← België

Arrest 176788 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 13/11/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.788 Rolnummer: A. 144634/X-11664 Zaak: Arrest 176788 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 13/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-27 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 04:05 Fiche Arrest nr 176.788 van 13 november 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.788 van 13 november 2007 in de zaak A. 144.634/X-11.

  1. In zake :
  2. Carmen GEERS,
  3. Diederik GEERS, die woonplaats kiezen bij advocaat J. BOSSUYT, kantoor houdende te 8310 ASSEBROEK-BRUGGE, Bossuytlaan 35 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat Y. FRANÇOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat
  4. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Carmen GEERS en Diederik GEERS op 28 november 2003 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 23 september 2003 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie, “houdende verwerping van het beroep van de particulier op basis van een nieuw onderzoek naar aanleiding van het arrest van de Raad van State houdende vernietiging van het ministerieel besluit van 2 juli 1992 houdende verwerping van het beroep van de particulier” tegen de weigering van een stedenbouwkundige vergunning voor het oprichten van een hondenkennel aan de Betferkerkelaan 228 te Brugge (Sint-Andries), op een perceel kadastraal bekend sectie A, nrs. 247/b en 254/d; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 26 januari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-11.664-1/12 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 15 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 juni 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. BOSSUYT, die verschijnt voor de verzoekers, en van advocaat Y. FRANÇOIS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. De feiten Overwegende dat de verzoekende partijen aan de Betferkerkelaan te Brugge (Sint-Andries) een hondenkennel “Les Petits Brugeois”exploiteren; dat niet wordt betwist dat het perceel overeenkomstig het gewestplan Brugge-Oostkust, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 april 1977, in parkgebied is gelegen; dat het perceel niet is gelegen binnen een gebied waarvoor een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan bestaat, en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling; dat ingevolge een proces- verbaal van bouwovertreding, de verzoekende partijen op 13 september 1988 bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge een regularisatieaanvraag indienen, strekkende tot het oprichten van een hondenkennel, in de plaats van een pluimveestal; dat de vergunning achtereenvolgens wordt geweigerd door het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge en door de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen; dat tenslotte ook de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie met een besluit van 2 juli 1992 de vergunning weigert; dat met een arrest nr. 116.243 van 21 februari 2003 de Raad van State dit ministerieel besluit heeft vernietigd, om reden dat de hoorzitting voor de diensten van de administratie van de minister werd voorgezeten door een X-11.664-2/12 “onbevoegde” ambtenaar; dat het onderzoek van het dossier wordt hernomen en op 3 maart 2003 een nieuwe hoorzitting wordt georganiseerd; dat de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie bij het thans bestreden besluit het beroep heeft verworpen; dat dit besluit is gemotiveerd als volgt : “Gelet op het besluit van 2 juli 1992 van de Vlaams minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden waarbij aan mevrouw C. Geers en aan de heer D. Geers de vergunning wordt geweigerd voor het oprichten van een hondenkennel aan de Betferkerkelaan te Brugge (Sint-Andries), kadastraal bekend, sectie A nrs. 247b en 254d; Gelet op het beroep ingesteld bij de Raad van State door mevrouw C. Geers en de heer D. Geers tot nietigverklaring van het ministerieel besluit van 2 juli 1992; Overwegende dat de Raad van State in haar arrest nr. 116.243 van 21 februari 2003 het voornoemde ministerieel besluit heeft vernietigd omdat de decretaal voorziene hoorzitting werd gehouden door een ‘onbevoegde’ ambtenaar; dat een schending van een substantiële vormvereiste werd vastgesteld daar deze hoorzitting werd afgenomen door een ambtenaar van graad 10, terwijl minstens een adjunct-adviseur die de graad 11 heeft slechts bevoegd is om het verhoor af te nemen; Overwegende dat met het voorgaande arrest het ministerieel besluit van 2 juli 1992 werd vernietigd; dat de vernietigingsgrond noopt tot het uitvoeren van een hoorzitting door een gemachtigd ambtenaar en het houden van een nieuw onderzoek ten gronde, zo tijdens deze hoorzitting nieuwe elementen worden aangereikt en in functie van de actualisatie van het oordeel; Overwegende dat het ministerieel besluit van 2 juli 1992 tot weigering van de vergunning als volgt besluit: ‘Overwegende dat de constructie wegens haar bestemming en omvang niet meer kan gerekend worden tot de normale tuinuitrusting bij een residentiële woning maar dat een ambachtelijke bedrijvigheid plaatsvindt; dat enkel kan geoordeeld worden op basis van de bindende planologische voorzieningen door het gewestplan gegeven; dat artikel 79 van de stedenbouwwet, waarbij als uitzondering van de bestemming van het gewestplan afwijkingen mogelijk zijn indien het gaat om onder meer het herbouwen van bestaande vergunde gebouwen, hier niet geldig kan ingeroepen worden gelet op het besluit van 15 maart 1989 van de Vlaamse Executieve, waarin artikel 2 een afwijking van het gewestplan niet toelaat wanneer het onder meer de herbouwing van een bedrijfsgebouw binnen een parkgebied betreft; dat op de aanvraag geen enkele andere uitzonderingsbepaling toepassing kan vinden zodat wegens strijdigheid met de voorzieningen van het gewestplan, de vergunning niet kan gegeven worden; dat het beroep dient verworpen; Overwegende dat het artikel 3 van het ministerieel besluit van 1 februari 1995 houdende aanwijzing van de gemachtigde ambtenaren inzake ruimtelijke ordening stelt dat voor de toepassing van artikel 55, § 2, derde lid, van de wet de ambtenaren van minstens niveau A1 van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, in de plaats van de Vlaamse minister kunnen optreden om de aanvrager of zijn raadsman, alsmede het college van burgemeester en schepenen of de gemachtigde van dit college te horen; dat de hoorzitting d.d. 3 maart 2003 werd gehouden door een ambtenaar van het niveau A1; Overwegende dat de raadsman van de aanvrager tijdens die hoorzitting aanbrengt dat enkel wat onderhouds- en instandhoudingswerken werden uitgevoerd aan de bestaande constructie; dat stukken zouden worden X-11.664-3/12 overgemaakt die aantonen dat de aanvraag geenszins een regularisatie zou betreffen; dat deze echter niet werden overgemaakt; Overwegende dat de initiële aanvraag, ingediend bij ontvangstbewijs van 15 september 1988, het bekomen van een bouwvergunning tot het bouwen van een hondenkennel betrof; dat de aanvraagplannen een constructie weergeven die 40.95 m lang en maximaal 7.40 m breed is, de kroonlijsthoogte van de constructie met plat dak bedraagt 2.75 m; Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Brugge - Oostkust, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 april 1977, gelegen is in een parkgebied; dat overeenkomstig artikel 14.4.4 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen de parkgebieden in hun staat moeten bewaard worden of bestemd zijn om als zodanig te worden ingericht dat ze, in al dan niet verstedelijkte gebieden, hun sociale functie kunnen vervullen; Overwegende dat kwestieuze grond niet gelegen is binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling; dat wegens het ontbreken van enig gedetailleerd ordeningsplan de vergunningverlenende overheid de voorliggende vraag dient te evalueren aan de hand van de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg der plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voorschriften van het vigerend gewestplan; Overwegende dat uit het kadasterplan, horende bij de initiële bouwaanvraag, blijkt dat ongeveer op 3 m van de linker zijdelingse perceelsgrens en op 17.40 m van de voorste perceelsgrens een 21 m lange en 6 m brede constructie voorkwam; dat de thans gevraagde constructie gesitueerd is op 11.75 m van de voorste perceelsgrens en op 0.9 m van de linker zijdelingse perceelsgrens; dat de oorspronkelijke constructie werd gesloopt en uit het aanvraagdossier blijkt dat de gevraagde constructie, blijkens de foto's van het destijds ingediende aanvraagdossier, reeds werd opgericht zodat het derhalve een regularisatieaanvraag betreft; dat de volledig nieuwe constructie opgericht werd op een andere plaats dan het oorspronkelijk bestaande gebouw; Overwegende dat het artikel 14 van de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, die de gewestplanvoorschriften nader toelicht en ruimtelijke criteria in functie van de beoordeling van concrete aanvragen aanreikt, het volgende stelt: ‘De parkgebieden moeten in hun staat bewaard worden of zijn bestemd om zodanig ingericht te worden, dat ze, in de al dan niet verstedelijkte gebieden, hun sociale functie vervullen. Parkgebieden zoals bedoeld in artikel 14.4.4 zijn groene zones, die evenwel niet tot de groengebieden worden gerekend. Zij moeten luidens artikel 14.4.
  6. in hun staat worden bewaard of zijn bestemd om te worden ingericht dat ze, in de al dan niet verstedelijkte gebieden, hun sociale functie kunnen vervullen. Uit het voorschrift blijkt dat de ligging van deze gebieden bij de aanduiding slechts een beperkte rol speelt. Ze kunnen zowel gelegen zijn in of aan de rand van het verstedelijkt gebied, als in het landelijk gebied. Bij de aanduiding werd geen rekening gehouden met het eigendomsstatuut: zowel de privé parken (meestal kasteelparken), als openbare parken werden opgenomen in deze gebieden. Niet alleen gebieden met een specifieke parkstructuur komen hiervoor in aanmerking, ook worden zones aangeduid, die in de toekomst moeten aangelegd worden als parkgebied. Deze gebieden worden vooral aangeduid bij of in woonkernen, waar actueel weinig groen voorhanden is. Bij de omschrijving van het voorschrift wordt het accent gelegd op de sociale functie, die dergelijke parken dienen te vervullen bij de ruimtelijke opbouw van het betrokken grondgebied. X-11.664-4/12 Openbare parken en opengestelde privé-domeinen vervullen tevens een belangrijke recreatieve functie (wandel- en rustoord) . Het is duidelijk dat slechts die werken en handelingen kunnen toegelaten worden, die strikt noodzakelijk zijn voor de openstelling, het behoud, verfraaiing en/of aanleg van het park. Aldus houdt artikel 14.4.4.geen absoluut bouwverbod in, maar beperkt het de bouwmogelijkheden niettemin aanzienlijk. Enkel deze handelingen en werken die behoren of bijdragen tot de inrichting van het parkgebied, zijn er toegelaten met uitsluiting van alle werken en handelingen met een andere bestemming, weze het een residentiële, industriële, agrarische, commerciële en zelfs culturele bestemming. Het is geenszins de bedoeling parkgebieden te transformeren in gebieden voor actieve recreatie. Inplantingen van horecabedrijven binnen deze gebieden kunnen slechts aanvaard worden, wanneer dit gebeurt in functie van de openstelling van het park binnen de bestaande gebouwen. Bij de inplanting van de tot de normale uitrusting van een park behorende accommodaties (waartoe ook toiletten en dergelijke kunnen behoren) wordt rekening gehouden met o.m. de nood aan dergelijke accommodaties in functie van het gebruik door het publiek van het parkgebied, de visuele inpassing en de plaats van inplanting. Parkgebieden zijn al evenmin gebieden waar gemeenschapsvoorzieningen of openbare nutsvoorzieningen moeten ingeplant worden (scholen, medische instellingen en dergelijke), ten ware de bestaande gebouwen hiertoe geschikt zouden zijn en de openstelling voor het publiek op langere termijn niet in het gedrang wordt gebracht.’; Overwegende dat de aanvraag op geen enkele wijze bijdraagt tot het openstellen, het behoud, de verfraaiing en/of de aanleg van het parkgebied; dat de constructie wegens haar bestemming en omvang niet kan gerekend worden tot de normale tuinuitrusting bij een residentiële woning maar dat er een ambachtelijke bedrijvigheid plaatsvindt; dat aan de hondenkennel evenmin een sociale functie kan worden toebedeeld zodat formele strijdigheid bestaat met de vigerende bestemmingsvoorschriften van het gewestplan; Overwegende dat de aanvraag, in functie van een hondenkennel, in geen enkele relatie staat met het parkgebied in de ruime zin; dat dergelijke van het gewestplan afwijkende bestemming maar kan beoordeeld worden binnen het geëigend uitzonderingskader van artikel 145bis, § l; dat, voor zover voldaan is aan de voorwaarden gesteld in deze paragraaf, de geldende bestemmingsvoorschriften van de gewestplannen en de algemene plannen van aanleg op zichzelf geen weigeringsgrond vormen bij de beoordeling, door de vergunningverlenende overheid, van aanvragen tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning met betrekking tot bestaande gebouwen; dat deze uitzonderingsbepaling slechts geldt indien de aanvraag betrekking heeft op volgende van belang zijnde items: l/ het verbouwen van een bestaand gebouw binnen het bestaande bouwvolume; 2/ het herbouwen op dezelfde plaats van een bestaand gebouw binnen het bestaande bouwvolume voorzover het karakter, de verschijningsvorm en de functie van het gebouw behouden blijven; als herbouwen op dezelfde plaats wordt beschouwd, het herbouwen van een nieuw gebouw dat op minstens drie kwart van de oppervlakte van de bestaande gebouwen wordt opgericht; voor woninggebouwen wordt de bestaande woonoppervlakte bedoeld met inbegrip van de woningbijgebouwen, die er fysisch één geheel mee vormen; 3/ het herbouwen op een gewijzigde plaats van een bestaand gebouw binnen het bestaande bouwvolume op voorwaarde dat het gebouw getroffen is door een rooilijn of gevat is door een gemeentelijke verordening inzake de voorbouwlijn en op voorwaarde dat de wijziging van de inplanting zich beperkt tot de verplaatsing die tot gevolg heeft dat het gebouw dezelfde voorbouwlijn krijgt X-11.664-5/12 als de dichtstbijzijnde gebouwen of tot de verplaatsing conform de in de verordening bepaalde voorbouwlijn; Overwegende dat de aanvraag op geen enkele wijze kan ingepast worden in de enige geldende voornoemde uitzonderingsmodaliteiten, zoals vervat in het voornoemde artikel 145, bis § l; dat immers de thans voorliggende nieuwe constructie niet gelegen is op de plaats van én groter is dan de initieel bestaande kennel; dat het gebouw niet getroffen is door een rooilijn of gevat is door een gemeentelijke verordening inzake de voorbouwlijn; dat derhalve de aanvraag niet voor vergunning in aanmerking kan komen; dat het beroep van de particulier dient te worden verworpen”; dat de verzoekende partijen op 30 januari 2003 een nieuwe stedenbouwkundige aanvraag hebben ingediend ter regularisatie van de herbouw van de hondenkennel; dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge bij besluit van 17 oktober 2003 de vergunning heeft geweigerd; dat de verzoekende partijen tegen deze weigeringsbeslissing administratief beroep hebben aangetekend; dat de vergunning bij ministerieel besluit van 23 november 2005 definitief werd geweigerd; dat dit ministerieel besluit niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State;
  7. Ontvankelijkheid 2.1.1.
  8. Overwegende dat door de verwerende partij wordt opgeworpen dat de verzoekende partijen een identieke aanvraag hebben ingediend op 30 januari 2003, hetgeen minstens een stilzwijgende afstand van de eerdere aanvraag impliceert, en dat de verzoekende partijen derhalve niet meer doen blijken van het vereiste belang; 2.1.1.
  9. Overwegende dat de verzoekers hierop repliceren dat zij de nieuwe aanvraag hebben ingediend “enkel en alleen” ter vrijwaring van hun rechten, dat zij geenszins afstand hebben willen doen van hun eerdere aanvraag, en dat het decreet ruimtelijke ordening nergens verbiedt meerdere aanvragen in te dienen; 2.1.1.
  10. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie nog stellen dat het nooit hun intentie is geweest door het indienen van een nieuwe aanvraag afstand te doen van hun eerdere aanvraag, maar dat zij gelet op de lange duur van de procedure, gebruik hebben willen maken van de in de tijd beperkte gelding van artikel 195quinquies, eerste lid van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), zoals vervangen bij het decreet 8 maart 2002, om de regularisatie van de in het verleden onvergund uitgevoerde werken te verkrijgen; X-11.664-6/12 2.1.1.
  11. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie volhardt in de door haar opgeworpen exceptie; 2.1.
  12. Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de tweede vergunningsaanvraag eveneens tot een definitief weigeringsbesluit heeft geleid; dat de omstandigheid dat de verzoekende partijen gelet op hangende procedure, gebruik hebben willen maken van de in de tijd beperkte gelding van artikel 195quinquies, eerste lid DRO tot het verkrijgen van de regularisatievergunning voor de in het verleden onvergund uitgevoerde werken, niet tot gevolg heeft dat zij hierdoor het vereiste belang bij het huidige beroep verliezen; dat de opgeworpen exceptie niet kan worden aangenomen; 2.2.1.
  13. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat de verzoekers geen belang meer hebben bij de voorliggende vordering aangezien artikel 145bis, §1 DRO bepaalt dat geen regularisatie- vergunning voor ver- of herbouwen kan worden afgeleverd indien het bestaande gebouw verkrot is, dat uit het administratief dossier blijkt dat de oorspronkelijke gebouwen volledig vervallen waren, dat dit een wettelijk beletsel vormt voor het afleveren van een regularisatievergunning, dat bijgevolg de Vlaamse minister hoe dan ook opnieuw de aanvraag -voor zover ze nog zou bestaan- dient te weigeren; 2.2.1.
  14. Overwegende dat de verzoekers hierop repliceren door o.m. te verwijzen naar de verschillende decreetswijzigingen van de voorbije jaren en de parlementaire stukken en stellen dat de verwerende partij volledig ten onrechte en tegen de dossiergegevens in verwijst naar een absoluut niet-bestaande verkrotting; 2.2.1.
  15. Overwegende dat de verzoekers in hun laatste memorie niets wezenlijks aan het voorgaande toevoegen; 2.2.1.
  16. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie herhaalt dat de desbetreffende gebouwen verkrot waren, zodat de Vlaamse minister hoe dan ook genoodzaakt zal zijn om in geval van een eventuele vernietiging identiek dezelfde beslissing te nemen, dat bijgevolg de verzoekende partijen geen belang hebben; X-11.664-7/12 2.2.
  17. Overwegende dat het al dan niet verkrot zijn van een zonevreemd gebouw een criterium betreft dat door de vergunningverlenende overheid dient te worden nagegaan bij het onderzoek van een aanvraag waarin aanspraak wordt gemaakt op de toepassing van de uitzonderingsregels vervat in artikel 145bis DRO; dat te dezen in het bestreden besluit hieromtrent geen enkel gegeven is terug te vinden; dat het niet aan de Raad van State toekomt zich uit te spreken over de feitelijke gegevens van een vergunningsaanvraag; dat hij enkel over een marginaal toetsingsrecht beschikt met betrekking tot de beoordeling van de feitelijke gegevens van een vergunningsaanvraag door de bevoegde administratieve overheid; dat te dezen het bestreden besluit geen enkel gegeven, noch beoordeling bevat over het al dan niet verkrot zijn van het betrokken gebouw in de zin van artikel 145bis, §1 DRO; dat alleen al om deze reden de opgeworpen exceptie niet kan worden aangenomen;
  18. Ten gronde 3.1.
  19. Overwegende dat de verzoekers in een enig middel de schending aanvoeren van artikel 145bis, §1 DRO, van het redelijkheidsbeginsel en van de algemene en bijzondere motiveringsverplichting; dat zij dit motiveren als volgt: “DOORDAT de Heer Minister oordeelt (...) dat ‘de aanvraag op geen enkele wijze kan ingepast worden in de enige geldende voornoemde uitzonderingsmodaliteiten, zoals vervat in het voornoemde artikel 145, bis, § 1; dat immers de thans voorliggende nieuwe constructie niet gelegen is op de plaats van én groter is dan de initieel bestaande kennel; dat het gebouw niet getroffen is door een rooilijn of gevat is door een gemeentelijke verordening inzake de voorbouwlijn; dat derhalve de aanvraag niet voor vergunning in aanmerking kan komen’; en dit nadat hij volledig in strijd met de waarheid en de feitelijkheid had gesteld dat het een ‘volledig nieuwe constructie’ betreft die ‘opgericht werd op een andere plaats dan het oorspronkelijk bestaande gebouw’ (...) TERWIJL Eerste onderdeel dient vastgesteld dat de beslissing werd genomen op grond van feitelijke onjuiste gegevens, zowel wat betreft de inplanting van de initieel bestaande kennel als wat betreft de hoegrootheid van deze bestaande kennel. nu uit de hierboven aangehaalde feitelijke gegevens - (...) , inzonder het fotomateriaal (...), het plan van beëdigd Landmeter Van Overschelde (...), de kaart van 1000-jarig Sint Michiels (...), de verklaringen van zowel Mevrouw Sneppe (...) als Mevrouw Debbaut (...), de bouwplannen van Architect E. Van Assche (...) en het opmetingsgegeven van het kadaster (...), duidelijk blijkt en vaststaat dat de constructie niet alleen het herbouwen (overeenkomstig de huidig van toepassing zijnde definitie van dit woord) betreft van het X-11.664-8/12 bijgebouw op de bestaande funderingen/oppervlakte van het sinds vroeger bestaande bijgebouw, doch tevens ook binnen het bestaande bouwvolume - dat zelfs gedeeltelijk werd verminderd qua volume, door reductie van de hoogte - en waarbij het karakter, de verschijningsvorm en de functie als hondenkennel van het gebouw behouden is gebleven. Dat eveneens dient vastgesteld dat de Heer Minister in zijn vernietigd besluit van 02.07.1992 (...), in tegenspraak met hetgeen hij op 23.09.2003 in het thans bestreden besluit stelde (...), wel degelijk heeft geoordeeld (...) ‘dat op het terrein na afbraak van de bestaande bijgebouwen op dezelfde plaats, een 39 meter lange hondenkennel is opgericht, met een breedte gedeeltelijk van 7,30 meter en 5,40meter; dat de konstruktie op 14,75 meter achter de rooilijn staat, en tot 0,90 meter van de rechter zijdelingse perceelsgrens komt; ...’ Dat de Heer Minister in zijn vernietigd besluit van 02.07.1992 (...) tevens duidelijk heeft gesteld dat ‘dezelfde grondvesten zijn benut, ...’ Ook de Heer Directeur-generaal heeft op 26.02.1990 duidelijk gesteld (...) nopens de heropgerichte hondenkennel, dat deze staat op dezelfde inplanting. Bovendien is volledig voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in art. 145bis, § 1, 3de lid D.R.O., waarbij ondermeer wat betreft de functie als kennel moge verwezen naar de milieuvergunning bij akteneming, verkregen op 11.01.1991, na indiening der vergunningsaanvraag op 28.09.1990 (...) gelet het vergunningsplichtig geworden zijn op 03.04.1990 sinds het B.VL. Exec. 21.03.1990 (B.S. 03.04.1990). Dat ook hier kan vastgesteld dat de Heer Minister in zijn vernietigd besluit van 02.07.1992 (...) duidelijk heeft gesteld ‘dat het hier gaat om een elitehondenkwekerij die sinds 1959 in de afgebroken gebouwen is uitgebaat;...’ Dat uit dit alles dan ook volgt dat in het thans bestreden besluit van 23.09.2003 wordt uitgegaan van volstrekt onjuiste feitelijke gegevens, terwijl uit de hierboven talloos aangehaalde gegevens het tegendeel vaststaat en het verkeerde uitgangspunt is aangetoond. Dat uiteraard het meerder aangehaalde in het bestreden ministerieel besluit van 23.09.2003, (...) in casu geenszins dienstig is nu de kwestieuze aanvraag ressorteert onder de specifieke uitzonderingsregeling zoals voorzien door art. 145 bis § 1 D.R.O.. Dat dan ook eveneens (het aangehaalde op blz 4, 1ste par), in casu niet dienstig is nu art. 145 bis § 1 D.R.O. duidelijk bepaalt dat vigerende bestemmingsvoorschriften op zichzelf geen weigeringsgrond kunnen vormen binnen het kader van de in het desbetreffend artikel voorziene uitzonderingsregeling. Tweede onderdeel Het is duidelijk dat alle eenzijdige individuele rechtshandelingen die uitgaan van het bestuur en die rechtsgevolgen beogen, uitdrukkelijk en afdoende moeten worden gemotiveerd in de akte zelf en met vermelding van de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen, zodat het bestreden besluit dat niet de juridische en feitelijke overwegingen die eraan ten grondslag liggen bevat, niet naar behoren van recht gemotiveerd is. Dat de motivering dan ook niet alleen niet vaag en algemeen mag zijn, maar bovendien mag zij niet steunen op feitelijk onjuiste gegevens, hetgeen in casu het geval is nu duidelijk vaststaat dat het om een bestaand bijgebouw ging, waaraan instandhoudings- en onderhoudswerken/herbouwingswerken geschiedden, op dezelfde plaats en binnen hetzelfde volume als het vroeger bestaande bijgebouw. Het is dan ook duidelijk dat de wet van 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen werd geschonden. BESLUITEND kan dan ook gesteld dat, waar de bestreden weigerings- beslissing van 23.09.2003 gestoeld is op een onjuist gegeven, en er gekomen X-11.664-9/12 is op grond van volledig verkeerde feitelijke gegevens, de aangehaalde motiveringen dan ook noch rechtens, noch in de feiten, dienstig zijn zodat de tussengekomen weigeringsbeslissing dan ook dient aanzien als genomen zijnde met schending van art. 145 bis, § 1 D.R.O. en met miskenning van de algemene en bijzondere motiveringsverplichting, waarbij de tussengekomen beslissing dan ook elke eerbiediging van het redelijkheidsbeginsel ontbeert”; 3.1.
  20. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat uit het dossier blijkt dat wel degelijk een ander gebouw op een andere plaats werd opgetrokken en dat de stukken die de verzoekers bijbrengen niet het tegendeel vermogen aan te tonen; 3.1.
  21. Overwegende dat de verzoekers in hun memorie van wederantwoord bij hun ingenomen standpunt blijven en aan de verwerende partij vragen om afstand te nemen van de poneringen van haar raadsman, zo niet passend gevolg te geven aan haar beweringen door het indienen van een klacht of het instellen van een valsheidsvordering; 3.1.
  22. Overwegende dat de verzoekers in hun laatste memorie niets wezenlijks aan het voorgaande toevoegen; 3.1.
  23. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie stelt dat zij de kadasterplannen bij het dossier heeft gevoegd, waaruit blijkt dat de feitelijke vaststellingen van de Vlaamse minister omtrent de grootte en de inplanting van de oorspronkelijke gebouwen klopt en de nieuwe gebouwen veel groter en elders zijn ingeplant; 3.1.
  24. Overwegende dat de verzoekers op de terechtzitting een “proces verbaal van vaststelling” van 30 mei 2007 opgesteld door gerechtsdeurwaarder P. De Smedt met inbegrip van een kadasterplan, neerleggen; 3.2.
  25. Overwegende dat de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie in zijn besluit van 23 september 2003 heeft geoordeeld op basis van “het kadasterplan, horende bij de initiële bouwaanvraag” en de ingediende plannen, die een regularisatieaanvraag betreffen nu de nieuwe constructie reeds werd opgericht; X-11.664-10/12 3.2.
  26. Overwegende dat zowel de verzoekers als de verwerende partij zich steunen op het kadasterplan dat werd afgeleverd te Brugge op 6 oktober 1988; dat de aanduiding van het bestaande gebouw op dit kadasterplan bevestiging vindt in het door de verzoekers bij het verzoekschrift gevoegde “schetsplan - met duidelijk aangegeven maten- opgemaakt in 1928 door de diensten van het Kadaster”, waarnaar zij eveneens verwijzen; 3.2.
  27. Overwegende dat uit het voormelde kadasterplan en schetsplan blijkt dat het gebouw dat zich op het ogenblik van de opmaak van deze plannen op het betrokken terrein bevond een breedte had van circa 6 m over de ganse diepte van het gebouw, die circa 21 m bedroeg; dat dit gebouw was ingeplant op circa 3 m van de zijdelingse perceelsgrens en 17,40 m van de voorste perceelsgrens; 3.2.
  28. Overwegende dat het bouwwerk waarvoor het bestreden besluit de vergunning weigert volgens de ingediende plannen een breedte heeft van 5,45 m vooraan tot op een diepte van 15,20 m en van vervolgens 7,40 m tot op een diepte van 40,95 m; dat deze plannen geen inplantingsplan bevatten waarop de perceelsgrenzen en de afstand van het betrokken gebouw tot de perceelsgrenzen is aangeduid; 3.2.
  29. Overwegende dat voormelde gegevens enkel het in het bestreden besluit gestelde bevestigen dat de “nieuwe constructie werd opgericht op een andere plaats dan het oorspronkelijk bestaande gebouw”; dat het feit dat voor een gedeelte de fundamenten van het oorspronkelijk bestaande gebouw werden herbruikt gelet op de veel grotere afmetingen van het nieuw opgerichte gebouw, het tegengestelde niet aantonen; 3.2.
  30. Overwegende dat het enig middel niet gegrond is; BESLUIT: Artikel
  31. Het beroep wordt verworpen. X-11.664-11/12 Artikel
  32. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien november 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit: de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.664-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.788 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.