← België

Arrest 176947 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 21/11/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.947 Rolnummer: A. 99060/IX-2666 Zaak: Arrest 176947 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 21/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-29 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:09 Fiche Arrest nr 176.947 van 21 november 2007 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.947 van 21 november 2007 in de zaak A. 99.060/IX-

  1. In zake : Eduard VAN NIEUWENHUYSE, die woonplaats kiest bij advocaten D. RENDERS en B. CAMBIER, kantoor houdende te BRUSSEL, Winston Churchilllaan 253 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale politie Algemeen Commando DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Eduard VAN NIEUWENHUYSE op 4 januari 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 20 oktober 2000 waarbij hij met toepassing van artikel 9, tweede lid, van het koninklijk besluit van 26 januari 1999 op datum van 26 juni 1999 wordt benoemd in de graad van eerste wachtmeester bij de rijkswacht binnen de personeelscategorie met bijzondere politiebevoegdheid, dienst luchtvaartpolitie van het operationeel korps van de rijkswacht; Gelet op het arrest nr. 96.279 van 11 juni 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 24 juli 2001 door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; IX-2666-1/8 Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur St. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 10 mei 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 11 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 september 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. WAUTERS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van hoofdcommissaris-jurist-directeur M. DE MESMAEKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur St. DE TAEYE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
  3. Verzoeker oefent op de luchthaven Brussel-Nationaal de functie uit van eerste onderluchthavenmeester bij de luchtvaartpolitie. Hij bezit de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie (OGP) en van officier van bestuurlijke politie (OBP). 1.
  4. De wet van 17 november 1998 houdende integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht (de “kleine integratie” genoemd), bevat een artikel 2, 2/, dat artikel 11 van de wet van 2 december 1957 op de rijkswacht (hierna: de wet van 2 december 1957) aanvult IX-2666-2/8 teneinde, overeenkomstig de door de Koning vast te stellen regels, de leden van de luchtvaartpolitie naar de rijkswacht over te hevelen. Twee koninklijke besluiten van 26 januari 1999, in werking getreden op 1 maart 1999, stellen een aantal bepalingen van die wet in werking en concretiseren de inhoud ervan. Het koninklijk besluit van 29 april 1999 tot vaststelling van de gelijkwaardigheid van de graden van bepaalde personeelsleden van de categorie bijzonder politiepersoneel, dienst luchtvaartpolitie van de rijkswacht, met die van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht, heeft de graad van onderluchthavenmeester en eerste onderluchthavenmeester gelijkwaardig gesteld met de graad van wachtmeester respectievelijk eerste wachtmeester. 1.
  5. Op 31 maart 1999 ondertekent verzoeker een aanvraagformulier voor de overplaatsing naar het operationeel korps met bijzondere politiebevoegd- heid van de rijkswacht. 1.
  6. Bij artikel 12 van het ministerieel besluit van 20 oktober 2000 worden, met toepassing van artikel 9, tweede lid, van het koninklijk besluit van 26 januari 1999 tot vaststelling van de inwerkingtreding van sommige bepalingen van de wet van 17 november 1998 en houdende de regeling van de integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht en houdende de regeling van de integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht, een aantal personeelsleden “van de categorie bijzonder politiepersoneel, dienst luchtvaartpolitie van de rijkswacht benoemd in de graad van eerste wachtmeester bij de rijkswacht binnen de personeelscategorie met bijzondere politiebevoegdheid, dienst luchtvaartpolitie van het operationeel korps van de rijkswacht”. Aldus wordt verzoeker op 26 juni 1999 benoemd in de graad van eerste wachtmeester. Deze beslissing vormt het voorwerp van het onderhavige annulatieberoep. IX-2666-3/8 1.
  7. Onder meer met de arresten van 30 maart 2001 -nrs. 94.455 tot 94.459- en van 27 juni 2001 -nrs. 97.061 en 97.062- vernietigt de Raad van State een aantal van de in het ministerieel besluit van 20 oktober 2000 opgenomen individuele beslissingen waarbij collega’s van verzoeker, die net als hij hun overplaatsing naar het operationeel korps van de rijkswacht hadden verzocht, als wachtmeester of eerste wachtmeester in de rijkswacht werden geïntegreerd. De vernietiging steunt onder meer op de vaststelling dat artikel 11, § 2, vierde lid, van de wet van 2 december 1957, gewijzigd bij artikel 2, 2/, van de wet van 17 november 1998, aan de politieambtenaren die op hun vraag overgegaan zijn naar het operationeel kader van de rijkswacht, het behoud waarborgt van de hoedanighe- den van officier van gerechtelijke politie (OGP) en officier van bestuurlijke politie (OBP) die zij voordien bezaten, dat artikel 1, § 2, van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht (hierna: de wet van 27 december 1973) de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie voorbehoudt voor de titularissen van tenminste de graad van opperwachtmeester of voor de leden van het rijkswachtpersoneel die een brigade bevelen, dat de betrokkene de hoedanigheid van officier van bestuurlijke politie en van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings bezat en hij die hoedanigheden ten gevolge van het bestreden ministerieel besluit verliest, aangezien hij in de rijkswacht geïntegreerd wordt in de graad van wachtmeester, een graad waaraan deze hoedanigheden niet gekoppeld zijn. In zoverre het bestreden ministerieel besluit de betrokkene benoemt in de graad van wachtmeester, schendt het artikel 11, § 2, van de wet van 2 december 1957 en kent het een graad met een onwettige gelijkwaardigheid toe. 1.
  8. Met het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (het RPPol) wordt het personeel van de rijkswacht ingevoegd in de nieuwe politiestructuur, tot stand gebracht met de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een politiedienst gestructureerd op twee niveaus (hierna: de wet van 7 december 1998). Het betreft de zogenaamde “grote integratie”. Overeenkomstig artikel XII.II.15 van dat besluit en de tabel B van bijlage 11 worden de titularissen van de graad van eerste wachtmeester bij de rijkswacht en eerste onderluchthavenmeester bij de rijkswacht (punten 3.7 en 3.8 van de derde kolom van tabel B van bijlage 11 RPPol) opgenomen in het basiskader in de nieuwe graad van inspecteur van politie. IX-2666-4/8 Met een ministerieel besluit van 14 november 2001 houdende de graad- en loonschaaltoewijzing aan bepaalde personeelsleden van de federale politie zijn de voormelde bepalingen van het RPPol geïndividualiseerd. Verzoeker, alsdan titularis van de graad van eerste wachtmeester bij de rijkswacht, krijgt aldus de nieuwe graad van inspecteur van politie toegewezen. Die beslissing vormt het voorwerp van het beroep nr. G/A 115.586/IX-
  9. Bij arrest nr. 176.949 van heden wordt dat beroep verworpen omdat de aangevoerde middelen niet gegrond zijn. 1.
  10. De wetgever heeft artikel XII RPPol bekrachtigd (artikel 131 van de programmawet van 30 december 2001). Met zijn arrest nr. 102/2003 van 22 juli 2003 vernietigt het Grondwettelijk Hof evenwel artikel XII.II.15 RPPol in de mate dat de inschaling van de onderluchthavenmeesters en de eerste onderluchthavenmeesters, die gekozen hadden voor het behoud van hun oorspronkelijk statuut en die aldus opgenomen zijn in de categorie “Bijzonder Politiepersoneel” van de rijkswacht -categorie waartoe de verzoeker overigens niet behoort-, hun niet toelaat hun hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie en van officier van bestuurlijke politie te behouden. Het Hof oordeelt dat er geen redelijke verantwoording bestaat om die personen, door hun inschaling in de nieuwe graad van inspecteur van politie, de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings en van officier van bestuurlijke politie te ontnemen, terwijl in het behoud van die hoedanigheden was voorzien bij artikel 11, § 2, van de wet van 2 december 1957 en bij artikel 253, derde lid van de wet van 7 december 1998 (overweging B.18.3). 1.
  11. Met de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten, komt de wetgever tegemoet aan het genoemde arrest van het Grondwettelijk Hof. Er wordt nu uitdrukkelijk bepaald -artikel 2 van deze wet, waarbij artikel 11, § 2, vierde lid, van de wet van 2 december 1957 op de rijkswacht met ingang van 1 maart 1999 wordt vervangen- dat, in afwijking van artikel 1, § 2, derde lid, van de wet van 27 december 1973, de politieambtenaren van de bijzondere politiekorpsen die vóór hun overplaatsing naar de rijkswacht de hoedanigheid hadden van OBP of OGP op het ogenblik van de kleine integratie die hoedanigheid behouden, “ongeacht de graad waarin zij ingeschaald zijn”. Een gelijkaardige IX-2666-5/8 bepaling wordt ook ingevoerd ten aanzien van de grote integratie (artikel 7 van de wet van 3 juli 2005, waarbij artikel 253 derde lid, van de wet van 7 december 1998 met ingang van 1 april 2001 wordt vervangen).
  12. Verzoeker verzet zich tegen de beslissing waarbij hij ter gelegenheid van de kleine integratie naar het operationeel kader van de rijkswacht getransfereerd is. Hij beoogt te laten vaststellen dat hij, wegens de hoedanigheden van OBP en OGP die hij bezit, bij de rijkswacht ingeschaald had moeten worden in een graad die aan de titularis de hoedanigheid van OGP en OBP -officier of minstens opperwachtmeester- verleent, of in een graad die de brigadecommandanten hebben -die eveneens de hoedanigheid van OGP en OBP hebben. Een vernietiging van die beslissing zal voor de verwerende partij de verplichting met zich brengen om de situatie van verzoeker te heroverwegen. Die heroverweging kan leiden tot een nieuwe beslissing die gunstig is voor verzoeker, ook wat zijn inschakeling in het operationeel kader van de federale politie betreft. Dat verleent hem het vereiste belang, temeer daar de wet van 3 juli 2005 de -eerste- onderluchthavenmeesters die niet vrijwillig gekozen hebben voor de overgang naar de rijkswacht en die aldus, met dezelfde graad van -eerste- onderluchthavenmeester opgenomen zijn in de categorie van het bijzonder politiepersoneel van de rijkswacht in de bijlage 11 bij het RPPol dan wel weer van het basiskader overgeheveld heeft naar het middenkader.
  13. Verzoeker roept, net als de verzoekers in de zaken die geleid hebben tot de in punt 1.5 vermelde arresten, als annulatiemiddel onder meer in -eerste middel, tweede onderdeel- dat de graad van eerste wachtmeester, waarin hij getransfereerd is, niet die is welke de wet hem garandeert, aangezien de graad van eerste wachtmeester niet impliceert dat hij de hoedanigheid van OGP en OBP bezit. De auditeur-verslaggever heeft dat onderdeel van het middel gegrond bevonden.
  14. Sedert de goedkeuring van de wet van 3 juli 2005 kan de redenering, aangenomen in de sub 1.
  15. vermelde arresten, evenwel niet meer aangehouden worden. Inderdaad, deze wet bepaalt formeel en retroactief dat de leden van de luchtvaartpolitie, los van de graad waarin zij naar de rijkswacht worden overgeheveld, de hoedanigheden van OGP en OBP die zij bij de luchtvaartpolitie bezaten, behouden. Aan de vaststelling dat de graad waarmee de betrokkenen in de rijkswacht geïntegreerd worden de genoemde hoedanigheden institutioneel niet insluit kan dan ook geen belang meer gehecht worden en er kan geen motief meer IX-2666-6/8 worden in gevonden om te besluiten dat de graad van eerste onderluchthavenmeester op het kader van de luchtvaartpolitie en op het kader van de categorie bijzonder politiepersoneel van de rijkswacht niet gelijkwaardig zijn met de graad van eerste wachtmeester op het kader van het operationeel korps van de rijkswacht. De Raad van State kan dan ook op dit ogenblik niet meer vaststellen dat er, wegens ontstentenis van de hoedanigheid van OGP en OBP, geen gelijkwaardigheid bestaat tussen de graad van eerste onderluchthavenmeester en deze van eerste wachtmeester. Het tweede onderdeel van het eerste middel kan in de huidige stand van de wetgeving niet tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden. Het is dan ook onontvankelijk, bij gebrek aan belang.
  16. Het auditoraatsverslag is beperkt tot het onderzoek van het tweede onderdeel van het eerste middel. Het onderzoek van de zaak moet voortgezet worden. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  17. De debatten worden heropend. Artikel
  18. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek. IX-2666-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 21 november 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, de H. W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-2666-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.947 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.96.279 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.923 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.