id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.876 Rolnummer: A. 154652/IX-4621 Zaak: Arrest 176876 - Reglementen (justitie) - 19/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-03 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 04:07 Fiche Arrest nr 176.876 van 19 november 2007 Justitie - Reglementen (justitie) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.876 van 19 november 2007 in de zaak A. 154.652/IX-
- In zake : de BVBA Expertisebureel Wim VANDEWEERDT, gevestigd te HASSELT, Kuringersteenweg 79 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaten P. HOFSTRÖSSLER en K. LEUS, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA Expertisebureel Wim VANDEWEERDT op 11 augustus 2004 heeft ingediend om de nietigverkla- ring te vorderen van “de beslissing d.d. 14-06-2004 (uittreksel uit het proces-verbaal der zitting van 30-03-2004, nr. 15 van de agenda, nummer van het dossier : 39342) van de ‘Commissie voor de Gerechtskosten in Strafzaken’ inzake de ‘Memorie ten bedrage van 2.331,75 i van de heer Wim VANDEWEERDT, Kuringersteenweg 79 te 3500 Hasselt - vordering van 15-01-2002 met referte 30.22.70152/01 (OR II/630/01) van de heer Procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, inzake D., neerlegging van het verslag op 07-06-2002”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 4 april 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; IX-4621-1/6 Gelet op de beschikking van 16 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 november 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. VAN HOECKE die, loco advocaten P. HOFSTRÖSSLER en K. LEUS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
- Wim VANDEWEERDT wordt op 18 januari 2002 door de Procureur des Konings te Hasselt aangesteld als deskundige in een strafzaak. Op 7 juni 2002 legt hij zijn verslag neer. Dezelfde dag dient de verzoekster een staat van ereloon en kosten in, ten bedrage van 2.331,75 euro, BTW inbegrepen. Op 11 juni 2002 begroot de procureur des Konings de staat van ereloon en kosten op dat bedrag. Met een brief van 10 juli 2002 deelt een adjunct-adviseur bij de federale overheidsdienst Justitie, tekenend “voor de Minister”, aan de deskundige mee dat zij de “memorie”, dit wil zeggen de voormelde staat van ereloon en kosten, op 9 juli 2002 heeft overgemaakt aan de Commissie voor de gerechtskosten in strafzaken. In afwachting van de beslissing van de Commissie wordt hem een provisie van 1.331 euro toegekend. Met een brief van 11 december 2003 wordt aan de deskundige de beslissing van de Commissie van ongekende datum meegedeeld, waarbij deze de deskundige uitnodigt om zijn memorie op te stellen, rekening houdend met het IX-4621-2/6 forfait dat van toepassing is op verkeersongevallen waarbij een voertuig en een fietser betrokken zijn. Met een brief van 16 februari 2004 verschaft de deskundige uitleg over de aangerekende prestaties. Hij wijst erop dat het niet ging om een eenvoudig verkeersongeval, maar om een moord, waarvoor de dader trouwens door het hof van assisen is veroordeeld. Op 30 maart 2004 beslist de Commissie de memorie van de deskundige vast te stellen op 1.370,35 euro. Deze beslissing, die met een aangetekende brief van 17 juni 2004 aan de deskundige ter kennis wordt gebracht, vormt het voorwerp van het voorliggende beroep. Ten gronde 2.
- Er bestaat aanleiding om ambtshalve een middel in te roepen, afgeleid uit de schending van artikel 78 van het Algemeen Reglement op de gerechtskosten in strafzaken, vastgesteld bij het koninklijk besluit van 28 december 1950, doordat de beslissing om de memorie van de verzoekster over te maken aan de Commissie voor de gerechtskosten in strafzaken is genomen door een adjunct- adviseur, terwijl die beslissing behoort tot de bevoegdheid van de minister van Justitie en niet blijkt dat deze haar bevoegdheid terzake gedelegeerd heeft aan de voornoemde ambtenaar. 2.
- Artikel 78 van het Algemeen Reglement op de gerechtskosten in strafzaken, vastgesteld bij koninklijk besluit van 28 december 1950 en van toepassing op het ogenblik dat de bestreden beslissing is genomen, luidt als volgt: “De memories van honoraria van personen, opgeroepen wegens hun kunde of hun beroep, worden, tegelijk met het deskundig verslag, aan de vorderende magistraat overgemaakt. Deze stelt ze vast, indien de geëiste honoraria overeenstemmen met de overeenkomstig zijn vorderingen gepresteerde diensten. Wanneer de magistraat memories opgemaakt volgens de in artikel 1 bepaalde schaal vaststelt, worden zij door bemiddeling van de parketten aan de Minister van Justitie overgemaakt. De Minister van Justitie gaat na of de voorwaarden van de schaal werden in acht genomen. Is dit het geval, dan worden de memories betaalbaar gesteld. Indien de magistraat oordeelt de in het vorig lid bedoelde memories niet onveranderd te kunnen vaststellen, of indien de verrichtingen wegens hun aard of bij uitzondering niet in de bij artikel 1 bepaalde schaal voorkomen, dan IX-4621-3/6 worden de memories begroot door de vorderende magistraat, die eventueel het bedrag ervan bij een met redenen omklede beschikking kan verminderen. De memories worden daarna overgemaakt aan de Minister van Justitie om, na nazicht, voorzien te worden van de vermelding 'geen bezwaar'. Is de Minister van oordeel dat de honoraria vastgesteld of begroot werden op een bedrag dat niet met het belang der verstrekte prestaties overeenstemt, dan maakt hij in de loop der maand de betwiste memories over aan de commissie voor gerechtskosten in strafzaken. Bij voorkomend geval vraagt de commissie, door bemiddeling van de vorderende magistraat of van de bevoegde ambtenaar van het openbaar ministerie, de deskundige om schriftelijke uitleg. Desnoods wint zij het advies in van de vorderende magistraat of van de bevoegde ambtenaar van het openbaar ministerie. Zij kan eveneens eisen dat het dossier en de in beslag genomen documenten haar worden overgelegd. Wanneer het bedrag van de memorie 2.500 EUR frank bereikt en de door de commissie voorgenomen vermindering één vierde van het bedrag der memorie te boven gaat, wordt hiervan kennis gegeven aan de deskundige die, zo hij daartoe een aanvraag indient binnen vijftien dagen na toezending van het bericht, mondeling uitleg kan geven aan de commissie. Buiten dit geval, hoort de commissie de mondelinge uitleg van de deskundige, indien zij dit nuttig acht. Ten slotte stelt de commissie het bedrag van de memorie vast, zendt ze terug aan de Minister van Justitie en deelt de beslissing aan de vorderende magistraat mede. Op zicht van de door de commissie vastgestelde toeschatting, worden de memories onmiddellijk betaalbaar gesteld.” Uit die bepaling, inzonderheid uit het derde en het vijfde lid ervan, moet afgeleid worden dat de minister of de ambtenaar die in zijn plaats optreedt meer dan een “sluisfunctie” vervult: hij kan immers, na nazicht, op de toegestuurde memories de vermelding "geen bezwaar" aanbrengen en het ereloon kan dan onmiddellijk uitbetaald worden (artikel 78, derde lid); is hij van oordeel dat de voorwaarden van de schaal bedoeld in artikel 1 niet in acht werden genomen of dat de honoraria vastgesteld of begroot werden op een bedrag dat niet met het belang der verstrekte prestaties overeenstemt (artikel 78, vierde en vijfde lid), dan maakt hij de betwiste memories over aan de Commissie voor de gerechtszaken in strafzaken, die het bedrag van de memorie vaststelt. In beide gevallen wordt reeds een beoordeling uitgevoerd over het bestaan en het bedrag van de schuldvordering waardoor, in het eerste geval, het optreden van de voornoemde commissie wordt uitgesloten. De uitgeoefende bevoegdheid is weliswaar niet zo belangrijk dat zij delegatie aan een ambtenaar uitsluit. Daarvoor is dan wel vereist dat die delegatie uitdrukkelijk is verleend. 2.
- Te dezen blijkt uit het door de verwerende partij ingediende administratief dossier niet dat de beslissing om de memorie van de verzoekster aan IX-4621-4/6 de Commissie voor de gerechtskosten in strafzaken over te maken door de minister van Justitie genomen is. Er wordt evenmin een bewijs voorgelegd dat aan de ambtenaar van de federale overheidsdienst Justitie die de memorie van de verzoekster aan de Commissie heeft overgemaakt, daartoe uitdrukkelijk delegatie is verleend. Er dient dan ook ambtshalve te worden vastgesteld dat de memorie van de verzoekster niet regelmatig aan de Commissie is voorgelegd. De Commissie heeft bijgevolg niet rechtsgeldig over die memorie kunnen beslissen. De bestreden beslissing is aldus genomen met schending van artikel 78 van het Algemeen Reglement op de gerechtskosten in strafzaken. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de Commissie voor de gerechtskosten in strafzaken van 14 juni 2004 “inzake de memorie ten bedrage van 2.331,75 i van de heer Wim VANDEWEERDT, Kuringersteenweg 79 te 3500 Hasselt, vordering van 15-01-2002 met referte 30.22.70152/01 (OR II/630/01) van de heer Procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, inzake D., neerlegging van het verslag op 07-06-2002”. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-4621-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 19 november 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-4621-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.876 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.