciet of impliciet wordt vergeleken met de andere kandidaten en dit kennelijk het gevolg is van het feit dat zij slechts een “zeer gunstig” advies kreeg en niet langer een advies “zeer gunstig met speciale aanbeveling”. In de motieven van het bestreden benoemingsbesluit worden immers enkel de kandidaten met het advies “zeer gunstig met speciale aanbeveling” met elkaar vergeleken. De verzoekster heeft echter ook recht op een advies “zeer gunstig met speciale aanbeveling” daar het enige motief om haar de speciale aanbeveling te ontnemen manifest onwettig is. Zij had bijgevolg eveneens moeten worden opgenomen in de vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten met een advies “zeer gunstig met speciale aanbeveling”. Vervolgens voert de verzoekster aan dat bij een benoeming tot gerechtsdeurwaarder in het algemeen de volgende criteria onderzocht worden : 1) anciënniteit; 2) het doorlopend verbonden zijn aan een gerechtsdeurwaarders- kantoor; 3) het hebben van voldoende ervaring als plaatsvervangend gerechtsdeur- waarder; 4) het vertrouwd zijn met de streek van de standplaats. De verzoekster gaat uitvoerig in op elk van die criteria, en concludeert dat uit de toetsing van de titels en verdiensten van de tussenkomende partij en van haarzelf, aan de hand van die criteria, blijkt dat zij duidelijk zichtbaar grotere aanspraken heeft op de benoeming dan de tussenkomende partij. Nu er bovendien geen noemenswaardige verschillen bestaan tussen de tussenkomende partij en de andere in aanmerking genomen kandidaten, moet ook geconcludeerd worden dat de verzoekster kennelijk grotere aanspraken op de benoeming had dan alle andere kandidaten, en dat de verwerende partij bijgevolg de rechtsplicht had om haar te benoemen. 9.2.
- De tussenkomende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van het middel op, in zoverre daarin de schending van de formele motiveringsplicht wordt ingeroepen. Volgens de tussenkomende partij berust het middel op een tegenstrijdigheid, omdat men niet tegelijk een schending van de formele en de materiële motiveringsplicht kan inroepen. De verzoekster blijkt uitvoerig in te gaan op de motieven van de bestreden beslissing, en zij voert daarbij de schending van de materiële motiveringsplicht aan. Zij blijkt de motieven van de bestreden beslissing aldus wel degelijk voldoende te kennen, zodat er geen sprake kan zijn van een schending van de formele motiveringsplicht. Minstens is het middel, in zoverre het steunt op de schending van de formele motiveringsplicht, onontvankelijk bij gebrek aan belang. IX-5691-11/17 9.2.
- In zoverre in het middel een schending van de formele en de materiële motiveringsplicht wordt ingeroepen, komen de ontwikkelde grieven erop neer, enerzijds, dat de in de bestreden beslissing opgenomen motieven niet afdoende zijn, in de zin van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en anderzijds, dat de bestreden beslissing, mede in acht genomen de gegevens van het dossier waarvan geen melding gemaakt wordt in de motieven van de beslissing zelf, niet kan steunen op wettige motieven. Voorshands lijkt het niet tegenstrijdig om dergelijke grieven in één en hetzelfde middel te ontwikkelen, des te minder daar het mogelijk is om de schending van de formele motiveringsplicht, of toch minstens de schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991, te beschouwen als een in hoofdorde aangevoerde grief, en de schending van de materiële motiveringsplicht als een subsidiair aangevoerde grief. In de huidige stand van het geding lijkt de exceptie dan ook niet aangenomen te kunnen worden. 9.
- Het eerste onderdeel is specifiek gericht tegen de adviezen die de raad van de arrondissementskamer en de procureur des Konings over de tussenkomende partij en de verzoekster hebben gegeven. Zoals blijkt uit het feitenrelaas heeft de verwerende partij na de vernietiging van de vorige benoeming van de tussenkomende partij beslist om opnieuw het advies in te winnen van de raad van de arrondissementskamer, van de procureur des Konings en van de procureur-generaal. Die werkwijze, die op zich door de verzoekster niet wordt betwist, is in overeenstemming met de verplichting van de benoemende overheid om, in geval van vernietiging van een eerste benoemingsbesluit, bij het overdoen van de vergelijking van de aanspraken van de kandidaten met nieuwe of gewijzigde gegevens of omstandigheden rekening te houden. De benoemende overheid dient met andere woorden op grond van geactualiseerde gegevens te onderzoeken in welke mate de kandidaten geschikt zijn om in de vacante betrekking benoemd te worden. IX-5691-12/17 Wat betreft de tussenkomende partij, heeft de raad van de arrondissementskamer op 29 januari 2007 het volgende advies gegeven: “zeer gunstig met de speciale aanbeveling dat betrokkene als de meest geschikte kandidaat voor deze vacante plaats kan worden aanzien”. De procureur des Konings heeft zich op 7 februari 2007 bij dat advies aangesloten. Op 6 augustus 2001 had de tussenkomende partij van de raad van de arrondissementskamer het advies “zeer gunstig” gekregen. Dat de raad in 2007 tot een gunstiger beoordeling komt dan in 2001, steunt op de vaststelling dat “de betrokken kandidaat sedert 2001 heeft aangetoond dat hij zowel op theoretisch als op praktisch vlak het ambt van gerechtsdeurwaarder uitmuntend heeft waargenomen zonder onderbreking; dat betrokkene ook op het sociaal en menselijk vlak bewezen heeft het ambt voortreffelijk uit te oefenen”. Zoals de verzoekster terecht in herinnering brengt, mag de benoemende overheid, wanneer zij na de vernietiging van een eerste benoeming de titels en verdiensten van de kandidaten opnieuw beoordeelt, geen rekening houden met de ervaring die door de aanvankelijk benoemde kandidaat werd opgedaan ingevolge de vernietigde benoeming. Degene wiens benoeming vernietigd werd mag derhalve niet herbenoemd worden op grond dat hij ingevolge de vernietigde benoeming ervaring in het ambt heeft opgedaan. Daarentegen lijkt niet te mogen worden uitgesloten dat de benoemende overheid rekening houdt met de wijze waarop de betrokkene zijn ambt heeft uitgeoefend. Het tegendeel aannemen zou immers betekenen dat de benoemende overheid niet in de mogelijkheid zou zijn om haar oordeel over de bekwaamheid en de geschiktheid van de betrokkene te actualiseren, en zelfs genoopt zou kunnen zijn een kandidaat te herbenoemen van wie gebleken zou zijn dat hij niet geschikt was om het ambt naar behoren uit te oefenen. In die zin kan het de raad van de arrondissementskamer niet ten kwade worden geduid dat hij heeft vastgesteld dat de ambtsuitoefening van de tussenkomende partij uitmuntend was en dat deze kandidaat ook op sociaal en menselijk vlak bewezen heeft het ambt op voortreffelijke wijze te kunnen oefenen. De andere kandidaten, waaronder de verzoekster, zijn door die vaststelling overigens niet ongelijk behandeld, aangezien zij als kandidaat-gerechtsdeurwaarders eveneens in de mogelijkheid zijn om, onder meer door het waarnemen van plaatsvervangingen, hun geschiktheid en bekwaamheid bij de uitoefening van het IX-5691-13/17 ambt van gerechtsdeurwaarder aan te tonen. In zoverre het onderdeel aan de adviezen van de raad van de arrondissementskamer en van de procureur des Konings verwijt dat ze steunen op de ervaring die de tussenkomende partij in de uitoefening van het ambt van gerechtsdeurwaarder heeft opgedaan, lijkt het aldus niet aangenomen te kunnen worden. Wat betreft de verzoekster, heeft de raad van de arrondissementskamer op 5 maart 2007 het volgende advies gegeven: “zeer gunstig”. De procureur des Konings heeft zich op 21 februari 2007 bij dat advies aangesloten, “met dien verstande dat rekening gehouden moet worden met de discussie omtrent de waarde van de plaatsvervanging als graadmeter”. Op 6 augustus 2001 had de verzoekster van de raad van de arrondissementskamer het advies “zeer gunstig met speciale aanbeveling” gekregen. Dat de raad in 2007 tot een minder gunstige beoordeling komt dan in 2001, steunt op de vaststelling dat de verzoekster “sedert medio 2001 tot op heden geen enkele plaatsvervanging meer heeft waargenomen in het gerechtelijk arrondissement Brugge”. Het feit dat de verzoekster geen plaatsvervangingen meer heeft waargenomen is niet het gevolg van de eerste, vernietigde benoeming van de tussenkomende partij. Die benoeming verhinderde de verzoekster immers niet om, zoals voorheen, plaatsvervangingen te blijven doen en op die wijze verder aan te tonen dat zij bekwaam was om het ambt van gerechtsdeurwaarder uit te oefenen. Niets belette de raad van de arrondissementskamer derhalve om rekening te houden met het feit dat de verzoekster sedert medio 2001 geen plaatsvervangingen meer had gedaan. In zoverre het onderdeel aan de raad van de arrondissementskamer en de procureur des Konings verwijt dat ze rekening houden met de ervaring van de verzoekster in de periode sinds medio 2001, om op grond daarvan slechts een “zeer gunstig” advies te geven, lijkt het niet aangenomen te kunnen worden. Het eerste onderdeel is niet ernstig. 9.
- Het tweede onderdeel is gericht tegen het bestreden benoemingsbesluit zelf. De verzoekster voert aan dat, aangezien haar op een onwettige wijze door de raad van de arrondissementskamer en de procureur des Konings de “speciale aanbeveling” is ontnomen, zij eveneens had moeten worden opgenomen in de vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten met het advies “zeer gunstig met speciale aanbeveling”. Uit niets blijkt echter dat haar titels IX-5691-14/17 en verdiensten met die van de andere kandidaten zijn vergeleken. Bovendien zou uit een effectieve vergelijking tussen haarzelf en de tussenkomende partij blijken dat zij kennelijk grotere aanspraken op de benoeming kan laten gelden. Uit de motivering van het bestreden benoemingsbesluit blijkt dat de benoemende overheid uitgaat van de vaststelling dat de procureur des Konings en de raad van de arrondissementskamer aan zeven kandidaten het advies “zeer gunstig met speciale aanbeveling” hebben verleend, en dat zij de verdere vergelijking van de titels en verdiensten tot die zeven kandidaten beperkt. Het determinerend motief om de kandidatuur van de verzoekster niet verder bij de vergelijking van de kandidaturen te betrekken is derhalve het feit dat zij van de procureur des Konings en de arrondissementskamer het advies “zeer gunstig” en niet het advies “zeer gunstig met speciale aanbeveling” heeft gekregen. Zoals de Raad van State heeft overwogen in zijn genoemde arrest nr. 165.784 van 12 december 2006, inzake D. Devlamynck, “(kan) de benoemende overheid ... eerst de kandidaten ... selecteren die zij, om redenen die zij vermeldt, het meest geschikt acht, en vervolgens ... overgaan tot een meer doorgedreven vergelijking van de titels en verdiensten van de meest geschikt bevonden kandidaten”. Dat de benoemende overheid een eerste selectie gemaakt heeft, op basis van de adviezen van de raad van de arrondissementskamer en de procureur des Konings, lijkt op zich dus niet onwettig te zijn. Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt voorts dat voorshands wordt aangenomen dat de raad van de arrondissementskamer en de procureur des Konings wettig hebben kunnen concluderen dat het advies over de verzoekster slechts “zeer gunstig” was, en niet “zeer gunstig met speciale aanbeveling”. De benoemende overheid lijkt dan ook wettig te hebben kunnen oordelen dat de kandidatuur van de verzoekster niet bij de meer doorgedreven vergelijking van de titels en verdiensten van de “best gerangschikte” kandidaten betrokken moest worden. De verzoekster voert voorts aan dat zij, op grond van een aantal criteria die ook in het bestreden besluit gehanteerd blijken te worden, kennelijk grotere aanspraken op de benoeming kan doen gelden dan de tussenkomende partij. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht kan de Raad van State zijn beoordeling van de titels en verdiensten van de kandidaten niet in de IX-5691-15/17 plaats stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. De Raad van State is slechts bevoegd om na te gaan of de benoemende overheid de haar terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Nu voorshands wordt aangenomen, enerzijds, dat de verwerende partij wettig rekening heeft kunnen houden met de adviezen van de raad van de arrondissementskamer en de procureur des Konings, die de verzoekster minder gunstig beoordeeld hebben dan de tussenkomende partij, en anderzijds, dat de verwerende partij bovendien op grond van die adviezen wettig is kunnen komen tot de selectie van een groep van “best gerangschikte” kandidaten, maakt de verzoekster in de huidige stand van de rechtspleging niet aannemelijk dat zij kennelijk grotere aanspraken dan de tussenkomende partij kan doen gelden. Het tweede onderdeel is niet ernstig.
- Uit het voorgaande volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van Olivier LAMBILOTTE wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. IX-5691-16/17 De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 7 november 2007, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS P. LEMMENS. IX-5691-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.489 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.179 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.