← België

Arrest 176878 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 19/11/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.878 Rolnummer: Zaak: Arrest 176878 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 19/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-03 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 04:07 Fiche Arrest nr 176.878 van 19 november 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.878 van 19 november 2007 in de zaken A. 111.936/IX-3100 119.350/IX-3290 122.169/IX-

  1. In zake : Honoré MAES, die woonplaats kiest bij advocaat B. BLANPAIN, kantoor houdende te BRUSSEL, Tervurenlaan 270 tegen : de cvba IBOGEM, die woonplaats kiest bij advocaat A. COOLSAET, kantoor houdende te ANTWERPEN, Arthur Goemaerelei
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Honoré MAES op 26 oktober 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van het directiecomité van de cvba IBOGEM van 6 september 2001 waarbij verzoeker preventief wordt geschorst met behoud van wedde voor een periode van vier maanden en van de beslissing van de raad van bestuur van de cvba IBOGEM van 9 oktober 2001 waarbij het beroep tegen deze eerste beslissing onontvankelijk wordt verklaard (zaak A. 111.936/IX-3100); Gezien het verzoekschrift dat Honoré MAES op 9 april 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van het directiecomité van de cvba IBOGEM van 14 februari 2002 waarbij verzoeker preventief wordt geschorst bij hoogdringendheid met behoud van wedde “voor een periode van maximaal 4 maanden” (zaak A. 119.350/IX-3290); IX-3100-1/7 Gezien het verzoekschrift dat Honoré MAES op 6 juni 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van het directieco- mité van de cvba IBOGEM van 30 mei 2002 tot bevestiging van de preventieve schorsing bij hoogdringendheid met behoud van de wedde van verzoeker, opgelegd bij beslissing van 14 februari 2002 (zaak A. 122.169/IX-3363); Gelet op het arrest nr. 100.458 van 30 oktober 2001 waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerleg- ging van de bestreden beslissing van 6 september 2001 wordt verworpen (zaak A.111.936/IX-3100); Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 8 november 2001 door de verzoekende partij (zaak A. 111.936/IX- 3100); Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord in de drie zaken; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. DE SOMERE; Gelet op de beschikking van 4 mei 2007 tot voeging van de zaken; Gelet op de beschikkingen van 4 mei 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van de dossiers gelasten; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 4 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 november 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. EL JAOUHARI die, loco advocaat B. BLANPAIN verschijnt voor de verzoeker; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; IX-3100-2/7 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. Verzoeker is sinds 1991 directeur bij de verwerende partij. Naar aanleiding van geruchten over mogelijke misbruiken, beslist de raad van bestuur op 3 mei 2001 om een comité van ambtenaren met een onderzoek van de boekhouding te belasten. Na kennisneming van het verslag van dit comité beslist het directiecomité op 20 augustus 2001 een tuchtonderzoek tegen de verzoeker te starten. In het kader van die tuchtprocedure beslist het directiecomité op 6 september 2001 de verzoeker preventief te schorsen voor een periode van vier maanden. Tegen die beslissing stelt de verzoeker beroep in bij de raad van bestuur. Op 9 oktober 2001 beslist de raad van bestuur dat het beroep onontvankelijk is. De genoemde beslissingen van het directiecomité en van de raad van bestuur vormen het voorwerp van het beroep in de zaak A. 111.936/IX-
  4. In die zaak heeft de Raad van State bij arrest nr. 100.458 van 30 oktober 2001 een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid verworpen, op grond dat de vereiste dringende noodzakelijkheid niet was aangetoond.
  5. Op 3 januari 2002 legt het directiecomité aan de verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op. De commissaris van de Vlaamse regering schorst die beslissing op 7 februari
  6. Terwijl de termijn voor het heroverwegen van de geschorste beslissing loopt, beslist het directiecomité op 14 februari 2002 om de verzoeker bij hoogdringendheid preventief te schorsen “voor de duur die nodig is tot: - het directiecomité zich heeft uitgesproken over het handhaven of intrekken van de beslissing tot schorsing van de tuchtbeslissing en - in geval van handhaving van de beslissing tot schorsing van de tuchtbeslissing door het directiecomité, de toezichthoudende overheid zich heeft uitgesproken over de beslissing tot rechtvaardiging die het directiecomité heeft genomen naar aanleiding van de beslissing tot schorsing van de tuchtbeslissing, met dien IX-3100-3/7 verstande dat de preventieve schorsing alleszins een einde neemt bij het verstrijken van de periode van vier maanden vanaf heden”. Deze beslissing maakt het voorwerp uit van het beroep in de zaak A. 119.350 / IX-
  7. Nadat het directiecomité de verzoeker over de preventieve schorsing heeft gehoord, bevestigt hij op 30 mei 2002 de beslissing die op 14 februari 2002 genomen is. De beslissing van 30 mei 2002 maakt het voorwerp uit van het beroep in de zaak A. 122.169 / IX-
  8. Ondertussen had het directiecomité op 6 maart 2002 beslist om zijn beslissing van 3 januari 2002, die door de commissaris van de Vlaamse regering geschorst was, te handhaven. Tegen de beslissingen van 3 januari 2002 en 6 maart 2002 zijn door de verzoeker een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring ingesteld, die door de Raad van State zijn verworpen respectievelijk bij arrest nr. 114.116 van 23 december 2002 en bij arrest nr. 147.652 van 14 juli 2005, telkens op grond dat de bestreden beslissingen niet vatbaar zijn voor een beroep bij de Raad van State. Tegen de genoemde beslissingen van het directiecomité van 3 januari 2002 en 6 maart 2002 heeft de verzoeker ondertussen ook een beroep ingesteld bij de raad van bestuur. Nadat de Vlaamse minister bevoegd inzake binnenlandse aangelegenheden op 5 april 2002 heeft medegedeeld dat hij akkoord ging met de beslissing van het directiecomité, en hij die beslissing dus niet vernietigde, beslist de raad van bestuur op 26 april 2002 het beroep tegen de opgelegde tuchtstraf te verwerpen, en die tuchtstraf mitsdien te bevestigen. Deze beslissing van de raad van bestuur wordt door de Raad van State geschorst, bij arrest nr. 114.115 van 23 december 2002, en nadien vernietigd, bij arrest nr. 147.653 van 14 juli
  9. Op vraag van de auditeur-verslaggever heeft de verzoeker bij schrijven van 7 maart 2006 laten weten dat hij nog steeds als directeur door de verwerende partij wordt tewerkgesteld en dat de verwerende partij, na de vernieti- ging van de hem opgelegde tuchtstraf bij het genoemde arrest nr. 147.653 van 14 juli 2005, op basis van het originele tuchtdossier geen nieuwe tuchtrechtelijke stappen of initiatieven meer heeft genomen. IX-3100-4/7
  10. In zoverre de beroepen gericht zijn tegen de beslissingen van het directiecomité van 6 september 2001 (eerste bestreden beslissing in de zaak A. 111.936/IX-3100), 14 februari 2002 (zaak A. 119.350/IX-3290) en 30 mei 2002 (zaak A. 122.169/IX-3363), gaat het telkens om beslissingen waarbij de verzoeker preventief geschorst wordt, met behoud van wedde, in het kader van de tegen hem ingestelde tuchtprocedure. In die tuchtprocedure is op 26 april 2002 door de raad van bestuur de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege opgelegd. Die beslissing is door de Raad van State bij arrest nr. 147.653 van 14 juli 2005 evenwel vernietigd, op grond dat “de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege gevitieerd is wat tenminste drie van de zes (groepen van) tuchtfeiten betreft waarop het gesteund is”. Na dit vernietigingsarrest is de tuchtprocedure niet meer hernomen. Artikel 191, § 2, van het administratief statuut voor het statutair personeel van de verwerende partij bepaalt dat, indien binnen de termijn waarvoor een preventieve schorsing wordt uitgesproken, geen tuchtstraf wordt opgelegd, alle effecten van de preventieve schorsing vervallen. Deze bepaling is te dezen van toepassing, gelet op het feit dat de opgelegde tuchtstraf is vernietigd en de tuchtprocedure vervolgens niet is hernomen. Aldus zijn de bestreden preventieve schorsingen van rechtswege vervallen, zodat ambtshalve vastgesteld moet worden dat de beroepen in dit opzicht hun voorwerp hebben verloren. De desbetreffende beslissingen van het directiecomité van 6 september 2001, 14 februari 2002 en 30 mei 2002 zijn evenwel niet ingetrokken, en bestaan dus formeel nog. Ten behoeve van de duidelijkheid in het rechtsverkeer en de rechtszekerheid is er aanleiding om die beslissingen uitdrukkelijk te vernietigen.
  11. In zoverre het beroep in de zaak A.111.936/IX-3100 gericht is tegen de beslissing van de raad van bestuur van 9 oktober 2001 waarbij verzoekers beroep tegen de beslissing van het directiecomité van 6 september 2001 tot preventieve schorsing niet ontvankelijk wordt verklaard, moet worden vastgesteld dat, alhoewel de auditeur in zijn verslag de onontvankelijkheid van het beroep heeft voorgesteld, de verzoeker geen verzoek tot voortzetting van de procedure heeft IX-3100-5/7 ingediend. Op grond van artikel 21, zesde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geldt dan ook een vermoeden van afstand van geding. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  12. Vernietigd worden: - de beslissing van het directiecomité van de cvba IBOGEM van 6 september 2001 waarbij de verzoeker preventief geschorst wordt, met behoud van zijn wedde, voor een periode van vier maanden, ingaande op 6 september 2001; - de beslissing van het directiecomité van de cvba IBOGEM van 14 februari 2002 waarbij de verzoeker bij hoogdringendheid preventief geschorst wordt, totdat het directiecomité zich heeft uitgesproken over het al dan niet handhaven van de hem opgelegde tuchtstraf en, ingeval van handhaving, totdat de toezichthoudende overheid zich over de verantwoording van de handhaving heeft uitgesproken, met dien verstande dat de preventieve schorsing alleszins een einde neemt bij het verstrijken van een periode van vier maanden, te rekenen vanaf 14 februari 2002; - de beslissing van het directiecomité van de cvba IBOGEM van 30 mei 2002 waarbij de voornoemde beslissing van 14 februari 2002 integraal bevestigd wordt. Artikel
  13. In zoverre het beroep gericht is tegen de beslissing van de raad van bestuur van de cvba IBOGEM van 9 oktober 2001, wordt de afstand van het geding vastgesteld. Artikel
  14. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en van de beroepen tot nietigverklaring, bepaald op 697,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-3100-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 19 november 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-3100-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.878 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.