← België

Arrest 176717 - Huisvesting - 13/11/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.717 Rolnummer: A. 160746/X-12234 Zaak: Arrest 176717 - Huisvesting - 13/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-27 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 04:04 Fiche Arrest nr 176.717 van 13 november 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Huisvesting Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.717 van 13 november 2007 in de zaak A. 160.746/X-12.

  1. In zake : Marie-Christine VAN DE KERCKHOVEN, die woonplaats kiest bij advocaat L. GILLIS, kantoor houdende te 9320 EREMBODEGEM, Ninovesteenweg 118 tegen : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. SOHIER, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Emile de Motlaan
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marie-Christine VAN DE KERCKHOVEN op 11 maart 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 11 januari 2005 van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Bestuur Ruimtelijke Ordening en Huisvesting, Directie Huisvesting waarbij de door de verzoekster ontvangen verwervingspremie van 6.197,33 euro betreffende het onroerend goed gelegen te 1090 Brussel, Longtinstraat 1 dient te worden terugbetaald aan het gewest en dit binnen drie maanden; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. STEVENS; Gelet op de beschikking van 9 november 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; X-12.234-1/7 Gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 5 maart 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 30 maart 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. CHEYNS, die loco advocaat L. GILLIS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat C. KNOCKAERT, die loco advocaat J. SOHIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. STEVENS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  4. De verzoekster doet op 30 mei 1994 een aanvraag voor een premie voor de oprichting of de verwerving van een woning op plan, overeenkomstig het besluit van 11 juli 1991 van de Executieve van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tot instelling van een eenmalige premie voor oprichting of verwerving van een woning op plan, alsook van een verzekering tegen inkomstenverlies. In die aanvraag heeft ze zich als volgt verbonden: “Ondergetekende verbindt er zich toe: a. de te verwerven of op te richten woning volledig te bewonen met zijn familie en er zijn woonplaats te kiezen in de drie maanden die volgen op de opening van de energietellers en dit gedurende ten minste vijf jaar. b. deze woning gedurende dezelfde periode van vijf jaar noch te vervreemden noch geheel of gedeeltelijk in huur te geven”. Aan de verzoekster wordt die verwervingspremie verleend. X-12.234-2/7 1.
  5. Op 14 januari 2000 richt de verwerende partij zich in de volgende bewoordingen tot de verzoekster: “Uit het nazicht van uw dossier voor de verwervingspremie blijkt dat U niet al de aangegane verbintenissen onderschreven bij uw premieaanvraag bent nagekomen, verbintenissen die gedurende vijf jaar beginnend op 11/10/1994, moesten worden nageleefd. Inderdaad, U hebt de woonst, die het voorwerp uitmaakte van de premie verlaten voor het verstrijken van de termijn van 5 jaar. Uit de huidige stand van uw dossier blijkt dat er geen enkele ernstige of uitzonderlijke omstandigheid voorkomt waardoor de Minister een geval van overmacht zou kunnen in aanmerking nemen teneinde het niet naleven van de verbintenissen te aanvaarden en af te zien van de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de premie. Indien U meent dat het niet naleven van de verbintenissen gerechtvaardigd is door een geval van overmacht, vragen wij U dit binnen de 15 dagen schriftelijk mee te delen, vergezeld van de nodige bewijsstukken. Op basis van het artikel 5 van het besluit van de Executieve van 11 juli 1991, spijt het ons U te moeten melden dat U verplicht bent de premie van 250.000 BF terug te betalen. Deze premie dient binnen de 3 maanden te worden teruggestort op rekeningnr 091-2310900-01 van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met de vermelding ‘B24/5081, Titel III, Sect.0, afd 15, art. 11.58.21’. Het bewijs van uw betaling dient ons te worden toegestuurd. Na het verstrijken van die termijn zal uw dossier voor terugvordering worden overgemaakt aan de Administratie van de B.T.W., Registratie en Domeinen”. Dit schrijven wordt op 6 november 2000 gevolgd door een aangetekend schrijven: “Tot onze spijt, moeten we vaststellen dat U ons de kopie van het stortingbewijs van 250.000 fr. niet hebt bezorgd. Uw terugbetaling moest gestort worden op het rekeningnr. 091-2310900-01 van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Koningstraat 2 te 1000 Brussel, met ‘terugbetaling premie 24/5081, naam en voornaam, Titel III - Sect.0 - afd. 15 - Art. 11.58.21’ voor 14 april
  6. Zonder toezending van uw bewijs van terugbetaling binnen de 15 dagen, zal uw dossier overgemaakt worden aan de Administratie van de B.T.W., Registratie en Domeinen, voor terugvordering van de premie, eventueel verhoogd met de verwijlintresten”. 1.
  7. Op 25 november 2000 richt de verzoekster zich als volgt tot de verwerende partij: “Naar aanleiding van uw brief met referentie B24/5081 gedateerd van 6 november en bij ons ontvangen op 22 november, en het telefonisch onderhoud daaropvolgend van mijn man met uw secretaresse, zou ik u vriendelijk willen vragen rekening te houden met het feit dat we momenteel niet in België verblijven en dus geen onmiddellijk gevolg kunnen geven om ‘binnen de 15 dagen’ de premie terug te storten. X-12.234-3/7 Ik kom echter op 13 december naar België en zal dan het nodige doen om zo snel mogelijk gevolg te geven aan uw brief (...)”. Bij schrijven van 22 december 2000 verduidelijkt zij nog: “Uw aangetekend schrijven dd. 08.11.2000 heeft mij - na enige vertraging per 22.11.2000 - bereikt. Graag bekwam ik evenwel afschrift van de wetgeving c.q. ordonnantie en het desbetreffend artikel waarop U zich baseert om terugbetaling te eisen van de premie. Wel dien ik nu reeds te benadrukken dat mijn toenmalige verhuis naar het buitenland genoodzaakt was ingevolge een overplaatsing in 1997 van mijn echtgenoot Christophe BINST binnen de groep Sabena Hotels (= werkgever van Christophe) naar Hotel Camayenne in Conakry. Dit feit - onafhankelijk van onze wil totstandgekomen - was ons uiteraard nog niet bekend ten tijde van de ontvangst der premie in
  8. Mijn echtgenoot en ikzelf hebben immers steeds de bedoeling gehad om in Jette te blijven wonen. Het is trouwens zo dat de bovenste verdieping nog steeds ter onzer beschikking is en al onze huisraad en documenten zich aldaar bevinden. Ik kan u nu reeds melden dat wij in het voorjaar van 2001 (maart, april) het volledige gebouw opnieuw zelf zullen betrekken, ten titel van verblijfplaats telkenmale wij in België verblijven. Het thans verhuurde gelijkvloers en 1ste verdiep komt alsdan immers vrij. Van zodra de gevraagde stukken in mijn bezit zijn, zal ik terzake definitief standpunt innemen, hoewel ik - evenals mijn echtgenoot - van mening ben dat mij in deze niets aan te wrijven valt, dat aanleiding zou moeten geven tot terugbetaling van kwestige premie. Huidig schrijven wordt U gericht onder alle voorbehoud van rechten, excepties en middelen en zonder enige nadelige erkenning. Mag ik u vriendelijk verzoeken de gevraagde documenten niet alleen te versturen naar mijn adres in GUINÉE, doch ook naar mijn moeder Mevrouw Rita MATTHIJS, Edixvelde 169 te 9320 Nieuwerkerken (Aalst), daar het verzenden van poststukken naar GUINÉE soms zeer lang duurt en het ons al is opgevallen dat bepaalde stukken zelfs nooit toekomen. Op deze manier kan ik verifiëren of de documenten die u mij toezendt, wel degelijk arriveren, daar mijn moeder mij in kennis zal stellen van zodra zij uw documenten heeft mogen ontvangen (...)”. 1.
  9. Op 6 februari 2001 richt de verwerende partij zich opnieuw tot de verzoekster: “In antwoord op uw brief van 22 december 2000 hebben wij de eer U een copie van de door U ondertekende verbintenissen te laten geworden, alsook een copie van de wetgeving. Indien u nog steeds meent dat het niet-respect van de verbintenissen gerechtvaardigd wordt door een geval van overmacht dan nodigen wij U uit om ons de volgende inlichtingen te laten geworden: - datum van de in diensttreding van uw echtgenoot in het hotel Sabena en de redenen van zijn overplaatsing naar Conakry - datum van verhuring en het bedrag van de ontvangen huur voor het gelijkvloers en de eerste verdieping”. X-12.234-4/7 Hierop antwoordt de verzoekster bij schrijven van 9 februari 2001: “Naar aanleiding van uw brief van 6 februari 2001, stuur ik u zoals gevraagd een kopie van het arbeidscontract van mijn man alsook een kopie van de brief van zijn werkgever die zijn overplaatsing bevestigt. Zoals vermeld in mijn brief van 22 december 2001, heb ik samen met mijn man België verlaten in september
  10. Het appartement werd dan verhuurd in oktober/november 1997 voor ongeveer 18 maanden en een tweede keer in november 1999 voor een periode van weer 18 maanden. Het ontvangen huurbedrag bedraagt Bef 30.000 per maand. Ondertussen kan ik u ook bevestigen dat ik samen met mijn man en mijn zoontje op 31 maart 2001, Conakry - Guinee zal verlaten om terug te keren naar België. Van zodra het appartement vrij komt, dwz. de maand mei, zullen we opnieuw het appartement betrekken en zal het dus niet langer verhuurd worden maar zullen we er zelf weer gebruik van maken (...)”. 1.
  11. Op 11 januari 2005 neemt de verwerende partij de bestreden beslissing, die als volgt werd geformuleerd: “Om van de verwervingspremie te kunnen genieten, heeft U de verbintenis ondertekend om het goed niet te verhuren voor een ononderbroken periode van 5 jaar, beginnend op 11 oktober
  12. Deze verbintenis werd niet gerespecteerd en op basis van het ingestelde onderzoek, is de Staatssecretaris van oordeel dat in uw geval deze tekortkoming, nl. persoonlijke redenen, niet aanzien werd als een geval van overmacht. Dienovereenkomstig, moet U de totaliteit van de ontvangen premie, hetzij een bedrag van 6.197,33 i terugbetalen aan het Gewest. Deze overschrijving moet uitgevoerd worden binnen de 3 maanden op het rekeningnummer 091-2310957-58 van het Ministerie van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, 1035 Brussel, met de vermelding: ‘B 24/5081, Deel 2, Titel 2, Sect. 3, C 1, div. 15, art. 01.58.20’. Een bewijs van betaling moet aan ons worden overgemaakt. Zo U geen gunstig gevolg geeft aan huidig schrijven, zal uw dossier overgemaakt worden aan de Administratie der B.T.W., der Registratie en der Domeinen om over te gaan tot de terugvordering van de premie, eventueel verhoogd met de wettelijke verwijlintresten. Buiten de hypothese waar het geschil over deze beslissing geanalyseerd kan worden als gaande over een subjectief recht waarvan enkel de gewone hoven en rechtbanken kennis kunnen nemen, staat een beroep open bij de Raad van State binnen zestig dagen na kennisgeving van de beslissing. Het verzoekschrift hiertoe dient bij een ter post aangetekende brief toegezonden te worden aan de Raad van State, Wetenschapsstraat, 33 te 1040 Brussel”;
  13. Rechtsmacht van de Raad van State 2.
  14. Overwegende dat ambtshalve de rechtsmacht van de Raad van State te dezen moet worden onderzocht; X-12.234-5/7 2.
  15. Overwegende dat de bestreden beslissing betrekking heeft op een verwervingspremie als bedoeld in het besluit van 11 juli 1991 van de Executieve van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tot instelling van een eenmalige premie voor oprichting of verwerving van een woning op plan, alsook van een verzekering tegen inkomstenverlies; Overwegende dat artikel 5, eerste lid, derde zin van dat besluit het volgende bepaalt: “De aanvrager moet er zich tevens toe verbinden de woning welke het voorwerp van een premie uitmaakt volledig en effectief te bewonen en er zijn woonplaats kiezen in de drie maanden die volgen op de opening van de energietellers en dit gedurende ten minste vijf jaar”; dat bovendien, volgens artikel 5, tweede lid van dat besluit, de aanvrager de woning gedurende dezelfde termijn niet mag vervreemden noch ze gedeeltelijk in huur mag geven, behalve in geval van overmacht waarvan de beoordeling overgelaten wordt aan de minister; dat de toekenning van de premie dus afhankelijk is gesteld van een verbintenis aangegaan door de premieverwerver; Overwegende dat de verwerende partij van oordeel is dat de verzoekster haar aangegane verbintenis niet is nagekomen en dus de verleende premie moet terugbetalen; dat de verwerende partij haar beslissing heeft gebaseerd op de vermeende niet-nakoming van de verbintenis; Overwegende dat het voorwerp van het beroep dus betrekking heeft op de vraag of de verzoekster al dan niet de aangegane verbintenis is nagekomen en op de vraag of de verwerende partij al dan niet het recht heeft om de terugbetaling van de verleende premie te eisen; Overwegende dat, in strijd met wat de verzoekster in haar laatste memorie doet gelden, overmacht een juridisch begrip is waaraan een welbepaalde, precieze betekenis wordt toegekend en waarbij slechts één interpretatie de juiste kan zijn; dat het de administratieve overheid niet vrij staat identieke feitelijke omstandigheden nu eens wel en een andere keer niet als overmacht aan te merken, ook niet om opportuniteitsredenen van algemeen belang; dat de administratieve overheid terzake dus niet over een discretionaire bevoegdheid beschikt, maar over een gebonden bevoegdheid; dat in casu de beslissingsbevoegdheid inzake overmacht in hoofde van de minister dan ook een gebonden bevoegdheid is; X-12.234-6/7 Overwegende dat uit het voorafgaande volgt dat het werkelijke voorwerp van de vordering een betwisting over subjectieve rechten is; dat de Raad van State overeenkomstig artikel 144 van de Grondwet niet bevoegd is om kennis te nemen van de voorliggende vordering; Overwegende dat, gezien de verwerende partij in de bestreden beslissing de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State, weze het voorwaardelijk, vermeldt, het gepast voorkomt om de kosten van het beroep ten laste te leggen van de verwerende partij, BESLUIT: Artikel
  16. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  17. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien november 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-12.234-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.717 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.