← België

Arrest 176875 - Reglementen (justitie) - 19/11/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.875 Rolnummer: A. 151924/IX-4531 Zaak: Arrest 176875 - Reglementen (justitie) - 19/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-30 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:07 Fiche Arrest nr 176.875 van 19 november 2007 Justitie - Reglementen (justitie) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.875 van 19 november 2007 in de zaak A. 151.924/IX-

  1. In zake :
  2. Joris RYCKEN,
  3. de BVBA Joris RYCKEN & Co, die woonplaats kiezen bij advocaat M. HENQUIN, kantoor houdende te STABROEK-HOEVENEN, Kerkstraat 39 B tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat I. DE VROE, kantoor houdende te GENT, Begijnhoflaan
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Joris RYCKEN en de BVBA Joris RYCKEN & Co op 19 mei 2004 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie - Commissie voor de Gerechtskosten in Strafzaken d.d. 18 maart 2004 betreffende de memorie ten bedrage van i 7.831,30 van de heer Joris RYCKEN, Bisschoppenhoflaan 384 te 2100 Antwerpen, vordering van 17/04/2001 met referte 46/97 (dossiernummer) en 20.99.1486/96 (notitienummer) van de heer VAN WAMBEKE, onderzoeksrech- ter te Antwerpen, inzake M., neerlegging van het verslag op 09/08/2002”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 4 april 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-4531-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 16 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 november 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. HENQUIN die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat I. DE VROE die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
  5. De eerste verzoeker wordt op 17 april 2001 door een onderzoeksrechter in de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen aangesteld als deskundige in een strafzaak. In die zaak was hij eerder al met een opdracht als deskundige belast. Op 9 augustus 2002 legt de eerste verzoeker zijn verslag neer. Op 12 augustus 2002 dient hij een staat van ereloon en kosten in, voor de periode van januari 2001 tot augustus 2002, ten bedrage van 7.831,30 euro, BTW inbegrepen. Op 20 september 2002 begroot de onderzoeksrechter de staat van ereloon en kosten op dat bedrag. Met een brief van 5 december 2002 deelt een adjunct-adviseur bij de federale overheidsdienst Justitie, tekenend “voor de Minister”, aan de eerste verzoeker mee dat zij de “memorie”, dit wil zeggen de voormelde staat van ereloon en kosten, op 6 november 2002 heeft overgemaakt aan de Commissie voor de IX-4531-2/7 gerechtskosten in strafzaken. In afwachting van de beslissing van de Commissie wordt hem een provisie van 3.872 euro toegekend. Op 13 maart 2003 beslist de Commissie de eerste verzoeker uit te nodigen om uitleg te verschaffen over de volgende punten: - het feit dat hij meerdere prestaties in rekening heeft gebracht (28u30 in totaal) daterend van vóór de datum van de opdracht, zijnde 17 april 2001; - het feit dat hij voor het opstellen van het deskundig verslag, dat uit een 20-tal kleine bladzijden bestaat, prestaties heeft aangerekend betreffende “afwerking verslag”, welke werden uitgevoerd door een medewerkster “SS” en een medewerk(st)er “HW”, waarbij de Commissie uitdrukkelijk de vraag stelt of het hier misschien het “intikken” en/of het “uitprinten” van het verslag betreft. Deze beslissing wordt hem met een schrijven van 8 mei 2003 ter kennis gebracht. Met een brief van 12 mei 2003 verschaft de eerste verzoeker uitleg over de genoemde prestaties. Op 23 februari 2004 beslist de Commissie, “na kennis te hebben genomen van de schriftelijke uitleg door de deskundige verstrekt op 12 mei 2003”, de memorie van de eerste verzoeker vast te stellen op 6.632,66 euro. Die beslissing steunt op de volgende motieven : - in de eerste plaats worden 25.45 uren, in rekening gebracht voor welbepaalde prestaties van de eerste verzoeker en deze van zijn medewerker Y.B., kennelijk onredelijk geacht, gelet op de ervaring van de betrokkenen; die 25.45 uren worden herleid tot 7 uren, hetgeen leidt tot een vermindering met 964,88 euro; - voorts worden de prestaties uitgevoerd door een medewerkster “JG”, bestaande in het nalezen en het aanpassen van het verslag, niet in aanmerking genomen; dit leidt tot een vermindering met 25,73 euro. IX-4531-3/7 Deze beslissing wordt met een aangetekende brief van 18 maart 2004 aan de eerste verzoeker ter kennis gebracht. Op 30 maart 2004 schrijft de eerste verzoeker aan de Commissie, in verband met de vermindering met 964,88 euro, dat hij nooit om uitleg gevraagd is over de prestaties waarop die vermindering betrekking heeft. Hij neemt in zijn schrijven een verantwoording over de betwiste prestaties op, en vraagt dat de Commissie een nieuwe beslissing zou nemen, rekening houdend met die verantwoording. Wat betreft de vermindering met 25,73 euro, geeft de verzoeker te kennen dat hij hierop niet wil ingaan, gelet op de geringe hoogte van het bedrag, en stuurt hij een creditnota ten belope van dat bedrag. Op 18 juni 2004 onderzoekt de Commissie het genoemde schrijven van 30 maart
  6. Zij stelt vast dat een aantal prestaties inderdaad niet het voorwerp hebben uitgemaakt van de op 8 mei 2003 gestelde vragen. De Commissie is evenwel van oordeel “dat de brief van de deskundige van 12 mei 2003 voldoende gegevens bevatte om deze prestaties te beoordelen, zodat zij een nieuwe vraagstelling desbetreffend overbodig achtte”. De Commissie handhaaft dan ook haar eindbeslissing van 23 februari
  7. Ondertussen hadden de verzoekers reeds het voorliggende beroep ingesteld, gericht tegen de beslissing van “18 maart 2004” (lees: van 23 februari 2004). Ten gronde 2.
  8. De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van artikel 78 van het Algemeen Reglement op de gerechtskosten in strafzaken, vastgesteld bij het koninklijk besluit van 28 december
  9. Volgens de verzoekers volgt uit de genoemde bepaling dat de beslissingen van de Commissie met redenen omkleed moeten zijn, en dat de Commissie de deskundige in voorkomend geval om schriftelijke uitleg kan vragen. Volgens de verzoekers had het verzoek om uitleg te dezen betrekking, enerzijds, op een aantal prestaties van de eerste verzoeker en diens medewerker Y.B., daterend van vóór de datum van aanstelling van de eerste verzoeker, zijnde 17 april 2001, en anderzijds, op de prestaties van de medewerkers SS en HW, die het intikken en het uitprinten van het verslag zouden betreffen. De eerste verzoeker heeft met een brief van 12 mei 2003 op die opmerkingen IX-4531-4/7 geantwoord. Na tien maanden reageert de Commissie hierop met de bestreden beslissing. Daarin worden om te beginnen andere prestaties herleid, namelijk prestaties van de medewerker Y.B. van na 13 april 2001, terwijl het in de vraag om uitleg alleen ging om prestaties die geleverd waren in de periode van 9 januari tot 13 april
  10. Bovendien is in de bestreden beslissing geen sprake meer van de prestaties van de medewerkers SS en HW, maar enkel over die van de medewerkster JG. Volgens de verzoekers verwijst de Commissie in haar beslissing ten onrechte naar de brief van de verzoekers van 12 mei 2003, aangezien deze brief een antwoord bevat op een verzoek tot nadere informatie inzake andere prestaties dan die waarop de Commissie haar bestreden beslissing steunt. De Commissie heeft haar beslissing aldus niet met redenen omkleed, zodat artikel 78 van het Algemeen Reglement op de gerechtskosten in strafzaken geschonden is. 2.
  11. Artikel 78 van het Algemeen Reglement op de gerechtskosten in strafzaken, vastgesteld bij koninklijk besluit van 28 december 1950 en van toepassing op het ogenblik dat de bestreden beslissing is genomen, luidt als volgt: “De memories van honoraria van personen, opgeroepen wegens hun kunde of hun beroep, worden, tegelijk met het deskundig verslag, aan de vorderende magistraat overgemaakt. Deze stelt ze vast, indien de geëiste honoraria overeenstemmen met de overeenkomstig zijn vorderingen gepresteerde diensten. Wanneer de magistraat memories opgemaakt volgens de in artikel 1 bepaalde schaal vaststelt, worden zij door bemiddeling van de parketten aan de Minister van Justitie overgemaakt. De Minister van Justitie gaat na of de voorwaarden van de schaal werden in acht genomen. Is dit het geval, dan worden de memories betaalbaar gesteld. Indien de magistraat oordeelt de in het vorig lid bedoelde memories niet onveranderd te kunnen vaststellen, of indien de verrichtingen wegens hun aard of bij uitzondering niet in de bij artikel 1 bepaalde schaal voorkomen, dan worden de memories begroot door de vorderende magistraat, die eventueel het bedrag ervan bij een met redenen omklede beschikking kan verminderen. De memories worden daarna overgemaakt aan de Minister van Justitie om, na nazicht, voorzien te worden van de vermelding 'geen bezwaar'. Is de Minister van oordeel dat de honoraria vastgesteld of begroot werden op een bedrag dat niet met het belang der verstrekte prestaties overeenstemt, dan maakt hij in de loop der maand de betwiste memories over aan de commissie voor gerechtskosten in strafzaken. Bij voorkomend geval vraagt de commissie, door bemiddeling van de vorderende magistraat of van de bevoegde ambtenaar van het openbaar ministerie, de deskundige om schriftelijke uitleg. Desnoods wint zij het advies in van de vorderende magistraat of van de bevoegde ambtenaar van het openbaar ministerie. Zij kan eveneens eisen dat het dossier en de in beslag genomen documenten haar worden overgelegd. Wanneer het bedrag van de memorie 2.500 EUR frank bereikt en de door de commissie voorgenomen vermindering één vierde van het bedrag der memorie te boven gaat, wordt hiervan kennis gegeven aan de deskundige die, zo hij daartoe een aanvraag indient binnen vijftien dagen na toezending van het IX-4531-5/7 bericht, mondeling uitleg kan geven aan de commissie. Buiten dit geval, hoort de commissie de mondelinge uitleg van de deskundige, indien zij dit nuttig acht. Ten slotte stelt de commissie het bedrag van de memorie vast, zendt ze terug aan de Minister van Justitie en deelt de beslissing aan de vorderende magistraat mede. Op zicht van de door de commissie vastgestelde toeschatting, worden de memories onmiddellijk betaalbaar gesteld.” Uit het zesde en het zevende lid moet afgeleid worden dat, wanneer de Commissie zich voorneemt het bedrag van de memorie te verminderen, zij overeenkomstig het zesde lid de deskundige in elk geval om schriftelijke uitleg moet vragen; daarenboven moet of kan de Commissie, in de in het zevende lid bedoelde gevallen, de deskundige de gelegenheid geven om mondeling uitleg te verstrekken. 2.
  12. Te dezen heeft de Commissie in haar vergadering van 13 maart 2003 beslist om de eerste verzoeker uitleg te vragen over het feit dat prestaties werden aangerekend die aan de datum van 17 april 2001 voorafgingen, en over een aantal prestaties van de medewerksters SS en HW. In de bestreden beslissing van 23 februari 2004 oordeelt de Commissie in de eerste plaats “dat het totaal aantal uren, in rekening gebracht voor (een aantal nader gepreciseerde) prestaties met inachtneming van zijn ervaring en deze van zijn medewerker Y.B., kennelijk onredelijk is”. Onder de opgesomde prestaties waarvoor het aantal aangerekende uren door de Commissie wordt verminderd zijn prestaties vermeld die dateren van na 17 april 2001 en waarover de eerste verzoeker door de Commissie niet om uitleg is gevraagd. Voorts beslist de Commissie een aantal prestaties uitgevoerd door de medewerkster JG te schrappen, terwijl de eerste verzoeker ook over die prestaties niet om uitleg is gevraagd. Door na te laten om de eerste verzoeker omtrent de betwiste prestaties om uitleg te vragen, heeft de Commissie artikel 78 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 geschonden. Het feit dat de eerste verzoeker met een brief van 30 maart 2004 zijn bezwaren kenbaar heeft kunnen maken, doet aan die vaststelling geen afbreuk. Artikel 78 vereist immers dat de deskundige vooraf om uitleg wordt gevraagd. De bezwaren van de eerste verzoeker hebben overigens tot geen nieuw onderzoek aanleiding gegeven. De Commissie heeft immers op 18 juni 2004 beslist haar eindbeslissing van 23 februari 2004 zonder nader onderzoek te handhaven, op grond dat de brief van de eerste verzoeker van 12 mei 2003 reeds voldoende gegevens bevatte om de betwiste prestaties te beoordelen. IX-4531-6/7 Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  13. Vernietigd wordt de beslissing van de Commissie voor de gerechtskosten in strafzaken van 23 februari 2004 “betreffende de memorie ten bedrage van i 7.831,30 van de heer Joris RYCKEN, Bisschoppenhoflaan 384 te 2100 Antwerpen, vordering van 17/04/2001 met referte 46/97 (dossiernummer) en 20.99.1486/96 (notitienummer) van de heer VAN WAMBEKE, onderzoeksrechter te Antwerpen, inzake M., neerlegging van het verslag op 09/08/2002”. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 19 november 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-4531-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.875 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.