← België

Arrest 176668 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 12/11/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.668 Rolnummer: A. 66313/IX-1279 Zaak: Arrest 176668 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 12/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-22 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:03 Fiche Arrest nr 176.668 van 12 november 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.668 van 12 november 2007 in de zaak A. 66.313/IX-

  1. In zake : Liliane BAMMENS, wonende te ZOLDER, Elfde Julilaan 11 tegen : de POST. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Liliane BAMMENS op 9 november 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de Post, haar meegedeeld bij lijst nr. 3.2.1.1./39 van 19 juni 1995, waarbij twee vacante betrekkingen van bureauchef bij de Algemene Directie 2 niet werden toegekend hoewel ze door de verzoekster werden gepostuleerd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 7 augustus 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 2 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 november 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; IX-1279-1/9 Gehoord de opmerkingen van juriste L. VANHOOREN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
  2. Bij lijst nr. 3.2.1.1./5 van 29 maart 1995 werden een aantal vacante betrekkingen van bureauchef (rang 25) bekendgemaakt. Daaronder bevonden zich twee betrekkingen op de Algemene Directie 2 en één betrekking op de Algemene Directie
  3. De verzoekster, sectiechef bij de Algemene Directie 3, diende haar kandidatuur in voor onder meer die genoemde betrekkingen. In een nota van 8 juni 1995 aan het directiecomité over de voorstellen tot mutatie en bevordering tot de graden van bureauchef en sectiechef stelt de bestuurder-directeur onder meer dat de twee betrekkingen bij de Algemene Directie 2 moeten worden toegewezen aan Franstalige kandidaten. De heer C. wordt daarvoor voorgesteld. Voor de betrekking bij de Algemene Directie 5 wordt de mutatie van de heer V.U. voorgesteld. Het directiecomité betuigt op 12 juni 1995 zijn instemming met de voorstellen. De mutaties waartoe beslist is, worden bekendgemaakt met lijst 3.2.1.1./38 van 19 juni
  4. Daarop komt o.m. de naam voor van de heer V.U., gemuteerd als sectiechef naar de Algemene Directie. Voor het overige wordt geen melding gemaakt van mutaties naar de Algemene Directie. Eén bureauchef van de Algemene Directie 2, de heer W., wordt gemuteerd naar een andere plaats. De lijst vermeldt dat de personeelsleden die zich benadeeld achten binnen de tien dagen bezwaar kunnen indienen. Met lijst 3.2.1.1./39 van dezelfde datum worden ook de voorstellen voor bevordering bekendgemaakt. Op deze lijst komt de bevordering IX-1279-2/9 voor van de heer C., in de graad van bureauchef bij de Algemene Directie
  5. Ook deze lijst vermeldt dat de personeelsleden die zich benadeeld achten binnen de tien dagen bezwaar kunnen indienen. 1.
  6. Op 26 juni 1995 dient de verzoekster bezwaar in tegen de lijst 3.2.1.1./
  7. Zij protesteert tegen het feit dat hoewel er, mede ingevolge de mutatie van de heer W., drie betrekkingen van bureauchef vacant waren bij de Algemene Directie 2, er slechts één werd begeven, namelijk aan de heer C. Twee betrekkingen blijven vacant zonder dat daarvoor een reden wordt opgegeven. De verzoekster vermeldt tevens dat ofschoon er ook bij de Algemene Directie 3 betrekkingen van bureauchef vacant zijn, deze niet werden aangeboden. Zij meent dat de overheid verplicht is vacante betrekkingen voor bevordering open te stellen en toe te kennen. In een nota van 17 juli 1995 aan het directiecomité over de ingediende bezwaarschriften stelt de bestuurder-directeur dat het toekennen van de betrekkingen bij de Algemene Directie 2 besproken werd in de genoemde nota van 8 juni
  8. Voorts merkt hij op dat, ingevolge de herstructureringen van de centrale diensten voor sommige directies, waaronder de Algemene Directie 3, geen betrekkingen werden aangeboden. Ten slotte herinnert hij eraan dat het directieco- mité op 12 juni 1995 heeft beslist om zo vlug mogelijk een mutatie- en bevorde- ringswerk te starten, zodat de verzoekster op dat ogenblik haar kandidatuur voor de desbetreffende betrekkingen zal kunnen stellen. In een nota van 23 augustus 1995 stelt de bestuurder-directeur, die inmiddels een aantal bezwaarindieners heeft gehoord, voor om o.m. het bezwaar van de verzoekster te verwerpen. Op 24 augustus 1995 stemt het directiecomité hiermee in. Bij lijst 3.2.1.1./61 van 19 september 1995 wordt dan meegedeeld dat de mutaties en benoemingsvoorstellen, bekendgemaakt bij de lijsten 3.2.1.1./38 en 3.2.1.1./39 van 19 juni 1995, op 24 augustus 1995 door het directiecomité zijn goedgekeurd, onder voorbehoud van enkele - voor deze zaak niet relevante - wijzigingen. Deze lijst vermeldt dat er tegen deze beslissingen beroep openstaat bij de Raad van State. Bij nota van 13 september 1995 wordt langs hiërarchische weg aan de verzoekster gemeld dat haar bezwaarschrift op 24 augustus 1995 door het directiecomité is verworpen. Daarbij wordt ook medegedeeld dat de toewijzing van de betrekkingen bij de centrale diensten gebeurde in overeenstemming met de IX-1279-3/9 statutaire bepalingen, inzonderheid de artikelen “53 en 58” van het statuut. Met een nota van 21 september 1995 wordt deze laatste mededeling gecorrigeerd, en wordt gesteld dat een verwijzing naar de artikelen “53 en 68” is bedoeld. Over het voorwerp van het beroep
  9. Volgens het verzoekschrift is het beroep gericht tegen de beslissing van de verwerende partij, haar medegedeeld bij lijst nr. 3.2.1.1./39 van 19 juni 1995, waarbij twee vacante betrekkingen van bureauchef bij de Algemene Directie 2 niet zijn toegekend. De bedoelde beslissing is, na onderzoek van de bezwaren van o.m. de verzoekster, door het directiecomité op 24 augustus 1995 bevestigd. Die beslissing is bekendgemaakt bij lijst nr. 3.2.1.1./61 van 19 september
  10. Het beroep moet dan ook geacht worden tegen die beslissing te zijn gericht. Over de gegrondheid van het beroep 2.
  11. De verzoekster roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van artikel 43, § 2, van het administratief statuut van de postambtenaren. Zij voert aan dat de vacant verklaarde betrekkingen van bureauchef niet werden toegekend hoewel de verzoekster, die aan alle voorwaarden voldeed, ervoor gepostuleerd had. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekster hieraan toe dat uit de tekst van artikel 43, § 2, duidelijk blijkt dat van zodra een vacante betrekking kan worden toegewezen de gegadigden daarvan in kennis moeten worden gesteld, met als gevolg dat hun kandidatuur moet worden besproken en er tot benoeming moet worden overgegaan. 2.
  12. De verwerende partij antwoordt dat het voornoemde arti- kel 43, § 2, alleen stelt dat vacante betrekkingen kunnen worden toegewezen. Nergens staat dat ze moeten worden toegewezen. In het algemeen is de overheid ook niet verplicht te benoemen en kan zij in elke fase van de benoemingsprocedure van een benoeming afzien op voorwaarde dat daartoe een rechtmatige en redelijke grond bestaat die uit het administratief dossier blijkt. 2.
  13. Artikel 43, § 2, van het administratief statuut van de postambtena- ren luidt als volgt: IX-1279-4/9 “Een vacante betrekking, die bij bevordering of verandering van graad kan worden toegewezen, wordt bij genummerde lijst ter kennis gebracht van de gegadigden die voor een benoeming in aanmerking komen. (...)”. Deze bepaling doet niets anders dan de procedure vastleggen die moet worden gevolgd bij het toekennen van betrekkingen. In tegenstelling tot wat de verzoekster voorhoudt, kan hieruit geenszins de verplichting worden afgeleid om vacant verklaarde betrekkingen daadwerkelijk toe te wijzen. Het eerste middel is niet gegrond. 3.
  14. De verzoekster roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van de formele motiveringsplicht. Zij voert aan dat zij geen kennis heeft van de motieven die tot het niet invullen van de vacante betrekkingen hebben geleid, laat staan van de motieven waarom die betrekkingen niet aan haar zijn toegewezen. Zij voert aan dat de artikelen 53 en 58 van het administratief statuut van de postambtenaren niet ter zake doen, zodat de verwijzing ernaar geen deugdelijke motivering kan uitmaken voor de afwijzing van haar bezwaarschrift. 3.
  15. De verwerende partij antwoordt dat de nota van 8 juni 1995 ten behoeve van het directiecomité melding maakte van het feit dat de twee vacante betrekkingen van rang 25 bij de Algemene Directie 2 aan Franstalige personeelsle- den moesten worden toegewezen. De verzoekster werd, naar aanleiding van haar bezwaarschrift tegen het inmiddels door het directiecomité aangenomen voorstel, gehoord door een adviseur. Ter gelegenheid van dit onderhoud werd aan de verzoekster meegedeeld welke de redenen waren om niet alle vacante betrekkingen bij de Algemene Directie 2 toe te kennen. Er werd met name uiteengezet dat ingevolge de taalverhoudingen de twee vacante betrekkingen niet konden worden toegekend aan personeelsleden van de Nederlandse taalrol en dat er voorts slechts één Franstalige kandidaat was die de bevorderingsvoorwaarden vervulde. De verzoekster, die de regels inzake het taalevenwicht behoort te kennen, formuleerde tegen deze mededeling geen bezwaar en bracht geen nieuwe elementen aan. Derhalve werd voorgesteld om haar bezwaarschrift ongegrond te beschouwen en te verwerpen. In de notulen van het directiecomité van 24 augustus 1995 werd vervolgens nogmaals uitdrukkelijk verwezen naar de nota van 8 juni
  16. Tenslotte werd de verzoekster ook bij het schrijven van 13 september 1995 in kennis gesteld van de beslissing van het directiecomité alsmede van de motieven van die beslissing, namelijk de toepassing van de artikelen 53 en 68 van het administratief statuut. Deze IX-1279-5/9 artikelen zijn, aldus de verwerende partij, wel degelijk relevant omdat precies in deze artikelen van het statuut is voorgeschreven dat de beslissing om af te wijken van de statutair voorziene basisprincipes inzake bevorderingen en mutaties door het directiecomité dient te worden gemotiveerd. In het geval van de verzoekster is er sprake van zo’n afwijking, nu zij voldeed aan de statutair bepaalde voorwaarden om door bevordering over te gaan naar een hogere graad. De reden waarom de verzoekster desondanks niet in aanmerking kwam voor de vacante betrekkingen, met name het respecteren van het taalevenwicht, is haar in detail uiteengezet tijdens het onderhoud naar aanleiding van het indienen van haar bezwaarschrift. De verwerende partij besluit dan ook dat de uiteindelijk door het directiecomité genomen beslissing uitdrukkelijk en afdoende gemotiveerd is, in de zin van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De verwerende partij merkt ten slotte op dat, zelfs al zou de verzoekster terecht beweren dat de beslissing van het directiecomité niet formeel gemotiveerd is, het dan nog zo is dat aan de verzoekster in de loop van de procedure de nodige uitleg werd verstrekt aangaande de motieven van de uiteindelijk genomen beslissing. In die omstandigheden kan de verzoekster zich niet nuttig op de schending van de formele motiveringsplicht beroepen. 3.
  17. In haar memorie van wederantwoord repliceert de verzoekster dat de motiveringsplicht niet kan worden beperkt “tot het louter verwijzen naar statutaire artikelen die dan nog de plicht tot motivering voorschrijven”. De achterliggende redenen moeten duidelijk en ondubbelzinnig worden meegedeeld; de toepassing van de artikelen moet worden ingevuld. De verzoekster stelt voorts dat aan de motiveringsplicht niet wordt voldaan door een mondelinge mededeling. In haar laatste memorie ontkent de verzoekster dat, in tegenstel- ling tot wat in het auditoraatsverslag wordt gesteld, haar middel beperkt kan worden tot de schending van de formele motiveringsplicht. In het middel houdt de verzoekster immers voor dat geen deugdelijke, d.i. objectief aanvaardbare, motieven konden worden ingeroepen om de bestreden beslissing te gronden. De verzoekster houdt staande dat een rechtmatige grond voorhanden moet zijn om de vacante betrek-kingen niet toe te wijzen, en dat dit te dezen niet het geval is, of dat dit althans niet op aanvaardbare wijze aangetoond is door de verwerende partij. IX-1279-6/9 3.
  18. In zoverre de verzoekster aan de bestreden beslissing verwijt dat deze geen formele motivering bevat voor het niet toekennen aan haar van een van de vacante betrekkingen van bureauchef bij de Algemene Directie 2, moet vastgesteld worden dat de beslissing tot niet-toewijzing van die betrekkingen niet het voorwerp uitmaakt van een uitdrukkelijke beslissing. Die beslissing blijkt integendeel uit het feit dat op de lijsten 3.2.1.1./38 en 3.2.1.1./39, die de mutaties en bevorderingen bevatten welke het directiecomité op 24 augustus 1995 heeft goedgekeurd, niet alle vacante betrekkingen bij de Algemene Directie 2 worden bezet. De beslissing om de twee vacante betrekkingen van bureauchef bij de Algemene Directie 2 niet toe te kennen is derhalve een impliciete beslissing. Op een dergelijke beslissing is het vereiste van de formele motivering, vervat in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, niet van toepassing. In zoverre het middel zo begrepen zou moeten worden, zoals de verzoekster in haar laatste memorie uiteenzet, dat aan de bestreden beslissing tevens verweten wordt dat aan de beslissing om geen van de vacante betrekkingen van bureauchef bij de Algemene Directie 2 aan de verzoekster toe te wijzen, geen deugdelijke motieven ten grondslag liggen, dient vastgesteld te worden dat uit de nota van 8 juni 1995 aan het directiecomité blijkt dat het directiecomité ervan uitgegaan is dat de twee betrekkingen in die directie aan Franstalige personeelsleden moesten worden toegewezen. In de nota van 17 juli 1995 aan het directiecomité wordt, specifiek in verband met het bezwaar van de verzoekster over het niet toekennen van de betrekkingen bij de Algemene Directie 2, verwezen naar die nota van 8 juni
  19. Uit het dossier blijkt aldus dat taalredenen het motief vormen waarom aan de verzoekster geen van de vacante betrekkingen is toegewezen. Dat motief wordt op zich overigens niet door de verzoekster bestreden. Het middel kan niet worden aangenomen. 4.
  20. De verzoekster roept een derde middel in, afgeleid uit de schending van het gelijkheidsbeginsel. Zij voert aan dat in afwijking van artikel 52, § 2, van het administratief statuut van de postambtenaren, de sectiechefs “ter plaatse” werden bevorderd, terwijl de verzoekster, die zich in soortgelijke omstandigheden bevond, niet werd bevorderd. IX-1279-7/9 4.
  21. De verwerende partij antwoordt dat de betrokken bevorderingen plaatsvonden met toepassing van artikel 53 van het administratief statuut, waarin wordt bepaald dat kan worden afgeweken van de statutaire rangschikking zoals bepaald in artikel 52, §
  22. Het ging dus niet om bevorderingen “ter plaatse”, maar om bevorderingen tot een leidinggevende functie, waarbij kan worden afgeweken van de statutaire rangschikking mits gemotiveerde beslissing. De verwerende partij merkt voorts op dat, in zoverre de verzoekster aanvoert dat ze werd benadeeld door het niet openstellen van de vacante betrekkingen van bureauchef op de Algemene Directie 3, uit de notulen van de vergadering van het directiecomité van 24 augustus 1995 blijkt dat de beslissing om voor sommige centrale diensten, waaronder de Algemene Directie 3, geen vacante betrekkingen aan te bieden het gevolg is van de herstructurering van de centrale diensten. Wanneer op voorhand vaststaat dat geen van de vacante betrekkingen zal kunnen worden toegewezen, is men niet verplicht om deze betrekkingen bij genummerde lijst ter kennis te brengen van de gegadigden. Gelet op artikel 43, § 2, van het statuut (“een vacante betrekking die bij bevordering of verandering van graad kan worden toegewezen”), geldt die verplichting immers alleen in de gevallen waarin de vacante betrekkingen wel kunnen worden toegewezen. Het niet bekendmaken van die vacante betrekkingen maakt geen schending uit van het gelijkheidsbeginsel omdat geen enkel personeelslid dat zich in dezelfde omstandigheden bevond als de verzoekster in de mogelijkheid was om zich kandidaat te stellen voor de vacante betrekkingen van bureauchef bij de Algemene Directie
  23. 4.
  24. In zoverre in het middel wordt aangevoerd dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden doordat de verzoekster niet, zoals andere sectiechefs, “ter plaatse” is bevorderd, moet vastgesteld worden dat niet nader gepreciseerd wordt om welke sectiechefs het gaat, noch om welke reden de verzoekster zich, als kandidate voor een bevordering in een andere directie, in een vergelijkbare situatie bevindt als de personen die “ter plaatse” zijn bevorderd. Het middel stelt de Raad van State aldus niet in de gelegenheid om zich over de gegrondheid ervan uit te spreken. In zoverre is het middel onontvankelijk. In zoverre het middel zo begrepen zou moeten worden, zoals de verwerende partij het doet, dat daarin ook wordt aangevoerd dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden doordat de vacante betrekkingen van bureauchef IX-1279-8/9 in de Algemene Directie 3, waartoe de verzoekster behoort, niet zijn opengesteld, terwijl dit voor andere centrale directies wel het geval geweest is, moet vastgesteld worden dat het niet-openstellen van de vacante betrekkingen van bureauchef bij de Algemene Directie 3 noch uitdrukkelijk, noch impliciet, het voorwerp uitmaakt van de bestreden beslissing. Het feit dat de verzoekster in haar bezwaarschrift van 26 juni 1995 aangevoerd heeft dat zij door het niet-openstellen van die betrekkingen benadeeld werd, en dat het directiecomité dat bezwaar op 24 augustus 1995 ook onderzocht en beantwoord heeft, doet aan die vaststelling geen afbreuk. In zoverre is het middel, dat vreemd is aan de bestreden beslissing, eveneens onontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  25. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  26. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 12 november 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1279-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.668 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.