id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.887 Rolnummer: A. 157629/IX-4707 Zaak: Arrest 176887 - Varia (openbaar ambt) - 19/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-29 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 04:08 Fiche Arrest nr 176.887 van 19 november 2007 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.887 van 19 november 2007 in de zaak A. 157.629/IX-
- In zake : Fernand KEMPS, die woonplaats kiest bij advocaat R. DOMS, kantoor houdende te LEUVEN, Mgr. Ladeuzeplein 17 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Pensioenen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Fernand KEMPS op 19 november 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 14 september 2004 van de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen waarbij zijn beroep tegen de beslissing van 6 april 2004 van de minister van Pensioenen, houdende de afschaffing, met ingang van 1 april 2004, van zijn vergoeding voor hulp van een derde persoon en van zijn recht op het statuut van groot-invalide, niet gegrond wordt verklaard; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 5 december 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-4707-1/12 Gelet op de beschikking van 26 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 november 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. DOMS, die verschijnt voor verzoeker, en van eerste attaché van financiën J. HEEMERYCK, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
- Verzoeker, beroepsmilitair, dient op 4 oktober 1982 een aanvraag in tot het verkrijgen van een vergoedingspensioen wegens oogproblemen van reumatische oorsprong als gevolg van natte voeten bij het sneeuwruimen in dienstverband in de winters 1960-
- 1.
- De gerechtelijk geneeskundige dienst (hierna: de GGD) bevindt “het oorzakelijkheidsverband tussen de aangehaalde schadelijke feiten en het letsel (...) aanvaardbaar” en schat de invaliditeit wegens “bilaterale aphakia” op 100% aanrekenbaar. De commissie voor vergoedingspensioenen kent hem op 8 maart 1984 een voorlopig pensioen toe, berekend op 100% invaliditeit met ingang van 1 oktober
- 1.
- Op 9 december 1987, naar aanleiding van de vijfjaarlijkse herziening, beslist de minister bevoegd voor de vergoedingspensioenen dat het vergoedingspensioen van verzoeker met ingang van 1 oktober 1987 definitief wordt en dat het bovendien verhoogd wordt met de bijzondere vergoeding voor hulp van een derde persoon, vijfde categorie, eerste graad. IX-4707-2/12 Deze beslissing steunt op het verslag van 29 september 1987 van de GGD waarin vastgesteld wordt dat verzoeker praktisch blind is en waarin de vraag “Dient hij/zij de kamer te houden? In een zetel of een bed te verblijven?” bevestigend beantwoord wordt. 1.
- Op 30 juni 2003 dient verzoeker een aanvraag in wegens verergering op grond van diabetes mellitus, veroorzaakt door een psychisch trauma als gevolg van zijn “praktische blindheid”. 1.
- Op 2 oktober 2003 oordeelt de GGD dat de diabetes niet toegeschreven kan worden aan een psychisch trauma. Hij bevestigt dat verzoeker nood heeft aan hulp van een derde persoon overeenkomstig de vijfde categorie, eerste graad. 1.
- Op 2 april 2004 beslist de minister van pensioenen de beslissing van 9 december 1987 van de staatssecretaris niet te herzien, aangezien de geneeskundig expert geen verband vaststelt tussen de diabetes en een psychisch trauma. 1.
- Op 6 april 2004 beslist de minister van Pensioenen bovendien om de vergoeding voor hulp van een derde persoon met ingang van 1 april 2004 af te schaffen en om verzoeker bijgevolg zijn recht op het statuut van groot-invalide te ontnemen. Deze beslissing rust inzonderheid op de volgende redengeving: “dat ingevolge zijn verergeringsaanvraag die leidde tot de beslissing van 2 april 2004 zijn dossier opnieuw onderzocht werd en vastgesteld werd dat betrokkene sinds 1 januari 1996 lid is van de Commissie voor vergoedingspen- sioenen en sinds die datum reeds 148 maal gezeteld heeft waarbij betrokkene zich vrij verplaatst zonder enige hulp, de dossiers inkijkt en mede beslist, dat op grond van deze nieuwe feiten onweerlegbaar vaststaat dat betrokkene de kamer en het bed niet dient te houden en dus niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 12c van de S.W.V.P. en dus geen recht meer heeft op de vergoeding voor hulp van een derde persoon.” Op 14 mei 2004 tekent verzoeker beroep aan tegen deze beslissing. IX-4707-3/12 1.
- Op 14 september 2004 beslist de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen (hierna : de commissie van beroep) het beroep ontvankelijk te verklaren, maar niet gegrond. Dit is de bestreden beslissing. Zij is verzoeker ter kennis gebracht met een brief van 23 september 2004 en is gemotiveerd als volgt : “Overwegende dat vanaf 1 oktober 1987 een invaliditeit van 100% werd erkend ingevolge schadelijke feiten die zijn gebeurd gedurende en door het feit van de dienst voor de volgende aandoeningen: bilaterale aphakie en oogzenuw- atrofie met praktisch volledige blindheid; Dat ingevolge zijn verergeringsaanvraag die leidde tot de beslissing van 2 april 2004, zijn dossier opnieuw werd onderzocht en er werd vastgesteld dat betrokkene een vergoeding voor hulp van derde persoon genoot waarbij de persoon de kamer of het bed diende te houden; Het betrof een vergoeding voor een hulp van derde (persoon,) 5de categorie 1ste graad wegens ziekte en hij diende daarvoor blijvend de kamer en het bed te houden zoals het verslag van de GGDB van 29.09.1987 en het verslag van de GGD van 2 oktober 2003 expliciet stelt; Er werd vastgesteld dat betrokkene sinds 1 januari 1996 lid is van de Commissie voor vergoedingspensioenen en sinds die datum 148 (maal) gezeteld heeft waarbij betrokkene zich vrij verplaatst zonder enige hulp, de dossiers inkijkt en mede beslist, dat betrokkene tevens regelmatig het bureau vergoe- dingspensioenen bezoekt ten einde inlichtingen in te winnen over de dossiers, dat op grond van deze feiten onweerlegbaar vaststaat dat betrokkene de kamer of het bed niet dient te houden en dus niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 12c van de S.W.V.P. en dus geen recht heeft op de vergoeding voor hulp van derde persoon. Dat de raadsman in zijn betoog stelt : ‘dat de bepaling blijvend de kamer of het bed moeten houden niet anders kan worden geïnterpreteerd dan dat men zich niet vrij en zelfstandig buitenshuis kan begeven’. Dat deze interpretatie veel te ruim is en niet kan gevolgd worden. Dat de wet voorziet dat men de kamer en het bed dient te houden wat inhoudt dat de ziekte de patiënt bedlegerig maakt of dat hij zich ten hoogste nog in zijn kamer kan verplaatsen, niet dat men hulp nodig heeft bij het openbaar vervoer of dat men zelf geen voertuig kan besturen; Dat de neergelegde medische attesten de feiten niet weerleggen.” De grond van de zaak
- In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van de motiveringsplicht, doordat de bestreden beslissing summier en oppervlakkig gesteld is en de motivering geen antwoord geeft op de in de conclusies geformuleerde argumenten en de toegevoegde stukken en zij aldus ten onrechte stelt dat “betrokkene zich vrij verplaatst zonder enige hulp, de dossiers inkijkt en mede beslist”. Hij verwijst naar de verklaring van 16 augustus 2004 van zijn adviserend oogarts Dr. DIRICKX dat hij bij elke verplaatsing van de ene ruimte naar de andere IX-4707-4/12 “een gevaar voor zichzelf en voor anderen (is)” hetgeen hulp van derden noodzake- lijk maakt, naar een verklaring van een getuige ORENS dat hij bij verplaatsingen naar de zittingen van de commissie van beroep steeds vergezeld is en naar het advies van 2 oktober 2003 van dokter VAN DE VREKEN van de GGD, waarin deze uitdrukkelijk stelt dat verzoeker voldoet aan de medische voorwaarden om de bijzondere vergoeding wegens hulp van een derde persoon te kunnen verkrijgen en gerangschikt wordt in de 5de categorie, 1ste graad.
- De verwerende partij antwoordt dat uit de bestreden beslissing duidelijk blijkt op welke gronden de vergoeding voor hulp aan derden, bedoeld in artikel 12, c, van de samengeordende wetten van 5 oktober 1948 op de vergoedings- pensioenen (hierna: de SWVP) afgeschaft wordt, met name omdat de voorwaarde dat verzoeker de kamer of het bed dient te houden niet vervuld is. De commissie van beroep leidt dit af uit het feit dat verzoeker lid is van de commissie voor vergoe- dingspensioenen en daarin reeds 148 maal gezeteld heeft en dat hij met een speciale leesbril de documenten kan lezen en eigenmachtig de dossiers kon onderzoeken, terwijl hij ook de leden van de commissie en het secretariaat herkende. In de bestreden beslissing wordt niet ontkend dat verzoeker zich van thuis tot aan de Financietoren liet begeleiden; er wordt enkel geantwoord op het argument dat het verplicht houden van kamer of bed geïnterpreteerd zou moeten worden als de onmogelijkheid om “zich vrij en zelfstandig buitenshuis te begeven”. Op de zitting van 14 september 2004 hebben de leden van de beroepscommissie overigens zelf kunnen vaststellen dat verzoeker zich zelfstandig kon behelpen zonder hulp van een begeleider. De bestreden beslissing antwoordt overigens ook op de voorgelegde medische attesten waar zij stelt dat deze de feiten niet weerleggen. Haar beslissing moet niet alle aangevoerde attesten afzonderlijk bespreken; er moet enkel duidelijk worden aangegeven op welke redenen zij steunt. Overigens behoort de beoordeling van de feiten en van de bewijskracht van de ingebrachte stukken uitsluitend tot de bevoegdheid van de commissie van beroep. Door te specifiëren waarom verzoekers redenering niet gevolgd kan worden, op welk wetsartikel zij steunt en op welke wijze zij dit artikel interpreteert, heeft de commissie voldaan aan de op haar rustende motiveringsplicht.
- In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker nog dat zijn begeleider hem vergezeld heeft naar de zitting van 14 september 2004 van de commissie van beroep, maar dat hem de toegang tot de zitting geweigerd werd en hij dan bijgestaan werd door zijn raadsman, zodat geenszins gesteld kan worden dat IX-4707-5/12 hij zelfstandig gehandeld heeft. Hij wijst ook nog op de voorgelegde stukken waaruit duidelijk zou blijken dat hij 100% blind is en bijgevolg in aanmerking komt voor de in de SWVP voorziene bijzondere vergoedingen.
- In zijn hoedanigheid van administratieve cassatierechter komt het de Raad van State niet toe na te gaan of de commissie van beroep de feiten al dan niet verkeerd beoordeeld heeft.
- In de conclusie die hij op de zitting van 14 september 2004 van de commissie van beroep ingediend heeft laat verzoeker gelden, enerzijds, dat hij zich, in tegenstelling tot wat in de beslissing van 6 april 2004 gesteld wordt, “niet vrij kan verplaatsen, doch integendeel, wanneer hij de kamer wenst te verlaten, steeds op een derde persoon beroep moet doen, hetzij zijn echtgenote hetzij een andere persoon, dat hij totaal niet in staat is om alleen de woning te verlaten, het openbaar vervoer te nemen of zich op welkdanige andere manier te verplaatsen”, en anderzijds, “dat de bepaling ‘blijvend de kamer of het bed moeten houden’ niet anders kan worden geïnterpreteerd dan dat men zich niet vrij en zelfstandig buitenshuis kan begeven”. Om zijn gebrekkige bewegingsvrijheid te bewijzen verwijst hij naar het advies van Dr. VAN DE VREKEN van de GGD van 2 oktober 2003 “dat concluant de kamer dient te houden en in een zetel of een bed dient te verblijven”, naar een attest van 16 augustus 2004 van Dr. DIRICKX, dat hij enkel “met hulp en onder verantwoordelijkheid van derden” de woning kan verlaten en naar de verklaring van de begeleider, die hem naar de zittingen van de commissie vergezelt.
- De commissie van beroep weerlegt dit verweer en de voorgelegde stavingsstukken waar ze overweegt “dat deze interpretatie (van verzoeker) veel te ruim is en niet kan gevolgd worden. Dat de wet (...) inhoudt dat de ziekte de patiënt bedlegerig maakt of dat hij zich ten hoogste nog in zijn kamer kan verplaatsen, niet dat men hulp nodig heeft bij het openbaar vervoer of dat men zelf geen voertuig kan besturen”. Daarmee geeft de commissie van beroep duidelijk aan dat de voorgelegde bewijsstukken in wezen niet ter zake dienend zijn, aangezien de wet strengere eisen stelt dan verzoeker voorhoudt.
- De commissie van beroep moet niet uitdrukkelijk ingaan op ieder stuk of argument dat haar wordt voorgelegd. Uit haar beslissing moet opgemaakt kunnen worden waarom de aanvraag verworpen wordt. Dat is te dezen het geval. IX-4707-6/12
- Het middel is niet gegrond.
- In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van de rechten van verdediging, aangezien de commissie van beroep niet antwoordt op de in zijn conclusie vervatte argumenten, en hij derhalve niet weet waarom de commissie zijn beroep verworpen heeft.
- De verwerende partij antwoordt dat de bestreden beslissing in niet mis te verstane bewoordingen uiteenzet waarom de vergoeding voor hulp van derden niet toegekend kan worden.
- Verzoeker verduidelijkt nergens welke precieze middelen de commissie van beroep onbeantwoord zou gelaten hebben. Bij ontstentenis van zulke toelichting is het cassatiemiddel niet ontvankelijk.
- In een derde middel voert verzoeker de schending aan van de in kracht van gewijsde getreden beslissing van 9 december 1987 van de staatssecretaris bevoegd voor de vergoedingspensioenen. Door het beroep niet gegrond te verklaren, miskent de commissie van beroep de beslissing van 9 december 1987 waarin hem met ingang van 1 oktober 1987 “definitief” een recht werd verleend op een invaliditeitspensioen berekend op een totale invaliditeitsgraad van 100% en dat “definitief” werd verhoogd met de vergoeding voor hulp van een derde persoon. Tegen die beslissing is geen rechtsmiddel aangewend, zodat zij definitief is en in kracht van gewijsde getreden is.
- De verwerende partij antwoordt dat verzoeker nagelaten heeft dit middel in te roepen voor de commissie van beroep en dat hij het niet ontvankelijk voor het eerst kan opwerpen voor de Raad van State. Voorts stellen zowel de wet als de rechtspraak dat in kracht van gewijsde getreden beslissingen het voorwerp kunnen zijn van een herziening overeenkomstig de artikelen 16 en 40 SWVP.
- In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat het middel wel degelijk aangevoerd werd voor de commissie van beroep. Voorts erkent hij dat alle beslissingen voor herziening vatbaar zijn wanneer nieuwe gegevens aangevoerd worden, maar hij vraagt zich af welke die nieuwe gegevens in dit geval zijn. Het feit dat hij niet dag en nacht de kamer moet IX-4707-7/12 houden, kan geenszins als zulk nieuw gegeven in de zin van artikel 40 SWVP weerhouden worden want reeds in 1987, bij de kennisneming van het verslag van de GGD waarin vastgesteld was dat hij buitenshuis onderzocht was, wist het bestuur dat hij onder begeleiding de kamer kon verlaten.
- Uit de procedurestukken valt niet op te maken dat verzoeker de commissie van beroep gewezen zou hebben op de schending van een definitief geworden beslissing. Dit belet niet dat de Raad van State desnoods ambtshalve nagaat of de commissie van beroep geen definitief geworden beslissing miskent. Het middel is ontvankelijk.
- De beslissing van 9 december 1987 van de staatssecretaris bevoegd voor de vergoedingspensioenen, waarbij aan verzoeker de bijzondere vergoeding voor hulp van een derde persoon toegekend wordt, is een ministeriële beslissing inzake de periodieke herziening van een vergoedingspensioen. Dergelijke beslissing, die als beslissing van een administratieve overheid niet met het gezag van gewijsde is bekleed en ook niet in “kracht van gewijsde” is gegaan, is krachtens het laatste lid van artikel 16 SWVP “vatbaar voor de beroepen in artikel 45, § 4, bepaald, en voor herziening onder de voorwaarden en naar de modaliteiten bepaald bij artikel 40”. Artikel 40 SWVP luidt als volgt : “Alle beslissingen in zake vergoedingspensioenen of door deze wet aan bedoelde pensioenen verbonden bijslagen van alle aard kunnen herzien worden wanneer bevonden wordt dat de eerste beslissing op een vergissing berust of wanneer nieuwe gegevens aangevoerd worden en de herziening rechtvaar- digen.”
- De nieuwe gegevens of nieuwe feiten op grond waarvan in het voorliggende geval tot een herziening overeenkomstig artikel 40 SWVP is overgegaan, zijn duidelijk vermeld in de beslissing van 6 april 2004 van de minister van Pensioenen en worden herhaald in de bestreden beslissing, met name de deelneming door verzoeker aan de activiteiten van de commissie voor vergoedings- pensioenen waarvan hij sedert 1 januari 1996 lid is. Aangenomen zelfs dat de minister bij het nemen van het besluit van 9 december 1987 kennis had van het feit dat hij inderdaad buitenshuis door de GGD onderzocht was, dan nog kon hij op dat ogenblik onmogelijk reeds op de hoogte zijn van de nieuwe feiten waarop de IX-4707-8/12 herzieningsbeslissing van 6 april 2004 steunt, vermits deze dateren van na zijn aanstelling tot lid van de commissie voor vergoedingspensioenen op 1 januari
- Op grond van deze nieuwe gegevens kon de commissie van beroep terugkomen op de definitief geworden beslissing van 9 december
- Het middel is niet gegrond.
- In een vierde middel voert verzoeker aan dat het bestreden besluit een foutieve interpretatie geeft aan artikel 12, c, van de SWVP. Volgens hem strekken de woorden “blijvend de kamer of het bed moeten houden” er enkel toe invaliden die zichzelf kunnen behelpen, van de bijzondere vergoeding uit te sluiten. Door die bewoordingen letterlijk te inter- preteren gaat de beroepscommissie voorbij aan de enig mogelijke zinnige betekenis ervan, met name dat om aanspraak te maken op die vergoeding, de invaliditeit minstens 100% moet bedragen en men niet zelfredzaam mag zijn, hetgeen onder meer blijkt uit het zich niet alleen en zelfstandig buitenshuis kunnen begeven.
- De verwerende partij antwoordt dat artikel 12, c, SWVP een vergoeding voor hulp van een derde persoon toelaat aan een persoon die als gevolg van een ziekte blind geworden is, zelfs wanneer het een praktische en geen volledige blindheid betreft, maar dat de wet duidelijk melding maakt van het blijvend houden van kamer of bed. Die bepaling is duidelijk en behoeft geen interpretatie : de bijzondere vergoeding kan enkel toegekend worden aan bedlegerige zieken die in een bed verblijven of in een zetel in een kamer. De redenering van verzoeker dat men ook recht zou hebben op de bijzondere vergoeding wanneer men zich niet zelfstandig buitenshuis kan verplaatsen, is een buitensporige verruiming van artikel 12, c, tweede lid, SWVP. De commissie van beroep heeft dit artikel op correcte wijze geïnterpreteerd.
- In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat volgens de letterlijke interpretatie van artikel 12, c, tweede lid, SWVP hij nooit zijn woning zou mogen verlaten, ook niet met hulp van een derde persoon. Dit kan nooit de bedoeling van de wetgever geweest zijn. Hij voegt daaraan toe dat artikel 15, b, SWVP blindheid gelijk stelt met amputatie, waaruit volgt dat blindheid geen ziekte is, maar een verminking en hij zelfs niet gebonden is de kamer of het bed te houden. IX-4707-9/12
- In zijn laatste memorie stelt verzoeker nog dat, zo men aanneemt dat artikel 12, c, tweede lid, SWVP niet betekent dat de eigen woning nooit mag verlaten worden, maar dat dit slechts uitzonderlijk en met de nodige voorzorgen en hulp kan gebeuren, de bestreden beslissing die bepaling wel degelijk miskent omdat zij ervan uitgaat dat de betrokkene het huis niet meer kan verlaten maar zich enkel nog in de eigen kamer kan verplaatsen. In ieder geval begeeft hij zich slechts uitzonderlijk buitenshuis en dan nog alleen mits begeleiding.
- Artikel 12, c, SWVP bepaalt : “De in b) vermelde bijzondere vergoeding voor hulp van een derde persoon kan eveneens worden toegekend aan invaliden wegens krankzinnigheid die een vergoeding ten bedrage van 100 pct. genieten en niet in een bijzondere inrichting opgesloten zijn. Dit geldt eveneens voor de invaliden die aangetast zijn door ziekten die een totale vergoedbare invaliditeit van minstens 100 pct. met zich brengen, en die, uit dien hoofde, blijvend de kamer of het bed moeten houden.” Het recht op vergoeding voor hulp van een derde persoon moet beoordeeld worden in functie van de vraag of de betrokkene 100 % vergoedbare invaliditeit bezit en uit dien hoofde de kamer of het bed moet houden en niet in functie van de vraag of hij hulp van derden nodig heeft.
- De in de wet gehanteerde bewoordingen “uit dien hoofde blijvend de kamer of het bed moeten houden” zijn duidelijk : de gezondheidstoestand van de invalide is zodanig dat hij permanent in bed of althans in de kamer moet blijven. Het betreft dus invaliden wier gezondheidstoestand het verlaten van de kamer niet toelaat. Een ruime interpretatie van die bepaling, zoals verzoeker voorstaat, kan niet aangenomen worden, aangezien daardoor het uitdrukkelijk door de wetgever gemaakte onderscheid tussen invaliden “die in de onmogelijkheid verkeren alleen sommige noodzakelijke levensverrichtingen te vervullen” - artikel 12, b, SWVP - en invaliden waarvan de invaliditeit tot gevolg heeft dat zij “blijvend de kamer of het bed moeten houden” - artikel 12, c, SWVP - tenietgedaan wordt.
- Zelfs indien artikel 12, c, tweede lid, SWVP zo geïnterpreteerd zou moeten worden dat het permanent houden van de kamer of het bed niet onverenigbaar is met het feit dat de aanvrager in uitzonderlijke omstandigheden zijn woning kan verlaten, kan te dezen vastgesteld worden dat het motief waarop de commissie van beroep haar beslissing gesteund heeft - de deelneming van verzoeker aan 148 zittingen van de commissie voor vergoedingspensioenen - in redelijkheid IX-4707-10/12 de conclusie kan verantwoorden dat het verlaten van de woning voor verzoeker niet uitzonderlijk is.
- Verzoeker verwijst in zijn memorie van wederantwoord naar artikel 15, b, SWVP. Volgens hem is zijn situatie dezelfde als die van een verminkte en is zijn blindheid dus geen ziekte zodat de verwijzing naar het houden van de kamer of het bed op zijn geval niet van toepassing is. In de mate dat verzoeker aldus de miskenning aanvoert van artikel 15, b, SWVP, beroept hij zich op een nieuw middel dat hij in zijn verzoek- schrift had kunnen aanvoeren. Het middel is niet ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het cassatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. IX-4707-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 19 november 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, de H. W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-4707-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.887 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.