id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.525 Rolnummer: A. 113459/VII-25175 Zaak: Arrest 176525 - Milieuvergunningen - 08/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-14 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 04:00 Fiche Arrest nr 176.525 van 8 november 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.525 van 8 november 2007 in de zaak A. 113.459/VII-25.175. In zake : de c.v. KAMELEON, die woonplaats kiest bij advocaat F. DELOFFER, kantoor houdende te ALKEN, Hoogdorpstraat 6 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat 165. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de c.v. KAMELEON op 28 november 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 28 september 2001 waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 29 maart 2001, houdende weigering van de vergunning voor de exploitatie van een groothandel in dieren, gelegen aan de Ambachtslaan 7 te Diepenbeek, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 103.563 van 14 februari 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van 19 maart 2002 ingediend door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; VII-25.175-1/10 Gelet op de beschikking van 28 september 2006 die de neerleg- ging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 30 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 september 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DELOFFER, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat J. BERGÉ, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten 1.1. De verzoekende partij huurt sinds september 1997 aan de Ambachtslaan 7 te Diepenbeek een bedrijfspand waarin zonder voorafgaande milieuvergunning een groothandelsactiviteit in exotische dieren werd opgestart. Sedertdien heeft de verzoekende partij meerdere milieuvergunningsaanvragen ingediend strekkende tot de regularisatie van de inrichting. Die opeenvolgende aanvragen zijn telkens uitgelopen op weigeringsbeslissingen vanwege de bevoegde overheden. 1.2. Op 8 november 2000 dient de verzoekende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg opnieuw een aanvraag in teneinde de bestaande groothandel in exotische dieren vergund te zien. 1.3. Tijdens het openbaar onderzoek van de aanvraag worden 239 bezwaarschriften ingediend waarin omwonenden hun vrees uitdrukken voor onder meer geur- en geluidshinder, ontsnappingsgevaar van de dieren en besmetting met exotische virussen en bacteriën. VII-25.175-2/10 1.4. Met een besluit van 29 maart 2001 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg de gevraagde milieuvergunning. De weigeringsbeslissing is in hoofdzaak gesteund op motieven met betrekking tot mogelijke onaanvaardbare geurhinder en gevoelens van onrust en onveiligheid bij de omwonenden. 1.5. Op 30 april 2001 tekent de verzoekende partij beroep aan bij de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw tegen dit besluit. 1.6. Met een besluit van 28 september 2001 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw wordt het beroep dat de verzoekende partij had ingesteld ongegrond verklaard en wordt de beroepen beslissing bevestigd. Dit besluit is als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat onderhavig beroep in hoofdzaak betrekking heeft op het houden in groothandel van maximum 2.000 hagedissen, 2.000 schildpadden, 1.500 slangen, 100 renmuizen, 200 cavia's en 200 hamsters; Overwegende dat de inrichting gelegen is op ongeveer 75 m van het dichtstbijgelegen woongebied met landelijk karakter; dat de inrichting gelegen is op ongeveer 75 m van de dichtstbijgelegen woning; Overwegende dat in normale omstandigheden er weinig gevaar bestaat dat de reptielen zullen ontsnappen; dat evenwel accidenten zoals brand, inbraak of menselijk falen niet zijn uit te sluiten; dat de woningen met het oog op deze risico's te dicht zijn gelegen bij de inrichting; dat de inrichting zorgt voor hevige reacties bij de omwonenden; dat volgens het bestreden besluit, het openbaar onderzoek 239 bezwaren heeft opgeleverd, met als bezwaren onveilig gevoel, geurhinder, geluidshinder, risico's op ziektes, onbetrouwbaarheid van de uitbater, dierenwelzijn, het wegrukken van exotische dieren uit hun natuurlijke omgeving; Overwegende dat bij besluit nr. 750.71/B/98.005 van 14 mei 1998 de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg vergunning weigerde voor de exploitatie van een groothandel in dieren, dierenvoeding en alle materialen voor het houden en verzorgen van dieren; dat vervolgens ook bij ministerieel besluit nr. AMV/00071519/1003 van 22 oktober 1999 de vergunning werd geweigerd voor de exploitatie van een groothandel in dieren omvattende, het lozen van huishoudelijk en bedrijfsafvalwater, het houden van maximum 2.000 hagedissen, 1.500 slangen, 1.000 uitheemse zoogdieren, twee frigo's en twee diepvriezers van in totaal 20 kW; Overwegende dat het proces-verbaal nr. L/2001/0066 van 22 maart 2001 opgesteld door de afdeling Milieu-inspectie, buitendienst Limburg, vaststelde dat CV Kameleon in overtreding met artikel 4 van het milieuvergunningsdecreet en artikel 5, § 1 van titel I van het Vlarem zonder voorafgaande en schriftelijke vergunning een inrichting met circa 4.000 reptielen uitbaatte; dat de exploitant daarbij de twee bovenvermelde weigeringsbeslissingen van de vergunningver-lenende overheid heeft genegeerd; dat de bereidheid van de exploitant om zijn inrichting op een wettelijke manier uit te baten, bijgevolg in ernstige mate moet betwijfeld worden; Overwegende dat bij een eventuele vergunning de veiligheid van de omgeving enkel kan worden gewaarborgd in de mate dat de veiligheidsregels VII-25.175-3/10 stipt door de exploitant worden nageleefd; dat zoals in een vorige overweging is toegelicht, er moet vanuit gegaan worden dat in dit geval de exploitant ter zake niet de nodige waarborgen biedt; Overwegende dat gezien de te dichte afstand tot het woongebied geurhinder ten opzichte van de dichtstbijgelegen woningen niet valt uit te sluiten gezien hier dieren en levend voedsel worden gehouden; Overwegende dat het houden van reptielen en de uitheemse zoogdieren (levend voedsel) om bovenvermelde redenen ongunstig worden beoordeeld; (...)". 2. De beoordeling 2.1. Als eerste middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 52, 3/, b), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en van het "motiveringsbeginsel". Het middel wordt als volgt toegelicht : "* Aangezien een van de elementen van de motivering luidt : 'Overwegende dat de inrichting gelegen is op ongeveer 75 meter van het dichtstbijgelegen woongebied met landelijk karakter, dat de inrichting gelegen is op ongeveer 75 meter van de dichtstbijgelegen woning'. Dat de formele motivering feitelijk correct moet zijn. Dat de omschrijving 'ongeveer' geen enkele weergave is van de werkelijkheid en ook niet kan afgeleid worden wat dit in zou houden. Dat het belang van de afstandsbepaling niet te minimaliseren is aangezien de verdere redenering van de minister daarop steunt. Dat in een vorige besluit dd. 22.l0.l999 van de minister zij stelt : 'dat de inrichting gelegen is op 100 meter van een woongebied met landelijk karakter'. Dat hieruit duidelijk blijkt dat de afstand niet eens is opgemeten en onvoldoende is om als motivering te dienen. Aangezien een van de elementen van de motivering luidt : 'Overwegende dat in normale omstandigheden er weinig gevaar bestaat dat de reptielen zullen ontsnappen, dat evenwel accidenten zoals brand, inbraak of menselijk falen niet zijn uit te sluiten, dat de woningen met het oog op deze risico’s te dicht zijn gelegen bij de inrichting, dat de inrichting zorgt voor hevige reakties bij de omwonenden, ................., het wegrukken van exotische dieren uit hun natuurlijke omgeving'. dat vooreerst bezwaren van maatschappelijke, morele en sociale aard buiten de beoordelingsbevoegdheid van de milieuvergunningverlenende overheid vallen ( RvSt nr 71.375, 29.01.1998, TMR, 1998, 270) dat tevens deze motivering niet pertinent is, aangezien geen enkele objectieve gegevens deze opmerkingen ondersteunen. dat tevens de afdeling Preventieve en sociale gezondheidszorg van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap een GUNSTIG advies heeft afgeleverd mits een aantal preventieve maatregelen in verband met de beveiliging van de dieren en het tegengaan van geur en geluidshinder. VII-25.175-4/10 dat onvoldoende geantwoord wordt op dergelijk advies en waarom deze voorwaarden mits naleving niet voldoende zouden zijn. dat tevens uit de gesprekken binnen de Provinciale vergunningscommissie werd gesteld dat : 'op vraag van een deskundige van de PMVC aan de AMV wat het advies zal zijn indien de exploitant een deskundige een rapport laat opstellen waaruit blijkt dat het voorgestelde ontgeuringssysteem goed funktioneert en er geen geurhinder te verwachten valt, is het antwoord dat zijn advies nog steeds negatief zal zijn, de AMV wijst er ook op welk gevaar er bestaat voor kinderen uit de omgeving indien er een slang of hagedis zou ontsnappen, daarop wordt door de gezondheidszorg en een deskundige van de PMVC gerepliceerd dat de kans op ontsnappen zeer klein is en dat dit in geen enkel bedrijf kan uitgesloten worden'. dat onvoldoende geantwoord wordt op dergelijk advies; *** Aangezien in de motivering is opgenomen op p.6 dat kan getwijfeld worden aan de bereidheid van de exploitant om zijn inrichting op een wettelijke manier uit te baten. Dat de minister dit afgeleid heeft uit het negeren van twee weigeringsbeslissingen. Dat uit de eenvoudige opstelling van een PV niet kan afgeleid worden dat de exploitant geen bereidheid zou hebben om zich in regel te stellen. Dat de volgehouden strijd om alsnog en tegen het politieke spel van de minister ( strijd tegen exotische dierenhandel) het tij te doen keren en een rechtmatige vergunning te bekomen met vervulling van alle opgelegde voorwaarden, getuigt van de bereidheid van verzoekster om legaal een exploitatie uit te baten. Dat elke beslissing van de milieuverlenende overheid het voorwerp is geweest van een beroep bij de Raad van State. Dat tot op heden de Raad van State zich nog niet uitgesproken heeft. Dat verzoekster alles in het werk stelt om aan de gestelde voorwaarden en opmerkingen tegemoet te komen ten einde een vergunning te bekomen. Dat bijgevolg de motivering onduidelijk is en onjuist is wat betreft het element betrouwbaarheid van de exploitant. **** Dat verder gemotiveerd wordt : 'Overwegende dat gezien de te dichte afstand tot het woongebied geurhinder ten opzichte van de dichtstbijgelegen woningen niet valt uit te sluiten gezien hier dieren en levend voedsel worden gehouden'. Dergelijke motivering is onvoldoende precies. Deze omschrijving is te algemeen en niet controleerbaar. Wat is een te dichte afstand gelet op de omschrijving van 'ongeveer '. Wat is 'valt niet uit te sluiten' ? Betekent dit dat de minister toegeeft dat er geen geurhinder is ? Indien dit het geval zou zijn dan is haar motivering tegenstrijdig met het verwijzen naar de opmerkingen van diegene welke een bezwaarschrift hebben ingediend welke blijkbaar wel geurhinder voorhouden. Temeer de diverse adviezen (cfr boven duidelijk) aangaande de geur positief gunstig zijn en de minister op geen enkel(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.