← België

Arrest 176749 - Cultuur en schone kunsten - 13/11/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.749 Rolnummer: A. 73143/XII-4919 Zaak: Arrest 176749 - Cultuur en schone kunsten - 13/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-21 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 04:05 Fiche Arrest nr 176.749 van 13 november 2007 Onderwijs en cultuur - Cultuur en schone kunsten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.749 van 13 november 2007 in de zaak A. 73.143/XII-4919 In zake : de VZW THEATER IVONNE LEX (in vereffening), rechtsgeding hervat door: curatoren J. Calewaert en R. Belderbosch, kantoor houdende te Antwerpen, Belgiëlei 15b - bus 10 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46 bus

  1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. Theater Ivonne Lex op 5 februari 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het besluit van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn van 28 januari 1997, waarbij aan verzoekende partij voor de periode 1997-2001 een structurele subsidie wordt geweigerd”; Gelet op het arrest nr. 127.416 van 26 januari 2004 waarbij de debatten worden heropend; Gezien het aanvullend verslag opgesteld door eerste auditeur E. Haesbrouck; Gelet op de beschikking van 21 november 2006 die de neerlegging ter griffie van het aanvullend verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-4919-1/7 Gelet op de beschikking van 4 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 september 2007; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. Haegeman, die loco advocaat J. Calewaert en van advocaat B. Van Dorpe, die loco advocaat R. Belderbosch verschijnen voor verzoekster en van advocaat N. De Clercq, die loco advocaat B. Staelens verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur E. Haesbrouck; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feitelijke gegevens van de zaak 1.
  2. Verzoekster wordt erkend als organisatie voor Nederlandstalige dramatische kunst voor de seizoenen 1997/1998, 1998/1999, 1999/2000 en 2000/2001 bij artikel 1, 7/, van het besluit van de Vlaamse regering van 26 juni 1996 houdende erkenning en subsidiëring van organisaties voor Nederlandstalige dramatische kunst voor de seizoenen 1997/1998, 1998/1999, 1999/2000 en 2000/
  3. In totaal worden 32 organisaties bij dit besluit aldus erkend. Artikel 2 van ditzelfde besluit somt dan die erkende organisaties op, 28 in totaal, die voor de voormelde periode 1997-2001 “voor elk apart seizoen voor het geheel van hun activiteiten” een enveloppe ontvangen die niet minder bedraagt dan het naast elke organisatie vermeld geldbedrag. Artikel 5 van hetzelfde besluit vermeldt de overige vier erkende organisaties, die in de bedoelde periode “voor elk apart seizoen subsidies [kunnen] ontvangen voor de realisatie van een voorstel tot samenwerking met een in dit besluit erkende en/of gesubsidieerde organisatie”. Voor de subsidiëring van die voorstellen wordt voor elk apart seizoen ten minste 22 miljoen frank vastgelegd. De subsidies worden toegekend “onder de opschortende voorwaarde dat de [genoemde vier] organisaties voorstellen tot XII-4919-2/7 samenwerking overleggen, die goedgekeurd worden door de Vlaamse minister, bevoegd voor de cultuur”. Verzoekster wordt niet vermeld in artikel 2 bij de 28 organisaties ; zij behoort bij de vier organisaties van artikel
  4. 1.
  5. In de loop van de maand augustus 1996 bevestigt verwerende partij aan verzoekster, aansluitend op eerdere briefwisseling, dat de Vlaamse regering op 26 juni 1996 heeft beslist verzoekster te erkennen en te subsidiëren, waaraan “echter de voorwaarde gekoppeld [is] dat Theater Ivonne Lex een artistiek project realiseert in samenwerking met een ander erkend en/of gesubsidieerd theatergezelschap” en waarin verzoekster wordt uitgenodigd op een informatieve vergadering in verband met de gevraagde samenwerking en om een dossier in te dienen waarin “gelet op de voorwaarde tot samenwerking” een dergelijk project wordt voorgesteld. Op 2 januari 1997 bezorgt verzoekster het gevraagde dossier, op grond van een samenwerkingsvoorstel met ARCA. 1.
  6. Op 28 januari 1997 besluit de Vlaamse regering tot wijziging van het sub 1.
  7. vermeld besluit van 26 juni 1996: artikel 5 van dit besluit wordt opgeheven. Met een fax-bericht van eveneens 28 januari 1997 laat verwerende partij aan verzoekster weten dat “de Vlaamse regering vandaag beslist heeft om dit beleidsplan [dat u indiende met het oog op de toekenning van een structurele subsidie voor de periode 1997-2001] niet goed te keuren”, dat haar “bijgevolg geen structurele subsidie [zal] worden toegekend voor de hoger vermelde periode” en dat verzoekster “een dossier kan indienen voor een [...] projectmatige ondersteuning”. Op 5 februari 1997 maakt verzoekster op basis van dit faxbericht voorliggend beroep bij de Raad aanhangig. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt -en verzoekster betwist niet- dat zij pas naderhand ook kennis kreeg van de tekst van het wijzigend besluit van de Vlaamse Regering van 28 januari
  8. 1.
  9. Op 30 juni 1998 beslist de algemene vergadering van verzoekster, bij ten minste twee derden van de leden aanwezig en met een meerderheid van ten XII-4919-3/7 minste twee derde van de uitgebrachte stemmen de vereniging te ontbinden en als vereffenaars J. Calewaert en R. Belderbosch te benoemen. Ontvankelijkheid 2.
  10. Uit de lezing van de artikelen 2 en 5 van het besluit van 26 juni 1996, zoals die daarenboven nog zijn toegelicht bij de brief vermeld sub 1.
  11. en allicht ook op de daarin aangekondigde informatievergadering, kon verzoekster afleiden dat de Vlaamse regering reeds op 26 juni 1996 heeft geweigerd om haar zonder meer een structurele subsidie te verlenen voor de periode 1997-
  12. Verzoekster heeft dit besluit niet in rechte bestreden. Zij heeft er zich integendeel naar geschikt en een dossier ingediend met een voorstel tot artistieke samenwerking. 2.
  13. Het thans voorliggende beroep is naar de woorden van het inleidend verzoekschrift gericht tegen “het besluit van de Vlaamse minister [van] 28 januari 1997”, waarbij aan verzoekster “een structurele subsidie wordt geweigerd”. Uit het feitenrelaas is reeds gebleken dat verzoekster geen kennis had van het bestaan, laat staan de precieze bewoordingen van het besluit van de Vlaamse regering van 28 januari 1997 en dat zij is voortgegaan op een faxbericht. Ook dit faxbericht maakt evenwel geen gewag van een ministerieel besluit, enkel van een beslissing van de Vlaamse regering. Hoe dan ook kon het besluit en dienvolgens het huidige beroep, gelet op wat sub 2.
  14. is vastgesteld, nog enkel betrekking hebben op de weigering om subsidies te verlenen “voor elk apart seizoen” en “voor de realisatie van een voorstel tot samenwerking met een [andere] organisatie”.
  15. Het belang, waarvan een verzoekende partij blijk moet geven, dient te bestaan op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep en zij moet dat belang behouden tot aan de uitspraak. De aard van het belang kan weliswaar evolueren maar een verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de vernietiging haar een concreet voordeel oplevert; dit voordeel moet in principe meer zijn dan de genoegdoening verbonden met het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing. Het voordeel dat verzoekster oorspronkelijk nastreefde met voorliggend beroep bestond er in, door de gevorderde nietigverklaring, een nieuwe XII-4919-4/7 kans te verwerven om haar voorstel tot samenwerking met ARCA door de minister goedgekeurd te zien worden en aldus ten minste voor het seizoen 1997-1998 voor subsidiëring in aanmerking te blijven komen. Verzoekster is evenwel thans ontbonden als gevolg van een vrijwillig genomen beslissing van haar algemene vergadering. Als vereniging in vereffening is haar handelen beperkt tot de afhandeling van de vereffening en kan zij niet meer optreden ter verwezenlijking van haar statutaire doel. Ter terechtzitting wordt niet tegengesproken dat dit betekent dat het voor verzoekster thans in rechte en in feite te enen male onmogelijk is om te voldoen aan de voor subsidiëring opgelegde voorwaarde, te weten het realiseren van een project van dramatische kunst in samenwerking met een andere organisatie. Het door verzoekster oorspronkelijk geambieerde voordeel kan dan ook niet meer worden bereikt en een nietigverklaring kan niet meer bijdragen tot het rechtsherstel dat verzoekster oorspronkelijk met haar beroep geacht moet worden na te streven. Het initieel belang dat verzoekster onmiskenbaar had bij het beroep is in die zin onmiskenbaar teloor gegaan. Die vaststelling is van aard om het actueel belang van verzoekster ernstig in vraag te stellen. Opvallend in dit verband is ook dat verzoekster nooit het voorwerp van haar beroep in latere procedurestukken nader inhoudelijk heeft omschreven en dat zij nooit formeel de nietigverklaring heeft gevraagd van het besluit van de Vlaamse regering van 28 januari 1997 voor zover daarin artikel 5 zonder meer wordt opgeheven. Ook niet als verwerende partij als exceptie opwerpt dat, door die formele opheffing, bij een eventuele toekenning van de gevorderde nietigverklaring van louter de weigeringsbeslissing thans zelfs geen subsidies meer verleend kunnen worden. Door de staatsraad-verslaggever gevraagd om schriftelijk stelling te nemen over het gebleven belang, beperken de vereffenaars van verzoekster zich er toe akte te nemen dat “elke kans tot subsidiëring teloor gegaan [is], ook bij vernietiging door de Raad van State van de bestreden beslissing tot afwijzing van het beleidsplan van [verzoekster]”.
  16. In die schriftelijke stellingname van de vereffenaars van de vereniging houden zij haar actueel belang nog enkel staande wegens “de morele genoegdoening”, te horen verklaren dat de vereniging destijds niet tekort is XII-4919-5/7 geschoten bij het opstellen van het “beleidsplan” (bedoeld is allicht, het afgekeurde voorstel tot samenwerking). Horen verklaren dat zij initieel gelijk had, vormt evenwel een belang dat slechts een onrechtstreeks karakter heeft welk niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dat beoogde voordeel is immers enkel verbonden aan het horen gegrond verklaren van een middel en niet aan het verdwijnen van het bestreden besluit uit het rechtsverkeer.
  17. Op de terechtzitting betogen de vereffenaars ook nog dat het actueel belang hen niet kan worden ontzegd omdat reeds in het inleidend verzoekschrift de weigering om subsidies te geven in rechtstreeks verband is gebracht met de toen al gevreesde vereffening. Zij zetten ook uiteen dat zij belang hebben tegenover het vroegere personeel te kunnen uitleggen dat zij al het nodige hebben gedaan en dat de vereffening niet “onze verantwoordelijkheid” is. Wat het eerste argument betreft, moet worden vastgesteld dat in het inleidend verzoekschrift geschreven staat dat liquidatie van de vereniging “niet uitgesloten” is. Verzoekster was voor haar voortbestaan dan ook weer niet zo bevreesd, dat zij van de bestreden beslissing ook de schorsing van tenuitvoerlegging heeft gevorderd. Dergelijke schorsing is nochtans het middel bij uitstek om een rechtspersoon die in haar voortbestaan ernstig is bedreigd te behoeden voor zulk een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel. Zoals gezien is tot de ontbinding voorts op vrijwillige basis besloten. Over de precieze redenen van die beslissing worden in de huidige procedure geen stukken bijgebracht. Anderzijds stelt de Raad vast, aan de hand van de stukken waarop hij wel acht kan slaan en in het bijzonder van wat verzoekster in de memorie van wederantwoord zelf schrijft, dat zij reeds op het ogenblik van het bestreden besluit een bestaande RSZ-schuld had van ongeveer 6 miljoen frank. De betalingsmoeilijkheden van verzoekster bestonden dus reeds voordat het thans bestreden besluit is getroffen. Ten slotte stelt de Raad vast dat verzoekster door de minister werd aangemoedigd om projectmatige subsidies aan te vragen; verzoekster is daar niet op ingegaan. Op grond van al deze elementen kan de Raad niet de stelling van de vereffenaars accepteren dat de bestreden weigering in een zodanig rechtstreeks verband kan worden gebracht met de stopzetting van de activiteiten van de vereniging, dat die weigering dan eventueel nog een gebleven belang zou kunnen onderbouwen. XII-4919-6/7 Het tweede argument kan om de reeds sub
  18. gegeven reden niet worden aangenomen.
  19. Uit wat voorafgaat volgt dat geen actueel belang wordt aangetoond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  20. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  21. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien november 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4919-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.749 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.127.416 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.