id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.820 Rolnummer: A. 93902/VII-22131 Zaak: Arrest 176820 - Milieuvergunningen - 14/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-04 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 04:06 Fiche Arrest nr 176.820 van 14 november 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.820 van 14 november 2007 in de zaak A. 93.902/VII-22.131. In zake : 1. de v.z.w. MAASLANDSE MILIEU AKTIE, 2. Guido MAES, die woonplaats kiezen bij advocaat Z. MISKOVIC, kantoor houdende te LANAKEN, Koning Albertlaan 73 tegen : de deputatie van de provincie LIMBURG. tussenkomende partij : de v.z.w. BELGISCHE RALLYCROSS VERENIGING, die woonplaats kiest bij advocaat P. ENGELEN, kantoor houdende te MAASMECHELEN, Rijksweg 358. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. MAASLANDSE MILIEU AKTIE en Guido MAES op 24 juli 2000 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad LIMBURG van 25 mei 2000 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maasmechelen van 31 december 1999, houdende het verlenen aan de v.z.w. BELGISCHE RALLY- CROSS VERENIGING van de vergunning voor het verder exploiteren en veranderen van een bestaand rallycrosscircuit, bekend onder de naam "Duivelsberg" en gelegen aan de Weg naar Zutendaal te Maasmechelen, niet worden ingewilligd en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 92.673 van 25 januari 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; VII-22.131-1/15 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partijen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 5 oktober 2000 ingediend door de v.z.w. BELGISCHE RALLYCROSS VERENIGING; Gelet op de beschikking van 13 maart 2001 die de tussenkomst van de v.z.w. BELGISCHE RALLYCROSS VERENIGING toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 11 januari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 22 augustus 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 oktober 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van bestuurssecretaris I. WILLEMS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. BOSMANS die, loco advocaat P. ENGELEN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-22.131-2/15 1. De feiten 1.1. De tussenkomende partij exploiteert een rallycrosscircuit te Maasmechelen. Voor de exploitatie van de omloop werden in het verleden verschillende kortlopende vergunningen verleend. Met een besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 7 september 1995 werd voor een termijn van vijf jaar de vergunning verleend voor het organiseren van zes wedstrijden met bijbehorende oefenritten per jaar. Als bijzondere voorwaarde werd in dat vergunningsbesluit onder meer opgelegd dat de exploitant ertoe gehouden was om elk seizoen geluidsmeting- en te laten uitvoeren gedurende de volledige duur van ten minste twee rallycrossacti- viteiten en om zich van elke activiteit te onthouden in de periode na het eerste weekend van de maand maart tot en met 30 juni (zijnde de broedperiode van de vogels). 1.2. Vóór het verstrijken van deze vergunning, heeft de tussenkomende partij een hernieuwingsaanvraag ingediend. Met dezelfde vergunningsaanvraag streeft ze tevens de uitbreiding van de crossactiviteiten na : het aantal wedstrijden met bijbehorende oefenritten zou worden verhoogd van zes naar tien wedstrijden per jaar en bijkomend zouden er jaarlijks twee "recreatieve gemotoriseerde activiteiten" plaatsvinden. 1.3. Met een besluit van 31 december 1999 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maasmechelen de gevraagde vergunning voor een termijn van twintig jaar. Naast de gebruikelijke algemene en sectorale milieuvoorwaarden wordt de vergunning afhankelijk gesteld van de naleving van een reeks bijzondere voorwaarden : "§ 5.- Bijzondere voorwaarden : punt 1/. Onverminderd de bepalingen van de thans gehanteerde milieuwetge- ving inzake omlopen voor voertuigen :
- a)moeten de gebruikte autovoertuigen voldoen aan de bepalingen van artikel 40 van het K.B. van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de motorvoertuigen en hun aanhangwa- gens moeten voldoen, zoals gewijzigd bij K.B. van 09.08.1971, 12.12.1975 en 09.05.1988; De exploitant dient een strikte controle van het geluidsniveau van de motoren te laten uitvoeren door een erkend deskundige. Voertuigen waarvan de geluidsemissie meer dan 98 dB(A) bedraagt, mogen niet aan de wedstrijd of activiteit deelnemen. Het verslag van de erkende deskundige is tijdens de wedstrijd en/of activiteit VII-22.131-3/15 ter inzage van de toezichthoudende ambtenaar, politie of rijkswacht. Het verslag wordt na de wedstrijd en/of activiteit verstuurd aan de vergun- ningverlenende overheid.
- b)mogen de wedstrijden plaatsvinden op zon- en feestdagen van 9u00 tot 18u00.
- c)mogen de bijhorende oefenritten voor de wedstrijden plaatsvinden op de dag voor de wedstrijd van 9u00 tot 18u00.
- d)dienen de kalenderdagen waarop de wedstrijden worden gehouden, minstens één maand voor de wedstrijd overgemaakt te worden aan het College van Burgemeester en Schepenen, de gemeentelijke dienst leefmilieu, de Afdeling Milieuvergunningen van AMINAL en de afdeling Milieu-inspectie van AMINAL. Punt 2/ : wat de geluidshinder betreft :
- a)dient er jaarlijks minstens één volledig akoestisch onderzoek tijdens een wedstrijd uitgevoerd te worden, en dit in samenwerking met een deskundige, erkend in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 23.03.1989 houdende organisatie van de milieueffectbeoordeling van bepaalde categorieën van hinderlijke inrichtingen, voor de discipline geluid. De geluidsmetingen dienen plaats te vinden op meetpunten waarvan de ligging vastgelegd wordt in overleg met de gemeentelijke Vlarem-ambtenaren;
- b)dient tijdens de verschillende gemotoriseerde activiteiten het emissie- niveau op 7,5 meter van de rand van het circuit bepaald te worden; dat de metingen zodanig dienen te gebeuren dat een representatief overzicht van de emissies bekomen wordt; dat de exploitant de nodige voorzieningen dient te treffen zodat deze metingen ongestoord uitgevoerd worden; dat deze metingen eveneens dienen plaats te vinden gedurende tenminste één rallycrossactiviteit per jaar.
- c)dienen de resultaten van de geluidsmetingen, vermeld onder de voorgaande punten a en b, per activiteit (weekend) gebundeld in een onderzoeksverslag dat de geluidsimpact van de activiteiten op de omgeving nagaat; dat het verslag een evaluatie dient te bevatten in functie van de kwaliteitsdoelstellingen voor het omgevingsgeluid overeenkom- stig de opgelegde exploitatievoorwaarden;
- d)dient binnen een termijn van twee maanden na uitvoering van de geluidsmetingen op de rallycrossactiviteiten het onderzoeksverslag in tweevoud ter evaluatie voorgelegd te worden aan de gemeentelijke dienst leefmilieu.
- e)op 200 meter ten oosten van de exploitatie moet de parameter LA05,T beperkt worden tot 60 dB(A). Punt 3/ : op de rallycrossomloop is elke activiteit verboden tijdens de periode ingaand na het eerste weekend van de maand maart tot en met 30 juni". 1.4. Op 28 januari 2000 tekent de eerste verzoekende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg beroep aan tegen deze vergunning. Enkele dagen later wordt tevens beroep ingesteld door meerdere omwonenden, waaronder tweede verzoeker. Een derde beroep wordt ingediend door de afdeling Natuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. VII-22.131-4/15 1.5. Inmiddels heeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maasmechelen vastgesteld dat in haar vergunningsbesluit van 31 december 1999 een fout is geslopen aangaande de aanvangsdatum van de verleende vergunning. Tijdens de zitting van 11 februari 2000 neemt het schepencollege een "erratumbesluit" waarbij die fout wordt rechtgezet en waarbij de aanvangsdatum van de in eerste aanleg verleende vergunning wordt vastgesteld op 31 december 1999 (in plaats van 24 december 1999). 1.6. Na het inwinnen van de nodige adviezen, wordt op 25 mei 2000 het thans bestreden besluit genomen waarbij de beroepen ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. Dit besluit wordt voornamelijk als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat de beroeper vzw Maaslandse Milieu Aktie, in haar beroepschrift, de volgende argumenten aanhaalt ter ontkrachting van de omstreden beslissing : 1. De geluidshinder, teweeggebracht door de activiteiten van de Belgische Rallycross Vereniging moge blijken uit het bezwaarschrift dat enkele buurtbewoners en de Maaslandse Milieu Aktie naar het gemeentebestuur van Maasmechelen stuurden, naar aanleiding van de nieuwe vergunningsaanvraag (niet naleven van de bijzondere voorwaarden van het besluit d.d. 1995-09-07 van de bestendige deputatie). 2. Het betreft een nieuwe aanvraag en niet een hernieuwing van de vergunning om volgende redenen : de milieuvergunningsaanvraag werd ontvankelijk en volledig verklaard op 7 oktober 1999. De aanvraag kan dan ten vroegste op 24 september ingediend zijn. Gezien de vergunning van 7 september 1995 vervalt op 7 september 2000, en gezien de aanvraag dient te gebeuren tussen de 18de en de 12de maand voor het verstrijken van de vergunningstermijn, is de uiterste datum van indiening van de aanvraag 7 september 1999. In gevolge de aanpassing van Vlarem op 4 september 1999 ging de omloop over van klasse 1 naar klasse 2, van de bestendige deputatie naar het schepencollege. 3. Als het om een verlenging van een bestaande vergunning zou gaan, hoe kan het schepencollege dan weten of het om een klasse 1 of klasse 2 (geluidsemissie max. 98dB) gaat vermits er slechts één geluidsmeting werd uitgevoerd op 4 jaar i.p.v. 2 per jaar. 4. In hoeverre is het organiseren van 3 bijkomende rallyevenementen een kleine verandering en alleen meldingsplichtig (besluit schepencollege d.d. 1999-10-21). 5. Een verandering van 6 naar 10 wedstrijden en een verandering van voorafgaande oefenritten van een halve dag naar een ganse dag betekent 7 bijkomende dagen lawaai. M.a.w. 6 + 6*1/2 + 2 = 11 dagen en 10 + 10*1 + 2 = 22 dagen. Dit is een verdubbeling van de activiteiten. Dit kan bezwaarlijk een verdere exploitatie genoemd worden. 6. In het rapport van Lisec van 1997-12-10 staat dat de sanering van 4 dB(A) vereist is in het landelijk gebied maar aangezien de verstoring slechts een aantal dagen optreedt is sanering niet dwingend (analoog in het verslag van 1999-09-21). Intussen is het aantal dagen wel verdubbeld. VII-22.131-5/15 7. In artikel 3 van het besluit van 31 december stelt het schepencollege dat de vergunning wordt verleend voor een termijn van 20 jaar die aanvangt op 24 december 1999 (foutieve invulling van de administratie ten gevolge een uitgesteld schepencollege dat niet erg collegiaal was). Eens te meer gaat het om een nieuwe vergunning en niet om een verlenging die pas op 8 september 2000 kan ingaan. 8. In artikel 4 van het besluit van het schepencollege staat geschreven : 'De in artikel 1 bedoelde vergunning is afhankelijk van de stricte naleving van de volgende voorwaarden : ...§5 Bijzondere voorwaarden : 1.a is in het verleden niet gebeurd; 2.a is in het verleden 1 maal i.p.v. 8 maal (geluidsstu- die) gebeurd en identiek voor b, c, d en e. Bij niet vergunde activiteiten is de gemeente nooit opgetreden. Overwegende dat de beroeper Guido Maes in zijn beroepschrift, de volgende argumenten aanhaalt ter ontkrachting van de omstreden beslissing : 1. Ernstige geluidsoverlast. 2. Overtreden van de bestaande vergunning. 3. Geen evenwichtige kalender. Uit nazicht van de kalender blijkt dat er 6 weekends met 4 x regionaal, 4 x internationaal, 1 x Europees kampioen- schap (2 dagen), 1 x promotieraces voorzien worden. Hieruit blijkt dat 6 weekeinden voor tien + oefenritten volstaan. Waarom wordt vergunning verleend voor 12 volledige weekeinden. 4. Niet naleven van bijzondere voorwaarden (vergunning van 1995-09-07 : 2 geluidsmetingen per jaar - in werkelijkheid zijn er twee metingen uitge- voerd in 4 jaar). 5. De bestaande vergunning voor 6 hele dagen voor een periode van 5 jaar wordt uitgebreid voor 24 dagen per jaar voor een periode van 20 jaar terwijl de voorschriften met de voeten word(
- en)getreden. Het aantal race-uren wordt verviervoudigd en de verplichte metingen gehalveerd. 6. Verplaatsing van storende recreatie-activiteiten in het kader van nieuwe initiatieven Regionaal Landschap. Overwegende dat de beroeper Aminal, Afdeling Natuur, in zijn beroepschrift, de volgende argumenten aanhaalt ter ontkrachting van de omstreden beslissing : 1. Ligging in de nabijheid van het EEG-vogelrichtlijngebied van de Mechelse Heide en de Vallei van de Zijpbeek. De in de afgeleverde milieuvergunning opgelegde beperking, in functie van het vogelrichtlijn-gebied, voldoet niet voor de trekvogels en overwinteraars en is voor wat betreft de nachtzwaluw te beperkt naar tijdsperiode. 2. Een duurzame handhaving en uitbreiding van een motorcircuit temidden van één van de belangrijkste groengebieden van Vlaanderen strookt niet met de beleidsopties vastgelegd in het Natuurdecreet. 3. Binnen het Regionaal Landschap Kempen en Maasland en in het bijzonder het zoekgebied van het Nationale Park, wordt er gestreefd naar een evenwicht tussen het natuurbehoud en het recreatief medegebruik. Het beleid inzake natuurbehoud en de vrijwaring van het natuurlijk milieu is gericht op de bescherming, de ontwikkeling, het beheer en het herstel van de natuur en het natuurlijk milieu, op de handhaving of het herstel van de daartoe vereiste milieukwaliteit (artikel 6 natuurdecreet). Het natuurbeleid is gericht op het nemen van alle maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van bepalingen die voortvloeien uit internationale overeenkom- sten en verdragen betreffende het natuurbehoud (artikel 7 natuurdecreet). Door de sterk wisselende geluidsniveau's van optrekkende motorvoertui- gen en luidsprekers op het circuit wordt de vereiste milieukwaliteit aangetast. 4. Niet naleven van de opgelegde voorwaarden van de vergunning van 1995-09-07. VII-22.131-6/15 5. Een verdubbeling van de activiteiten op het rallycrosscircuit met een versoepeling van de vergunningsvoorwaarden is vanuit het oogpunt van een verbetering van de leefmilieukwaliteit niet verdedigbaar. 6. Binnen de huidige voorziene oppervlakte is niet voldoende ruimte aanwezig om het circuit volwaardig uit te bouwen. De uitbaters maken gebruik van een op het gewestplan aangeduide natuurzone om de voertuigen van de bezoekers te parkeren. Allerlei afval blijft achter na de activiteiten. 7. De akoestische studie houdt geen rekening met de nadelige effecten op de fauna. In het rapport van 21 september 1999 van het akoestisch onderzoek op zaterdag 11 en zondag 12 september 1999 wordt geen melding gemaakt van de windrichting en de windsterkte tijdens de geluidsopna- mes. Dit is een leemte. Verkeerde richtwaarden voor locatie 2 in het recreatiegebied : geldende normen 45 dB (overdag), 40 dB ('s avonds) en 35 dB ('s nachts) in plaats van de in de studie vermelde 50 dB, 45 dB en 40 dB. 8. De datum van de milieuvergunningsaanvraag is niet conform artikel 6 & 3 van de vergunning van 1995-09-07. De vergunningsaanvraag is niet ingediend tussen de 18de en 12de maand voor het verstrijken van de vergunningstermijn. 9. Het rallycrossterrein situeert zich binnen een gebied met hoge wetenschap- pelijke waarden. Herstelmaatregelen dringen zich op. 10. Het rapport 'Onderzoek polyvalente locaties' van de provinciale sport- dienst van de provincie Limburg is éénzijdig vanuit de sector sport. 11. De huidige situering van het circuit is ongeschikt en er dient een andere minder hinderlijke lokatie gezocht te worden. (...) Gelet op de ligging van de inrichting in een natuurgebied en recreatiegebied volgens het Gewestplan Limburgs Maasland; Overwegende dat, vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten, gesteld kan worden dat de uit te voeren activiteiten, die het voorwerp zijn van de vergunningsaanvraag verenigbaar zijn met de voorschriften die gelden voor bovenvermeld(
- e)gebied(en); Overwegende dat de exploitant enerzijds de hernieuwing van de vergunning beoogt (verdere exploitatie van de zes vergunde wedstrijden en erbij horende oefenritten) van een bestaand rallycrosscircuit en anderzijds een verandering van de milieuvergunning meer bepaald een uitbreiding (tot 10 wedstrijden en erbij horende oefenritten en twee gemotoriseerde recreatieve activiteiten); Overwegende dat alle adviesverlenende overheidsorganen gunstig adviseren voor de hernieuwing van de bestaande milieuvergunning doch een verdeeld advies uitbrengen voor een uitbreiding van de bestaande vergunning; Overwegende dat de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaren en opmerkingen alsook de argumenten van beroepers als volgt kunnen geëvalueerd worden : 1. Betreffende de geluidshinder dient gesteld te worden dat aan de geluidsnor- men wordt voldaan indien de opgelegde algemene geluidsnormen en de opgelegde bijkomende bijzondere voorwaarden worden nageleefd. 2. Wat het niet tijdig indienen van de milieuvergunningsaanvraag betreft dient verwezen te worden naar artikel 39 § 4 Vlarem I dat stelt dat de sanctie voor laattijdige indiening van de hernieuwingsaanvraag van een vergunning, de stopzetting is van de exploitatie bij het verstrijken van de lopende vergun- ning tenzij een nieuwe milieuvergunning wordt bekomen voor het verstrijken van de oorspronkelijke vergunning. VII-22.131-7/15 3. Met betrekking tot het gegeven dat de kalender niet evenwichtig is opgesteld, wordt gesteld dat de inrichting in kwestie een permanent circuit is dat aan de opgelegde voorwaarden kan voldoen. 4. Wat het bezwaar betreft dat een verdubbeling van de activiteiten bezwaar- lijk een verdere exploitatie kan genoemd worden, dient opgemerkt te worden dat in eerste aanleg niet alleen een aanvraag tot verdere exploitatie werd ingediend doch ook een uitbreiding van de vergunning werd gevraagd; 5. Betreffende de aktename door het schepencollege van drie bijkomende rallyevenementen, wordt verwezen naar het besluit van de bestendige deputatie d.d. 2000-02-16 waarbij de beslissing van het schepencollege d.d. 1999-10-21 werd vernietigd; 6. De inrichting is niet gelegen binnen de in artikel 5.32.10.2 genoemde gebieden of zones waarvoor de exploitatie verboden is; er wordt voldaan aan de verbods- en afstandsregels; 7. De overige bezwaren kaderen niet in de Vlarem-reglementering en zijn niet van milieutechnische aard die een weigering van de gevraagde vergunning als gevolg kunnen hebben. Overwegende dat de inrichting niet gelegen is in zones waarvoor de exploitatie verboden is; dat de inrichting overeenkomstig artikel 5.32
(1).10.2.§1 en 2 Vlarem II voldoet aan de verbods- en afstandsregels; Overwegende immers dat de inrichting gelegen is in recreatiegebied dat bestemd is voor recreatieve en toeristische accommodatie en gedeeltelijk gelegen is in natuurgebied dat ressorteert onder de groengebieden dewelke bestemd zijn voor het behoud, de bescherming en het herstel van het natuurlijk milieu. Dat in het besluit van de Vlaamse regering d.d. 28 april 2000 houdende voorlopige vaststelling van het ontwerp-gewestplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Limburgs Maasland op grondgebied van o.a. Maasmechelen niet van die aard is dat het een impact heeft op onderhavige aanvraag; dat immers het circuit 'Duivelsberg' hierin niet opgenomen werd; Overwegende dat de omstreden beslissing bijkomende bijzondere voorwaarden oplegt die -mits strikte naleving- de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens, buiten de inrichting veroorzaakt door de aangevraagde activiteiten, tot een aanvaardbaar niveau beperken; dat deze bijkomende bijzondere voorwaarden bepalingen betreffen van de thans gehanteerde milieuwetgeving inzake omlopen voor voertuigen, een beperking van eventuele geluidshinder beogen alsook een verbod inhouden van elke activiteit tijdens de broedperiode (eerste weekend maart tot en met juni); Overwegende dat, rekening houdend met het voorgaande, er voldoende aanwijzingen zijn om aan te nemen dat de uitvoering van de aangevraagde vergunningsplichtige activiteiten ter plaatse geen overdreven hinder en/of gevaar zullen opleveren voor de buurt en het milieu aldaar mits strikte naleving van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en de opgelegde bijkomende bijzondere voorwaarden; Overwegende dat het daarom past de ingediende beroepen niet in te willigen en de omstreden beslissing d.d. 1999-12-31 van het college van burgemeester en schepenen van Maasmechelen TE BEVESTIGEN; Overwegende dat de vergunning verleend wordt voor een termijn zoals vastgesteld in het erratumbesluit d.d. 11 februari 2000 van het schepencollege van Maasmechelen; Gelet op de door de adviserende diensten voorgestelde en in het besluit van het schepencollege en in dit besluit opgelegde exploitatievoorwaarden die, mits ze worden nageleefd, van aard zijn om het gevaar, de ongezondheid en/of de hinder binnen de voor de buurt aanvaardbare perken te houden". VII-22.131-8/15 Dit is de thans bestreden beslissing.
- De ontvankelijkheid De verwerende partij doet ter terechtzitting afstand van de excepties die zij heeft opgeworpen.
- De gegrondheid 3.1.
- De verzoekende partijen formuleren het eerste middel als volgt : "Eerste middel afgeleid uit de schending van artikel 5.32.10.1 en 5.32.10.2 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne. Doordat de voormelde artikelen 5.32.10.1 en 5.32.10.2 van toepassing zijn op de inrichtingen vermeld in subrubriek 32.9 van de indelingslijst. Dat de exploitant de nodige maatregelen dient te treffen om de geluidspro- ductie aan de bron en de geluidsoverdracht naar de omgeving te beperken en deze in een register vermeldt. Terwijl de VZW belgische rallycrossvereniging Maasmechelen, de exploitant, in een periode van 5 jaar slechts twee metingen heeft doorgevoerd. Dat de exploitant bovendien in zijn schrijven aan de leden van de Provincia- le Milieuvergunningscommissie erkent zich niet te hebben gehouden aan de opgelegde bepalingen m.b.t. de geluidsmetingen zich verschuilende achter de hoge kostprijs. Zodat dient te worden vastgesteld dat de exploitant zich niet houdt aan de bepalingen zoals vermeldt in art. 5.32.10.1 en meer bepaald (het) par. 3, tweede lid. Dat deze miskenning door de exploitant als gevolg heeft dat er evenmin kan worden nagegaan of de inrichting voldoet aan de vereisten bepaald in rubriek 32.9, te weten een geluidsemissie van maximum 98 dB of van meer dan 98 dB. Het eerste onderdeel van huidig middel is ernstig. Doordat de exploitant bovendien de bepalingen van art.5.32.10.2 B. Vl. Reg. van 1.06.1995 zoals vervangen bij art. 218, 1/ B. Vl. Reg. 19.01.1999, inwerkingtreding 01.05.1999 waarbij het verboden is een inrichting als bedoeld in artikel 5.32.10.1 par. 1 (inrichting vermeld in subrubriek 32.9) te exploiteren die geheel of gedeeltelijk gelegen is in een natuurgebied en in een bescher- mingszone tot behoud van de Europese vogelstand (...). Terwijl op p. 8 van de bestreden beslissing van de Bestendige Deputatie te lezen staat : 'Gelet op de ligging van de inrichting in een natuurgebied en recreatiegebied volgens het Gewestplan Limburgs Maasland'. Dat deze overweging eveneens terug te vinden is in het besluit van de Bestendige Deputatie d.d. 16.02.2000 alwaar eveneens wordt bepaald : 'Gelet op de ligging van de inrichting in een natuurgebied en een gebied voor dagrecreatie volgens het Gewestplan Limburgs Maasland'. Zodat de bepalingen van art. 5.32.10.2 par. 1, 1/ a geschonden zijn. Dat de bepalingen van de artikelen 5.32.10.
- een formeel verbod inhouden een inrichting te exploiteren gelegen in een natuurgebied. Dat de inrichting gelegen is in natuurgebied getuige de bemerkingen gemaakt door de Bestendige Deputatie en zulks in twee afzonderlijke besluiten. VII-22.131-9/15 Dat dit onderdeel van huidig middel ernstig is. Dat bovendien de bepalingen van art. 5.32.10.
- par. 1/ b eveneens geschonden zijn. Doordat niet wordt betwist dat de exploitatie gelegen is binnen de perimeter van een EEG-vogelrichtlijngebied. Terwijl een verbod tot exploitatie werd opgelegd gedurende het broedsei- zoen hetgeen eveneens wijst op de ligging binnen de gestelde perimeter. Dat de exploitant deze richtlijn naast zich legde nu zij in 1999 twee crossen organiseerde binnen de periode waartoe haar zulks verbod was opgelegd. Dat dit onderdeel van huidig middel ernstig is". 3.1.
- De verzoekende partijen kunnen zich niet dienstig beroepen op de ingeroepen eventuele nalatigheden van de tussenkomende partij met betrekking tot het niet uitvoeren in het verleden van opgelegde geluidsmetingen, noch met betrekking tot het organiseren van crossen tijdens de broedperiode, omdat deze gebeurlijke tekortkomingen vreemd zijn aan de wettigheid van het bestreden besluit, dat voor de toekomst geldt. De door de verzoekende partijen ingeroepen verbodsbepalingen zijn krachtens de uitdrukkelijke tekst van artikel 5.32.10.2, § 4, van Vlarem II niet van toepassing op bestaande inrichtingen of gedeelten ervan. De betrokken inrichting is een bestaande inrichting, nu de bestreden vergunning werd verleend vooraleer de lopende vergunning van 7 september 1995 verstreken was. Het middel is niet gegrond. 3.2.
- Het tweede middel luidt als volgt : "Tweede middel afgeleid uit de schending van de bepalingen vermeldt in subrubriek 32.9, B. Vl. Ex. 6.02.
- zoals gewijzigd door B. Vl. reg. d.d. 15.06.1999 met inwerkingtreding op 01.05.
- Doordat voormelde subrubriek 32.9.3/ bepaalt : 'permanente omlopen voor gemotoriseerde vaar- en/of voertuigen met een geluidsemissie van maximum 98 dB en voor outdoorcarting (Klasse 2)' Art. 32.9.
- omschrijft : 'permanente omlopen voor gemotoriseerde vaar- en/of voertuigen met een geluidsemissie van meer dan 98 dB, uitgezonderd outdoorcartings (klasse 1)' Terwijl de bestreden beslissing slechts melding maakt van de aanvraag milieuvergunning voor permanente omlopen voor gemotoriseerde voertuigen met een geluidsemissie van 98 dB. Zodat geen rekening is gehouden met de bepalingen maximum 98 dB en meer dan 98 dB betreffende de geluidsemissie. VII-22.131-10/15 Dat een en ander terug te voeren is op het feit dat er nooit grondige geluidscontroles werden uitgevoerd zodat de graad van de geluidsemissie onmogelijk kan worden bepaald. Dat het besluit van 25.05.2000 dan ook dient te worden geschorst nu niet de bepalingen zoals vermeld in subrubriek 32.9 werden gevolgd. Dat deze bepalingen uitdrukkelijk voorzien in een maximumgeluidsemissie van 98 dB (klasse 2) en een geluidsemissie van meer dan 98 dB (Klasse 1). Dat de melding geluidsemissie van 98 dB niet voldoet aan de wettelijke bepalingen. Dat huidig middel dan ook ernstig is". 3.2.
- Door artikel 5, 15/, van het besluit van de Vlaamse regering van 15 juni 1999 tot wijziging van het Vlarem I en door Vlarem II zijn verschillende wijzigingen aangebracht in subrubriek 32.9,3/, van de bij Vlarem I gevoegde indelingslijst. Er werd met uitwerking vanaf 1 mei 1999 een onderscheid ingevoerd tussen permanente omlopen voor gemotoriseerde voertuigen die een geluidsemissie van maximum 98 dB (A) produceren en deze die zorgen voor een geluidsemissie van meer dan 98 dB (A) (behoudens outdoorcartings). Eerstgenoemde omlopen behoren voortaan tot de tweede klasse, terwijl enkel nog laatstgenoemde permanente omlopen ingedeeld zijn in de eerste klasse (voorheen waren alle "permanente" omlopen ingedeeld in klasse 1). Het middel wordt zo begrepen dat de verzoekende partijen aanklagen dat de tussenkomende partij een vergunning heeft aangevraagd voor een omloop die behoort tot de klasse 2 en niet voor een klasse 1-inrichting, of op zijn minst dat de vergunningverlenende overheid niet heeft kunnen uitmaken of de omloop in kwestie beschouwd moest worden als een klasse 2 dan wel als een klasse 1-inrichting. In de vergunningsaanvraag die de tussenkomende partij na 1 mei 1999 heeft ingediend wordt melding gemaakt van indelingsrubriek 32.9,2/ met betrekking tot omlopen waarop per jaar hoogstens drie wedstrijden met bijbehorende oefenritten op de dag zelf of de dag ervoor plaatsvinden (inrichting die is ingedeeld in de tweede klasse). In de loop van de vergunningsprocedure blijkt voornoemde indelingsrubriek vervangen te zijn door rubriek 32.9,3/, c), zoals ingevoerd door het besluit van de Vlaamse regering van 15 juni
- In het aangevoerde middel wordt niet concreet uitgelegd noch aangetoond dat de rallycrossactiviteiten die door de tussenkomende partij georganiseerd zullen worden noodzakelijkerwijze gepaard gaan met een geluids- emissie van meer dan 98 dB (A) die maken dat een klasse 1-aanvraag diende te VII-22.131-11/15 worden ingediend. De bestreden beslissing verleent vergunning voor de exploitatie van een inrichting zoals bedoeld in rubriek 32.9,3/, c), van de indelingslijst, d.w.z. een permanente omloop voor gemotoriseerde voertuigen met een maximale geluidsemissie van 98 dB (A). De correcte uitvoering van de bestreden milieuver- gunning - veronderstelling waarvan de vergunningverlenende overheid terecht mag uitgaan bij het verlenen van de vergunning - impliceert hoe dan ook dat het de exploitant verboden is om evenementen te laten plaatsvinden met voertuigen met een geluidsemissie van meer dan 98 dB (A), zodat, in die context gesitueerd, het middel veeleer neerkomt op een kritiek op de uitvoering of handhaving van de bestreden vergunning dan op de totstandkoming ervan. Het middel is niet gegrond. 3.3.
- Het derde middel luidt als volgt : "Derde middel afgeleid uit de schending van het art 5, 6, 6bis, 6ter en 6quater en art. 39 par. 4 van het B. Vl. Ex. 6.02.
- Doordat de door de exploitant ingediende aanvraag niet binnen de daartoe voorziene termijnen werd ingediend. Doordat indien de exploitant de vergunningsaanvraag niet tussen de achttiende en de twaalfde maand voor het verstrijken van de lopende vergun- ning heeft ingediend, de exploitatie dient te worden stopgezet bij het verstrijken van de lopende vergunning tenzij voor het verstrijken van de termijn van de lopende vergunning een nieuwe vergunning werd bekomen. Terwijl de eerste vergunning werd verleend op 07.09.1995 voor een periode van 5 jaar. Dat de aanvraag voor de vergunning welke werd verleend bij besluit van de Bestendige Deputatie op 25.05.2000 gebeurde op 27.09.
- Dat deze aanvraag niet is gebeurd binnen de daartoe voorziene termijn. Dat dienvolgens de ingediende aanvraag dient te worden beschouwd als een nieuwe vergunningsaanvraag met al de bijkomende voorwaarden zoals vermeld in voormeld besluit. Dat aan de gestelde vereisten niet is voldaan zodat de vergunning op onjuiste gronden werd afgeleverd. (...)". 3.3.
- Het niet tijdig indienen van een hernieuwingsaanvraag heeft niet tot gevolg dat de betrokken inrichting beschouwd moet worden als een nieuwe inrichting, maar wel dat de exploitant het voordeel verliest om de exploitatie tijdelijk voort te zetten in afwachting van de beslissing ten gronde over de hernieuwingsaan- vraag. Bij de bespreking van het eerste middel werd reeds aangestipt dat de bestreden vergunning verleend werd alvorens de lopende vergunning was verstreken. Het feit dat de aanvraag gebeurlijk laattijdig was ingediend, heeft zeker in die omstandigheden niet voor gevolg dat de bestreden vergunning onwettig is. VII-22.131-12/15 Het middel is niet gegrond. 3.4.
- Het vierde middel is als volgt geformuleerd : "Vierde middel afgeleid uit de schending van het continuïteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dat verzoekers dienen vast te stellen dat er op generlei wijze rekening werd gehouden met de omgeving waarbinnen de exploitatie zal worden uitgeoefend. Dat het niet de bedoeling kan zijn dat een exploitatie wordt toegelaten op grond van niet nauwkeurig gestelde voorwaarden. Dat de Bestendige Deputatie tot tweemaal toe uitdrukkelijk stelt dat de inrichting gelegen is in een natuurgebied en toch een vergunning aflevert bij besluit van 25.05.
- Terwijl niettegenstaande het feit dat de Bestendige Deputatie bij besluit van 16.02.2000 waarbij het beroep van verzoekers werd ingewilligd de hiernavol- gende bemerkingen plaatste :
- bij besluit van de bestendige deputatie d.d. 7 september 1995 werd als bijkomende voorwaarde ondermeer opgelegd dat er elk seizoen gedurende ten minste 2 rallycrossactiviteiten voor de volledige duur ervan geluids- metingen dienen te worden uitgevoerd in samenwerking met een erkende deskundige; zoals blijkt uit de voorhanden zijnde gegevens blijkt dat er slechts één geluidsmeting werd uitgevoerd tijdens het weekend van 18 en 19 oktober 1997; het argument van beroeper (in casu verzoekers) inhoudende het niet naleven van de bijzondere voorwaarden wat de geluidshinder betreft is gegrond.
- het argument dat de voorgelegde kalender van 1999 niet werd nageleefd is eveneens gegrond : uit gegevens van het dossier blijkt dat er twee afzonderlijke wedstrijden met bijkomende proefritten werden georgani- seerd en ook plaatsgevonden hebben in het 2de weekend van de maand maart terwijl in het besluit d.d. 7 september 1995 van de bestendige deputatie uitdrukkelijk gesteld werd dat er op de rallycrossomloop elke activiteit verboden is tijdens de periode ingaand na het eerste weekend van de maand maart tot en met 30 juni;
- Overwegende dat, rekening houdend met het voorgaande, er voldoende aanwijzingen zijn om aan te nemen dat de uitvoering van de aangevraagde vergunningsplichtige activiteiten ter plaatse hinder en/of gevaar zullen opleveren voor de buurt en het milieu aldaar. Dat het niet aannemelijk kan worden gemaakt dat de toestand zich in een tijdsbestek van 2 maanden zou hebben gewijzigd. Dat het continuïteitsbeginsel alsook de rechtszekerheid geschonden zijn nu de overwegingen welke geleid hebben tot de beslissing van 16.02.2000 niet werden weerhouden in het besluit van 25.05.2000 terwijl de omstandigheden ongewijzigd waren. Dat bij besluit van 16.02.2000 de door de exploitant gevraagde uitbreiding werd geweigerd. Dat door de verleende vergunning van 25.05.2000 de 'uitbreiding' van de activiteiten verdrievoudigd wordt. Dat wanneer de overweging wordt gemaakt dat de activiteiten ter plaatse hinder en gevaar zullen opleveren bij het besluit van 16.02.2000, het zeer eigenaardig overkomt dat, rebus sic stantibus, het gevaar en de hinder niet meer voorhanden zijn bij het besluit van 25.05.
- dat de regels van behoorlijk bestuur dan ook geschonden zijn. VII-22.131-13/15 Dat huidig middel dan ook ernstig is". 3.4.
- Het besluit van 16 februari 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg had specifiek betrekking op de organisatie van bijkomende activiteiten in de loop van
- Het is gebaseerd op het niet naleven door de tussenkomende partij van de voorwaarden van de vergunning van 7 september
- Naar aanleiding van de bespreking van het eerste middel is gebleken dat gebeurlijke inbreuken van de exploitant op de vorige vergunning niet dienstig zijn om de wettigheid van de nieuwe vergunning te beoordelen. De verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat het bestreden besluit de door hen genoemde beginselen schendt. Het middel is niet gegrond, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-22.131-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien november tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-22.131-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.820 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.92.673 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div