← België

Arrest 176751 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 13/11/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.751 Rolnummer: A. 94541/XII-2726 Zaak: Arrest 176751 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 13/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-22 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:05 Fiche Arrest nr 176.751 van 13 november 2007 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.751 van 13 november 2007 in de zaak A. 94.541/XII-

  1. In zake : Ignace CLAEYS, wonende te Oostende, Guido Gezellestraat 7 tegen : de GEMEENTE BREDENE. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ignace Claeys op 11 augustus 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het bevorderingsexamen van technisch medewerker - magazijn (C1-C3) ingericht door de Gemeente Bredene op 17 juni 2000 en van de hem op 30 juni 2000 medegedeelde beslissing houdende zijn niet-geslaagd zijn voor het schriftelijk gedeelte van het bevorderingsexamen van technisch medewerker - magazijnier”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 9 maart 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 31 augustus 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 oktober 2007; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-2726-1\11 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. Louage, die loco advocaat B. Bronders verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
  2. Verzoeker is tewerkgesteld bij de gemeente Bredene en behoort tot het vastbenoemd technisch personeel - niveau D. Op 3 april 2000 beslist de gemeenteraad van de gemeente Bredene één voltijdse betrekking van technische medewerker - magazijn (niveau C1-C3) uit het statutair personeelskader bij bevordering open te verklaren. De kandidaten die aan de voorwaarden voldoen om deel te nemen aan het bevorderingsexamen, ontvangen op 17 april 2000 onder meer de functiebe- schrijving van de openverklaarde betrekking, de bevorderingsvoorwaarden en het examenprogramma. Het examenprogramma vermeldt voor het schriftelijk gedeelte: “Schriftelijk gedeelte : op 50 punten, minimum 50 % voor elke proef Proef 1 op 25 punten :Magazijnbeheer : opstarten, draaiend houden, reorganisatie van magazijn; inventarisatie en gebruik van afkortingen en vaktermen. Proef 2 op 25 punten : Case : i.v.m. magazijnbeheer”. Twee kandidaten, W.V. en verzoeker, dienen een kandidatuur in. Op 22 mei 2000 wordt verzoeker de datum van het schriftelijk gedeelte meegedeeld. In die brief leest verzoeker ook dat het schriftelijk gedeelte betrekking heeft op “basiskennis gemeentewet, overheidsopdrachten en wetgeving Interne Dienst Preventie en Bescherming” (eerste proef), welke leerstof in de brief nader gepreciseerd wordt, en op “case in verband met magazijnbeheer (te verwerken op de computer) en algemene kennis o.a. lezen plannen” (tweede proef). Over die XII-2726-2\11 tweede proef meldt de brief meer in het bijzonder “plannen inzake werken aan gebouwen, wegen,... kunnen lezen en interpreteren met het oog op het opmaken van een meetstaat van de voor de uitvoering van de voorziene werken vereiste materialen”. Met die preciseringen over de leerstof van het examen herneemt de brief de “afbakening van de leerstof voor het bevorderingsexamen voor de technisch medewerker-magazijn” die in overleg met alle juryleden is opgemaakt en door de voorzitter van de jury met een faxbericht van 13 mei 2000 aan de gemeente was doorgegeven. Op 17 juni 2000 kent de examencommissie de kandidaten voor het schriftelijk examengedeelte de volgende punten voor de twee proeven toe : - verzoeker : 19/25 en 6/25; - W.V. : 10/25 en 5/
  3. Beslist wordt dat, vermits om geslaagd te zijn de kandidaat in elk examenonderdeel minstens 50 % van de punten en over het gehele examen 60 % van de punten dient te behalen, geen van beide kandidaten geslaagd is voor het bevorderingsexamen van technisch medewerker - magazijnier. Op 26 juni 2000 beslist ook het college van burgemeester en schepenen dat geen van de kandidaten is geslaagd voor bedoeld examen. Op 30 juni 2000 wordt die beslissing aan verzoeker medegedeeld. 1.
  4. Bij brief van 25 juli 2000 deelt het provinciebestuur het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bredene mee dat tegen het verloop van het bevorderingsexamen van technisch medewerker/magazijnier bij de provincie bezwaar werd ingediend, met verzoek het volledig dossier over te zenden. Op 28 september 2000 zendt de provincie een schrijven aan verzoeker, blijkens welk de gouverneur van oordeel is dat er geen redenen zijn om op te treden tegen de beslissing van het college van 26 juni 2000 houdende kennisneming van de resultaten van het bevorderingsexamen voor technisch medewerker - magazijn. Dezelfde dag deelt de gouverneur dat ook mee aan het gemeentebestuur. XII-2726-3\11 De gegrondheid van het beroep 2.
  5. In het inleidend verzoekschrift worden vier annulatiemiddelen aangevoerd. Als vierde middel noemt verzoeker “de motiveringsplicht in het algemeen” geschonden, betoogt hij dat de bestreden beslissing niet formeel gemotiveerd is omdat de punten hem niet zijn meegedeeld, dat hij ten onrechte niet geslaagd is verklaard omdat de ondervragers niet deskundig waren voor het vak en omdat de inhoud van de gestelde vragen niet overeenkwam met hetgeen het bestuur zichzelf had opgelegd in zijn examenprogramma. Verzoeker besluit dat hij “dit middel verder [zal] uitwerken nadat hij inzage heeft kunnen nemen van het administratief dossier”. In de memorie van wederantwoord, nadat verzoeker dus het dossier heeft kunnen inzien, werkt hij het middel echter geenszins verder uit en herhaalt hij nog enkel dat de ondervragers niet deskundig waren voor hun vak en dat de inhoud van de vragen niet overeen kwam met hetgeen het bestuur zichzelf had opgelegd in het examenprogramma. 2.
  6. In zoverre verzoeker in het vierde middel de formele motiverings- plicht geschonden noemt omdat hem de punten niet werden meegedeeld, voegt hij niets toe aan zijn eerste middel dat hierna wordt onderzocht. 2.
  7. In zoverre verzoeker in het vierde middel een grief formuleert over de inhoud van de gestelde vragen en het examenprogramma, voegt hij ook niets toe aan zijn tweede en derde middel die hierna aan bod komen. 2.4.
  8. Wat dan de deskundigheid van de jury betreft, betoogt verzoeker dat de jury bestond uit twee leraren technische vakken (houtbewerking en mechanica) en twee gemeentelijke ingenieurs (Oostkamp en Zedelgem) en dat “dwz” (dit wil zeggen) dat er geen enkel van de juryleden magazijn- en voorraadbe- heer tot zijn specialiteit heeft, terwijl bij de examenprogramma’s is voorzien dat vier juryleden bevoegd dienen te zijn in de examenstof. 2.4.
  9. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat door de gemeenteraad volgende vereisten zijn gesteld aan de examencommissie: “- Twee ambtenaren van minstens niveau A, bevoegd in de af te nemen examenstof XII-2726-4\11 - Twee leraars Hoger Secundair Onderwijs, bevoegd in de af te nemen examenstof”. De examencommissie was concreet samengesteld uit het diensthoofd van de technische dienst te Oostkamp, het diensthoofd van de technische dienst te Zedelgem, een leraar aan het V.T.I. te Oostende en een leraar aan het K.T.A.-S.T.I.O. te Oostende. Die feitelijke samenstelling past in de geciteerde statutaire voorschriften, wat de hoedanigheid betreft van de juryleden. Dat die vier juryleden niet deskundig zouden zijn in de af te nemen examenstof wordt door verzoeker slechts beweerd, maar op geen enkele concrete wijze aangetoond. Het middelonderdeel is ongegrond. 3.
  10. Als eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, omdat hem alleen werd meegedeeld dat hij niet geslaagd was in het schriftelijk gedeelte van het bevorderingsexamen. Verzoeker wijst er op dat de formele motiveringsplicht vereist dat hem ook de behaalde punten ter kennis moesten zijn gebracht, wat niet is gebeurd. Volgens verzoeker volstaat het niet dat hij het recht heeft om zijn dossier in te zien, en is ook niet relevant of hij effectief van dat recht gebruik heeft gemaakt. 3.
  11. Zelfs indien de gemeente door de kennisgeving van de bestreden beslissingen op 30 juni 2000 onvolledig zou zijn geweest in de mededeling van de motieven, vergist verzoeker zich toch als hij meent de daarop volgende gebeurtenis- sen voorbij te mogen zien. Artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 legt aan het bestuur de verplichting op om in een beslissing als de hier bestredene de juridische en de feitelijke overwegingen op te nemen die aan het besluit ten grondslag liggen. Die formele motiveringsverplichting strekt ertoe de betrokkene in kennis te stellen van de redenen waarom een voor hem ongunstige beslissing is genomen derwijze dat hij zich, met de ter beschikking staande rechtsmiddelen, tegen dat besluit kan verweren door aan te tonen dat de tot uiting gebrachte motieven niet gegrond zijn. Daaruit volgt dat, wanneer de betrokkene op een andere wijze dan XII-2726-5\11 door de formele motivering de motieven van de bestuurshandeling heeft leren kennen en die kennisneming zich heeft voorgedaan in omstandigheden die zijn recht om zich in rechte te verweren tegen die handeling niet in het gedrang brengen, te zijnen opzichte het doel van de formele motivering is bereikt. Verzoeker verkeert in dat geval. Hij ontkent niet dat hij voorafgaand aan het indienen van zijn bezwaarschrift bij de gouverneur op 5 juli 2000 - en ipso facto voorafgaand aan het indienen van het voorliggende annulatieberoep- het examendossier heeft ingezien. In zijn bezwaarschrift bij de gouverneur refereert verzoeker zelfs uitdrukkelijk aan wat hij heeft mogen vaststellen “bij inzage van mijn examenformulieren”. Verzoeker kende dus niet alleen de puntenverdeling, maar kon zelfs de verbetering van zijn examen verifiëren op eventuele onregelmatigheden. Hij kan zich niet meer nuttig beroepen op een eventuele schending van de formele motiveringsplicht. Het eerste middel -en het vierde middel, voor zover het als hiervoor gezien ermee samenvalt- is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. 4.
  12. Als tweede middel roept verzoeker de schending in van de bepalingen van het examenprogramma en van het redelijkheids- en het zorgvuldig- heidsbeginsel, omdat het gemeentebestuur afweek van haar examenprogramma en de examenvragen strijdig waren met hetgeen normaal verwacht kan worden van iemand die deelneemt aan het bevorderingsexamen tot technisch medewerker magazijn. Als derde middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 17 en 18 van het personeelsstatuut en van de functiebeschrijving. Artikel 17 is geschonden omdat de inhoud van het examen afwijkt van de functiebeschrij- ving waarin alleen sprake is van het kunnen lezen van plans en meetinstrumenten. Artikel 18 is volgens verzoeker geschonden omdat er in het personeelsstatuut alleen sprake is van een “case” in verband met magazijnbeheer en het opmaken van een meetstaat duidelijk geen “case” meer is. Verzoeker licht toe dat het gemeentebestuur de inhoud van het eerste onderdeel van het schriftelijk gedeelte totaal heeft gewijzigd door basiskennis van de gemeentewet, overheidsopdrachten en wetgeving interne dienst preventie en bescherming te toetsen. In verband met de tweede schriftelijke proef merkt XII-2726-6\11 verzoeker op dat de functiebeschrijving bij “vaardigheden” vereist een plan kunnen lezen, en bij “kennis” diverse planinstrumenten kunnen lezen, maar “staat in de brief daarentegen bij het algemeen gedeelte plannen inzake werken aan gebouwen, wegen,... kunnen lezen en interpreteren met het oog op het opmaken van een meetstaat van de voor de voorziene werken vereiste materialen”. Verzoeker betoogt dat de meetstaten zoals die in de case-proef gemaakt moeten worden, niet het werk zijn van de magazijnier maar door de ontwerper, de architect, het studiebureau of de aannemer moeten worden opgesteld. Men kan bezwaarlijk voorhouden, aldus verzoeker, dat de gestelde vragen het karakter hebben van het soort dat in een zodanig examen gesteld mogen worden. 4.
  13. Artikel 17 van het statuut stelt dat het examenprogramma de toetsing beoogt van de basisvaardigheden, de communicatiemogelijkheden en het profiel van de kandidaten op basis van het niveau van de betrekking en de functiebeschrijving. Luidens artikel 18 van het statuut stelt de gemeenteraad het examenprogramma vast. De tweede proef, op 25 punten, is in het door de raad vastgestelde examenprogramma genoemd : “Case: i.v.m. magazijnbeheer”. De functiebeschrijving voor technisch medewerker -magazijnier vermeldt als doelstelling van de functie onder meer het “beheren van het magazijn van de volledige technische dienst, organisatie van het beheer en de opvolging van alle materialen op de gemeentelijke werkhuizen”. De opsomming van de verant- woordelijkheden en taken vermeldt, onder andere, de inzameling van alle aanvragen voor bestellingen, het opmaken van alle bestelbons, de verwerking van stockbeheer op personal computer, organisatie, beheer en terbeschikkingstelling van alle gevraagde kledij, materialen, toestellen en machines. Het profiel vermeldt voorts dat de kandidaat over administratieve vaardigheden moet beschikken, “een plan kunnen lezen”, “kunnen werken met pc”, “problemen kunnen analyseren”, kennis heeft van het softwarepakket stockbeheer, “diverse planinstrumenten [kan] lezen” en kennis heeft van de doelstellingen en opdrachten van de eigen dienst. 4.
  14. Het hoort tot de autonomie van de examencommissie om de examenvragen op te stellen en, zo zij daarvoor aan de kandidaten nog nadere XII-2726-7\11 verduidelijking wenst te geven, een “afbakening van de leerstof” vrij te geven. Een dergelijke als verduidelijking bedoelde precisering van de leerstof is geen wijziging van het examenprogramma en helpt de kandidaten zelfs bij de voorbereiding van het examen. Wel moeten die “afbakening” en de op basis daarvan opgestelde examenvragen ter dege passen binnen de grenzen van hetgeen in het examenpro- gramma door de gemeenteraad is vastgelegd. Wat de tweede proef betreft, blijkt de gemeenteraad nu niets meer te hebben voorgeschreven dan dat het een case over het magazijnbeheer moet zijn. Er is op zich niets onwettigs aan het feit dat de jury aan de kandidaten laat weten aan welke case zij zich mochten verwachten. Dat de case in verband met magazijnbeheer was “te verwerken op de computer” en betrekking zou hebben op de “algemene kennis o.a. lezen plannen” wijkt niet af van de functiebe- schrijving waarnaar het examen zich luidens artikel 17 van het statuut moet richten. Een plan kunnen lezen en met pc kunnen werken worden in die functiebeschrijving zelfs uitdrukkelijk als vaardigheden vermeld. Gelet op de taken van de technisch medewerker - magazijnier, meer in het bijzonder die welke hiervoor zijn aangehaald uit de functiebeschrijving, neemt de Raad van State aan dat de jury binnen het examenprogramma is gebleven door de voor het magazijnbeheer vereiste vaardigheden -het lezen van plannen en werken met de computer- te toetsen in een praktijkopdracht die van de kandidaten vergt dat zij aan de hand van een gegeven plan op de computer een meetstaat opmaken van de voor de uitvoering van dat plan vereiste materialen. 4.
  15. De kandidaten hebben concreet in de tweede proef de volgende opdracht gekregen: “De gemeenteraad heeft de aanleg van een parking, op het gemeentelijk domein ‘De Valkaart’, goedgekeurd. Het schepencollege heeft geoordeeld dat de aanleg ervan door het personeel van de technische dienst dient uitgevoerd te worden. Bovendien wenst men eveneens een overdekte fietsberging aan te brengen nabij het administratief centrum ‘Het Beukenpark’, ook deze werken dienen door eigen personeel uitgevoerd. Het schepencollege geeft u de opdracht in te staan voor de bestelling van alle materialen die nodig zijn om deze werken te kunnen uitvoeren. Daartoe dient u twee meetstaten op te maken, één voor de aanleg van de parking en één voor de opbouw van de fietsberging. XII-2726-8\11 Om deze meetstaten duidelijk naar voor te brengen wordt u door het diensthoofd van de technische dienst gevraagd deze op te maken op een PC, met de op de gemeente voorhanden zijnde software, Microsoft Word. Er worden u twee plannen ter beschikking gesteld:
  16. een plan voor de aanleg van de parking :  waarbij het in rood afgebakende gedeelte door het personeel van de technische dienst dient aangelegd  de verharding in asfaltbeton, zowel de binderlaag als de slijtlaag, worden na de aanleg van de steenslagfundering door een aannemer aangelegd  alle andere werken, vanaf de riolering tot en met de beplanting, worden door gemeentepersoneel uitgevoerd
  17. een plan voor de opbouw van de fietsberging :  alle werken, vanaf de funderingen tot en met de afwerking, worden door gemeentepersoneel uitgevoerd”. Het is niet onredelijk om deze concrete opdrachten als een “case magazijnbeheer” te beschouwen. Ook blijkt niet spontaan dat de case het toetsen van de vereiste vaardigheden te buiten gaat. Verzoeker beweert wel dat in de praktijk meetstaten door de architect of de aannemer zouden worden opgesteld. Hij bewijst daarmee nog niet dat in de context van een examen over de vaardigheden van een magazijnier om “in te staan voor de bestelling van alle materialen die nodig zijn om deze werken te kunnen uitvoeren”, examen dat beoogt te toetsen of de examinandus in staat is om een plan te lezen en op de computer te werken en inzicht heeft in de vereiste materialen, het opmaken van een meetstaat niet in de case mag worden verwerkt. Hiervoor heeft de Raad reeds aangenomen dat de jury zich aan het examenprogramma en het functieprofiel heeft gehouden bij de afbakening in abstracto van de leerstof. De examenvragen, zoals ze dan in concreto zijn opgesteld, tonen geen schending van het redelijkheidsbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel aan. 4.
  18. Alvast betrokken op de tweede schriftelijke proef zijn het tweede en het derde middel -en het vierde middel, voor zover het ermee samenvalt zoals hiervoor gezien- ongegrond.
  19. Verzoeker heeft bij de tweede schriftelijke proef enkel een antwoord ingeleverd voor de fietsenstalling. Hij heeft hiervoor de score 6/10 gekregen van de jury. Verzoeker heeft echter niets op papier gezet met betrekking tot de aanleg van de parking, onderdeel dat op 15 punten stond. Verzoeker heeft niet aannemelijk kunnen maken dat de tweede schriftelijke proef strijdt met het examenprogramma of met het statuut. De score 6/10 voor de opgave van de fietsenstalling vecht hij in het verzoekschrift niet aan. XII-2726-9\11 Nu hij zelfs geen antwoord voor het onderdeel aanleg van de parking heeft ingediend, en hij daarvoor dan ook niet meer kan behalen dan 0/15, blijft de score van 6/25 voor dit gedeelte van de schriftelijke proef overeind. Het examenprogramma schrijft voor dat de kandidaten ten minste 50% moeten behalen op elk van beide onderdelen van de schriftelijke proef. Verzoeker is door verwerende partij niet geslaagd verklaard voor het examen, omdat hij geen 50% van de punten behaalde in elk examenonderdeel. Verzoeker heeft er dan ook geen belang meer bij om zijn grieven die op het eerste gedeelte van de schriftelijke proef betrekking hebben -en waarvoor hij overigens 19/25 punten heeft gekregen- onderzocht te zien. Zelfs indien ze gegrond worden bevonden, blijft hij onvoldoende scoren op het tweede gedeelte van het schriftelijk examen en kan hij niet meer tot een geslaagde kandidaat verklaard worden. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
  20. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  21. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-2726-10\11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien november 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2726-11\11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.751 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.