id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.670 Rolnummer: A. 63713/IX-556 Zaak: Arrest 176670 - Varia (fiscaliteit) - 12/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-22 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 04:03 Fiche Arrest nr 176.670 van 12 november 2007 Fiscaliteit - Varia (fiscaliteit) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.670 van 12 november 2007 in de zaak A. 63.713/IX-
- In zake : Guillaume VERMUYTEN, wonende te WILRIJK, Goudenregenlaan
- tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Guillaume VERMUYTEN op 10 mei 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 18 oktober 1993, in zoverre dit de benoeming inhoudt van de heer Willy VANHOUTTE tot gewestelijk directeur der directe belastingen te Leuven; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 23 oktober 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 6 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 oktober 2007, datum waarop de zaak wordt uitgesteld tot de openbare terechtzitting van 5 november 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; IX-556-1/7 Gehoord de opmerkingen van de verzoeker, en van de inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak
- De verzoeker was adjunct-directeur der directe belastingen (sector invorderingen) te Antwerpen I.
- Bij dienstorder nr. 11/1993 van 28 juni 1993 worden betrekkingen van gewestelijk directeur (sector invorderingen) in competitie gesteld. Op 14 juli 1993 stelt de verzoeker zich kandidaat voor de betrekkingen (in orde van voorkeur) te Antwerpen, Leuven en Gent. Op 30 juli 1993 onderzoekt de directieraad de kandidaten en beslist hij de heer VANHOUTTE voor de betrekking te Leuven voor te stellen. De directieraad oordeelt dat de benoeming van de verzoeker zou indruisen tegen het belang van de dienst, gezien de korte duur van de diensttermijn die hem nog rest vóór zijn opruststelling. Tegen het voorstel van de directieraad dient de verzoeker op 5 augustus 1993 bezwaar in. Op de vergadering van 24 augustus 1993 besluit de directieraad het bezwaarschrift van de verzoeker zonder gevolg te klasseren, en met andere woorden zijn oorspronkelijk voorstel te handhaven. IX-556-2/7 Bij koninklijk besluit van 18 oktober 1993 wordt de heer VANHOUTTE met ingang van 1 september 1993 benoemd tot gewestelijk directeur der directe belastingen te Leuven. Dit besluit, dat het voorwerp vormt van het voorliggende beroep, is in het Belgisch Staatsblad van 15 maart 1995 bekendgemaakt.
- Ondertussen is bij koninklijk besluit van 17 september 1993 aan de verzoeker eervol ontslag uit zijn ambt verleend, met ingang van 1 februari 1994, wegens het bereiken van de leeftijdsgrens. Over de ontvankelijkheid van het beroep 4.
- De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang in hoofde van de verzoeker bij de door hem gevorderde vernietiging. Zij laat gelden dat de verzoeker op het ogenblik dat hij zijn verzoekschrift indiende niet meer voldeed aan de benoemingsvoorwaarden, ingevolge zijn pensionering met ingang van 1 februari
- De verwerende partij meent voorts dat de verzoeker geen voldoende belang kan vinden in het laten vaststellen van de onwettigheid van de bestreden benoeming door de Raad van State, met het oog op het eventuele verkrijgen van een schadevergoeding, omdat hij dit resultaat ook rechtstreeks voor de gewone rechter kan vorderen. Tenslotte stelt de verwerende partij dat een louter moreel belang niet volstaat bij het bestrijden van een benoeming, en dat de verzoeker niet aantoont dat het voorbijgaan aan zijn aanspraken voor hem een vernederende of soortgelijke uitwerking had. 4.
- De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat zijn pensionering hem zijn belang slechts zou doen verliezen indien hij zijn rechten op bevordering niet zou hebben laten gelden, wat hij wel heeft gedaan aangezien hij gekandideerd heeft. Indien hij pas na zijn pensionering beroep heeft ingesteld dan is dit het gevolg van de verwerende partij die zo lang heeft gewacht met het bekendmaken van de benoemingen. Indien dit tijdig was gebeurd, had de verzoeker nog zeker aan de benoemingsvoorwaarden voldaan bij het instellen van het beroep. Voorts stelt hij dat het onomstootbaar vaststaat dat hij door de bestreden beslissing een reële materiële schade lijdt, namelijk het derven van een hogere wedde en pensioen, en bovendien een morele schade waarvan de omvang door de verwerende IX-556-3/7 partij niet beoordeeld kan worden. Hij voelt zich vernederd, beledigd, gefrustreerd en opstandig omdat hij, die volgens verdienste, anciënniteit en ervaring beter gerangschikt was dan de benoemde, door de overheid als minderwaardig werd beschouwd. Hij meent dat de wetgever zelf gewild heeft dat het begrip “belang” met de grootste soepelheid zou worden gehanteerd en gewenst heeft dat de Raad van State van een zeer ruime interpretatie van dat begrip zou uitgaan. Zowel het materiële als het morele belang waarop de verzoeker zich beroept kan gediend worden door een met gezag van gewijsde gedane vaststelling van een miskenning van zijn aanspraken. De verwerende partij zal daarenboven bij een eventuele vernietiging normalerwijs en billijkheidshalve verplicht zijn om het uit die vernietiging blijkende begane onrecht tegenover de verzoeker op de ene of de andere wijze goed te maken. Bovendien is het aan de verwerende partij op zich niet verboden na vernietiging van de bestreden benoeming, met inachtneming van de motieven van het vernietigingsarrest, met terugwerkende kracht een nieuwe beslissing te nemen die in het voordeel van de verzoeker zou kunnen uitvallen. 4.
- In zijn laatste memorie herhaalt de verzoeker dat de verwerende partij, gewild of ongewild, aan de basis ligt van het feit dat hij bij het indienen van zijn verzoekschrift niet langer voldeed aan de benoemingsvoorwaarden. Hij meent wel nog steeds over een blijvend, actueel belang te beschikken. De bestreden handeling heeft de verzoeker op een blijvende wijze getroffen doordat hij zowel op materieel als op moreel gebied blijvend wordt benadeeld. Hij stelt dat, zo het juist is dat hij niet meer daadwerkelijk benoemd kan worden als gewestelijk directeur, de mogelijkheid van een weddeherziening of een nieuwe pensioenregeling wel blijft bestaan. De verzoeker betwist voorts niet dat de door hem aangevochten benoeming een benoeming naar keuze is. Wel betwist hij de wijze waarop de keuze is gebeurd. Zo meent hij dat er geen sprake is van een met redenen omkleed advies noch van enige vergelijking van verdiensten, waarde en geschiktheid. De verzoeker vraagt zich dan ook af of er nog sprake kan zijn van een vrije keuze die in ieder opzicht redelijk moet zijn, en niet willekeurig. De verzoeker betoogt ook dat het hem niet zozeer te doen is om met behulp van een annulatiearrest een schadevergoeding te vorderen; hij is eerder geïnteresseerd in het verkrijgen van rechtsherstel. Hij stelt ter zake dat er een rechtsplicht in hoofde van de verwerende partij bestond om hem te benoemen. Door een vernietigingsarrest zal de overheid verplicht worden om, na de benadeling van de verzoeker en het aan hem gedane onrecht, enigszins tegemoet te komen aan de rechtmatige verzuchtingen van de verzoeker. Nu geen daadwerkelijke benoeming meer mogelijk is, denkt de verzoeker aan een retroactieve reconstructie IX-556-4/7 op papier. Met betrekking tot zijn moreel belang zet hij uiteen dat hij in het bestreden besluit leest dat hij niet in aanmerking komt voor benoeming, in de eerste plaats omdat hij minder bekwaam is, minder kennis en minder verdiensten heeft, en in de tweede plaats omdat hij niet voldoende lang de functie zou kunnen uitoefenen. Hij ziet hierdoor zijn integriteit, reputatie en imago dermate aangetast dat hij gewaagt van een morele noodzaak om de beslissing aan te vechten. Hij kan zich niet akkoord verklaren met de auditeur wanneer deze wijst op het verlies van inkomen en terugval in de carrière van de benoemde kandidaat bij een gebeurlijke vernietiging van het benoemingsbesluit, maar daarbij voorbijgaat aan het verlies van wedde en pensioen in hoofde van de verzoeker alsook aan het feit dat deze de bekroning van zijn carrière mist. De verzoeker besluit dat hij nog steeds over een actueel belang beschikt en vraagt dan ook zijn verzoekschrift ontvankelijk te verklaren. 5.
- Het vereiste van een actueel belang impliceert dat het belang van de verzoeker niet alleen moet bestaan op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift, maar ook nog moet blijven bestaan tot aan de uitspraak over zijn beroep. 5.
- Te dezen is de bestreden benoeming een benoeming in een graad van rang
- Benoemingen in de graden van de rangen 12 tot 16 bij het Ministerie van Financiën worden verleend na een met redenen omkleed advies van de directieraad of van het college van dienstchefs. Een door die raad of dit college opgemaakte rangschikking van de kandidaten moet gesteund zijn op een vergelijking van verdiensten, waarde en geschiktheid. Bijgevolg had de verwerende partij niet de absolute rechtsplicht om de verzoeker te benoemen, maar ging het integendeel om een benoeming naar keuze. De overheid heeft dan ook niet de rechtsplicht om, in geval van vernietiging van het bestreden besluit, de verzoeker met terugwerkende kracht tot gewestelijk directeur te Leuven te benoemen en zijn loopbaan aldus te reconstrueren. Een vernietigingsarrest kan derhalve niet meer bijdragen tot het rechtsherstel dat een verzoeker normaal met zijn beroep tegen een benoemings- of bevorderingsbesluit ambieert, met name zelf benoemd of bevorderd te worden in de betrokken functie en die functie daadwerkelijk te bekleden. De verzoeker geeft dan ook geen blijk van een materieel belang bij zijn beroep. IX-556-5/7 5.
- De vraag rijst welk persoonlijk voordeel de verzoeker nog uit een vernietigingsarrest kan halen en of dat voordeel volstaat om zijn belang te verantwoorden. De verzoeker wijst in dit verband vooreerst op zijn beter uitgangspunt met het oog op een vordering tot schadevergoeding voor de gewone rechter indien de Raad van State de onwettigheid van de benoeming vaststelt. Wanneer het belang evenwel enkel erin bestaat de bestreden beslissing bij een arrest van de Raad van State onwettig te horen verklaren, om op grond van deze met gezag van gewijsde beklede uitspraak een vordering tot schadevergoeding voor de gewone rechter kracht bij te zetten, gaat het om een voordeel dat niet verbonden is met het doen verdwijnen van het bestreden besluit uit het rechtsverkeer, maar enkel met het gegrond horen verklaren van één of meer middelen. Een dergelijk belang is een onrechtstreeks belang, dat niet volstaat voor de ontvankelijkheid van het beroep. Voorts beroept de verzoeker zich op een moreel belang. Hij ziet zijn niet-benoeming als vernederend en beledigend en hij voelt zich opstandig en gefrustreerd. Zijn integriteit, reputatie en imago zijn volgens hem dermate aangetast dat hij het als een morele noodzaak ziet om de beslissing aan te vechten. Iemand die kandideert voor een betrekking waarvoor de benoeming naar keuze van de overheid geschiedt, aanvaardt evenwel uit vrije wil het risico dat de overheid een andere kandidaat meer geschikt acht. Wanneer de verzoeker minder geschikt geacht wordt dan de benoemde kandidaat omdat hij de functie niet meer voldoende lang zou kunnen uitoefenen, houdt dit voor de verzoeker geen afkeuring in. Te dezen is dit zeker niet het geval aangezien de beoordeling die door de directieraad over de verzoeker werd uitgebracht voor het overige gunstig was. Ook het aangevoerde moreel belang kan derhalve niet volstaan om de ontvankelijkheid van het beroep te verantwoorden. 5.
- De verzoeker toont niet aan dat hij over een actueel en rechtstreeks belang beschikt bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing. Om die reden is het beroep niet ontvankelijk. De exceptie is gegrond. IX-556-6/7 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 12 november 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-556-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.670 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.