id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.669 Rolnummer: A. 63794/IX-1264 Zaak: Arrest 176669 - Varia (fiscaliteit) - 12/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-23 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 04:03 Fiche Arrest nr 176.669 van 12 november 2007 Fiscaliteit - Varia (fiscaliteit) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.669 van 12 november 2007 in de zaak A. 63.794/IX-
- In zake : Karel BOUTE, wonende te TERVUREN-DUISBURG, Roelandsheide 50 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : 1/ de minister van Financiën, 2/ de Gewestelijke Directeur der belastingen te Leuven. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Karel BOUTE op 23 mei 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de Gewestelijke Directeur der belastingen, directie invordering Leuven, van 27 maart 1995 waarbij zijn verzoek tot vrijstelling van nalatigheidsintresten in verband met de aanslag in de personenbelasting voor het aanslagjaar 1976 wordt afgewezen; Gelet op het arrest nr. 55.589 van 4 oktober 1995 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 13 juli 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-1264-1/7 Gelet op de beschikking van 2 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 november 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. DEWANDRE, die verschijnt voor de verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak
- In hoofde van de verzoeker wordt op 29 december 1978, voor het aanslagjaar 1976, de aanslag in de personenbelasting onder kohierartikel 858.001 uitvoerbaar verklaard voor een te betalen bedrag in hoofdsom van 4.174.504 frank. De verzoeker dient op 30 januari 1979 bezwaar in tegen die aanslag. Deze bezwaarprocedure eindigt met een arrest van het Hof van Cassatie van 28 januari 1994, waarbij een voorziening in cassatie van de verzoeker wordt verworpen. In een brief van 28 april 1994 vraagt de verzoeker aan de Gewestelijke Directeur der belastingen, gewestelijke directie Leuven, een vrijstelling van de interesten. Tot staving van zijn verzoek voert de verzoeker, samengevat, het volgende aan: - de procedure heeft 18 jaar geduurd vooraleer er een definitieve uitspraak kwam; - de verzoeker is gepensioneerd en heeft een pensioen van ± 25.000 frank per maand; - zowel de verzoeker als zijn echtgenote zijn in een slechte gezondheidstoe- stand; IX-1264-2/7 - “volgens de huidige wetgeving zouden alleen 18 maanden verwijlintresten aangerekend worden”. In een brief van 27 maart 1995 deelt de gewestelijke directeur aan de verzoeker het volgende mee: “Uit het ingestelde onderzoek blijkt dat de reeds geboekte interesten terecht werden berekend bij toepassing van artikel 305 oud en artikel 414 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB ’92) en voorafgenomen ingevolge artikel 143 van het koninklijk besluit (KB) tot uitvoering van voormeld wetboek. De interesten hadden kunnen beperkt worden mits regelmatige betalingen gedurende het onderzoek ingevolge bezwaar en beroep. Het indienen van bezwaar of beroep heeft niet tot gevolg dat de vervaldag van de aanvankelijke aanslag, voor wat het uiteindelijk verschuldigd gedeelte betreft, wordt opgeschoven. Het indienen van een bezwaarschrift schorst de loop van de nalatigheidsinte- resten slechts, behoudens voor dat gedeelte van de aanslag dat als zeker en vaststaand wordt beschouwd, indien er geen beslissing werd getroffen binnen de achttien maanden na het indienen van het bezwaarschrift (artikel 414 § 2 WIB ’92). Voormeld artikel is slechts van toepassing vanaf de datum van publicatie van de wet in het Belgisch Staatsblad (20/08/1986), zodat in uw geval hiervan geen toepassing kan worden gemaakt (beslissing getroffen d.d. 14/10/1981). Wat betreft de door u ingeroepen traagheid van het gerechtelijk apparaat moet ik u doen opmerken dat het u als aanleggende partij mogelijk was om een rechtsdag te bekomen en om zo de uitspraak te bespoedigen. Terwijl er begrip kan opgebracht worden voor uw gezondheidstoestand, mag het u niet ontgaan dat de uitspraak in cassatie enkel een einde maakt aan het geschil omtrent de zetting van de belasting maar dat dit in beginsel geen invloed heeft op de invordering van de resterende definitieve schuld met inbegrip van het toebehoren aan interesten en eventuele kosten. Verder blijkt uit het nauwkeurig ingestelde onderzoek, dat na ons onderhoud d.d. 06/02/1995 werd gedaan, dat uw werkelijke en in zijn geheel beschouwde financiële en bezitstoestand (verschillende gebouwde en ongebouwde onroerende goederen) niet in wanverhouding is met de nog verschuldigde sommen in hoofdsom en interesten. Gelet op wat voorafgaat, zijn er geen elementen aanwezig die mij toelaten op basis van artikel 417 WIB ’92 gevolg te geven aan uw verzoek en zie mij derhalve verplicht dit af te wijzen.” De verzoeker voldoet de volledige aanslag (hoofdsom en interesten) met betalingen op 29 maart 1995 en 12 mei
- Over het enig middel 2.
- De verzoeker roept een enig middel in, afgeleid uit de schending van artikel 414, § 2, WIB ’
- Volgens de verzoeker is de beslissing van de gewestelijke directeur slechts genomen en meegedeeld in 1994 (sic), alhoewel de IX-1264-3/7 aanslag en het bezwaar van de verzoeker dateren van
- Derhalve is de termijn van 18 maanden, bedoeld in de genoemde wetsbepaling, ruimschoots overschreden, en diende de gewestelijke directeur aan de verzoeker vrijstelling te verlenen van de intresten gedurende de periode die begint op de eerste dag van de negentiende maand na het indienen van zijn bezwaar en die eindigt op 31 maart
- Weliswaar overweegt de gewestelijke directeur dat artikel 414, § 2, WIB ’92 slechts van toepassing is vanaf 20 augustus 1986, maar naar analogie met het strafrechtelijk beginsel van de retroactiviteit van de mildere strafwet diende de gewestelijke directeur toepassing te maken van het op het ogenblik van zijn beslissing meest gunstige regime voor de belastingplichtige. 2.
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat de Raad van State niet bevoegd is om kennis te nemen van het middel. Volgens de verwerende partij laat artikel 414, § 2, WIB ’92 haar geen discretionaire bevoegd- heid, en heeft de rechtsonderhorige op grond van die bepaling een subjectief recht op het niet verschuldigd zijn van nalatigheidsintresten. De Raad van State is krachtens de artikelen 144 en 145 van de Grondwet niet bevoegd om kennis te nemen van een middel gestoeld op de miskenning van het subjectief recht dat de verzoeker meent te kunnen putten uit artikel 414, §2, WIB ’
- 2.
- In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat het gaat om een politiek recht, en dat de Raad van State op grond van artikel 145 van de Grondwet bevoegd is om kennis te nemen van geschillen over politieke rechten. In zijn laatste memorie wijst de verzoeker erop dat aan de bestreden beslissing een bijlage was gehecht, houdende “informatie in verband met de eventuele beroepsmogelijkheden tegen deze beslissing”, waarin uitdrukkelijk werd erkend dat tegen die beslissing beroep kon worden ingesteld bij de Raad van State. De verwerende partij kan bijgevolg bezwaarlijk volhouden dat de Raad van State niet bevoegd zou zijn. 2.4.
- Te dezen vordert de verzoeker de vernietiging van de beslissing van de gewestelijke directeur van 27 maart 1995 waarbij zijn verzoek tot vrijstelling van nalatigheidsintresten wordt verworpen. Artikel 417 WIB ’92 bepaalt dat de directeur der belastingen “in bijzondere gevallen” onder door hem bepaalde voorwaarden, vrijstelling “mag” verlenen voor al de nalatigheidsintresten of voor IX-1264-4/7 een deel ervan. Aangezien de bijzondere gevallen waarvan sprake niet wettelijk zijn vastgelegd, beschikt de gewestelijke directeur over een ruime discretionaire bevoegdheid bij het al dan niet verlenen van dergelijke vrijstellingen. De Raad van State is dan ook bevoegd om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring van een beslissing waarbij de gevraagde vrijstelling geweigerd wordt. 2.4.
- In het enige middel voert de verzoeker evenwel aan dat de gewestelijke directeur hem overeenkomstig artikel 414, § 2 WIB ’92 vrijstelling “diende” te verlenen van de interesten gedurende de periode die begint op de eerste dag van de negentiende maand na het indienen van zijn bezwaar in 1976 en die eindigt op 31 maart
- Artikel 414 WIB ’92 luidt als volgt: “§
- Bij wanbetaling binnen de in de artikelen 412 en 413 gestelde termijnen, brengen de verschuldigde sommen ten bate van de Schatkist, voor de duur van het verwijl, een interest op die is vastgesteld op 0.8 pct. per kalendermaand. De Koning kan, wanneer zulks ingevolge de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is, dit tarief aanpassen. Die interest wordt voor elke aanslag berekend op de nog verschuldigde som, afgerond op het lagere duizendtal; de vervalmaand wordt niet medegerekend, doch de maand waarin de betaling geschiedt wordt voor een volle maand geteld. Wanneer de bedrijfsvoorheffing evenwel niet binnen de gestelde termijn wordt betaald, is daarenboven voor de vervalmaand een interest verschuldigd: - voor een halve maand in de gevallen vermeld in artikel 412, tweede, derde en vijfde lid; - voor een zesde van een maand in het geval vermeld in artikel 412, vierde lid. De nalatigheidsinterest is niet verschuldigd wanneer hij geen 200 frank per maand bedraagt. §
- Geschiedt de kennisgeving van de in artikel 375 bedoelde beslissing niet binnen achttien maanden na de indiening van het bezwaarschrift, dan is de in §1 bedoelde nalatigheidsinterest niet verschuldigd voor het gedeelte van de aanslag dat hoger is dan het overeenkomstig artikel 410 vastgestelde bedrag, gedurende het tijdperk dat begint op de eerste van de maand welke volgt op die waarin die termijn van achttien maanden verstrijkt, en afloopt op het einde van de maand waarin van de beslissing van de directeur kennis wordt gegeven.” Anders dan artikel 417 WIB ’92, kent artikel 414, § 2, WIB ’92 geen discretionaire bevoegdheid toe aan de gewestelijke directeur of aan enige andere overheid om een vrijstelling van nalatigheidsintresten te verlenen. Van het bestuur wordt voor de toepassing van artikel 414, § 2, WIB ’92 geen constitutieve beslissing gevraagd. Indien de vereisten voor de toepassing van die bepaling vervuld zijn, heeft de belastingplichtige integendeel een subjectief recht op de IX-1264-5/7 beperking van de nalatigheidsintresten tot een bepaald bedrag. De Raad van State is, bij gebreke van een bijzondere bevoegdheidstoewijzing, krachtens artikel 145 van de Grondwet niet bevoegd om kennis te nemen van een middel gestoeld op de miskenning van het subjectief politiek recht dat de verzoeker meent te putten uit artikel 414, § 2, WIB ’
- Het middel, dat de Raad van State uitnodigt tot een onderzoek waartoe hij niet bevoegd is, is onontvankelijk. Het feit dat in de kennisgeving van de bestreden beslissing aan de verzoeker meegedeeld is dat tegen die beslissing beroep kan worden ingesteld bij de Raad van State, kan aan die vaststelling geen afbreuk doen. De exceptie is gegrond. Over de kosten 3.
- In zijn laatste memorie vraagt de verzoeker, gelet op de bijlage bij de bestreden beslissing waarin uitdrukkelijk werd erkend dat tegen die beslissing beroep kon worden ingesteld bij de Raad van State, dat de kosten van het beroep in elk geval ten laste van de verwerende partij worden gelegd. 3.
- Zoals hiervóór is uiteengezet, is de Raad van State bevoegd om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring van een beslissing die met toepassing van artikel 417 WIB ’92 is genomen. Bij de kennisgeving van de bestreden beslissing aan de verzoeker is door het bestuur dan ook geen misleidende informatie verstrekt. In die omstandigheden is er geen reden om in te gaan op de vraag van de verzoeker om de verwerende partij te verwijzen in de kosten. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. IX-1264-6/7 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 12 november 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1264-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.669 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.