← België

Arrest 176822 - Milieuvergunningen - 14/11/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.822 Rolnummer: A. 184188/VII-37013 Zaak: Arrest 176822 - Milieuvergunningen - 14/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-23 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 04:06 Fiche Arrest nr 176.822 van 14 november 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.822 van 14 november 2007 in de zaak A. 184.188/VII-37.

  1. In zake :
  2. Bart DENDOOVEN,
  3. Robert WITTEVRONGEL, die woonplaats kiezen bij advocaat F. CORYN, kantoor houdende te GENT, Casinoplein 19 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat
  4. tussenkomende partijen :
  5. Daniël GERIS,
  6. Adriaan STAELENS,
  7. de l.v. STAVANO-VAN OVERBEKE, die woonplaats kiezen bij advocaat B. ROELANDTS, kantoor houdende te GENT, Kasteellaan
  8. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Bart DENDOOVEN en Robert WITTEVRONGEL op 29 juni 2007 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 2 mei 2007 waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 26 oktober 2006, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan Daniël GERIS om een legkippenbedrijf, gelegen te Aalter, Hageland 4, te verplaatsen en samen te voegen, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de nota van de verwerende partij; VII-37.013-1/9 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 31 augustus 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 oktober 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. DE ZUTTER die, loco advocaat F. CORYN verschijnt voor verzoekers, van advocaat J. SIMENON die, loco advocaat J. BERGÉ verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat L. PROOT die, loco advocaat B. ROELANDTS verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  9. De tussenkomsten Overwegende dat Daniël GERIS, Adriaan STAELENS en de landbouwvennootschap STAVANO-VAN OVERBEKE vragen om in deze debatten tussen te komen; dat, aangezien zij respectievelijk vergunninghouder, eigenaar van de percelen en gebouwen en exploitant na de overname van de vergunning zijn, de verzoeken tot tussenkomst kunnen worden ingewilligd;
  10. De gegevens van de zaak Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : VII-37.013-2/9 De vergunde inrichting is gelegen te Aalter, Hageland 4, in landschappelijk waardevol agrarisch gebied volgens het bij koninklijk besluit van 24 september 1978 vastgesteld gewestplan "Eeklo-Aalter". VII-37.013-3/9 De inrichting werd overgenomen door de derde tussenkomende partij. Van die overname werd akte genomen door de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen bij besluit van 27 oktober
  11. Eerste verzoeker is de eigenaar en bewoner van de hoeve, gelegen Hageland 5, op een 150-tal meter aan de overkant van de straat diagonaal tegenover het perceel waarvoor de bestreden vergunning werd verleend. Tweede verzoeker is de eigenaar van een hoeve, gelegen Hageland 3, op een afstand van minder dan 100 meter ten oosten van het perceel waarvoor de bestreden vergunning werd verleend. Met de bestreden beslissing wordt het beroep dat door verzoekers werd aangetekend tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 26 oktober 2006, waarbij aan de eerste tussenkomende partij vergunning wordt verleend voor het exploiteren van een pluimveehouderij, gekoppeld aan de verplaatsing van een gemengde veeteeltinrichting, omvattende onder meer stallen met plaatsen voor 33.600 leghennen, de opslag van 2.500 m³ dierlijke mest, de opslag van 1,5 ton eieren en een grondwaterwinning met een maximaal debiet van 20 m³ per dag en 6.611 m³ per jaar, ongegrond verklaard. De bestreden milieuvergunning is gekoppeld aan een stedenbouwkundige vergunning van 11 juni 2007 verleend door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Aalter. Die vergunning is bestreden door verzoekers met een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Bij 's Raads arrest nr. 173.232 van 5 juli 2007 is die vordering verworpen wegens gebrek aan ernstige middelen;
  12. De ontvankelijkheid van de vordering Overwegende dat de verwerende partij en de tussenkomende partijen opwerpen dat verzoekers het rechtens vereiste belang ontberen om in deze op te treden; Overwegende dat over die exceptie slechts uitspraak zou moeten worden gedaan indien aan de beide, cumulatieve voorwaarden om tot de schorsing van de tenuitvoerlegging over te gaan is voldaan, wat te dezen, zoals zal blijken, niet het geval is; VII-37.013-4/9
  13. De gegrondheid van de vordering Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen; 4.
  14. Overwegende dat verzoekers met betrekking tot de tweede voorwaarde aanvoeren wat volgt : "
  15. De onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing kan de verzoekers een ernstig nadeel berokkenen. De eerste verzoeker heeft vanuit zijn woning - en derhalve vanuit zijn tuin een rechtstreeks zicht op de plaats waar de inrichting zal worden geëxploiteerd (ongeveer 100 meter) (...). Vanuit het gezichtspunt van de verzoekers, zou de vergunde constructie op geen slechtere plaats kunnen worden ingeplant, dan waar dit thans het geval is. Gelet op de aard en de omvang van de vergunde bouwwerken zal hun zicht op ernstige wijze worden belemmerd en gehinderd. Zij zullen een rechtstreeks zicht krijgen op de muur die wordt gecreëerd tussen het open landschap en hun eigendom. Deze visuele hinder vormt een belangrijk en persoonlijk nadeel. Daarenboven wordt opgemerkt dat Uw raad bij het schorsingsarrest van 12 oktober 2005 nr. 150.132 heeft aangenomen: 'dat uit de neergelegde plannen en foto*s blijkt dat eerste verzoeker vanop zijn eigendom een rechtstreeks zicht heeft op de vergunde constructie, dat noch het feit de vergunde stal niet recht tegenover doch schuin tegenover de woning van eerste verzoeker wordt ingeplant, noch het feit dat zijn woning is omgeven door een groenblijvende haag met een hoogte van circa 2 m, aan voormelde vaststelling afbreuk doen'; Terzake kan ook verwezen worden naar het arrest van de Raad van State van 3 november 2005 nr. 150.
  16. De nieuw op te richten mastodont kippenstal bevindt zich tevens op ongeveer 50 meter van de woning van de tweede verzoeker en zal dus pal voor zijn woning worden opgericht (...). De tweede verzoeker zal deze woning binnen afzienbare tijd zelf betrekken. Het perceel waarop voornoemde kippenstalling -met industriële aanblik: zie de materiaalkeuze - zou worden opgericht betreft een rechthoekig stuk grond met een gemiddelde breedte van ongeveer 150 meter en een diepte van nagenoeg 110 meter. De eigendom valt binnen de perimeter van de ankerplaats 'Hoogveld' waarbij de voormalige hoeve als beeldbepalend wordt beschouwd binnen de relictzone. De schade is ernstig nu de schoonheid van het landschap vanuit zijn woning precies de charme ervan uitmaakt. Er zal een langgerekte mastodont stalling met industriële aanblik komen met als gebruikte materialen zeer monotone betonsilexplaten, grijze golfplaten, enz. De verzoekers welke onmiddellijk grenzen aan dit perceel mochten er op vertrouwen dat de vergunningverlenende overheid de landschapswaarde zou vrijwaren en geen storende ingrepen zou toelaten. Het contrast kan eigenlijk niet groter zijn! VII-37.013-5/9
  17. De exploitatie van industriële veeteelt is niet te vergelijken met het vroeger gebruik nl. koeienweiden. De toelating voor niet grondgebonden industriële kippenkweek vormt een storende ingreep die de ecologie van het gebied in gevaar zal brengen en die een activiteit zal teweegbrengen die onverenigbaar is met een gebruik dat in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied mag verwacht worden. De intensieve kippenkwekerij (33.600 kippen) zal immers niet alleen visuele hinder (cfr. R.v.St. Vandenhende, nr. 70.184 van 12 december 1997) meebrengen voor verzoekers, maar ook hinder in de vorm van periodiek transport enerzijds van kippen en voeder en anderzijds van mest. Er zal dan ook tegensprekelijk voor beide verzoekers geurhinder zijn. De nieuwe inrichting betekent immers een verandering van landschap een aanslag op de ecologie van het gebied, die moeilijk te herstellen zullen zijn (Zie ook R.v.St. Blampain en Godfrin, nr. 104.300 van 4 maart 2002). Deze geurhinder wordt in het bestreden besluit erkend doch ten onrechte omschreven als hinder eigen aan de exploitatie van de inrichting welke tot een voor de omgeving aanvaardbaar niveau wordt beperkt. Het gaat om diverse vormen van luchtverontreiniging waartoe kunnen gerekend worden de geur en de stank via de stal zelf als door de opslag van de mest. Kippenmest bevat een zeer hoge ammoniak-emissie zodat de opslag van 2.500 m3 dierlijke mest een constante geurhinder zal veroorzaken. Voorts is er de uitstoot van ontelbare stofdeeltjes, bacteriën, ziektekiemen.
  18. Daarnaast zal de exploitatie van dergelijke omvangrijke inrichting een aanzienlijke mate van lawaaihinder veroorzaken als gevolg van de permanent draaiende ventilatoren en het bijna dagelijkse vrachtwagentransport van en naar het bedrijf (laden en lossen van vrachtwagens: leveren van veevoeder, afhalen van eieren, afhalen kadavers, mesttransport, enz.). Dit alles zal een niet te vermijden lawaaihinder veroorzaken. De aanslag op de ecologie en landschap enerzijds en de aantasting van het woonklimaat van verzoekers anderzijds noodzaken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de vergunde activiteit dient te worden geschorst om een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te vermijden (zie ook R.v.St. Vervaecke, nr. 96.810 van 21 juni 2001).
  19. Dat van de verzoekers een grotere tolerantie mag worden gevraagd ten opzichte van ongemakken die voortspruiten uit agrarische activiteiten (gelet op het feit dat zij wonen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied), doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de beoogde inrichting toch uitzonderlijk groot te noemen is. In casu betreft het een kippenstal voor 33.600 leghennen, met een totale oppervlakte van 3930 m2 en een totaal volume van ruim 20.239,50 m
  20. Dat met de verplichte aanleg van een groenscherm - waardoor de nieuwe stal slechts ten dele wordt gebufferd - dat 'alles zou goedmaken' geen rekening kan worden gehouden nu dit een lapmiddel blijkt te zijn om te verbergen wat de overheid zelf als hinderlijk aanziet"; 4.
  21. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de beweerde visuele hinder vanuit de woningen van verzoekers en de aantasting van de schoonheid van het landschap geen oorzaak vindt in het bestreden besluit, maar in de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van de kippenstal, zodat dit nadeel, bij gebrek aan rechtstreeks oorzakelijk verband, niet in aanmerking komt om als moeilijk te herstellen ernstig nadeel gekwalificeerd te worden; dat, in ondergeschikte orde, de nieuwe gebouwen in de plaats komen van oude, slordig geconfigureerde en vervallen gebouwen, en worden omgeven door een VII-37.013-6/9 groenscherm, zodat er van een verergering van de visuele hinder geen sprake kan zijn, hetgeen nochtans een voorwaarde is om in aanmerking te komen als moeilijk te herstellen ernstig nadeel; dat de nieuwe stal wordt uitgerust met een systeem voor ammoniakemissiereductie, zodat weinig geurhinder te verwachten valt; dat de mestopslag zich bevindt in gedroogde toestand onder de kippenstal in een gesloten kelder en slechts één maal per jaar wordt verwijderd; dat tegenover deze concrete feitelijke gegevens verzoekers geen concrete elementen aanbrengen die kunnen staven of aannemelijk maken dat de geurhinder niet tot een aanvaardbaar niveau beperkt zou kunnen worden, in acht genomen ook dat de ligging in agrarisch gebied een grotere tolerantie van verzoekers veronderstelt; dat in die context het aangevoerde nadeel, zo het al ernstig is, al te hypothetisch is; dat verzoekers geen concrete toelichting geven die het aannemelijk maakt dat de geluidshinder, veroorzaakt door enerzijds de bedrijvigheid en anderzijds het transport, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel vormt; dat uit het bestreden besluit integendeel blijkt dat de ventilatoren niet vergunningsplichtig zijn wegens te laag vermogen en dat het axiaalventilatoren met een laag geluidsniveau betreft, zodat het weinig evident is dat de geproduceerde geluidshinder als ernstig zou kunnen worden gekwalificeerd; dat verzoekers in ieder geval niet aantonen dat de geluidsnormen van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II) overschreden zullen worden; dat ernstige geluidshinder afkomstig van de dieren evenmin aannemelijk is gelet op de geluidsisolatie van de stal als bijzondere voorwaarde; dat het vrachtwagentransport zeer beperkt is: mesttransport slechts 1 keer per jaar, voeder wordt niet elke dag geleverd, het afhalen van de productie gebeurt hooguit dagelijks, gemiddeld vijf transporten per week over goed uitgeruste wegen, zodat dit nadeel niet als een ernstig nadeel kan worden gekwalificeerd; dat verzoekers niet uitleggen hoe de exploitatie, en niet het gebouw dat het voorwerp is van de stedenbouwkundige vergunning, de ecologische samenhang ter plaatse zal verstoren; dat zij op een andere plaats wel verwijzen naar hinder uit verkeer, stof, ziektekiemen en bacteriën, maar niet toelichten hoe dit in verband moet worden gebracht met de ecologie; 4.
  22. Overwegende dat de tussenkomende partijen in hun verzoek tot tussenkomst antwoorden met, in essentie, dezelfde argumenten als de verwerende partij aanvoert; VII-37.013-7/9 4.
  23. Overwegende dat verzoekers aldus voor het moeilijk te herstellen ernstig nadeel aanvoeren dat er visuele hinder is, ecologische schade, geurhinder en lawaaihinder; dat de visuele hinder die zou kunnen ontstaan door de constructie van een loods niet voortvloeit uit het bestreden besluit, doch rechtstreeks voortvloeit uit de tenuitvoerlegging van de stedenbouwkundige vergunning en derhalve in deze niet in aanmerking komt bij de beoordeling van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in het kader van een vordering tot schorsing van de milieuvergunning; dat, met betrekking tot de aangevoerde geurhinder, verzoekers verwijzen naar de zeer hoge ammoniakemissie van de opslag van 2.500 m3 kippenmest; dat zij evenwel wonen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, alwaar een hogere tolerantiegraad inzake geurhinder afkomstig van landbouwactiviteiten geldt; dat, alhoewel geurhinder een moeilijk te herstellen nadeel kan vormen, er niettemin voldoende concrete en precieze gegevens aangebracht moeten worden die dit aannemelijk kunnen maken; dat in deze verzoekers dit niet doen; dat, integendeel, als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat de stal "ammoniakemissiearm" moet worden uitgevoerd volgens een geavanceerde techniek, die klaarblijkelijk als voor het ogenblik best bruikbare techniek geldt, en dat de mestopslag zich in gedroogde toestand onder de kippenstal in een gesloten kelder bevindt en slechts één maal per jaar zal worden verwijderd; dat die eenmalige verwijdering weliswaar geurhinder zal opleveren doch dat die hinder slechts eenmaal per jaar, en dan nog kortstondig, zal optreden; dat in die omstandigeden verzoekers niet op afdoende wijze aantonen dat de geurhinder een ernstig nadeel oplevert; dat dit evenzeer geldt voor de aangevoerde ecologische schade waarover verzoekers trouwens heel vaag blijven; dat, voorts, de permanent draaiende ventilatoren en het bijna dagelijkse vrachtwagentransport van en naar het bedrijf, het laden en lossen van vrachtwagens bij de levering van veevoeder, het afhalen van eieren, het afhalen van kadavers en het mesttransport een niet te vermijden lawaaihinder veroorzaken; dat verzoekers evenwel geen concrete gegevens aanbrengen die het aannemelijk moeten maken dat de exploitatie gepaard zal gaan met een geluidshinder die van die aard is dat dit nadeel moeilijk te herstellen en ernstig is; dat, integendeel, uit het bestreden besluit blijkt dat "het risico op eventuele geluidshinder miniem zal zijn, temeer daar de verluchting van de stal zal gebeuren met axiaalventilatoren; dat deze een laag geluidsniveau produceren; dat de stal tevens geïsoleerd zal worden; dat er gemiddeld vijf transporten per week zullen plaatsvinden; dat dit zeer beperkt is"; dat een bijzondere voorwaarde bovendien stelt dat de aanvoer van veevoeder en de afvoer van eieren niet mag gebeuren tussen 19 uur en 7 uur en dat "de inrichting te VII-37.013-8/9 allen tijde moet voldoen aan de vigerende geluidsnormen van titel II van het Vlarem"; 4.
  24. Overwegende dat uit wat voorafgaat blijkt dat aan een van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan, dat die vaststelling volstaat om de vordering van verzoekers af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  25. De verzoeken tot tussenkomst van Daniël GERIS, Adriaan STAELENS en de l.v. STAVANO-VAN OVERBEKE in het administratief kort geding worden ingewilligd. Artikel
  26. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  27. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 375 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor een derde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien november tweeduizend en zeven, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-37.013-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.822 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.763 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.