id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.721 Rolnummer: A. 147061/X-11735 Zaak: Arrest 176721 - Plannen van aanleg - 13/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-04 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 04:04 Fiche Arrest nr 176.721 van 13 november 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.721 van 13 november 2007 in de zaak A. 147.061/X-11.
- In zake : de VLAAMSE HUISVESTINGSMAATSCHAPPIJ, thans de VLAAMSE MAATSCHAPPIJ VOOR SOCIAAL WONEN, die woonplaats kiest bij advocaten J. BOUCKAERT en T. GEVERS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Loksumstraat 25 tegen :
- het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat H. VAN BURM, kantoor houdende te 9000 GENT, Cyriel Buyssestraat 12,
- de stad EEKLO, die woonplaats kiest bij advocaat J. MERTENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Bagattenstraat
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de VLAAMSE HUISVESTINGS- MAATSCHAPPIJ op 27 januari 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 4 november 2003 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie waarbij het bijzonder plan van aanleg “nr. 17 Fusiekliniek” genaamd, van de gemeente Eeklo, bestaande uit een plan van de bestaande toestand, een bestemmingsplan, bijhorende stedenbouwkundige voorschriften en een ont- eigeningsplan met bijhorende onteigeningstabel wordt goedgekeurd, wordt verklaard dat het algemeen nut de inbezitneming vordert van de onroerende goederen aangegeven op het onteigeningsplan en aan de gemeente Eeklo machtiging tot onteigening wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; X-11.735-1/16 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur S. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 18 oktober 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 maart 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 30 maart 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. GEVERS, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat B. VANLEE die loco advocaat H. VAN BURM verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat B. POELEMANS die loco advocaat J. MERTENS verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur S. DE TAEYE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Het bestreden bijzonder plan van aanleg beslaat een oppervlakte van ongeveer 17ha en ligt ingesloten tussen de Blakstraat, de Raverschootstraat en de Ringlaan. Het gebied is volgens het bij koninklijk besluit van 24 maart 1978 vastgestelde gewestplan Eeklo-Aalter gelegen in woonuitbreidingsgebied. 1.
- De verzoekende partij heeft als rechtsvoorganger de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting. Die maatschappij werd bij koninklijk besluit van 8 september 1981 gemachtigd tot onteigening, middels de rechtspleging bij X-11.735-2/16 dringende omstandigheden, van een aantal percelen gelegen te Eeklo aan de Raverschootstraat en de Blakstraat, 16ha 63a groot “om de erkende vennootschap ‘Meetjeslandse Bouwmaatschappij voor Volkswoningen’ te Eeklo de mogelijkheid te bieden haar programma voor de bouw van sociale woningen uit te voeren”. 1.
- Tussen 1981 en 1987 verwerft de rechtsvoorganger van de verzoekende partij een aantal percelen in der minne en een aantal door gerechtelijke onteigening. Bij authentieke akte van 10 november 1987 verkoopt die rechts- voorganger het geheel van de gronden aan de Meetjeslandse Bouwmaatschappij voor Volkswoningen. 1.
- Het sociale woonproject werd nooit gerealiseerd. Het gebied bestaat thans uit akkerland, weide en bos. Ingevolge de niet-realisatie van het sociale woonproject op de kwestieuze gronden werden door enkele indertijd onteigende personen gerechtelijke procedures ingeleid teneinde weder in bezit gesteld te worden van de gronden die begin de jaren ’80 door verzoeksters rechtsvoorganger werden onteigend. 1.
- Op 25 maart 2002 wordt het ontwerp van het bijzonder plan van aanleg nr. 17 Fusiekliniek door de gemeenteraad van de stad Eeklo voorlopig aanvaard. 1.
- Van 22 april 2002 tot en met 21 mei 2002 wordt vervolgens een openbaar onderzoek georganiseerd. Er worden twee bezwaren ingediend, waaronder door de Meetjeslandse Bouwmaatschappij voor Volkswoningen. 1.
- Op 7 juni 2002 neemt het college van burgemeester en schepenen van de stad Eeklo kennis van de ingediende bezwaren en wordt beslist dat de procedure kan worden voortgezet. 1.
- Op 25 juni 2002 worden de ingediende bezwaren besproken door de GECORO en ongegrond bevonden. 1.
- Op 26 augustus 2002 keurt de gemeenteraad van de stad Eeklo het X-11.735-3/16 bestreden bijzonder plan van aanleg nr. 17 Fusiekliniek, bestaande uit een plan van de bestaande toestand, een bestemmingsplan met bijbehorende stedenbouwkundige voorschriften en een onteigeningsplan, definitief goed. 1.
- Bij besluit van 4 november 2003 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie wordt het bijzonder plan van aanleg nr. 17 Fusiekliniek van de stad Eeklo goedgekeurd. Dit is het bestreden besluit;
- Ontvankelijkheid van het beroep 2.
- Standpunten van de partijen 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift haar belang uiteenzet als volgt : “Overeenkomstig artikel 19, eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een vordering tot nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling slechts voor de afdeling administratie van de Raad van State worden gebracht door een partij die doet blijken van een benadeling of een belang. De verzoekende partij is er dan ook toe gehouden door middel van concrete en duidelijke gegevens aan te tonen waarin zijn persoonlijk belang bestaat. De bestreden beslissing heeft tot gevolg dat een groot gebied, bestemd voor sociale woningbouw, een andere bestemming krijgt. Nu dit impliceert dat op zeer grote schaal woonuitbreidingsgebieden worden omgezet in gebieden met bestemmingen, andere dan woonbestemmingen, ziet de verzoekende partij haar belangen als sociale huisvestingsmaatschappij (geschaad). Verzoekende partij geeft derhalve onmiskenbaar blijk van het rechtens vereiste belang bij huidige annulatieprocedure”; 2.1.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid, gestoeld op het gebrek aan belang, inroept; dat zij het volgende stelt : “Overeenkomstig art. 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een beroep tot nietigverklaring enkel worden ingediend door een partij die doet blijken van een benadeling of van een belang. Naar vaste rechtspraak dient de verzoeker blijkt te geven van een rechtstreeks en persoonlijk belang. De verzoekster stelt dat de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat een groot gebied, bestemd voor sociale woningbouw, een andere bestemming krijgt en haar belangen geschaad worden omdat op zeer grote schaal woonuitbreidingsgebieden (worden) omgezet in gebieden met een andere bestemming. X-11.735-4/16 Naar het oordeel van de concludente is deze argumentatie niet afdoende om te besluiten tot een rechtstreeks en persoonlijk belang in hoofde van de verzoekster. Concludente merkt op dat de verzoekster geen eigenaar is, noch anderszins enige rechten kan laten gelden m.b.t. de grondpercelen die deel uitmaken van het gebied dat wordt bestreken door het BPA n/
- Het is uitsluitend de Meetjeslandse Bouwmaatschappij voor Volkswoningen (hierna M.B.V.) die eigenaar is van een aantal percelen, gelegen aan de Raverschootstraat en Blakstraat, zodat naar het oordeel van de verzoekster het alleen deze maatschappij was die van enig belang kon doen blijken. Het is overigens niet de huidige verzoekster, doch wel (en uitsluitend) de M.B.V. die het bezwaarschrift heeft ingediend waaromtrent een duidelijk en gemotiveerd standpunt werd ingenomen door de Stad Eeklo. Concludente stelt vast dat de M.B.V. geen vernietigingsberoep heeft ingesteld, waaruit moet worden afgeleid dat zij het BPA n/ 17 en de ministeriële goedkeuringsbeslissing heeft aanvaard. Hoe dan ook: vermits de huidige verzoekster geen rechten heeft m.b.t. de percelen aan de Raverschootstraat en de Blakstraat kan zij bezwaarlijk van enig belang doen blijken bij de huidige procedure. De loutere omstandigheid dat de bestemming van woonuitbreidingsgebied wordt gewijzigd maakt voor de verzoekster geen schending van haar belangen uit. Woonuitbreidingsgebieden zijn immers in wezen opgevat als reservezones van het woongebied en een instrument tot het voeren van een grondbeleid (...). Woonuitbreidingsgebieden zijn uit hun aard derhalve niet uitsluitend bestemd voor sociale woningbouw en het is niet omdat de verzoekster een sociale huisvestingsmaatschappij is dat zij zich vermag op te werpen als hoeder van elk woonuitbreidingsgebied te lande. Dit klemt des te meer nu sedert 1978 de bestemming van de gronden niet werd gerealiseerd. De handelswijze van de verzoekster is onverzoenbaar met de vereiste van een rechtstreeks en persoonlijk belang. Naar het oordeel van de concludente getuigt de verzoekster derhalve niet van het rechtens vereiste belang en dient de vordering te worden afgewezen wegens gebrek aan belang”; 2.1.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid, eveneens gestoeld op het gebrek aan belang, inroept; dat zij het volgende stelt : “
- De verzoekende partij houdt in haar verzoekschrift zeer summier voor dat zij beschikt over het in het artikel 19, eerste lid van de gecoördineerde wetten R.v.St. bedoelde belang, met name omdat de bestreden beslissing tot gevolg zou hebben dat een groot gebied, bestemd voor sociale woningbouw, een andere bestemming krijgt, dat op zeer grote schaal woonuitbreidingsgebieden worden omgezet in gebieden met bestemmingen andere dan woonbestemming, zodat haar belangen als sociale huisvestingsmaatschappij worden geschaad.
- De tweede verwerende partij is van oordeel dat dit op zich niet afdoende is om te kunnen gewagen van een persoonlijk, rechtstreeks, griefhoudend en geoorloofd belang dat rechtens vereist is om een ontvankelijk annulatieverzoek bij Uw Raad te kunnen indienen. X-11.735-5/16 * De verzoekende partij is, als volkomen rechtspersoon, geen eigenares van de gronden waarop het BPA nr. 17 ‘Fusiekliniek’ en het onteigeningsplan slaat. Zij bezit er ook geen andere zakenrechtelijke of persoonlijke rechten op. * Haar rechtsvoorganger heeft die gronden in het verre verleden (meer dan 20 jaar geleden) weliswaar onteigend in eigen naam en voor eigen rekening, zoals uit de akten en (procedures) blijkt, maar die gronden werden in 1987 ‘en bloc’ verkocht en overgedragen aan de MBV, eveneens een volkomen rechtspersoon, die er sedertdien en ook thans erga omnes de enige volle eigenares van is. * De verzoekende partij heeft ook geen bezwaarschrift ingediend tijdens het openbaar onderzoek betreffende het BPA. * Met een uitdrukkelijke beslissing van de Raad van Bestuur van de MBV van 20 januari 2004, heeft de eigenares MBV unaniem beslist op twee onthoudingen na, om geen schorsings-, noch vernietigingsberoep in te dienen bij Uw Raad tegen het goedgekeurde BPA. Die beslissing was onder meer ingegeven door de vaststelling van de Raad dat de door het Gemeentebestuur in het vooruitzicht gestelde ‘compensaties’ best gerealiseerd kunnen worden in het kader van een partnership tussen de Stad Eeklo en de MBV, en niet in een conflictsituatie, en mede gelet op het zeer grote bovengemeentelijk en regionale belang van de inplanting van de fusiekliniek aldaar. De MBV heeft zich aldus uitdrukkelijk neergelegd bij het nieuwe BPA, en bij de gemotiveerde weerlegging van haar bezwaarschrift. * De verzoekende partij is ook geen omwonende of buur van de percelen grond waarop het nieuwe BPA slaat, zodat zij ook uit die hoedanigheid geen belang kan putten. Haar patrimoniale belangen zijn niet in het gedrang. * Sedert 1981 is de bestemming sociale woningbouw waarvoor onteigend werd bij hoogdringendheid, nooit gerealiseerd geworden, noch door NMH, noch door de verzoekende partij, noch door de MBV. De gronden hebben al die jaren gewoon braak gelegen en er is geen enkele poging ondernomen om ze aan te snijden. Er is zelfs geen begin van uitvoering gemaakt met enig project van sociale woningbouw aldaar. In die omstandigheden is het zeker niet ernstig om vandaag voor te houden dat de belangen van de verzoekende partij in het gedrang zouden worden gebracht door de wijziging van bestemming ten voordele van een onbetwist algemeen belang dat wel op korte termijn zal gerealiseerd worden. * Bovendien staat vast dat de visie van de verzoekende partij en van haar politieke overheden op het woonbeleid en de sociale woningbouw zeer ingrijpend is gewijzigd, zodat vaststaat dat zij ter plekke nooit nog grootschalige sociale woningbouw zal realiseren. Vandaag streeft men naar een sociale mix, kleinschalige projecten, integratie van verschillende sociale groepen, gettovorming vermijden en vernieuwbouw. Op beter geschikte plaatsen in de binnenstad zal via het gemeentelijk structuurplan ruimte worden geboden voor sociale woningbouw. Dat is overigens al jaren in de praktijk gebracht door de MBV en werd vastgesteld en erkend door alle beleidsniveau’s. Dat blijkt ook afdoende uit de recente beleidsverklaringen van de opeenvolgende Vlaamse Ministers bevoegd voor het woonbeleid en de sociale huisvesting (...): (...) * De tweede verwerende partij wenst overigens te onderstrepen dat het percentage sociale woningen binnen haar territorium nu reeds tot de allerhoogste van gans Vlaanderen behoort. Het sociaal woonbeleid in de stad vertoont derhalve helemaal geen leemten, en er bestaat een belangrijke traditie om binnen vrijgekomen industriële of andere gebieden voldoende ruimte te X-11.735-6/16 laten voor sociale woningbouw. Er zijn geen redenen om te twijfelen aan de ‘compensatie’-beloften van de Gemeenteraad. Dat kan en zal onder meer het geval zijn op de huidige locatie van de Heilig Hart Kliniek eens de nieuwe kliniek gerealiseerd en die site overgedragen aan de Stad Eeklo. * De verzoekende partij heeft overigens in een aantal (authentieke) akten houdende dagvaarding van concludente zelf uitdrukkelijk (gerechtelijk) erkend: Dat in 1993 een woonbehoeftenstudie werd uitgevoerd voor de gronden tussen de Blakstraat (...), Galgestraat en Raveschootstraat door Stedenbouwkundige Goegebeur, die besloot ‘dat gezien de financiële evolutie binnen het huisvestingsbeleid en het nijpend tekort aan geldelijke middelen deze reservegronden slechts op zeer lange termijn aangesneden zullen worden’. Dat was toen al een tiental jaren na de onteigening bij hoogdringendheid. Sedertdien zijn er nogmaals 10 jaar verstreken zonder enig project. Het verloren gaan van deze grondreserve voor sociale woningbouw is dus kennelijk niet het gevolg van het bestreden BPA. Veeleer is het BPA er onder meer kunnen komen omdat die gronden al 20 jaar ongebruikt zijn blijven liggen en er geen redelijke vooruitzichten zijn dat er ooit een sociaal bouwproject zal worden voorgesteld en gerealiseerd. Zodoende bezit de verzoekende partij geen rechtmatig belang. Haar actie is eerder als een loutere blokkering te beschouwen, zonder dat ze zelf plannen heeft tot sociale woningbouw. * De vordering van de verzoekende partij doorstaat vanzelfsprekend ook niet een belangenafweging, nu het blokkeren van het project Fusiekliniek grote en onherstelbare gevolgen zou hebben voor gans de regio, waarvoor geen compensatie of alternatief mogelijk is op dit ogenblik. Indien de fusiekliniek er niet komt, b.v. door de blokkering die de verzoekende partij nastreeft, dan zal de bestaande kliniek op termijn gesloten moeten worden overeenkomstig de (vigerende) regels, en zullen de inwoners van het Meetjesland geheel aangewezen zijn op de klinieken in Brugge en Gent. Dat zou een zeer kwalijke zaak zijn voor de bewoners, volkomen in strijd met het algemeen belang. Herhaalde malen heeft de verzoekende partij tijdens de vele vergaderingen overigens reeds kenbaar gemaakt dat dit annulatieverzoek in werkelijkheid enkel wordt ingediend (lees: misbruikt) als een drukmiddel tegen (...) de Stad Eeklo om haar ertoe te dwingen een verbindende, maar onwettige overeenkomst te sluiten met de MBV betreffende zogenaamde ‘compensaties’, waarbij de Stad onder meer het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel zou moeten schenden, een monopolie toekennen ten nadele van andere huisvestingsmaatschappijen, enz.. Dat misbruik van het aanwenden van een proceduremiddel blijkt onder meer uit het eerder genoemde verslag van de vergadering van de MBV. De verzoekende partij heeft geen rechtmatig belang”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord het volgende repliceert : “
- Vooreerst merkt verzoekende partij op dat verwerende partijen er beide verkeerdelijk van uitgaan dat een verzoek tot nietigverklaring van een BPA enkel op ontvankelijke wijze kan worden ingesteld door degene die eigenaar is, omwonende of buur van percelen die gelegen zijn binnen de omschrijving van dit BPA. Het is niet omdat men geen zakenrechtelijke of persoonlijke rechten heeft op de betrokken gronden, dat men niet in een andere hoedanigheid over X-11.735-7/16 een voldoende belang kan beschikken om op ontvankelijke wijze een vordering tot nietigverklaring in te stellen. Zoals verzoekende partij uiteenzette in het verzoekschrift tot nietigverklaring dd. 27 januari 2004 (p. 6), bestaat dit ‘ander’ belang er in casu in dat de bestreden beslissing ertoe leidt dat een groot gebied, bestemd voor sociale woningbouw, een andere bestemming krijgt. Nu dit impliceert dat op zeer grote schaal woonuitbreidingsgebieden worden omgezet in gebieden met bestemmingen, andere dan woonbestemmingen, ziet verzoekende partij haar belangen als sociale huisvestingsmaatschappij geschaad.
- Voor het onderzoek van de ontvankelijkheid van de vordering is het weliswaar relevant om na te gaan of de bestreden beslissing in laatste aanleg genomen is, d.w.z. dat ertegen geen administratieve beroepsprocedures meer openstaan. In de rechtspraak van de Raad van State wordt evenwel niet vereist dat de personen die bij de Raad van State beroep instellen ook zelf de administratieve beroepsprocedure hebben uitgeput (...). Uw Raad oordeelde tevens inzake milieuvergunningen dat het niet vereist is dat een omwonende tijdens een openbaar onderzoek een bezwaar heeft ingediend opdat hij op ontvankelijke wijze de vernietiging zou kunnen vorderen van het milieuvergunningsbesluit (...). De argumentatie van verwerende partijen dat verzoekende partij niet op ontvankelijke wijze een annulatieprocedure kan instellen omdat zij geen bezwaarschrift heeft ingediend tijdens het openbaar onderzoek, kan dan ook niet worden gevolgd.
- Verzoekende partij ziet niet goed in wat verwerende partijen wensen te bereiken met de opmerking dat de MBV zich heeft neergelegd bij het BPA nr. 17 en de ministeriële goedkeuringsbeslissing. Het is immers niet omdat één betrokkene zich schikt in de situatie, dat anderen dit ook moeten doen en niet voor hun eigen belangen zouden mogen opkomen.
- Het staat thans inderdaad vast dat de bestemming van de gronden tot sociale woningbouw nooit meer zal worden gerealiseerd, zoals tweede verwerende partij stelt. Dit is echter niet te wijten aan het gebrek aan initiatief van de betrokken partijen, of aan een beweerde wijziging in het beleid inzake sociale huisvesting. Het definitief karakter van het niet-realiseren van de bestemming volgt wel degelijk uit de bestreden beslissing, waardoor het woonuitbreidingsgebied dat eigendom is van een sociale huisvestingsmaatschappij, een andere bestemming dan een woonbestemming krijgt. Het is net die onmogelijkheid om de bestemming van de betrokken gronden tot sociale woningbouw te realiseren, die het belang van verzoekende partij bij huidige annulatievordering uitmaakt. Het feit dat woonuitbreidingsgebieden niet uitsluitend voor sociale woningbouw bestemd zouden zijn, neemt niet weg dat zij wel exclusief bestemd zijn voor groepswoningbouw en, wat de gronden in casu betreft, voor sociale woningbouw, nu deze gronden de eigendom waren van een sociale huisvestingsmaatschappij. Overigens zou het niet-realiseren van de bestemming tot sociale woningbouw niet zonder meer kunnen worden toegeschreven aan een zogenaamde wijziging in het sociale huisvestingsbeleid. Niets wijst er immers op dat een project op deze gronden niet zou kunnen streven naar een sociale mix en een bevordering van de integratie van diverse sociale groepen, wat volgens tweede verwerende partij de kern van het actuele sociale huisvestingsbeleid uitmaakt.
- Tweede verwerende partij draait de zaken om, waar zij stelt dat het BPA nr. 17 er is kunnen komen omdat de betrokken gronden nooit werden ontwikkeld. Zoals verzoekende partij reeds uiteenzette, is de niet-ontwikkeling van deze gronden te wijten aan het strikte stedenbouwkundig beleid, o.m. van eerste verwerende partij. Eens dit beleid versoepelde, werd de ontwikkeling van X-11.735-8/16 de gronden gedwarsboomd door de plannen van eerste verzoekende partij om een BPA op te maken voor de realisatie van een fusiekliniek (...). Het gaat dan ook niet op om te stellen dat het verlies van de grondreserve niet te wijten is aan de bestreden beslissing.
- De bewering als zou huidige annulatievordering er enkel op gericht zijn om de plannen van eerste verwerende partij te dwarsbomen, is volkomen uit de lucht gegrepen en flagrant onjuist. Tweede verwerende partij voert geen enkel concreet element aan ter staving van deze bewering. Verzoekende partij heeft wel degelijk een rechtmatig belang. Overigens komt het doel dat verzoekende partij met haar vordering nastreeft, eveneens ten goede aan het algemeen belang. Indien haar vordering wordt ingewilligd, komen de betrokken gronden immers weer vrij voor sociale woningbouw, waardoor een aanzienlijk aantal gezinnen onder gunstige voorwaarden een eigen woning kunnen verwerven. In dit kader merkt verzoekende partij op dat de bewering van tweede verwerende partij dat de fusiekliniek enkel op die éne plaats zou kunnen worden gebouwd, niet opgaat. Indien de betrokken gronden door een soepeler stedenbouwkundig beleid wel ontwikkeld hadden kunnen worden voor sociale woningbouw, dan was het thans uiteraard onmogelijk geweest om op de litigieuze gronden een fusiekliniek op te richten. Vanzelfsprekend zou in die omstandigheden naar een alternatief worden gezocht. Niets belet dat ook thans van dit alternatief gebruik gemaakt wordt, zodat de betrokken gronden hun bestemming voor sociale woningbouw kunnen behouden, Het is net de belangenafweging waarop tweede verwerende partij zich beroept, die noopt tot het hanteren van een alternatief voor de fusiekliniek, zodat de gronden kunnen worden voorbehouden voor sociale woningbouw.
- Verzoekende partij leest met verbijstering dat tweede verwerende partij haar verwijt huidige annulatievordering aan te wenden als een drukkingsmiddel om van de Stad Eeklo te bekomen dat deze een volgens haar onwettige overeenkomst zou sluiten met de MBV inzake te verlenen compensaties. Deze bewering snijdt geen hout en getuigt zelfs van kwade trouw van tweede verwerende partij, die geen enkel concreet element aanvoert dat ook maar enig begin van bewijs van dergelijk misbruik zou kunnen uitmaken. Bovendien is deze insinuatie volstrekt in strijd met de waarheid. Het is de Stad Eeklo zelf die zgn. ‘compensaties’ heeft voorgesteld aan de M.B.V. (zie stuk 12). Tot slot en niet in het minst heeft de MBV het zgn. ‘compensatie-aanbod’ van de Stad Eeklo afgewezen en werd de gerechtelijke onteigeningsprocedure inmiddels aangevat (...).
- Uit hetgeen voorafgaat, volgt dat verzoekende partij blijk geeft van het rechtens vereiste belang bij huidige annulatieprocedure”; dat zij daar in haar laatste memorie het volgende aan toevoegt : “5.
- Zoals reeds beschreven in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord, werd verzoekende partij bij Koninklijk Besluit van 8 september 1981 (...), gemachtigd tot een onteigening ten algemene nutte van een aantal percelen, gelegen te Eeklo, Raverschootstraat en Blakstraat. Op 10 november 1987 werden deze gronden verkocht aan de MBV. Het zijn deze gronden die begrepen zijn in het beheersingsgebied van het BPA nr. 17 Fusiekliniek, ter uitvoering waarvan de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie bij besluiten van 11 maart 2004
(1)verklaarde dat het algemeen nut de onmiddellijke inbezitneming vorderde van deze gronden en
(2)machtiging tot onteigenen verleende aan de Stad Eeklo. Deze laatste beslissingen maken het voorwerp uit van een vordering tot nietigverklaring, die bij Uw Raad gekend X-11.735-9/16 is onder het rolnummer G/A. 152.552/X-1 1.932 en waarin verzoekende partij op dezelfde dag als in onderhavige procedure een auditoraatsverslag mocht ontvangen, waarbij wordt voorgesteld om de vordering omwille van dezelfde reden als in onderhavige procedure, onontvankelijk te verklaren. 5.
- Artikel 23 van de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemene nutte luidt als volgt: ‘Indien de voor werken van algemeen nut aangekochte gronden die bestemming niet krijgen, zal een volgens in artikel 6, titel II van de wet van 8 maart 1810 aangeduide wijze afgekondigd bericht de gronden doen kennen die het bestuur kan weerverkopen. Binnen drie maanden na die bekendmaking zijn de oude eigenaars, die de eigendom van bedoelde gronden willen terugkopen, op straf van vervallenverklaring gehouden zulks te verklaren. Ingeval het bestuur dat bericht niet afkondigt, kunnen de oude eigenaars of hun rechthebbenden de teruggave van die gronden vragen; en die teruggave zal in rechte worden bevolen op de verklaring van het bestuur dat ze niet meer bestemd zijn om te dienen voor de werken waarvoor ze werden aangekocht. (...)’ (...). Artikel 23 van de wet van 17 april 1835 heeft aldus betrekking op het zogenaamde ‘recht van wederoverdracht’, zijnde het recht van de oorspronkelijke eigenaar van een grond die onteigend werd, om die grond terug aan te kopen tegen de oorspronkelijke prijs in het geval de grond de bestemming waarvoor hij was onteigend, niet krijgt. In principe wordt dit recht van wederoverdracht in natura uitgeoefend (i.e.: de teruggave van de grond). Indien de grond ondertussen werd doorverkocht of indien - zoals in casu - deze grond opnieuw onteigend werd (maar nu met een ander doel), zodat deze grond niet meer in handen is van de oorspronkelijke onteigenaar, kan het recht van wederoverdracht - indien de voorwaarden voor het voorhanden zijn van dit recht vervuld zijn, waaromtrent verzoeksters tot nietigverklaring in casu weliswaar alle voorbehoud formuleert - uiteraard niet meer in natura worden uitgeoefend. In dat geval bepaalt de rechter een schadevergoeding bij equivalent. 5.
- In casu hebben de oorspronkelijke eigenaars van de gronden die door verzoekende partij bij Koninklijk Besluit van 8 september 1981 werden onteigend, dergelijke vordering tot wederoverdracht ingeleid. Het betreft de consoorten Lootens-Van den Berghe. Zij hebben deze vordering ingeleid bij de rechtbank van eerste aanleg te Gent dd. 30 maart
- Deze datum is niet toevallig. Op 20 maart 2000, dus 10 dagen vóór de dagvaarding van de consoorten Lootens-Van den Berghe, neemt het gemeentebestuur van de Stad Eeklo zich voor om de betrokken gronden te reserveren voor de bouw van een ziekenhuis (...). Daartoe wenst zij het thans bestreden BPA nr. 17 Fusiekliniek goed te keuren dat de betrokken gronden indeelt in vier gebieden met verschillende bestemming: ‘gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen’, ‘natuurontwikkelingsstrook’, ‘zone voor wegenis’ en ‘overgangszone woongebied - zone voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen’. Tevens wenst zij een onteigeningsplan goed te keuren, zodat de bestemming op relatief korte tijd zou kunnen worden gerealiseerd. De consoorten Lootens-Van den Berghe baseerden hun vordering op grond van het recht van wederoverdracht dan ook op het feit dat door de principiële beslissing van de Stad Eeklo van 20 maart 2000 de oorspronkelijke bestemming van sociale woningbouw waarvoor destijds in 1981 onteigend werd, niet meer kon gerealiseerd worden. 5.
- Bij arrest van 21 oktober 2005 werd hun vordering gegrond verklaard (...). De relevante overwegingen van het arrest luiden als volgt: X-11.735-10/16 ‘3.
- Voor zoveel als nodig benadrukt het Hof alhier dat de onteigeningsprocedure werd benaarstigd door de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting, zijnde de rechtsvoorganger van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij. Nu het recht van wederoverdracht niet meer in natura kan worden uitgeoefend, beschikken de geïntimeerden over een persoonlijk recht op schadevergoeding lastens de onteigenaar, zijnde eerste appellante, die uitdrukkelijk diende te erkennen dat het doel van de onteigening lastens de geïntimeerden en/of hun rechtsvoorganger, niet meer kan worden gerealiseerd. De vordering van de geïntimeerden is dientengevolge ontvankelijk voor zoveel als nodig als gericht tegen de eerste appellante. 3.2.( ... ) ( ... ) De realisatie van het oorspronkelijke doel van de onteigening werd in ieder geval onmogelijk wanneer ingevolge het BPA nr. 17 ‘Fusiekliniek’, waarbij de bestemming van de betrokken percelen werd gewijzigd naar een zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, natuurontwikkelingsstrook, zone voor wegenis en overgangszone, woongebiedzone voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen het kwestieuze onroerend goed door de Stad Eeklo wordt onteigend. Het is pas bij besluit van 4 november 2003 dat het BPA nr. 17 Fusiekliniek met bijhorend onteigeningsplan wordt goedgekeurd door de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en dat de Stad Eeklo werd gemachtigd over te gaan tot onteigening. Wanneer de vrederechter van het kanton Eeklo vaststelt dat de onteigeningsprocedure op regelmatige wijze werd gevoerd en bij vonnis van 10 juni 2004 het eigendomsoverdragend vonnis velt, ( ... ) overgaan op de prijs van de onteigening. ( ... )
- ( ... ) ( ... ) Vooraleer verder te oordelen en de omvang van de schadevergoeding lastens de onteigenaar ten gunste van de geïntimeerden te bepalen, is deskundige voorlichting noodzakelijk, zodat de venale waarde van het onroerend goed op datum van 20 juni 2004 wordt bepaald.’ Verzoekende partij wordt aldus veroordeeld om een schadevergoeding te betalen aan de consoorten Lootens-Van den Berghe wegens het niet meer kunnen realiseren van de bestemming waarvoor destijds in 1981 onteigend werd. De MBV wordt in hetzelfde arrest buiten zake gesteld (beter: de MBV werd in eerste aanleg buiten zake gesteld en bij tussenarrest werd het hoger beroep van de MBV onontvankelijk verklaard bij gebrek aan belang). Het is dus wel degelijk verzoekende partij en niet de MBV die veroordeeld werd. Het Hof zegt in zijn arrest bovendien uitdrukkelijk dat de reden voor het niet meer kunnen realiseren van de bestemming waarvoor destijds in 1981 onteigend werd, de goedkeuring is van het BPA nr. l7 Fusiekliniek met de daaropvolgende onteigening (op cit.: ‘de realisatie van het oorspronkelijke doel van de onteigening werd in ieder geval onmogelijk wanneer ingevolge het BPA nr. 17 Fusiekliniek (...) wordt onteigend’). 5.
- De conclusie is dan ook dat verzoekende partij wel degelijk een rechtstreeks en persoonlijk belang heeft om de bestreden beslissing aan te vechten (net zoals verzoekende partij een voldoende rechtstreeks en persoonlijk belang heeft om het daaropvolgende onteigeningsbesluit aan te vechten). Zonder deze besluiten is er immers geen sprake van een ‘niet kunnen realiseren van de bestemming waarvoor destijds in 1981 onteigend werd’ en is er dus geen sprake van een recht van wederoverdracht zodat verzoekende partij ook niet X-11.735-11/16 veroordeeld kon worden tot een schadevergoeding jegens de oorspronkelijke eigenaars.
- De vordering van verzoekende partij is ontvankelijk”; 2.
- Beoordeling 2.2.
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 19, eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de beroepen tot nietigverklaring voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kunnen worden gebracht door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang; dat de verzoekende partij moet doen blijken van het rechtens vereiste rechtstreeks, persoonlijk, zeker en actueel belang bij de gevraagde vernietiging; 2.2.
- Overwegende dat niet de verzoekende partij, doch wel de sociale huisvestingsmaatschappij Meetjeslandse Bouwmaatschappij voor Volkswoningen (hierna : M.B.V.) eigenaar is van de gronden die het beheersgebied van het bestreden BPA uitmaken; dat het de M.B.V. is die met het oog op de realisatie van het bestreden BPA zal worden onteigend, doch dat deze maatschappij geen annulatie-beroep tegen het bestreden goedkeuringsbesluit heeft ingesteld; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij er zich in haar verzoekschrift met betrekking tot het belang toe beperkt te stellen dat “nu (...) op zeer grote schaal woonuitbreidingsgebieden worden omgezet in gebieden met bestemmingen, andere dan woonbestemmingen, (...) de verzoekende partij haar belangen als sociale huisvestingsmaatschappij geschaad (ziet)”; dat zij op die manier evenwel niet aantoont dat haar belang bij het vernietigen van het bestreden besluit persoonlijk en rechtstreeks zou zijn; dat de verzoekende partij zich overigens, als overkoepelende sociale huisvestingsmaatschappij, niet op een persoonlijk en rechtstreeks belang bij het bestrijden van de beslissing tot herbestemming van “een” woonuitbreidingsgebied als dusdanig vermag te beroepen; 2.2.
- Overwegende dat de statuten van de verzoekende partij luiden als volgt : “(...) Art.2.§
- De VHM kan overeenkomstig de bepalingen van het decreet en onder de voorwaarden zoals bepaald door de Vlaamse regering enerzijds X-11.735-12/16 vennootschappen erkennen als sociale huisvestingsmaatschappijen die een maatschappelijk doel hebben dat beantwoordt aan de bijzondere doelstellingen van het Vlaams Woonbeleid en anderzijds sociale kredietvennootschappen erkennen. §
- De VHM moet erop toezien dat de sociale huisvestingsmaatschappijen: 1/ de woonvoorwaarden van de woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden verbeteren, inzonderheid van de meest behoeftige gezinnen en alleenstaanden, door te zorgen voor een voldoende aanbod van sociale huurwoningen en sociale koopwoningen, eventueel met inbegrip van gemeenschappelijke voorzieningen, met aandacht voor hun integratie in de lokale woonstructuur; 2/ bijdragen tot de herwaardering van het woningbestand, door ongeschikte woningen of ongeschikte gebouwen te renoveren, te verbeteren en aan te passen of ze zo nodig te slopen en te vervangen; 3/ een doelgericht sociaal grond- en pandenbeleid voeren voor de realisatie van sociale woonprojecten en de terbeschikkingstelling van percelen in sociale verkavelingen. §
- Verder heeft de VHM als opdracht: 1/ bijzondere sociale leningen toe te staan voor de verwerving en realisatie van sociale koopwoningen en van andere woningen, alsook voor de renovatie, de verbetering of de aanpassing van woningen; 2/ in aanvullende orde zelf te zorgen voor de opdrachten, vermeld in het eerste lid. In voorkomend geval moeten de sociale woonprojecten vernieuwend of experimenteel zijn; 3/ de sociale huisvestingsmaatschappijen te begeleiden, hen diensten te verlenen en te ondersteunen; 4/ te zorgen voor het beheer van het solidariteitsfonds; 5/ te zorgen voor het beheer van de financiële middelen van de sociale huisvestingsmaatschappijen die niet noodzakelijk zijn voor hun dagelijkse werking. §
- Als toezichthoudende overheid over de sociale huisvestings- maatschappijen moet de VHM: 1/ erop toezien dat deze maatschappijen in hun werking rekening houden met de bijzondere doelstellingen van het woonbeleid; 2/ erop toezien dat ze samenwerken, zowel onderling als met andere instanties die lokaal actief zijn inzake wonen; 3/ hun erkenning intrekken wanneer ze de voorwaarden voor hun erkenning niet nakomen, en eventueel nieuwe sociale huisvestingsmaatschappijen erkennen; 4/ de uitvoering waarborgen van de maatregelen, bedoeld in artikel 41 van het decreet; 5/ vragen en klachten behandelen betreffende de sociale huisvestings- maatschappijen. §5.1/ De VHM oefent toezicht uit op de in artikel 2, §1 bedoelde kredietvennootschappen met betrekking tot hun activiteiten, beheer en interne organisatie om wanbeheer tegen te gaan, om controle uit te oefenen op de voorwaarden voor het verlenen van gewestwaarborg, en in het algemeen met het oog op de bestendigheid van deze sector. 2/ De VHM kan de erkenning intrekken van deze kredietvennootschappen bij niet naleving van de erkenningvoorwaarden. §
- De VHM stelt overeenkomstig de bepalingen van het decreet een uitvoeringsprogramma op met betrekking tot de investeringsverrichtingen. De VHM legt dit uitvoeringsprogramma ter goedkeuring voor aan de Vlaamse regering. Om het uitvoeringsprogramma te realiseren kan de VHM: 1/ zakelijke rechten verwerven op alle onroerende goederen die nodig zijn voor de sociale huisvesting en voor het sociale grond- en pandenbeleid, of onroerende goederen huren; X-11.735-13/16 2/ aan de sociale huisvestingsmaatschappijen financiële middelen voorschieten en de onroerende goederen die ze zelf verworven heeft, aan hen verkopen, in erfpacht afstaan of verhuren; 3/ gebouwen slopen en oprichten; 4/ gebouwen waarop ze een zakelijk of persoonlijk recht bezit, renoveren, verbeteren, aanpassen en inrichten, er zakelijke rechten op afstaan en ze verhuren; 5/ de bouwverplichting opleggen aan woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden aan wie ze zakelijke rechten op onroerende goederen afstaat en aan hen erfdienstbaarheden opleggen om het uitzicht en de functionele inrichting van groepen van woningen te behouden; 6/ tijdelijke overlijdensverzekeringen aanbieden en alle verrichtingen doen die daar rechtstreeks uit voortvloeien, met inbegrip van alle accessoire waarborgen die aan een dergelijke verzekering kunnen worden verbonden; 7/ overeenkomsten sluiten met betrekking tot onroerende goederen waarop of waarin woonprojecten in de privé-sector worden gerealiseerd overeenkomstig het decreet. Art.
- De VHM kan, na daartoe door het Vlaams parlement of de Vlaamse regering te zijn gemachtigd, deelnemen in het kapitaal van andere vennootschappen. Art.
- Met instemming van of in opdracht van de Vlaamse regering kan de VHM andere opdrachten op zich nemen voor zover zij kaderen in het Woonbeleid in het algemeen. Art.
- De VHM kan roerende en onroerende giften en legaten ontvangen, mits daartoe door de Vlaamse regering gemachtigd te zijn. Om haar doel te bereiken, mag de VHM alle gebouwde en ongebouwde eigendommen kopen, verkopen, huren en verhuren, ruilen en in erfpacht of opstal geven of nemen. De VHM verkoopt haar onroerende goederen openbaar. Ze kan ze enkel uit de hand verkopen aan: 1/ de sociale huisvestingsmaatschappijen; 2/ woonbehoeftige alleenstaanden en gezinnen, ter uitvoering van de bepaling van het decreet, op voorwaarde dat ze rekening houdt met de chronologische volgorde waarin de aanvragen werden ingeschreven in de daartoe bestemde registers, en met de prioriteiten die de Vlaamse regering dienaangaande kan vaststellen; 3/ gemeenten of openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor doeleinden die te maken hebben met het sociale woonbeleid; 4/ ander personen, voor zover de onroerende goederen in kwestie niet meer van nut zijn voor huisvesting, en voor zover de kosten van een openbare verkoop niet in verhouding staan tot de geschatte verkoopprijs en de verkoopprijs ten minste gelijk is aan de schattingsprijs. De VHM kan daarenboven in uitzonderlijke omstandigheden en onder de voorwaarden die de Vlaamse regering bepaalt, haar middelgrote woningen uit de hand verkopen. De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden waaraan een middelgrote woning dient te beantwoorden. Wanneer zij hiertoe door de Vlaamse regering gemachtigd is, kan de VHM gebouwde eigendommen of onbebouwde gronden, zelfs bij stroken, tot nut van het algemeen doen onteigenen, met inachtneming van de desbetreffende wetten en decreten”; dat hieruit onder meer een ondersteunende en toezichthoudende taak ten aanzien van de door haar erkende sociale huisvestingsmaatschappijen, waaronder de M.B.V., mag blijken; dat de verzoekende partij niet aantoont dat het bestreden besluit haar maatschappelijk doel en in het bijzonder haar ondersteunende en toezichthoudende X-11.735-14/16 taak zou beperken; dat de bestreden beslissing niet tot gevolg heeft dat de activiteiten met het oog waarop de verzoekende partij is opgericht, beperkt worden; dat de excepties, opgeworpen door de verwerende partijen, gegrond zijn; dat het annulatieberoep onontvankelijk is wegens gebrek aan belang; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie laat gelden dat zij “wel degelijk een rechtstreeks en persoonlijk belang heeft om de bestreden beslissing aan te vechten” en dat “zonder deze besluiten (...) er immers geen sprake (is) van een ‘niet kunnen realiseren van de bestemming waarvoor destijds in 1981 onteigend werd’ en (...) er dus geen sprake (is) van een recht van wederoverdracht zodat verzoekende partij ook niet veroordeeld kon worden tot een schadevergoeding jegens de oorspronkelijke eigenaars”; dat de verzoekende partij in haar inleidend verzoekschrift haar belang op de volgende wijze omschreef : “(...) De bestreden beslissing heeft tot gevolg dat een groot gebied, bestemd voor sociale woningbouw, een andere bestemming krijgt. Nu dit impliceert dat op zeer grote schaal woonuitbreidingsgebieden worden omgezet in gebieden met bestemmingen, andere dan woonbestemmingen, ziet de verzoekende partij haar belangen als sociale( huisvestingsmaatschappij geschaad) (...)”; dat wanneer een verzoekende partij in haar verzoekschrift een wel bepaald belang laat gelden, zij grenzen rond het gerechtelijk debat trekt, met name ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep en van de annulatiemiddelen en ten aanzien van het recht van verdediging van de verwerende partij; dat wanneer de verzoekende partij in de verdere loop van de procedure zich op een ander dan het door haar initieel bepleite belang beroept, zij dus, zonder dat een rechtsregel van openbaar belang zulks verantwoordt, een nieuw gerechtelijk debat uitlokt, hetgeen slechts met een nieuw en tijdig verzoekschrift mogelijk is; dat met deze uiteenzetting in de laatste memorie geen rekening kan worden gehouden, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- X-11.735-15/16 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien november 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-11.735-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.721 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div