← België

Arrest 176555 - Varia (onderwijs en cultuur) - 08/11/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.555 Rolnummer: A. 183374/XII-5111 Zaak: Arrest 176555 - Varia (onderwijs en cultuur) - 08/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-14 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 04:00 Fiche Arrest nr 176.555 van 8 november 2007 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.555 van 8 november 2007 in de zaak A. 183.374/XII-

  1. In zake : Oswald PAUWELS, die woonplaats kiest bij advocaat L. Lenaerts, kantoor houdende te Antwerpen, Nachtegaalstraat 47 tegen : de HOGESCHOOL ANTWERPEN, die woonplaats kiest bij advocaat W. Van Caeneghem, kantoor houdende te Antwerpen, Quinten Matsijslei
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Oswald Pauwels op 16 mei 2007 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van tenuitvoerlegging van de beslissing van de raad van bestuur van de Hogeschool Antwerpen van 19 maart 2007 waarbij hem geen artistieke faam wordt toegekend; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 25 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 oktober 2007; XII-5111-1/14 Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. Lenaerts, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat L. Moreau, die loco advocaat W. Van Caeneghem verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
  3. Verzoeker is sinds 31 augustus 1991 vast benoemd als assistent artistieke vakken (specialiteit : grafische vormgeving, fotografie) aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (Kask) te Antwerpen en, sinds 1 januari 1995, als leraar algemene vakken “fotografie voor restaurateurs HKO 3E GR” aan het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten (NHISK) te Antwerpen, beide thans opgenomen in de Hogeschool Antwerpen. Door het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap (hierna : hogescholendecreet) wordt het hoger onderwijs gereorganiseerd. Ten gevolge van die reorganisatie moet ook het personeel worden geconcordeerd. 1.
  4. In zijn ambtelijke hoedanigheid van assistent artistieke vakken (10/20) wordt verzoeker als assistent geconcordeerd. Uit het arrest van de Raad van State nr. 79.406 van 23 maart 1999 volgt dat die concordantie definitief geworden is. 1.
  5. Wat zijn ambtelijke hoedanigheid van leraar algemene vakken betreft, weigert de verwerende partij eind 1997 hem als docent te concorderen. Die beslissing wordt door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 79.406 van 23 maart
  6. XII-5111-2/14 1.
  7. Verzoeker dient vervolgens een nieuwe aanvraag in voor artistieke faam, die hem wordt geweigerd door verwerende partij op 21 juni
  8. Verzoeker vecht ook die beslissing aan. Zij wordt door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 147.121 van 30 juni
  9. 1.
  10. Na kennisname van het arrest van 30 juni 2005 beslist het bestuurscollege van verwerende partij op 14 november 2006 de algemeen directeur te gelasten om een hernieuwde commissie artistieke faam samen te stellen. Zo geschiedt uiteindelijk bij beslissing van 22 januari
  11. 1.
  12. Op 6 februari 2007 vergadert de commissie artistieke faam. De zes leden beoordelen het dossier aan de hand van de beoordelingscriteria die zijn opgenomen in artikel 317bis, § 3, van het hogescholendecreet in de volgende bewoordingen : “[...] - publicaties over het werk van betrokkene in vakbladen, tijdschriften of kranten; - eigen publicaties of gerealiseerde dossiers in verband met de vrije of toegepaste artistieke praktijk van de betrokkene; - regionale, federale of internationale prijzen; - deelname aan belangrijke manifestaties in binnen- en buitenland; - realisaties voor binnenlandse of buitenlandse instellingen of bedrijven; - relevante bijdragen aan belangrijke producties; - tentoonstellingen in vooraanstaande binnenlandse of buitenlandse galerijen of musea [...]”. De verwerende partij volgt voor de erkenning van de ruime artistieke faam opnieuw de procedure waartoe de raad van bestuur op 26 oktober 1998 heeft beslist. Het gunstig advies van de beoordelingscommissie staat of valt met het al dan niet toekennen aan de aanvraag van een “score” van minimaal 40 punten en de door deze commissie gevolgde procedure bij het vaststellen van de “score” blijkt ten minste de volgende stappen te omvatten :

(1). de aanvraag gebeurt middels een formulier waar als bijlage een dossier dient te worden gevoegd bestaande uit afschriften van diploma's en curriculum vitae tot 31 december 1995, een overzichtslijst per decretaal bepaald criterium en de daarmee overeenstemmende bewijsstukken (“alle stukken ter staving van het kerndossier (portfolio)”) en tenslotte per bewijsstuk een motivering waaruit relevantie blijkt. XII-5111-3/14
(2). van de aanvraag wordt kennis genomen door de zes leden van de adviescommissie die, elk lid op een afzonderlijke fiche, voor ieder criterium “rekening [houdt] met de uitstraling per criterium” en de criteria per kandidaat quoteert volgens de hierna opgenomen schaal : 0 : niet relevant + weinig uitstraling, 5: relevant + weinig uitstraling, 10: relevant + grote uitstraling, 20: (bijzonder) relevant + zeer grote uitstraling (deze laatste score volgens een vermelding op de fiche “uitzonderlijk toe te kennen”) en die een onder woorden gebrachte motivering voor de toegekende scores kunnen neerschrijven.
(3). de scores van ieder commissielid en voor elk criterium worden op een tabel samengebracht. Per criterium worden de scores van het laagst en deze van het hoogst quoterende commissielid doorstreept en er wordt voor het latere geen rekening mee gehouden. De vier voor ieder criterium overblijvende scores worden opgeteld en genoteerd in een kolom “overgebleven som”. Vervolgens wordt van die som een gemiddelde gemaakt en genoteerd in de overeenkomstige kolom “gemiddelde”. Tenslotte bevat de tabel een kolom “omzetting” waarin de gemiddelden die geen veelvoud zijn van vijf worden afgerond als volgt :
(4). de scores uit de voornoemde kolom “omzetting” worden vervolgens hernomen in een tweede tabel en de som van de scores wordt daaronder genoteerd. 1.7. Deze oefening levert voor verzoeker in totaal 25 punten op. Op het formulier wordt daaronder toegevoegd : “Gezien betrokkene geen totaalscore heeft bereikt van minimaal 40 punten wordt hem, conform de reglementering voorzien in de procedure zoals goedgekeurd in de Raad van Bestuur d.d. 14.09.98, geen artistieke faam toegekend. De uitgebreide motivering wordt als bijlage hieraan toegevoegd.”. De bijgaande motivering luidt : “Uitgebreide motivering als bijlage bij het proces-verbaal d.d. 06.02.2007 XII-5111-4/14 ! m.b.t. publicaties over het werk van betrokkene in vakbladen, tijdschriften of kranten, zijn er een aantal realisaties die echter eerder getuigen van een technische dan van een artistieke inbreng; ! m.b.t. eigen publicaties of gerealiseerde dossiers i.v.m. de vrij of toegepaste praktijk van de betrokkene, zijn er een aantal publicaties en uitgebreide realisaties die echter, qua artistieke uitstraling, eerder beperkt blijven; ! m.b.t. regionale, federale of internationale prijzen, is de lijst te beperkt om van een artistieke uitstraling te kunnen spreken; ! m.b.t. deelname aan belangrijke manifestaties in binnen- en buitenland, wordt het dossier als verdienstelijk vakwerk m.b.t, documentaire fotografie, zonder artistieke relevantie beschouwd; ! m.b.t. realisaties voor binnenlandse of buitenlandse instellingen of bedrijven, worden nauwelijks tot geen artistieke verwezenlijkingen gevonden, in voorkomend geval beperkt tot een kleinere kring; ! m.b.t. relevante bijdragen aan belangrijke producties, kan de beperkte en eenzijdige lijst niet als betekenisvol worden beschouwd; ! m.b.t. tentoonstellingen in vooraanstaande binnenlandse of buitenlandse galerijen of musea, wordt het werk vooral als documentatie-fotografie, in het kader van het onderwerp en niet van het artistiek-fotografische vertoond.”. 1.8. Op 19 maart 2007 beslist de raad van bestuur, overwegende dat hij “na overleg de motivering en het daaraan gekoppeld advies van de commissie erkent”, “geen artistieke faam toe te kennen aan dhr. Oswald Pauwels”. De schorsingsvoorwaarden 2. Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Beoordeling van de eerste schorsingsvoorwaarde 3.1. In een enig middel voert verzoeker de schending aan, in hoofdorde, van de materiële motiveringsplicht. Net zoals verzoeker het had gedaan in de zaak die heeft geleid tot het vernietigingsarrest van 30 juni 2005, bespreekt hij ook thans weer criterium per XII-5111-5/14 criterium wat de elementen zijn die hij in zijn erkenningsaanvraag heeft doen gelden en waarvan hij betoogt dat zij niet de conclusies van de beoordelingscommissie kunnen schragen. Hij onderbouwt zijn betoog ook met overwegingen van de Raad van State uit voornoemd vernietigingsarrest en uit het schorsingsarrest nr. 87.654 van 26 mei 2000, waarmee volgens hem de verwerende partij in haar nieuwe beslissing geen rekening heeft gehouden. Zo werd in het laatstgenoemde arrest reeds overwogen dat, wanneer de in het decreet vastgelegde criteria voor de toegepaste kunst moeilijker hanteerbaar zijn dan voor de vrije kunsten, dit het bestuur er zou toe moeten leiden de erkenning van de ruime artistieke faam gemakkelijker toe te staan. Verzoeker noemt de nieuwe beoordeling ook “bijzonder merkwaardig” omdat op basis van hetzelfde dossier werd geoordeeld door quasi dezelfde commissieleden, die voor het criterium “tentoonstellingen...” vorige keer 20 punten toekenden en het thans houden op 5 punten. Hij merkt op dat “systematisch her en der punten wat gereduceerd [werden]”, terwijl uit de motivering van het arrest van 30 juni 2005 volgde dat hij recht had op een nieuwe kans, omdat één hogere quotering voor één van de zeven criteria had volstaan om tot de eindscore 40 te komen. Verzoeker noemt het onbegrijpelijk thans nog maar 25 punten te hebben behaald. 3.2. Verwerende partij antwoordt in de nota met opmerkingen : “Bij de bespreking van dit middel verwijst verzoekende partij naar de verschillende criteria. Centraal bij de beoordeling van de vraag of verzoeker al dan niet over een ruime artistieke faam beschikt, is uiteraard het al dan niet artistieke karakter van het werk van verzoeker. Het volstaat uiteraard niet om te stellen dat fotografie als kunstdiscipline is erkend, om te besluiten dat het werk van verzoeker ook een ruime artistieke faam zou hebben. Zoals ook blijkt uit het verzoekschrift merkt verzoeker zelf op dat vrijwel al zijn werk functioneel is. XII-5111-6/14 De commissie was van oordeel dat verzoeker zuiver technisch perfect werk aflevert, zonder enige fout. De artistieke waarde is evenwel nihil. Men zou het kunnen vergelijken met het verschil tussen een studio muzikant enerzijds, en een life uitvoerder anderzijds. Wat getoetst moet worden is het artistieke van de door verzoeker afgeleverde foto’s en juist datgene ontbreekt. In zijn verzoekschrift verwijst verzoeker bij voorbeeld naar de verspreiding en de oplage van de door hem geciteerde publicaties. Eén en ander wordt uiteraard niet betwist. Maar de jury is van oordeel dat deze publicaties als vakwerk zonder artistieke allure dienen te worden beschouwd. Een ander jurylid omschrijft het als volgt ‘De voorgelegde publicaties zijn geen eigen initiatieven en behelzen enkel documentaire fotografie. Ik vind er geen artistieke relevantie in.’ Met betrekking tot het derde criterium stelt verzoeker zelf dat dit minder relevant is voor zijn discipline. De juryleden zijn quasi unaniem van oordeel dat de prijzen te beperkt en enkel regionaal zijn. Met betrekking tot het vierde criterium geeft verzoeker zelf aan dat documentaire fotografie altijd functioneel is. Hiermee bevestigt hij eigenlijk het oordeel van de commissieleden, met name dat het verdienstelijk vakwerk betreft met betrekking tot documentaire fotografie zonder artistieke relevantie. Dit belet uiteraard niet dat er ook artistieke fotografie bestaat. Dit is evenwel niet wat door verzoeker wordt voorgelegd. Ook met betrekking tot het vijfde criterium dient er opnieuw gewezen te worden op het voorwerp van de toetsing, met name het al dan niet artistieke karakter van het werk van verzoeker, en de uitstraling die dit werk heeft naar buiten toe. Enkel wanneer aan deze voorwaarde voldaan is kan uiteraard van een ruime artistieke faam gesproken worden. De zelfde opmerking moet gemaakt worden met betrekking tot de beoordeling van het zesde criterium, namelijk de relevante bijdragen aan belangrijke producties. Een jurylid schrijft over deze bijdrage dat hij dit werk als plichtsbewust en braaf beschouwt maar zeker niet artistiek. Dit wordt ook bevestigd in de oordelen van de andere juryleden, die bijvoorbeeld stellen dat de beoordelingen hier gelden zoals voor de andere criteria, met name dat er geen artistieke relevantie is, of zoals een ander jurylid stelt : ‘Betrokkene levert verdienstelijk vakwerk binnen een heel beperkte niche. Toont daarbij geen enkele artistieke ambitie. Zijn oeuvre is dan ook te eenzijdig om van uitstraling te kunnen spreken.’ Met betrekking tot het laatste criterium ten slotte brengt verzoeker in zijn verzoekschrift geen enkel bijkomend argument aan waaruit zou moeten blijken dat ook voor dit criterium ten onrechte geen artistieke faam werd weerhouden. Een jurylid motiveerde als volgt : ‘Voor mij kan het leveren van illustraties (foto’
  1. s)voor een rondreizende tentoonstelling van monumentenzorg bezwaarlijk als een “artistieke” prestatie gelden. De aangevoerde prestaties zijn hier dus niet relevant. Niets wijst op de artistieke intentie van de geleverde foto’s.’ Dit sluit perfect aan op hetgeen in de uitgebreide motivering als bijlage bij het proces verbaal van 6 februari 2007 staat vermeld. Terecht werd door uw Hoge Raad in het arrest van 30 juni 2005 gesteld dat de Raad van State niet bevoegd is om de beoordeling van verzoekers artistieke faam XII-5111-7/14 aan de hand van zijn dossier over te doen, maar enkel om de beoordeling van de verwerende partij te vernietigen indien is aangetoond dat zij niet wettig tot stand is gekomen. Bij de vorige beoordeling was er inderdaad een materiële vergissing ingevolge verschrijving geslopen. Verwerende partij heeft dan ook, ingevolge dit arrest, de beoordeling van de artistieke faam volledig laten overdoen door een commissie dewelke lichtjes anders was samengesteld. Na nauwkeurige herbeoordeling van het door verzoeker ingediende dossier waren de commissieleden stuk voor stuk van oordeel dat het artistieke karakter van het werk van de verzoekende partij niet werd aangetoond, en er dus geen sprake kan zijn van ruime artistieke faam. Zowel de formele als de materiële motiveringsplicht werden dan ook nageleefd. Het middel dient integraal ongegrond te worden verklaard”. 4. In het arrest nr. 87.654 van 26 mei 2000 overwoog de Raad van State dat prima facie “alle in het decreet vastgelegde criteria ook hanteerbaar zijn voor ‘toegepaste kunsten’, zij het mogelijk in mindere mate dan voor ‘vrije kunsten’ in welk geval het bestuur gemakkelijker tot de erkenning van ruime artistieke faam zou moeten besluiten”. In het arrest nr. 147.121 van 30 juni 2005 besloot de Raad van State tot de nietigverklaring van de vorige weigeringsbeslissing van 21 juni 1999 op grond van onder meer de volgende overwegingen : “Overwegende, in het algemeen, dat het aldus gegeven oordeel over verzoeker niet zo “quasi unaniem” was als verwerende partij het wil voorstellen; dat één lid van de commissie aan verzoeker voor elk criterium een score “0” heeft gegeven, en daarvoor als -enige- motivering “geen ‘artistieke’ faam”; dat evenzeer een ander lid aan verzoeker voor vijf van de zeven criteria een score “10” heeft gegeven, met als -eveneens enige- motivering “de kandidaat heeft een evenwichtige en sprekende faam opgebouwd in binnen- en buitenland”; Overwegende, wat het criterium “eigen publicaties of gerealiseerde dossiers i.v.m. de vrije of toegepaste artistieke praktijk van de betrokkene” betreft, dat verzoeker in de overzichtslijst als items een tiental boeken, een aantal prentkaartenreeksen en een cd heeft vermeld en over de boeken verduidelijkt dat “fotografie de dragende pijler is, waarbij mijn aandeel de belangrijkste component vormt”; Overwegende dat in de motivering voor dit criterium is te lezen dat de publicaties “weinig uitstraling” hebben; Overwegende dat vooreerst de afzonderlijke leden van de jury blijkens hun beoordelingsfiches het daar onderling niet enkel wat de gegeven scores betreft over oneens blijken te zijn, maar dat zij ook tegenstrijdige motieven geven: voor XII-5111-8/14 een lid gaat het wel degelijk om “eigen publicaties” weze het “zonder grote uitstraling” (score 5), volgens een ander lid zijn het “uitgebreide realisaties” (score 10) maar volgens nog een ander lid zijn het evenwel “producties …publicaties” (score 0), terwijl de overige leden zonder bijkomende inhoudelijke motivering scores toekennen van 5, 0 en 5; dat de Raad vooreerst niet ziet waarom de opgesomde boeken of prentkaarten voor een fotograaf niet als “eigen publicaties of gerealiseerde dossiers” begrepen mogen worden; dat slechts één jurylid dit in twijfel trekt; dat zijn of haar beoordeling “0” echter in dat geval niet zorgvuldig is tot stand gekomen want vertrekkend van een verkeerde premisse; dat voorts, tegenover de hoegenaamd niet eenduidige en alleszins summiere motivering van de overige juryleden het uitgebreid en concreet verweer staat van verzoeker over, onder meer, de oplage, herdrukken, vertalingen van en de prijzen en anderszins getoonde waardering voor de door hem opgesomde items; dat hij zich terecht mag afvragen waarom de jury, en met haar de raad van bestuur, bij dit criterium tot de beoordeling “weinig uitstraling” komt; dat “de voorgelegde feitelijke gegevens” vergelijkende met de stukken uitgaande van de beoordelingscommissie en van de raad van bestuur, de Raad het antwoord niet terugvindt in het administratief dossier; Overwegende, wat het criterium “tentoonstellingen in vooraanstaande binnenlandse of buitenlandse galerijen of musea” betreft, dat nazicht van de werkdocumenten leert dat de eerst met de hand geschreven motieven van het juryverslag in de latere versies bij vergissing zijn omgewisseld of weggevallen, en dat meer bepaald de bemerking over “een aantal expo’s zonder al te grote uitstraling” hoorde te staan bij dit criterium G (tentoonstellingen), terwijl bij criterium F (bijdragen aan belangrijke producties) moet worden gelezen “zijn er relevante bijdragen aan belangrijke producties zonder dat betrokkene daar een grote uitstraling bekomt”; Overwegende dat de raad van bestuur blijkbaar de verschrijving niet heeft opgemerkt, en bijgevolg de blanco geworden motivering van criterium G eigener beweging opnieuw heeft aangevuld met de woorden “zijn er geen relevante elementen”; dat dit door de raad van bestuur in de uiteindelijke beslissing aangenomen motief strijdt met de feiten van het dossier; dat verzoeker immers vooreerst wél een reeks tentoonstellingen heeft opgesomd bij criterium G; dat niettemin twee commissieleden de score “0” geven, de ene met de aanvullende motivering “nihil” en de andere zonder specifieke aanvullende motivering; dat daarenboven de aldaar opgesomde tentoonstellingen plaats hadden in, onder meer, Amsterdam, Madrid, Lissabon en Galway; dat dienvolgens ook de oorspronkelijke handgeschreven motivering “zonder al te grote uitstraling” niet zonder meer begrepen wordt; dat verzoeker wat te lezen is over dit criterium in de stukken van het dossier terecht verwijt “niet gedragen [te zijn] door een voldoende duidelijke motivering”; Overwegende, terugkerende naar het criterium F “relevante bijdragen aan belangrijke producties”, dat de uiteindelijke motivering wegens de gesignaleerde verschrijving uiteraard niet kan stroken met de feiten van het aanvraagdossier; dat zelfs kijkend naar de oorspronkelijke handgeschreven motivering, de Raad van State zich met verzoeker afvraagt hoe men de door verzoeker opgesomde items, onder meer voor het belangrijkste tijdschrift over monumenten- en landschapszorg in Vlaanderen, “waar verzoeker zowat als huisfotograaf fungeert, XII-5111-9/14 [met] een oplage van 5000 exemplaren en 2848 abonnementen”, ziet als “relevante bijdragen aan belangrijke productie” maar toch oordeelt dat verzoeker daar geen grote uitstraling uit haalt; dat verzoeker daarenboven in dat verband wijst op het feit als fotograaf in de toegepaste kunsten werkzaam te zijn, wat onder meer meebrengt dat hij vooral bekendheid bij specialisten geniet; dat uit het dossier niet genoegzaam blijkt dat de leden van de commissie rekening hebben gehouden met de beoefende kunstvorm; dat verzoeker zich overigens ook voor de andere criteria mag afvragen of de commissieleden, of minstens sommige onder hen, bij de toepassing van de in het decreet vastgelegde criteria voldoende oog hadden voor de eigenheid van de toegepaste fotografie als kunstdiscipline; dat één commissielid op zijn of haar fiche schrijft “geen ‘artistieke’ faam” om dan voor alle criteria een “0” toe te kennen, wat, zonder nadere verduidelijking, wel de indruk moet wekken dat naar het oordeel van dit lid wie fotograaf is voor restaurateurs en conservatie, geen kunst bedrijft; dat dergelijk besluit niet strookt met de erkenning van verzoekers vakspecialiteit als een artistiekgebonden onderwijsactiviteit; dat eenzelfde bedenking rijst als men, zonder meer, wél “talrijke realisaties” erkent, “talrijke manifestaties” of “relevante bijdragen”, maar de rol van verzoeker daarin als secundair bestempelt; dat verwerende partij niet ontkracht dat zulks voortvloeit uit de aard van de toegepaste fotografie, wat naar de woorden van verzoeker een ondergeschikte rol en teamwerk veronderstelt; Overwegende dat de Raad van State niet bevoegd is om de beoordeling van verzoekers artistieke faam aan de hand van zijn dossier over te doen, maar enkel om de beoordeling van de verwerende partij te vernietigen indien is aangetoond dat zij niet wettig tot stand is gekomen; dat het daarom volstaat vast te stellen in de concrete omstandigheden van deze zaak dat verzoeker, bij een nieuwe beoordeling van zijn aanvraag, aan één hogere quotering voor een van de zeven criteria genoeg heeft, opdat zijn eindscore 40 zou worden, wat dan weer het vereiste minimum is om de ruime artistieke faam erkend te weten; dat verzoeker bijgevolg reeds een nieuwe kans heeft op de beoogde erkenning, indien de ernst van de toegekende beoordeling voor een van de zeven criteria zou wankelen; dat wat voorafgaat aantoont dat verzoeker er reeds in slaagt de Raad hiervan te overtuigen voor minstens drie criteria; dat een nader onderzoek van verzoekers grieven bij de overige criteria dienvolgens achterwege kan blijven; dat het middel, minstens in de besproken mate, gegrond is”. 5. Uit de aangehaalde overwegingen van het arrest van 30 juni 2005 blijkt dat de eerdere beoordeling door de commissie voor ten minste drie van de zeven criteria niet deugdelijk was. Nadien heeft de raad van bestuur de beoordelingscommissie gevraagd om hetzelfde dossier opnieuw te toetsen aan de zeven criteria. Partijen betwisten niet dat de nieuwe commissie grotendeels samengesteld is uit dezelfde leden als bij de vorige beoordeling. XII-5111-10/14 Uit het administratief dossier moet op het eerste gezicht worden opgemaakt dat die commissie ook op identiek dezelfde wijze is te werk gegaan als de vorige keer: elk commissielid heeft, wat hem of haar betreft, anoniem een fiche ingevuld door per criterium een puntenscore toe te kennen van 0, 5, 10 of 20 en die score summier toe te lichten. Die punten zijn dan overgebracht op de tabel en bewerkt zoals hiervoor sub 1.6. is beschreven. Die quasi identiek samengestelde commissie komt er zo doende toe aan het zelfde aanvraagdossier thans na afronding 25 punten toe te kennen, waar zij voorheen van mening was dat het na afronding 35 punten waard was. Wanneer het bestuur zijn eerdere beslissing herneemt, waarvan evenwel was komen vast te staan dat ze niet deugdelijk was gemotiveerd, dan mag verzoeker terecht verwachten, zo lijkt, dat uit de nieuwe beslissing blijkt dat met de dragende overwegingen van het arrest rekening is gehouden. Na een nietigverklaring op grond van motiveringsgebreken lijkt van het bestuur zelfs gevraagd te mogen worden dat het de motieven die het resultaat van zijn bevestigende beslissing onderbouwen, heel accuraat uiteenzet. Daarvoor lijkt te dezen een louter mathematische optelling en verwerking van de individuele scores zonder collegiale beraadslaging van de commissie onvoldoende te zijn. Elk commissielid heeft wel bij de individueel gegeven score een persoonlijke appreciatie onder woorden gebracht, die evenwel niet aan de hele commissie -en dus naderhand aan de raad van bestuur- lijkt toegeschreven te kunnen worden. Verzoeker betoogt dat de individuele fiches -en dus die afzonderlijke motiveringen- zelfs niet aan hem zijn meegedeeld, ook niet nadat hij daar had naar gevraagd. De Raad stelt vast dat, vergeleken met de reeds in het arrest nr. 147.121 opgesomde, concrete, specifieke bezwaren van verzoeker, de leden van de commissie zich hoe dan ook vaak hebben beperkt tot algemeenheden als “Ik vind dat de eigen publicaties inhoudelijk niet voldoende materiaal en diepgang bieden om ‘vermaardheid’ aan te tonen” of “Er zijn een aantal expo’s, maar naar mijn oprechte mening heeft hij daar geen grote uitstraling uit gehaald”. Uit het administratief dossier kan niet worden achterhaald of de leden van deze commissie ooit onderling de toegekende scores hebben besproken en gerelateerd aan de XII-5111-11/14 overwegingen van het vorige annulatie-arrest. Als het al is gebeurd, kan uit het dossier niet worden opgemaakt op welke gronden zij de grieven van verzoeker menen te moeten weerleggen. Van de beoordelingscommissie mag ook enige consistentie worden verwacht. Het bestuur moet aanvullen of verduidelijken wat eerder ondeugdelijk werd bevonden of wat eerder ontbrak. Het ligt evenwel niet voor de hand dat de overheid na een annulatie wegens motiveringsgebreken bij een nieuw onderzoek plots ten nadele van de verzoeker nieuwe motieven mag bedenken die de eerder in aanmerking genomen maar niet betwiste motieven ontkrachten. Indien zij meent bij haar werkzaamheden de eerste keer toch te vrijgevig te zijn geweest, dan lijkt een toelichting van deze plotse ommekeer wel het minste dat zij overeenkomstig de op haar rustende motiveringsplicht ditmaal moest doen. Verzoeker voert op het eerste gezicht terecht aan dat hij het raden heeft naar de verantwoording van deze gewijzigde beoordeling. 6. Het middel is ernstig. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde 7.1. Verzoeker wijst er op dat reeds in het schorsingsarrest nr. 73.471 van 5 mei 1998 het moeilijk te herstellen ernstig nadeel werd aanvaard. Hij merkt voorts op zich thans reeds voor de derde achtereenvolgende maal tot de Raad te moeten wenden om een behoorlijke beslissing te verkrijgen. 7.2. Verwerende partij zet uiteen waarom er volgens haar geen sprake is van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, maar repliceert niet op dit door verzoeker aangevoerde element. 8. Verzoeker heeft zich inderdaad reeds eerder tot de Raad van State moeten wenden. Uit de vorige procedures is gebleken dat verwerende partij niet op goede gronden heeft geweigerd hem de ruime artistieke faam toe te kennen. Opnieuw XII-5111-12/14 worden motiveringsgebreken aangevoerd en, in de huidige stand van de procedure, aangenomen. In die omstandigheden moet worden aangenomen dat een verzoeker, die genoodzaakt wordt om zich andermaal in rechte te weren om een correcte uitvoering te verkrijgen van het eerdere vernietigingsarrest, een ernstig moreel nadeel leidt dat niet door een vernietigingsarrest kan worden hersteld. 9. Aan de beide schorsingsvoorwaarden is voldaan. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de raad van bestuur van de Hogeschool Antwerpen van 19 maart 2007 waarbij aan Oswald Pauwels geen artistieke faam wordt toegekend. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht november 2007, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, XII-5111-13/14 F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5111-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.555 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.074 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.