id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.790 Rolnummer: A. 185723/XII-5258 Zaak: Arrest 176790 - Varia (onderwijs en cultuur) - 13/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-20 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 04:05 Fiche Arrest nr 176.790 van 13 november 2007 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.790 van 13 november 2007 in de zaak A. 185.723/XII-
- In zake : Christian VILLANI, die woonplaats kiest bij advocaat S. Verbist, kantoor houdende te Antwerpen, Graaf van Hoornestraat 34 tegen : de PROVINCIE ANTWERPEN, die woonplaats kiest bij advocaat Chr. Coen, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 210 A. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Christian Villani op 6 november 2007 per fax en op 7 november 2007 per aangetekend schrijven heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van : “
- De beoordeling zonder gekende datum van bijkomende geïntegreerde proef zoals opgelegd door de klassenraad in juni 2007 en zoals uitgevoerd door Christian Villani, [...]
- De beslissing dd. 25 oktober 2007 van de delibererende klassenraad van de Provinciale Technische Scholen Boom voor het 2/ leerjaar van de 3/ graad Elektromechanica TSO waarmee de beslissing van de delibererende klassenraad om aan Christian Villani een C-attest toe te kennen, wordt gehandhaafd”; Gezien het eveneens op 7 november 2007 ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 6 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 november 2007, om 9.30 uur; XII-5258-1/11 Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. Verbist, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaten S. Heylen en Chr. Coen, die verschijnen voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
- Verzoeker is leerling, tweede leerjaar van de derde graad electro- mechanica, aan de Provinciale Technische Scholen te Boom. In juni 2007 beslist de delibererende klassenraad om zijn beslissing over het al dan niet slagen van verzoeker uit te stellen en hem bijkomende proeven op te leggen voor aardrijkskunde, technologie elektriciteit en voor de geïntegreerde proef (hierna ook GIP). Voor de GIP kreeg verzoeker initieel 36/100, voor de aanvullende taak wordt hij met de score 35/100 bedacht. 1.
- Op 29 augustus 2007 beslist de delibererende klassenraad om verzoeker een oriënteringsattest C toe te kennen. Het overleg tussen verzoeker en de directeur over dit resultaat en een nota van verzoeker van 30 augustus 2007 “aan de klassenraad” brengt de directeur ertoe de klassenraad andermaal samen te brengen. 1.
- Op 4 september 2007 beraadslaagt de klassenraad opnieuw en hij beslist het toegekende C-attest te handhaven. XII-5258-2/11 1.
- Verzoeker tekent bezwaar aan bij de beroepscommissie die op 18 september 2007 adviseert dat de delibererende klassenraad niet opnieuw dient te worden samengeroepen. De deputatie volgt dit advies en beslist op 20 september 2007 om de klassenraad niet opnieuw samen te roepen. 1.
- Bij arrest nr. 175.501 van 9 oktober 2007 schorst de Raad van State bij uiterst dringende noodzakelijkheid de laatstgenoemde beslissing. 1.
- Op 24 oktober 2007 neemt de delibererende klassenraad een nieuwe beslissing, waarbij het C-attest behouden blijft. Dit is in huidig geding de tweede bestreden beslissing. Ze wordt met aangetekende en gewone brieven van 25 oktober 2007 aan verzoeker ter kennis gebracht en luidt als volgt : “De delibererende klassenraad heeft in vergadering van 24 oktober 2007 besloten om de beslissing van 29 augustus 2007, namelijk om aan u een C-attest toe te kennen, te handhaven. Deze beslissing is gebaseerd op volgende elementen : ‘Verwijzend naar het arrest van de Raad van State van 9 oktober 2007 heeft de Deputatie op datum van 18 oktober 2007 beslist om de delibererende klassenraad van PTS Boom opnieuw bijeen te roepen teneinde te beraadslagen over het al dan niet geslaagd zijn van de heer Villani. De klassenraad vat het dossier van de heer Villani samen als volgt : Op 15 mei 2007 leverde de heer Villani zijn GIP-boek in. Op 18 juni 2007 volgde de mondelinge verdediging voor de jury. De heer Villani behaalde een 36 op 100 en kreeg een aanvullende taak. De opdracht van de aanvullende taak werd op tijd, samen met het rapport, aan de heer Villani medegedeeld en omvatte - een gedetailleerd schema opstellen - een theoretische uitwerking van de oorspronkelijke opdracht waarbij een naderingsschakelaar, een functie voor gehandicapten en de nodige veiligheden eigen aan de draaideur zijn uitgewerkt - het opstellen en bespreken van een PLC-programma en een elektrisch schema - het maken van sterkteberekeningen op alle onderdelen van je eigen constructie. De aanvullende taak moest op 20 augustus 2007 ingediend worden. De jury quoteerde deze aanvullende taak andermaal als onvoldoende, met 35 op
- Ter verduidelijking van deze quotering benadrukte de Voorzitter van de GIP-jury ten overstaan van de klassenraad dat de opdracht van het herexamén voorheen wel degelijk besproken is geweest met de heer Villani en hij op alle vragen antwoord heeft gekregen, net zoals de andere leerlingen. Als voorbeeld verwijst de Voorzitter van de jury naar de opgave waarbij de veiligheden eigen aan een draaideur dienden uitgewerkt te worden. (zie opdracht aanvullende taak). Deze veiligheden had de heer Villani wel besproken maar hij had hierbij zelf een schema moeten opstellen, wat hij niet heeft gedaan. De heer Villani stelde ter verdediging dat hij had begrepen dat hij het elektrisch schema bij een fabrikant moest halen. Nochtans stond in de aanvullende taakomschrijving duidelijk vermeld ‘het opstellen en bespreken van een PLC-programma en een elektrisch schema’. De jury merkte verder op dat - ofschoon de jury nog 45 minuten heeft geprobeerd om enig zinnig antwoord te krijgen - de heer Villani op het XII-5258-3/11 mondelinge gedeelte van de proef het ingediende schema niet voldoende kon bespreken. Het ontbrekende PLC-programma werd alsnog op 3 september 2007 afgegeven, doch kan door de klassenraad niet in overweging worden genomen aangezien het laattijdig werd ingediend. De laattijdige afgifte vormt voor de klassenraad overigens het bewijs dat de heer Villani wel degelijk beseft dat zijn GIP-proef onzorgvuldig was gemaakt. De aanvullende opdracht omvatte tevens het maken van een PowerPoint presentatie. Deze PowerPoint presentatie werd niet voorgelegd omdat ze identiek was aan de voorgelegde bladzijden van zijn werk. De heer Villani kon op deze manier uiteraard zijn presentatie niet versterken, terwijl andere leerlingen van zijn klas dat wel hadden gedaan. Uit het bovenstaande stelt de klassenraad vast dat er geen redenen zijn om de quotering van de uitgestelde proef als onjuist en onredelijk te beschouwen; de quotering op zich wordt overigens door de betrokken leerling niet betwist. Bij de beoordeling van het eindresultaat hecht de klassenraad veel belang aan de resultaten van de GIP. De klassenraad verwijst hierbij allereerst naar de omzendbrief van het secundair onderwijs van 25 juni 1999 waarin als leidraad ‘de resultaten van de geïntegreerde proef’ als afzonderlijk en kernitem worden opgenomen. De omzendbrief vermeldt uitdrukkelijk dat, rekeninghoudende met de andere resultaten, het resultaat van de GIP onverminderd een belangrijk element betekent in de eindbeoordeling en dat zij inherent is aan het toetsingsmechanisme rond het al dan niet voldaan hebben voor het geheel van de vorming. In overeenstemming met deze regelgeving, bepaalt het schoolreglement bovendien dat naast de permanente evaluatie en de proefwerken aparte (lees: bijzondere) aandacht uitgaat naar de evaluatie van de stages en de geïntegreerde proef. In een algemene beoordeling van de betrokken leerling komt de klassenraad tot de volgende vaststellingen :
- Wat betreft de permanente evaluatie en de proefwerken, stelt de klassenraad vast dat de heer Villani een licht tekort had op het laatste examen voor Wiskunde. De leerling had daarnaast drie uitgestelde proeven voor de GIP, Aardrijkskunde en Technologie elektriciteit. De tekorten voor de vakken Aardrijkskunde en Technologie elektriciteit werden opgehaald.
- Niettemin is er in de globale evolutie van de resultaten sprake van een dalende trend. De klassenraad stelt immers vast dat de resultaten van de heer Villani voor dagelijks werk van de tweede naar de derde periode een daling aangeven bij 14 van de 19 vakken, evenals een significante daling voor 7 vakken van de derde naar de vierde periode. Bovendien dalen de resultaten bij de examens op de helft van de vakken en haalde de leerling bij de uitgestelde proef voor de GIP een lagere score dan in juni
- De overige resultaten van de leerling, zijnde het dagelijks werk en de examenresultaten, zijn dan ook niet van die aard dat zij de klassenraad ertoe bewegen om de heer Villani over de hele lijn onvoorwaardelijk gunstig te beoordelen
- de klassenraad houdt rekening met het zeer positieve stageverslag van de leerling, waaruit blijkt dat bepaalde competenties en attitudes voor het werken in een bedrijfsomgeving, wel zijn verworven. Een dergelijk verslag zou de klassenraad er kunnen toe bewegen om beperkte tekorten voor de GIP als delibereerbaar te beschouwen.
- op basis van de resultaten van de GIP voor de betrokken leerling, is de klassenraad evenwel van oordeel dat de leerling zich de vakoverschrijdende competenties onvoldoende eigen heeft gemaakt om hem geslaagd te verklaren. Het positieve stageverslag kan een dergelijk zwaar tekort niet uitwissen of compenseren. Middels de GIP dient de leerling te bewijzen dat hij de leerstof van de verschillende vakken op een zelfstandige wijze kan aanwenden voor het uitvoeren van een opdracht. De GIP heeft dan ook als doel om op een synthetische en realiteitsgebonden wijze te toetsen in welke mate een leerling de beoogde vormingscomponenten van een studierichting heeft verworven. Het XII-5258-4/11 zware tekort leidt tot de conclusie dat deze competenties onvoldoende verworven zijn. De leerling heeft met deze resultaten vooralsnog niet bewezen over de juiste capaciteiten te beschikken en dat hij capabel is om in het bedrijfsleven te stappen. Beslissing klassenraad: de heer Villani vertoont een duidelijk gebrek aan wil en motivatie om de vereiste studieresultaten te behalen. Daarom blijft het C-attest behouden.’;”. Het voorwerp
- Verzoeker toont niet aan in hoeverre de door hem als eerste bestreden akte (“de beoordeling zonder gekende datum van bijkomende geïntegreerde proef zoals opgelegd door de klassenraad in juni 2007”) te dezen meer zou zijn dan een louter voorbereidende beslissing ten opzichte van de tweede bestreden beslissing. Enkel die laatst bestreden beslissing, als definitieve beslissing van de delibererende klassenraad t.a.v. de betrokken leerling, is vatbaar voor beroep bij de Raad van State. Zulks betekent niet dat gegevens van de voormelde proef of zijn beoordeling niet kunnen worden aangevoerd om de onwettigheid van de enige ontvankelijk bestreden beslissing mede aan te tonen, wat verzoeker overigens ook doet. De schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 4.1.
- Wat de tweede voorwaarde betreft, voert verzoeker in een eerste middel de schending aan van “de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel en art. 5, § 5 organisatiebesluit door de selectieve en foutieve lezing van het cijfermateriaal om een dalende trend vast te stellen in de globale resultaten”. Verzoeker beschrijft daartoe voor drie groepen van vakken de evolutie tussen dagelijks werk 3(DW3) en 4(DW4) en examen 2(EX2) : XII-5258-5/11 voor de niet-technische algemene vakken wijst hij op een sterk stijgende trend in het dagelijks werk en een licht dalende trend in de proefwerken en stelt dat hieruit bezwaarlijk een “globale dalende trend” kan worden afgeleid; voor de technische vakken geeft hij toe dat er een significant dalende trend van periode DW2 tot DW3 is maar stelt dat deze overtuigend werd gekeerd in de laatste examenperiode zodat ook hier geen “globale dalende trend” is; voor de praktijkvakken volgt de student de globale trend van de klasgroep die opwaarts gericht is en technologie electriciteit werd in herkansing opgehaald. Volgens verzoeker komt de klassenraad echter opnieuw tot zijn niet gepreciseerde “vaststelling” dat in de globale evolutie van de resultaten sprake zou zijn van een dalende trend; de klassenraad verwijst naar het dagelijks werk van de tweede naar de derde periode, maar verzwijgt dat deze dalende trend zich voordeed in de hele klasgroep en dat de dalende trend gekeerd werd in de examenperiode terwijl de dalende trend voor de hele klasgroep tot uiting kwam in de examenperiode. 4.1.
- De overwegingen in de bestreden beslissing - onder punten
- en
- van de algemene boordeling - dat de resultaten van verzoeker voor dagelijks werk van de tweede naar de derde periode een daling aangeven bij 14 van de 19 vakken, evenals een significante daling voor 7 vakken van de derde naar de vierde periode en dat bovendien de resultaten bij de examens op de helft van de vakken dalen, lijken met de feiten te stroken. In verzoekers analyse wordt voor drie groepen van vakken de evolutie tussen DW3, DW4 en EX2 onderzocht; de delibererende klassenraad gaat daarentegen de evolutie na tussen de tweede en de derde periode (DW2-DW3) en tussen de derde en de vierde periode (DW3-DW4). Daarnaast heeft verzoeker wat de examens betreft, de resultaten opgesplitst in drie categorieën terwijl de klassenraad het geheel van de resultaten bekijkt. Voorts heeft verzoeker vergeleken met de klas; de klassenraad overschouwde enkel verzoekers resultaten. De wijze van beoordeling van de klassenraad lijkt dan ook niet als ondeugdelijk te mogen worden aangemerkt omdat ze feitelijk onjuist zou zijn. Ze stemt immers overeen met de feitelijke gegevens en de gekozen invalshoek neemt bovendien nog een periode mèèr in aanmerking. De klassenraad vermag rechtens enkel de resultaten van verzoeker in ogenschouw te nemen temeer daar dit onderzoek wordt verricht vanuit het voor verzoeker specifieke uitgangspunt dat de beoordeling XII-5258-6/11 van het resultaat voor de GIP aan het wankelen wordt gebracht door zijn overige resultaten. Het eerste middel vertoont niet het voor schorsing vereiste ernstig karakter. 4.2.
- In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van de “materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel door het niet weerleggen van de wezenlijke bezwaren van de student m.b.t. de GIP als valide test om zijn competenties om het bedrijfsleven in te gaan, vast te stellen”. Daartoe betoogt hij hetgeen volgt : de Raad van State vereiste in zijn voormeld arrest nr. 175.501 dat de klassenraad motiveert waarom hij op grond van het ernstig tekort voor de GIP afwijkt van de visie van de stagementor; de klassenraad stelt dat een positief stageverslag een beperkt tekort voor de GIP kan ophalen maar niet een zwaar tekort, zonder evenwel de omstandigheden van dit zwaar tekort te onderzoeken; de motivering waarom het zwaar tekort niet meer in te halen was, is aldus kennelijk onredelijk; volgens het schoolreglement moeten de competenties vereist voor het bedrijfsleven worden getoetst door een globale afweging van stageverslag, dagelijks werk, proefwerken en GIP zodat een ondermaatse GIP wel degelijk kan worden opgehaald; verzoeker heeft in een nota van 30 augustus 2007 aan de directeur verklaard waarom hij voor de GIP volgens hem niet geslaagd is; de concrete proef zou kennisonderdelen vergen die niet werden aangeleerd of besproken en hij kon de nodige informatie niet op tijd verzamelen; normen betreffende de beveiliging worden niet vrijgegeven aan derden aangezien ze tegen betaling verkrijgbaar zijn; de klassenraad is hier niet op ingegaan met uitzondering van de mededeling dat laattijdige documenten niet kunnen worden aanvaard; de klassenraad heeft het oordeel van de stagemeester niet weerlegd; er een andere mening op nahouden dan de stagemeester dient expliciet te worden verwoord; de essentiële bezwaren van verzoeker, betrekking hebbend op het verloop van de proef en dus de geldigheid van de quotering, dienden te worden beantwoord. 4.2.
- De essentiële grief van verzoeker is aldus dat de GIP die hem is opgelegd geen valide test zou zijn geweest om zijn geschiktheid te meten voor het bedrijfsleven, temeer omdat zijn stage in een onderneming positief was geëvalueerd. XII-5258-7/11 In het voormelde schorsingsarrest nr. 175.501 stelde de Raad van State hetgeen volgt : “9.[...]Nu lijkt voor de thans voorliggende zaak artikel 56 van het organisatiebesluit wél relevant te zijn, waar het stelt : ‘§
- Een geïntegreerde proef wordt ingericht in : [...] b) het tweede leerjaar van de derde graad van het technisch, het kunst- en het beroepssecundair onderwijs; [...] §
- De onder § 1 bedoelde proef slaat op vakken van het fundamenteel gedeelte van de optie, dat de gekozen studierichting bepaalt, zoals bedoeld in artikel 48, 7/, van voornoemd decreet van 31 juli
- Deze proef, die ook de vorm van een eindwerk mag aannemen, wordt beoordeeld door de leraars die de betrokken vakken onderwijzen evenals door deskundigen op het vlak van de te beoordelen kwalificatie, die in aantal het aantal leraars niet mogen overschrijden en die niet tot de betrokken onderwijsinstelling behoren. [...] Het resultaat van de proef zal een belangrijk element betekenen in de beslissing van de delibererende klassenraad’. [...] Zoals de Raad van State reeds eerder heeft uiteengezet, bij voorbeeld in het arrest nr. 153.126, Vanlook, van 22 december 2005, kan zelfs één tekort reden zijn om een leerling niet geslaagd te verklaren, als ten minste daarvoor specifieke redenen voorhanden zijn, waarbij de Raad overwoog en overweegt ‘dat die reden kan te vinden zijn in de aard van het vak zelf, bij voorbeeld wegens zijn aandeel in de totale studie, omwille van zijn belang voor de gekozen richting of omwille van de specifieke kunde die het bedoelde opleidingsonderdeel wil en moet uittesten; dat men bij wijze van voorbeeld kan denken aan opleidingsonderdelen zoals een stage, een thesis of voor de opleiding noodzakelijke praktische vaardigheden’. Welnu, artikel 56 van het organisatiebesluit en de geciteerde passus van het schoolreglement spreken alleszins niet tegen dat aan de resultaten voor de GIP een zodanig belang wordt toegemeten dat het in grote mate het eindresultaat van de leerling bepaalt. Zulks kan met des te meer reden worden gesteld nu verzoekers tekort op de GIP allesbehalve marginaal te noemen is.” De Raad van State besloot dan : “De klassenraad moest bijgevolg gevraagd worden, zo lijkt, nader te motiveren of op 4 september 2007 wel degelijk [...]alle resultaten van verzoeker bij de beslissing in rekening waren gebracht en in dat geval uiteen te zetten waarom niettemin een C-attest wordt afgegeven, of, alternatief, te erkennen dat enkel naar de resultaten van de GIP zijn gekeken in welk geval de klassenraad een nieuwe beraadslaging over verzoeker moet houden die ook diens overige resultaten in de beoordeling meeneemt. De klassenraad moest ook gevraagd worden, zo lijkt, nader te expliciteren [...] hoe de tegenspraak verklaard wordt tussen zijn visie en de visie van de stagemeester op verzoekers presteren in het bedrijfsleven”. Betreffende de verhouding tussen de beoordeling van verzoekers stage en zijn resultaat op de GIP wordt in de motivering van de bestreden beslissing geantwoord dat de klassenraad rekening houdt met het zeer positieve stageverslag en dit er de klassenraad zou kunnen toe bewegen om beperkte tekorten voor de GIP XII-5258-8/11 als delibereerbaar te beschouwen (punt 3.) doch dit een dergelijk zwaar tekort voor de GIP niet kan compenseren want daaruit blijkt dat de vakoverschrijdende competenties onvoldoende verworven zijn (punt 4.). Deze motivering lijkt aan te tonen dat de beide componenten van de evaluatie die betrekking hebben op de geschiktheid voor het bedrijfsleven tegenover elkaar zijn afgewogen. Rekening houdend met de - hiervoor bij de bespreking van het eerste middel aanvaarde- inschatting van een dalende trend in verzoekers resultaten en met de klemtoon die in de motivering wordt gelegd op de “vakoverschrijdende” competenties die niet zouden zijn verworven zoals blijkt uit de resultaten op de GIP, lijkt die afweging ook niet ondeugdelijk. Voorts lijkt, waar verzoeker betoogt dat met zijn kritiek op de geldigheid van de GIP in zijn voornoemde nota van 30 augustus 2007 geen rekening is gehouden, die kritiek niet te stroken met hetgeen de voorzitter van de GIP-jury heeft gesteld blijkens hetgeen in de bestreden beslissing van de klassenraad is vermeld, namelijk “dat de opdracht van het herexamen voorheen wel degelijk besproken was met [verzoeker] en hij op alle vragen antwoord heeft gekregen, net zoals de andere leerlingen”. Door de voorzitter blijkt te zijn gesteld dat verzoeker de opgave van de benodigde veiligheden bij een echte draaideur wel had besproken maar dat hij verzuimde zelf het hierbij op te maken schema op te stellen. Verzoeker lijkt niet met aantoonbare gegevens te weerleggen wat de voornoemde voorzitter betreffende de opdracht van de aanvullende proef meedeelde. Verzoeker heeft overigens het schema, op 3 september 2007, na de proef, nog ingebracht. De kritiek die hij levert op het feit dat de klassenraad het alsnog in aanmerking had moeten nemen, lijkt niet te kunnen worden aanvaard. Er lijkt immers geen bepaling voorhanden die een student het recht zou geven na de beoordeling van een GIP nog een bijkomend stuk in te dienen of die de klassenraad ertoe zou verplichten dat stuk dan ook nog te beoordelen. Verzoekers grieven worden niet bijgevallen zodat de genoemde schendingen niet aangetoond lijken. Het middel vertoont aldus niet het voor de schorsing vereiste ernstig karakter. 4.3.
- Verzoeker voert in een derde middel de schending van het “zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel en materiële motiveringsplicht”aan omdat XII-5258-9/11 het voormelde document op 3 september 2007 door verzoeker afgegeven, niet in aanmerking werd genomen zodat hij zijn jaar dient over te doen en zijn “grieven omtrent deze vertraging onbeantwoord bleven”. 4.3.
- Bij de bespreking van het vorig middel werd reeds vastgesteld dat de klassenraad vermocht te stellen dat die afgifte laattijdig was, hetgeen een deugdelijk motief lijkt. Thans kan, gelet op de formulering van het derde middel, daaraan worden toegevoegd dat een noodzakelijk bestaand verband tussen het al dan niet in aanmerking nemen van dit stuk en het overdoen van het jaar geenszins lijkt te zijn aangetoond, zodat al evenmin moet worden onderzocht of die weigering al dan niet de perken van de zorgvuldigheid en redelijkheid te buiten ging. Enige verplichting om de proef nogmaals af te leggen lijkt niet voorhanden. Het middel heeft aldus niet het rechtens vereiste ernstig karakter.
- Geen van de middelen is ernstig, zodat aan de tweede in het voormelde artikel 17 gestelde voorwaarden niet is voldaan. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. XII-5258-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien november 2007, door : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. D. VERBIEST. XII-5258-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.790 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.605 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.