id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.945 Rolnummer: A. 137813/IX-3817 Zaak: Arrest 176945 - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen - 21/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-04 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 04:09 Fiche Arrest nr 176.945 van 21 november 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.945 van 21 november 2007 in de zaak A. 137.813/IX-
- In zake : Paul VINDELINCKX, die woonplaats kiest bij advocaat S. BUTENAERTS, kantoor houdende te BRUSSEL, Leopold II-laan
- tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door:
- de Eerste Minister,
- de Vice-Eerste Minister en de Minister van Begroting en Consumentenzaken,
- de Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid,
- de Minister van Buitenlandse Zaken. die woonplaats kiezen bij advocaten A. WITTERS en L. SOMMERIJNS, kantoor houdende te BRUSSEL, Vorstlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Paul VINDELINCKX op 9 juli 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 12 mei 2003 betreffende de overdracht van de goederen, rechten en verplichtingen van de Belgische Dienst voor de Buitenlandse Handel aan het Agentschap voor Buitenlandse Handel, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 juni 2003; Gelet op het arrest nr. 120.794 van 23 juni 2003 waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerleg- ging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; IX-3817-1/7 Gelet op de beschikking van 18 juni 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 5 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 november 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. SCHALENBOURG die, loco advocaat S. BUTENAERTS verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat C. DE WOLF, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
- De verzoeker is van 1 augustus 1963 tot 30 november 2001 krachtens een dienstverhuringscontract tewerkgesteld geweest bij de Belgische Dienst voor Buitenlandse Handel (hierna: BDBH). Op 1 december 2001 is hij met pensioen gegaan. 1.
- Naast zijn wettelijk pensioen heeft de verzoeker recht op een extra-legaal pensioen in het kader van een door de BDBH gesloten groepsverzekering, die bedoeld is om het verschil te compenseren met de gunstiger pensioenregeling van het rijkspersoneel. 1.
- Toen de verzekeraar eind 2001 besloot tot de ontbinding van de groepsverzekeringsovereenkomst, wegens een probleem van onderfinanciering, stelde de verzoeker op 29 november 2001 een vordering in tegen de BDBH, IX-3817-2/7 strekkende tot betaling van achterstallige bedragen aan extra-wettelijk pensioen, onder de vorm van een kapitaaluitkering. Volgens de verzoeker was de verwerende partij, na betaling van een voorschot van 128.830,24 euro, nog een bedrag van 128.803,84 euro verschuldigd. De verwerende partij daarentegen was van oordeel dat zij een bedrag van 163.353,88 euro verschuldigd was, bedrag dat zij in de loop van de procedure ook effectief uitgekeerd zou hebben. Bij vonnis van 20 januari 2003 besliste de Arrondissementsrechtbank te Brussel dat de arbeidsrechtbank onbevoegd was, en verwees zij de zaak naar de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Door de partijen is meegedeeld dat de rechtbank de vordering bij vonnis van 23 september 2004 heeft afgewezen, dat de verzoeker tegen dit vonnis hoger beroep heeft ingesteld, en dat dit beroep thans nog hangende is bij het Hof van Beroep te Brussel. 1.
- Ondertussen is bij de wet van 2 augustus 2002 tot wijziging van de wet betreffende de afschaffing of herstructurering van instellingen van openbaar nut en andere overheidsdiensten, gecoördineerd op 13 maart 1991, een artikel 26quater ingevoegd in de genoemde gecoördineerde wet. Volgens dat artikel wordt de BDBH afgeschaft op een door de Koning te bepalen datum en worden de taken ervan overgedragen aan de gewesten. De Koning wordt voorts gemachtigd om de ontbinding van de BDBH te regelen en om de overdracht te regelen van de personeelsleden, de goederen en de rechten en verplichtingen van de BDBH naar de gewesten en naar het Agentschap voor Buitenlandse Handel. 1.
- Op 27 december 2002 diende de verzoeker, gelet op de nakende ontbinding van de BDBH, samen met twee andere gepensioneerde personeelsleden een verzoek in bij de beslagrechter in de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, strekkende tot het verkrijgen van de toelating om bewarend beslag te leggen op de roerende goederen van de BDBH. Bij beschikking van 20 januari 2003 is de gevraagde toelating verleend. Op 4 februari 2003 heeft een gerechtsdeurwaarder vervolgens effectief bewarend beslag gelegd op een ganse reeks goederen. Op 4 maart 2003 heeft de BDBH derdenverzet ingesteld tegen de genoemde beschikking van de beslagrechter, en gevorderd dat aan de beslagleggers, waaronder de verzoeker, bevel zou worden gegeven om het beslag op te heffen. IX-3817-3/7 1.
- Terwijl dit derdenverzet aanhangig was, is ter uitvoering van het genoemde artikel 26quater van de gecoördineerde wet van 13 maart 1991 op 12 mei 2003 een koninklijk besluit genomen, betreffende de overdracht van de goederen, rechten en verplichtingen van de Belgische Dienst voor Buitenlandse Handel aan het Agentschap voor Buitenlandse Handel, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Dit besluit is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 juni
- De artikelen 2 tot 4 voorzien in de overdracht van de goederen van de BDBH aan het Agentschap en de gewesten. Volgens artikel 6 worden de rechten en verplichtingen van de BDBH, andere dan die welke verband houden met personeelsleden die overgaan naar het Agentschap of de gewesten, aan het Agentschap overgedragen. Artikel 8 bepaalt dat het besluit uitwerking heeft met ingang van 1 januari
- Dit koninklijk besluit van 12 mei 2003 is het bestreden besluit. 1.
- Op de vraag van de auditeur-verslaggever naar de stand van de beslagprocedure heeft de verwerende partij op 15 mei 2007 laten weten dat de partijen tot een oplossing zijn gekomen, “waarbij de bedragen waarvoor beslag werd gelegd, werden geconsigneerd, zodat het beslag kon worden opgeheven”. De verzoeker heeft op 22 mei 2007 laten weten dat “het geschil voor de beslagrechter werd doorgehaald nadat de tegenpartij de nodige bedragen heeft gekantonneerd”. Over het voorwerp van het beroep
- Uit het verzoekschrift, en met name uit de ingeroepen middelen, blijkt dat de verzoeker zich slechts gegriefd acht door artikel 8 van het bestreden besluit, waarbij terugwerkende kracht wordt verleend aan dat besluit. De verzoeker is meer bepaald van oordeel dat het door hem gelegde beslag door de terugwerkende kracht zonder voorwerp zou worden. Met betrekking tot de overige bepalingen van het bestreden besluit, of met betrekking tot de overdracht in het algemeen, worden in het verzoekschrift geen grieven aangevoerd. Er wordt ook niet uiteengezet hoe de verzoeker door die overdracht benadeeld wordt en welk voordeel hij nastreeft met een eventuele nietigverklaring van het volledige bestreden besluit. IX-3817-4/7 De Raad van State gaat er dan ook van uit dat het voorwerp van het beroep beperkt is tot het artikel 8 van het bestreden besluit. Over de ontvankelijkheid van het beroep 3.
- In zijn verzoekschrift legt de verzoeker de nadruk op het feit dat de goederen van de BDBH ingevolge het bestreden besluit worden overgedragen aan het agentschap en de gewesten “met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2003, dus vóór het leggen van het bewarend beslag”. Door de verwerende partij is bij elk van de twee middelen niettemin de vraag gesteld of de verzoeker wel een belang kan doen gelden, gelet op het feit dat, zo zijn subjectieve rechten zijn overgedragen aan een rechtsopvolger van de BDBH, er geenszins een vermindering is van het hem toebehorende onderpand. De verwerende partij verwijst daarbij ook naar de regeling die, i.v.m. de vroegere groepsverzekering van de BDBH, is vervat in het koninklijk besluit van 27 maart 2003 houdende uitvoering van de artikelen 34 en 35 van de wet betreffende de afschaffing of de herstructurering van instellingen van openbaar nut en andere overheidsdiensten, gecoördineerd op 13 maart
- In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat het genoemde koninklijk besluit van 27 maart 2003 het voorwerp uitmaakt van een beroep tot nietigverklaring. Indien dat besluit vernietigd zou worden, is het van essentieel belang dat de goederen en gelden tot dekking van de pensioenen niet overgaan van de BDBH naar een andere overheid. Nadat de auditeur-verslaggever heeft vastgesteld dat het bewarend beslag opgeheven blijkt te zijn, ten gevolge van een kantonnement, werpt hij ambtshalve een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van een actueel belang. In zijn laatste memorie gaat de verzoeker op die exceptie niet in. Hij beperkt zich tot een herhaling van wat hij in verband met zijn belang reeds in de memorie van wederantwoord uiteengezet heeft. 3.
- Uit de wijze waarop de verzoeker zijn belang omschrijft en uit de grieven die hij in de middelen aanvoert, blijkt dat de verzoeker zijn belang bij het aanvechten van artikel 8 van het bestreden besluit steunt op de omstandigheid dat IX-3817-5/7 de terugwerkende kracht van het bestreden besluit, tot vóór de datum waarop het bewarend beslag is gelegd, de effecten van dat beslag teniet zou doen. Uit de antwoorden van de partijen op de vraag van de auditeur- verslaggever blijkt dat een kantonnement heeft plaatsgevonden, waarbij de schuldenaar, te dezen de BDBH of de rechtspersoon die in zijn rechten is getreden, een toereikend bedrag in consignatie heeft gegeven om tot waarborg te strekken voor de oorzaken van het beslag in hoofdsom, interesten en kosten. In die omstandigheden moet vastgesteld worden dat een eventuele nietigverklaring van artikel 8 van het bestreden besluit de verzoeker niet tot enig voordeel kan strekken. Ten gevolge van het kantonnement is het beslagene immers bevrijd. De terugwerkende kracht van het bestreden besluit heeft dan ook geen gevolgen meer voor het bewarend beslag dat mede namens de verzoeker is gelegd. Bovendien is door het kantonnement een bedrag beschikbaar gesteld, strekkende tot waarborg van de vordering die thans nog bij het hof van beroep aanhangig is. De terugwerkende kracht van het bestreden besluit doet hieraan geen afbreuk. Weliswaar verwijst de verzoeker in zijn brief van 22 mei 2007 aan de auditeur-verslaggever, tot staving van het behoud van zijn belang, ook naar het feit dat het burgerlijk geschil ten gronde tussen hemzelf en de BDBH, thans het Agentschap, nog aanhangig is bij het hof van beroep. De verzoeker licht de relevantie van het bestaan van dat geding voor het belang bij het voorliggende beroep echter niet nader toe. De Raad van State ziet ook niet in hoe de verzoeker zich op het bestaan van dat geding kan beroepen, tot staving van het belang bij een beroep dat geacht moet worden slechts betrekking te hebben op de terugwerkende kracht van het bestreden besluit. In de gegeven omstandigheden moet dan ook ambtshalve vastgesteld worden dat de verzoeker niet langer doet blijken van het rechtens vereiste belang. Het beroep is bijgevolg onontvankelijk. IX-3817-6/7 Over de kosten
- Aangezien het teloorgaan van het belang mede het gevolg is van de regeling die de partijen gesloten hebben in verband met de opheffing van het bewarend beslag, is het passend de verwerende partij in de kosten te verwijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 21 november 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E BREWAEYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-3817-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.945 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.120.794 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.