← België

Arrest 176525 - Milieuvergunningen - 08/11/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.525 Rolnummer: A. 113459/VII-25175 Zaak: Arrest 176525 - Milieuvergunningen - 08/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-14 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 04:00 Fiche Arrest nr 176.525 van 8 november 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.525 van 8 november 2007 in de zaak A. 113.459/VII-25.175. In zake : de c.v. KAMELEON, die woonplaats kiest bij advocaat F. DELOFFER, kantoor houdende te ALKEN, Hoogdorpstraat 6 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat 165. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de c.v. KAMELEON op 28 november 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 28 september 2001 waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 29 maart 2001, houdende weigering van de vergunning voor de exploitatie van een groothandel in dieren, gelegen aan de Ambachtslaan 7 te Diepenbeek, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 103.563 van 14 februari 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van 19 maart 2002 ingediend door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; VII-25.175-1/10 Gelet op de beschikking van 28 september 2006 die de neerleg- ging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 30 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 september 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DELOFFER, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat J. BERGÉ, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten 1.1. De verzoekende partij huurt sinds september 1997 aan de Ambachtslaan 7 te Diepenbeek een bedrijfspand waarin zonder voorafgaande milieuvergunning een groothandelsactiviteit in exotische dieren werd opgestart. Sedertdien heeft de verzoekende partij meerdere milieuvergunningsaanvragen ingediend strekkende tot de regularisatie van de inrichting. Die opeenvolgende aanvragen zijn telkens uitgelopen op weigeringsbeslissingen vanwege de bevoegde overheden. 1.2. Op 8 november 2000 dient de verzoekende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg opnieuw een aanvraag in teneinde de bestaande groothandel in exotische dieren vergund te zien. 1.3. Tijdens het openbaar onderzoek van de aanvraag worden 239 bezwaarschriften ingediend waarin omwonenden hun vrees uitdrukken voor onder meer geur- en geluidshinder, ontsnappingsgevaar van de dieren en besmetting met exotische virussen en bacteriën. VII-25.175-2/10 1.4. Met een besluit van 29 maart 2001 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg de gevraagde milieuvergunning. De weigeringsbeslissing is in hoofdzaak gesteund op motieven met betrekking tot mogelijke onaanvaardbare geurhinder en gevoelens van onrust en onveiligheid bij de omwonenden. 1.5. Op 30 april 2001 tekent de verzoekende partij beroep aan bij de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw tegen dit besluit. 1.6. Met een besluit van 28 september 2001 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw wordt het beroep dat de verzoekende partij had ingesteld ongegrond verklaard en wordt de beroepen beslissing bevestigd. Dit besluit is als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat onderhavig beroep in hoofdzaak betrekking heeft op het houden in groothandel van maximum 2.000 hagedissen, 2.000 schildpadden, 1.500 slangen, 100 renmuizen, 200 cavia's en 200 hamsters; Overwegende dat de inrichting gelegen is op ongeveer 75 m van het dichtstbijgelegen woongebied met landelijk karakter; dat de inrichting gelegen is op ongeveer 75 m van de dichtstbijgelegen woning; Overwegende dat in normale omstandigheden er weinig gevaar bestaat dat de reptielen zullen ontsnappen; dat evenwel accidenten zoals brand, inbraak of menselijk falen niet zijn uit te sluiten; dat de woningen met het oog op deze risico's te dicht zijn gelegen bij de inrichting; dat de inrichting zorgt voor hevige reacties bij de omwonenden; dat volgens het bestreden besluit, het openbaar onderzoek 239 bezwaren heeft opgeleverd, met als bezwaren onveilig gevoel, geurhinder, geluidshinder, risico's op ziektes, onbetrouwbaarheid van de uitbater, dierenwelzijn, het wegrukken van exotische dieren uit hun natuurlijke omgeving; Overwegende dat bij besluit nr. 750.71/B/98.005 van 14 mei 1998 de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg vergunning weigerde voor de exploitatie van een groothandel in dieren, dierenvoeding en alle materialen voor het houden en verzorgen van dieren; dat vervolgens ook bij ministerieel besluit nr. AMV/00071519/1003 van 22 oktober 1999 de vergunning werd geweigerd voor de exploitatie van een groothandel in dieren omvattende, het lozen van huishoudelijk en bedrijfsafvalwater, het houden van maximum 2.000 hagedissen, 1.500 slangen, 1.000 uitheemse zoogdieren, twee frigo's en twee diepvriezers van in totaal 20 kW; Overwegende dat het proces-verbaal nr. L/2001/0066 van 22 maart 2001 opgesteld door de afdeling Milieu-inspectie, buitendienst Limburg, vaststelde dat CV Kameleon in overtreding met artikel 4 van het milieuvergunningsdecreet en artikel 5, § 1 van titel I van het Vlarem zonder voorafgaande en schriftelijke vergunning een inrichting met circa 4.000 reptielen uitbaatte; dat de exploitant daarbij de twee bovenvermelde weigeringsbeslissingen van de vergunningver-lenende overheid heeft genegeerd; dat de bereidheid van de exploitant om zijn inrichting op een wettelijke manier uit te baten, bijgevolg in ernstige mate moet betwijfeld worden; Overwegende dat bij een eventuele vergunning de veiligheid van de omgeving enkel kan worden gewaarborgd in de mate dat de veiligheidsregels VII-25.175-3/10 stipt door de exploitant worden nageleefd; dat zoals in een vorige overweging is toegelicht, er moet vanuit gegaan worden dat in dit geval de exploitant ter zake niet de nodige waarborgen biedt; Overwegende dat gezien de te dichte afstand tot het woongebied geurhinder ten opzichte van de dichtstbijgelegen woningen niet valt uit te sluiten gezien hier dieren en levend voedsel worden gehouden; Overwegende dat het houden van reptielen en de uitheemse zoogdieren (levend voedsel) om bovenvermelde redenen ongunstig worden beoordeeld; (...)". 2. De beoordeling 2.1. Als eerste middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 52, 3/, b), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en van het "motiveringsbeginsel". Het middel wordt als volgt toegelicht : "* Aangezien een van de elementen van de motivering luidt : 'Overwegende dat de inrichting gelegen is op ongeveer 75 meter van het dichtstbijgelegen woongebied met landelijk karakter, dat de inrichting gelegen is op ongeveer 75 meter van de dichtstbijgelegen woning'. Dat de formele motivering feitelijk correct moet zijn. Dat de omschrijving 'ongeveer' geen enkele weergave is van de werkelijkheid en ook niet kan afgeleid worden wat dit in zou houden. Dat het belang van de afstandsbepaling niet te minimaliseren is aangezien de verdere redenering van de minister daarop steunt. Dat in een vorige besluit dd. 22.l0.l999 van de minister zij stelt : 'dat de inrichting gelegen is op 100 meter van een woongebied met landelijk karakter'. Dat hieruit duidelijk blijkt dat de afstand niet eens is opgemeten en onvoldoende is om als motivering te dienen. Aangezien een van de elementen van de motivering luidt : 'Overwegende dat in normale omstandigheden er weinig gevaar bestaat dat de reptielen zullen ontsnappen, dat evenwel accidenten zoals brand, inbraak of menselijk falen niet zijn uit te sluiten, dat de woningen met het oog op deze risico’s te dicht zijn gelegen bij de inrichting, dat de inrichting zorgt voor hevige reakties bij de omwonenden, ................., het wegrukken van exotische dieren uit hun natuurlijke omgeving'. dat vooreerst bezwaren van maatschappelijke, morele en sociale aard buiten de beoordelingsbevoegdheid van de milieuvergunningverlenende overheid vallen ( RvSt nr 71.375, 29.01.1998, TMR, 1998, 270) dat tevens deze motivering niet pertinent is, aangezien geen enkele objectieve gegevens deze opmerkingen ondersteunen. dat tevens de afdeling Preventieve en sociale gezondheidszorg van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap een GUNSTIG advies heeft afgeleverd mits een aantal preventieve maatregelen in verband met de beveiliging van de dieren en het tegengaan van geur en geluidshinder. VII-25.175-4/10 dat onvoldoende geantwoord wordt op dergelijk advies en waarom deze voorwaarden mits naleving niet voldoende zouden zijn. dat tevens uit de gesprekken binnen de Provinciale vergunningscommissie werd gesteld dat : 'op vraag van een deskundige van de PMVC aan de AMV wat het advies zal zijn indien de exploitant een deskundige een rapport laat opstellen waaruit blijkt dat het voorgestelde ontgeuringssysteem goed funktioneert en er geen geurhinder te verwachten valt, is het antwoord dat zijn advies nog steeds negatief zal zijn, de AMV wijst er ook op welk gevaar er bestaat voor kinderen uit de omgeving indien er een slang of hagedis zou ontsnappen, daarop wordt door de gezondheidszorg en een deskundige van de PMVC gerepliceerd dat de kans op ontsnappen zeer klein is en dat dit in geen enkel bedrijf kan uitgesloten worden'. dat onvoldoende geantwoord wordt op dergelijk advies; *** Aangezien in de motivering is opgenomen op p.6 dat kan getwijfeld worden aan de bereidheid van de exploitant om zijn inrichting op een wettelijke manier uit te baten. Dat de minister dit afgeleid heeft uit het negeren van twee weigeringsbeslissingen. Dat uit de eenvoudige opstelling van een PV niet kan afgeleid worden dat de exploitant geen bereidheid zou hebben om zich in regel te stellen. Dat de volgehouden strijd om alsnog en tegen het politieke spel van de minister ( strijd tegen exotische dierenhandel) het tij te doen keren en een rechtmatige vergunning te bekomen met vervulling van alle opgelegde voorwaarden, getuigt van de bereidheid van verzoekster om legaal een exploitatie uit te baten. Dat elke beslissing van de milieuverlenende overheid het voorwerp is geweest van een beroep bij de Raad van State. Dat tot op heden de Raad van State zich nog niet uitgesproken heeft. Dat verzoekster alles in het werk stelt om aan de gestelde voorwaarden en opmerkingen tegemoet te komen ten einde een vergunning te bekomen. Dat bijgevolg de motivering onduidelijk is en onjuist is wat betreft het element betrouwbaarheid van de exploitant. **** Dat verder gemotiveerd wordt : 'Overwegende dat gezien de te dichte afstand tot het woongebied geurhinder ten opzichte van de dichtstbijgelegen woningen niet valt uit te sluiten gezien hier dieren en levend voedsel worden gehouden'. Dergelijke motivering is onvoldoende precies. Deze omschrijving is te algemeen en niet controleerbaar. Wat is een te dichte afstand gelet op de omschrijving van 'ongeveer '. Wat is 'valt niet uit te sluiten' ? Betekent dit dat de minister toegeeft dat er geen geurhinder is ? Indien dit het geval zou zijn dan is haar motivering tegenstrijdig met het verwijzen naar de opmerkingen van diegene welke een bezwaarschrift hebben ingediend welke blijkbaar wel geurhinder voorhouden. Temeer de diverse adviezen (cfr boven duidelijk) aangaande de geur positief gunstig zijn en de minister op geen enkel(

  1. e)ogenblik elementen aangeeft welke haar beslissing om alsnog negatief te gaan oordelen zou ondersteunen. ***** Dat als slotoverweging gesteld wordt : 'Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevaarlijke VII-25.175-5/10 exploitatie, mits naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden, niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt'. dat ook hier de motivering algemeen en niet precies is, dat op geen enkel ogenblik ingegaan wordt op de diverse inspanningen welke reeds door verzoekster werden ondernomen; dat op geen enkel ogenblik de gunstige adviezen worden tegengesproken aangaande het aspect geurhinder of veiligheid. Algemeen is de motivering onvoldoende, niet pertinent en worden de positieve adviezen niet weerlegd". 2.2. De verwerende partij stelt daar het volgende tegenover : "1. De verzoekende partij verwijt de verwerende partij dat de afstand van de inrichting tot het dichtstbijgelegen woongebied en de dichtstbijgelegen woning niet werd opgemeten. De verwerende partij betwist dit, en stelt vast dat de verzoekende partij geen gegevens bijbrengt waaruit blijkt dat de afstanden vermeld in het bestreden besluit foutief zouden zijn. De verzoekende partij toont evenmin aan op welke wijze zij in haar belangen geschaad wordt door het gebruik van het woord 'ongeveer'. 2. Het is de bevoegdheid van de milieuvergunningverlenende overheid om te onderzoeken of de hinder veroorzaakt door de inrichting/activiteit tot een aanvaardbaar niveau kan beperkt worden. De vaststelling dat reptielen, zij het dan in eerder uitzonderlijke omstandigheden, kunnen ontsnappen, en daarbij hinder of schade kunnen veroorzaken aan de bewoners van de dichtbijgelegen woningen, maakt deel uit van dit onderzoek, en kan in die zin dan ook geen vorm van machtsoverschrijding uitmaken. Daarenboven vormt dit aspect slechts één argument, naast de vaststelling dat er ook problemen bestaan ingevolge geluidshinder, geurhinder, risico 's op ziektes, enz. Het is precies dit geheel aan elementen dat de verwerende partij heeft doen beslissen tot een weigering van de milieuvergunning. Verder verwijst de verzoekende partij naar het advies van de Afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg (...), dat - mits naleving van een hele resem concrete voorwaarden - gunstig is. De verzoekende partij is van oordeel dat er onvoldoende wordt geantwoord op dit advies. Nochtans kan in het bestreden besluit worden gelezen dat, wat bijvoorbeeld de geurhinder betreft, deze hinder, gezien de dichte afstand tot het woongebied, niet valt uit te sluiten ten opzichte van de dichtstbijgelegen woningen. Er worden immers dieren en levend voedsel gehouden. Hiermee sluit de verwerende partij overigens aan bij de beoordeling door de bestendige deputatie, die eveneens heeft gesteld dat een evaluatie van de geurhinder niet mogelijk is, aangezien er geen enkele staving door een deskundige is gevoegd in verband met de resultaten over de bekomen geurvermindering en de garanties van een volledige uitfiltering van de geurhinder door het ecodor-ontgeuringssysteem. Daarenboven heeft de Afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg enkel gunstig geadviseerd op voorwaarde dat de verzoekende partij ook effectief al de geformuleerde voorwaarden naleeft. En hier knelt het schoentje. Uit onderzoek van het administratief dossier (zie bespreking punt 3) blijkt immers zeer duidelijk dat, zoals de verwerende partij expliciet stelt, 'de VII-25.175-6/10 bereidheid van de exploitant om zijn inrichting op een wettelijke manier uit te baten in ernstige mate moet betwijfeld worden'. De verwerende partij overweegt verder : 'Overwegende dat bij een eventuele vergunning de veiligheid van de omgeving enkel kan worden gewaarborgd in de mate dat de veiligheidsregels stipt door de exploitant worden nageleefd; dat zoals in een vorige overweging is toegelicht, er moet vanuit gegaan worden dat in dit geval de exploitant ter zake niet de nodige waarborgen biedt'. Daar waar de verwerende partij m.a.w. vaststelt dat de hinder de facto niet tot een aanvaardbaar minimum zal kunnen beperkt worden, ook niet als er bijzondere voorwaarden geformuleerd worden, heeft zij terecht beslist tot weigering van de vergunning. Hoedanook is zij niet verplicht het advies van deze instantie te volgen en de motieven van dit besluit zijn wel degelijk pertinent en draagkrachtig, zodat het motiveringsbeginsel, noch de Wet Motivering Bestuurshandelingen geschonden worden. Tenslotte merkt de verwerende partij nog op dat zij niet verplicht is te antwoorden op de adviezen die werden geformuleerd in de procedure voorafgaand aan de beslissing van de bestendige deputatie. De besprekingen gevoerd in het kader van de Provinciale Milieuvergunningscommissie behoeven geen concrete beoordeling door de verwerende partij, die enkel rekening moet houden met de adviezen geformuleerd in het kader van de beroepsprocedure. 3. De verzoekende partij meent dat 'uit de eenvoudige opstelling van een PV' niet kan afgeleid worden dat hij geen bereidheid zou hebben om zich in regel te stellen. Deze houding is meteen typerend voor de verzoekende partij. Zij moet weliswaar toegeven dat zij tot op heden 'niet in regel is', maar meent de diverse inbreuken op de milieuregelgeving alsnog te moeten minimaliseren. Zeer ten onrechte, zo blijkt uit de administratieve stukken van het dossier. Zo werden in het (nabije) verleden verschillende P.V. 's opgemaakt ten laste van de zaakvoerder van de verzoekende partij, de heer Giovanni VANNI. De heer VANNI werd - en dit wordt niet betwist - reeds veroordeeld voor de Correctionele Rechtbank te Hasselt wegens inbreuken op art. 43 §1 VLAREM I, nl. wegens het houden van meer dieren dan vergund, het te koop aanbieden van niet vergunde soorten, het ontbreken van een lijst van de herkomst van de dieren en 'het niet op slot kunnen doen van de kooien van de reptielen'. Op 31.10.2000 werd een inventaris opgemaakt, waaruit blijkt dat het K.B. van 17.02.1997 houdende de erkenningsvoorwaarden voor hondenkwekerijen, kattenkwekerijen, dierenasielen, dierenpensions en handelszaken voor dieren, en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren, overtreden werd wat betreft het aantal dieren per kooi (...) : - in 36 kooien werd het maximum aantal hagedissen van 25 overschreden, tot maximaal 112 stuks - in 2 bakken (1 m x 1
  2. m)zaten 740 en 616 schildpadden: te weinig bewegingsruimte - in 16 kooien van 0,5 à 0,75 m³ zaten meer dan 25 slangen (koningspython) van ongeveer 1 meter lengte, met een maximum aantal van 40 slangen : te weinig bewegingsruimte - er werden een 15-tal dode dieren gevonden - heel wat slangen waren geparasiteerd door teken Daarenboven heeft de verzoekende partij ook volgende bevelen van de burgemeester genegeerd (...) : VII-25.175-7/10 - bevel dd. 22.09.2000 om voor 10.10.2000 alle reptielen die gehouden werden in bovenvernoemde inrichting te verwijderen - bevel dd. 10.10.2000 om voor 20.10.2000 alle dieren in deze inrichting aanwezig en gehouden zonder te beschikken over de noodzakelijke vergunning te verwijderen Verder werd er, zoals vermeld in het bestreden besluit, op 22.03.2001 PV opgesteld door de afdeling Milieu-inspectie, buitendienst Limburg, waarbij werd vastgesteld dat de verzoekende partij zonder vergunning een inrichting met circa 4.000 reptielen uitbaatte zonder de vereiste vergunning, daarbij twee weigeringsbeslissingen negerende ... De verzoekende partij heeft bovendien ook geen gevolg gegeven aan de dwangmaatregel, opgelegd door de Milieu-Inspectie, buitendienst Limburg, bij besluit dd. 21.03.2001, erin bestaande dat er tegen uiterlijk 03.07.2001 geen vergunningsplichtige activiteiten meer zouden plaatsvinden in de Ambachtlaan 7 te Diepenbeek. In dergelijke omstandigheden kan de verzoekende partij toch niet ernstig menen dat de verwerende partij 'onjuist' handelt door de betrouwbaarheid van de verzoekende partij in vraag te stellen. 4. Zoals hoger gesteld moest de verwerende partij vaststellen dat omwonenden klagen van geurhinder; dat deze klachten gegrond waren, precies gelet op de beperkte afstand van slechts ongeveer 75 m tot de inrichting, en dat de verzoekende partij geen garanties kon bieden dat deze geurhinder tot een aanvaardbaar niveau zou beperkt worden. De overwegingen zijn correct, en in geen enkel opzicht tegenstrijdig. 5. De slotoverweging, waarin gesteld wordt (dat) de hinder en de risico’s voor mens en milieu niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen beperkt worden, berust op de diverse voorafgaande motieven opgenomen in het bestreden besluit, en zoals hoger uitvoerig besproken en toegelicht. De verwerende partij heeft wel degelijk aan haar motiveringsplicht, zowel formeel als materieel, voldaan". 2.3. Bij de evaluatie van de hinderlijkheid van een inrichting moet in eerste instantie rekening worden gehouden met de effecten bij een "normale" exploitatie. In het bestreden besluit wordt overwogen dat "in normale omstandigheden er weinig gevaar bestaat dat de reptielen zullen ontsnappen". Indien kan worden aanvaard dat de vergunningverlenende overheid tevens exceptionele omstandigheden, zoals veiligheidsrisico's, bij haar beoordeling kan betrekken, is wel vereist dat die risico's een zodanig reëel, ernstig en overtuigend karakter hebben dat ze een absoluut exploitatieverbod rechtvaardigen. Dit blijkt niet uit de motivering van het bestreden besluit. Bovendien had de exploitant in zijn beroepschrift omstandig betoogd dat die risico's eerder beperkt zijn, onder meer omdat de meeste reptielen geen of weinig gevaar opleveren voor de mens. Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt niet dat de verwerende partij die argumenten bij haar beoordeling heeft betrokken. Eventuele onrustgevoelens bij de omwonenden, die door de vergunningverlenende overheid niet gecontroleerd worden op hun VII-25.175-8/10 gegrondheid rekening houdend met de concrete gegevens van de zaak, leveren geen deugdelijk motief op om de milieuvergunning te weigeren. De vergunningverlenende overheid kan uit de loutere vaststelling dat de inrichting zonder de vereiste voorafgaande vergunning in gebruik werd gesteld, niet afleiden dat de inrichting, eens de vereiste milieuvergunning wel zou zijn verleend, niet op een wettige manier zal worden geëxploiteerd. In het bestreden besluit wordt ten slotte gesteld dat "geurhinder ten opzichte van de dichtstbijgelegen woningen niet valt uit te sluiten". Er wordt niet gesteld dat die geurhinder, zo hij bestaat, de grenzen van het toelaatbare overschrijdt, zodat dit motief op zich de weigering van de vergunning niet kan schragen. Daarenboven mag niet uit het oog worden verloren dat het nabijgelegen woongebied in kwestie een woongebied met landelijk karakter blijkt te zijn. Zulk een woongebied, dat naast woningbouw in het algemeen tevens bestemd is voor landbouwbedrijven, is hoe dan ook minder gevoelig voor geurhinder afkomstig van dieren. Het desbetreffende weigeringsmotief moet dan ook met concrete en overtuigende gegevens worden onderbouwd. Dit is te dezen niet het geval. Het middel is gegrond, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 28 september 2001 waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 29 maart 2001, houdende weigering van de vergunning voor de exploitatie van een groothandel in dieren, gelegen aan de Ambachtslaan 7 te Diepenbeek, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. VII-25.175-9/10 Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht november tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-25.175-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.525 Gerelateerde publicatie(
  3. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.103.563 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.